Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2026:8246 ECLI:NL:RBNHO:2026:8246 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2026:8246 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2026:8246
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/373977 / JU RK 26-146 Datum uitspraak: 1 juni 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2026:8246 · Rechtbank Noord-Holland: Op verzoek van de GI kijkt [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] nu naar wat helpend is voor [de minderjarige] en welke vorm van therapie mogelijk is. Het is zorgelijk dat [de minderjarige] niet naar school gaat en de GI is actief bezig met het zoeken naar een passende school. Verder zijn met de moeder doelen opgesteld waarin grote stappen worden gezet. Zo heeft de moeder hulp gezocht voor haar eigen problematiek. Toch zijn nog zorgen over de draagkracht van de moeder en is de GI bang dat de moeder overvraagd wordt. De moeder kan [de minderjarige] nog onvoldoende begrenzen en [de minderjarige] ’s zorgvraag kan nu niet bij haar worden neergelegd.

Keywords

AI generated
leave for youth work placement of a child foster care care leave for relatives childcare allowance child-raising credit period
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/373977 / JU RK 26-146 Datum uitspraak: 1 juni 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr.

M. van Espen uit Hoorn. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 5 februari 2026 en de daarin genoemde stukken; - de update van de GI, ontvangen op 19 mei 2026. 1.2. Op 1 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] . 1.3. De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend aan [de ambulant hulpverlener] , de ambulant hulpverlener van de moeder, om tijdens de zitting aanwezig te zijn. 1.4.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover via een videobelverbinding een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. 2De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.2. [de minderjarige] staat ingeschreven bij de moeder, maar verblijft op een locatie van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van 10 februari 2023 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld.

De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en duurt nu nog tot 10 februari 2027. 2.4. Bij beschikking van de kinderrechter van 23 januari 2026 is een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Daarna is bij beschikking van de kinderrechter van 5 februari 2026 een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs tot 5 juni 2026, waarbij de beslissing op het verzoek voor het overige pro forma is aangehouden. De zitting is daarna gepland op 1 juni 2026. 3Het resterende verzoek 3.1.

De GI verzoekt thans de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De GI onderbouwt het resterende verzoek als volgt. [de minderjarige] doet goed mee met het dagprogramma van de woongroep, al vindt hij het steeds moeilijker om zich te houden aan de groepsregels. Hij is in de afgelopen maanden twee keer weggelopen van de woongroep. De laatste keer veroorzaakte hij daarbij veel overlast op straat en moest de crisisdienst van Veilig Thuis hem terugbrengen naar de woongroep.

Op verzoek van de GI kijkt [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] nu naar wat helpend is voor [de minderjarige] en welke vorm van therapie mogelijk is. Het is zorgelijk dat [de minderjarige] niet naar school gaat en de GI is actief bezig met het zoeken naar een passende school. Verder zijn met de moeder doelen opgesteld waarin grote stappen worden gezet. Zo heeft de moeder hulp gezocht voor haar eigen problematiek. Toch zijn nog zorgen over de draagkracht van de moeder en is de GI bang dat de moeder overvraagd wordt. De moeder kan [de minderjarige] nog onvoldoende begrenzen en [de minderjarige] ’s zorgvraag kan nu niet bij haar worden neergelegd.

De GI weet nog niet waar [de minderjarige] ’s perspectief ligt. 3.3. De GI heeft hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat voor [de minderjarige] een school met speciaal onderwijs is gevonden, waar hij hopelijk na de zomervakantie kan starten. De GI zoekt voor de komende maanden naar een vorm van dagbesteding voor [de minderjarige] , misschien bij de woongroep. Er is helaas nog geen hulp voor [de minderjarige] ingezet, maar hij laat wel een kleine gedragsverbetering zien. 4Het verdere standpunt van de moeder 4.1. De moeder en haar advocaat hebben tijdens de zitting verzocht het verzoek toe te wijzen voor de duur van vier maanden en voor het overige weer aan te houden.

Voor nu vindt de moeder het beter als [de minderjarige] op de woongroep blijft wonen, maar er moet wel een tussentijds toetsmoment komen om te zien of de GI de nodige stappen zet ten aanzien van dagbesteding en school en het onderzoeken van therapiemogelijkheden voor [de minderjarige] . Er moet ook een plan worden gemaakt voor [de minderjarige] ’s dagbesteding/schoolgang/therapie in de buurt van de moeder voor na de uithuisplaatsing. Volgens de moeder komt [de minderjarige] ’s negatieve gedrag door het gebrek aan schoolgang, passende dagbesteding en hulp. 5De verdere mening van [de minderjarige] 5.1. wil graag weer bij de moeder wonen, al begrijpt hij waarom hij bij de woongroep verblijft.

Bij de woongroep gaat het ‘oké’ met hem, waar hij vooral chillt en televisie kijkt. Als [de minderjarige] bij zijn moeder thuis minder naar buiten zou gaan, zouden de zorgen over hem thuis afnemen. 6De verdere beoordeling 6.1. Op basis van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De zorgen die er over [de minderjarige] waren, zijn nog steeds aanwezig. Zo is zijn gedrag bijna niet veranderd en blijft hij erg beïnvloedbaar.

Ook gaat [de minderjarige] nog steeds niet naar school en heeft hij geen dagbesteding. Gelet op het (criminele) gedrag dat [de minderjarige] bij de moeder liet zien, is het op dit moment onvoldoende veilig om [de minderjarige] bij de moeder te laten wonen. Dat [de minderjarige] al zo lang niet naar school gaat, acht de kinderrechter zeer zorgelijk. [de minderjarige] is nog maar twaalf jaar en vult zijn dagen met chillen en tv-kijken, terwijl zijn gedrag thuis duidelijk heeft laten zien dat hij hulp nodig heeft. Dat [de minderjarige] niet naar een (passende) school gaat, draagt zeker niet bij aan het verminderen van de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] .

Het is dan ook belangrijk dat de GI op dit moment als prioriteit heeft, zich ervoor in te zetten dat [de minderjarige] na de zomervakantie naar school kan gaan en in de tussentijd een vorm van dagbesteding heeft. Pas nadat [de minderjarige] naar school gaat of anderszins een passende dagbesteding heeft, kan immers specifiek worden onderzocht welke hulpverlening hij nodig heeft. Ook dat traject moet sneller op gang komen. Verder moet een plan worden gemaakt voor [de minderjarige] ’s woon- en schoolperspectief. Voor een mogelijke thuisplaatsing van [de minderjarige] in de toekomst, is het belangrijk dat de moeder voldoende draagkracht en opvoedvaardigheden heeft.

Daarom is het positief dat de moeder hulp krijgt van de Brijder, schuldhulpverlening en een ambulant begeleider. 6.2. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van vier maanden en houdt de beslissing op het verzoek voor het overige pro forma aan. Het is van groot belang dat [de minderjarige] zo snel mogelijk dagbesteding krijgt en naar school gaat, zodat in kaart gebracht kan worden wat voor hulpverlening en vervolgstappen voor [de minderjarige] nodig zijn. Gelet op het verloop van de afgelopen maanden, waarbij het niet is gelukt om toe te werken naar school en/of hulpverlening, acht de kinderrechter een toetsmoment nodig.

Niet uit het oog moet worden verloren dat [de minderjarige] nog maar twaalf jaar is. Een uithuisplaatsing is per definitie ingrijpend, maar al helemaal voor een kwetsbare jongen van zijn leeftijd. De kinderrechter is zich ervan bewust dat de GI moet roeien met de riemen die zij heeft, maar in deze situatie is voortvarender handelen van alle professioneel betrokkenen essentieel. 6.3. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7De beslissing

De kinderrechter: 7.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 oktober 2026; 7.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 7.3. houdt de beslissing op het verzoek voor het overige pro forma aan tot [datum] ; 7.4. draagt de GI op om uiterlijk drie werkdagen voor voornoemde datum actuele informatie te overleggen over de dagbesteding en schoolontwikkelingen van [de minderjarige] , de draagkracht en ontwikkeling van de moeder en over een plan van aanpak voor de toekomstige periode.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026 door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.