Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNNE:2014:5907 ECLI:NL:RBNNE:2014:5907 AI generated

ECLI:NL:RBNNE:2014:5907 · Rechtbank Noord-Nederland

Case Number ECLI:NL:RBNNE:2014:5907
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/630496-11 (vordering tot ontneming) beslissing van de meervoudige kamer d.d. 27 november 2014 op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen [verdachte], geboren te [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [woonadres], hierna te noemen: veroordeelde. Procesverloop De officier van justitie heeft d.d. 21 augustus 2013 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 38.447,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Legislator headnote

AI generated

artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBNNE:2014:5907 · Rechtbank Noord-Nederland: De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 november 2014. De verdachte, diens raadsman, mr. A. Allersma, en de officier van justitie zijn op de vordering gehoord. Standpunt officier van justitie De officier van justitie persisteert bij haar vordering. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden nu veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten na aftrek van de investeringskosten. Beoordeling De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 27 november 2014 in de zaak met bovengenoemd parketnummer veroordeeld ter zake van het omstreeks 26 augustus 2011 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal.

Keywords

AI generated
undeclared assets unlawfully obtained evidence fraudulent concealment of defects counterfeiting official revenue stamps implausible account of facts proof of negative facts

Cited Legislation

AI generated
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
27 november 2014 op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen [verdachte], geboren te [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [woonadres], hierna te noemen: veroordeelde.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/630496-11 (vordering tot ontneming) beslissing van de meervoudige kamer d.d. 27 november 2014 op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen [verdachte], geboren te [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [woonadres], hierna te noemen: veroordeelde. Procesverloop De officier van justitie heeft d.d. 21 augustus 2013 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 38.447,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 november 2014. De verdachte, diens raadsman, mr. A. Allersma, en de officier van justitie zijn op de vordering gehoord. Standpunt officier van justitie De officier van justitie persisteert bij haar vordering. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden nu veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten na aftrek van de investeringskosten. Beoordeling De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 27 november 2014 in de zaak met bovengenoemd parketnummer veroordeeld ter zake van het omstreeks 26 augustus 2011 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal.

Uit de inhoud van het strafdossier blijkt dat de op 26 augustus 2011 door verbalisanten aangetroffen 32,4 kilo hennep op last van het openbaar ministerie in beslag is genomen. Noch uit het strafdossier noch uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij d.d. 6 oktober 2011, is aannemelijke geworden dat er sprake is geweest van (een) eerdere oogst(en). Gelet op vorenstaand is de rechtbank van oordeel dat de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen dient te worden nu er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde uit de bewezenverklaarde feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING De rechtbank - wijst de vordering van de officier van justitie af. Dit vonnis is gewezen door mrs. H.L. Stuiver, voorzitter, A. Fokkema en P.H.M. Smeets rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2014 zie straf dossiernr. PL01MF 2011085585 d.d. 3 januari 2011, pagina 35