Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2022:9048 ECLI:NL:RBNHO:2022:9048 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2022:9048 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2022:9048
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/710007-22 (P) Uitspraakdatum: 17 oktober 2022 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 oktober 2022 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [woonplaats] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 353 Sv, artikel 94 Sv, artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBNHO:2022:9048 · Rechtbank Noord-Holland: Om te bevorderen dat de totale door de verduistering veroorzaakte schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit het verhandelde op de zitting kan worden opgemaakt dat de verdachte, ook naar aanleiding van het vonnis van de civiele rechter, nog niets heeft terugbetaald aan de stichting. Aan de verdachte zal dan ook de verplichting worden opgelegd aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, Stichting Maria-Carolina-Justina-Trip-fonds, ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 107.988,44 (€ 8.039,47 + € 99.948,97).

Keywords

AI generated
misappropriation of funds illicit financial flows undeclared assets credit and loan fraud private asset management financial misconduct

Cited Legislation

AI generated
artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering
artikel 353 Sv
artikel 94 Sv
artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht
Om te bevorderen dat de totale door de verduistering veroorzaakte schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2021:2125
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000634-17 datum uitspraak: 20 juli 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-860002-16 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, adres: [adres 1] . Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door rechtbank Haarlem partieel vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde, voor zover dit betreft de impliciet cumulatief tenlastegelegde openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 2] . Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing tot vrijspraak. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juni, 15 juni en 6 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg en gelet op de in hoger beroep toegelaten wijziging, ten laste gelegd dat: Feit 1 zij op of omstreeks 01 januari 2016 te Haarlem, tezamen en in vereniging, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , opzettelijk van het leven te beroven, (telkens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, - meermalen, althans eenmaal, in de nek/hals en/of de schouder en/of het hoofd en/of de buik(streek) en/of het lichaam van die [benadeelde 2] heeft/hebben gestoken en/of gesneden, en/of (vervolgens) - meermalen, althans eenmaal, in de nek/hals en/of het hoofd en/of de (linker)pols en/of de (linker)arm en/of de borst(streek) en/of het lichaam van die [benadeelde 1] heeft/hebben gestoken en/of gesneden, en/of (vervolgens) - meermalen, althans eenmaal, (een) stekende en/of snijdende beweging(en) in de richting van die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft/hebben gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 2 zij op of omstreeks 01 januari 2016 te Haarlem openlijk, te weten op of aan de openbare weg, te weten de Zomerkade en/of de Ten Katestraat, ik elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het slaan/stompen en/of schoppen/trappen en of met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, steken en/of snijden (in de richting) van voornoemd(e) perso(o)n(en), immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s), - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hart, althans de hartstreek, in elk geval de borst, en/of het lichaam, van die [slachtoffer 1] gestoken en/of gesneden, en/of (vervolgens) - meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/hals en/of de schouder en/of het hoofd en/of de buik(streek) en/of het lichaam van die [benadeelde 2] gestoken en/of gesneden, en/of (vervolgens) - meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/hals en/of het hoofd en/of de (linker)pols en/of de (linker)arm en/of de borst(streek) en/of het lichaam van die [benadeelde 1] gestoken en/of gesneden, en/of (vervolgens) - meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (een) stekende en/of snijdende beweging(en) in de richting van die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 2] gemaakt, en/of (vervolgens) - meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met gebalde hand) geslagen/gestompt op/tegen/in het lichaam van die [benadeelde 2] en/of het lichaam van die [benadeelde 1] , en/of (vervolgens) - meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met geschoeide voet) geschopt/getrapt op/tegen/in het lichaam van die [benadeelde 2] en/of het lichaam van die [benadeelde 1] , terwijl dit door haar en/of haar mededader(s) gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten (een) steek- en/of snijverwonding(en) aan het lichaam van die [benadeelde 2] en/of het lichaam van die [benadeelde 1] , ten gevolge heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Overwegingen over het bewijs van de tenlastegelegde feiten Inleiding In de vroege ochtend van 1 januari 2016 heeft een gewelddadig treffen plaatsgevonden op de Zomerkade te Haarlem. Bij dit treffen – waarbij messen zijn gebruikt – waren enerzijds [verdachte] (hierna: [verdachte] ), [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) betrokken en anderzijds [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ), [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ). Bij de confrontatie is [slachtoffer 1] overleden en zijn [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gewond geraakt. Het volgende is aan de confrontatie vooraf gegaan. In de nieuwjaarsnacht van 31 december 2015 op 1 januari 2016 waren, [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de woning van [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) aan de [adres 2] in Haarlem. Gedurende de avond ontstond – onder invloed van alcohol en (hard)drugs – via Whatsapp-berichten en telefonisch contact ruzie tussen enerzijds [medeverdachte 2] en [verdachte] en anderzijds [benadeelde 2] . Er vond veelvuldig berichtenverkeer en telefonisch contact plaats tussen [benadeelde 2] en [verdachte] en [medeverdachte 2] . De situatie op de [adres 2] raakte hierna zo oververhit dat [verdachte] messen pakte en daarmee begon rond te lopen. Verschillende mensen, waaronder [medeverdachte 1] , hebben geprobeerd deze messen van haar af te pakken. [verdachte] heeft over de telefoon tegen [benadeelde 2] gezegd ‘ik steek je neer’ en op een later moment in de auto bij [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) heeft zij geroepen ‘ik ga [benadeelde 2] steken’. Ook [medeverdachte 2] vertoonde agressief en ongeremd gedrag. Zij heeft over de telefoon [benadeelde 2] uitgedaagd en geroepen dat hij moest komen en dat ze hem neer ging steken, en ook zij heeft een mes gepakt. [medeverdachte 2] en [verdachte] waren elkaar aan het opstoken. Toen bekend werd dat [benadeelde 2] met een groep zou komen, zei [getuige 1] dat hij dat niet in zijn huis wilde, omdat het kind van [medeverdachte 2] en [getuige 1] boven lag te slapen.Vervolgens gingen [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar buiten, waarbij in ieder geval [verdachte] messen bij zich had. [benadeelde 2] was samen met [benadeelde 1] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ). Nadat hij was gebeld door [medeverdachte 2] is hij te voet op weg gegaan naar de [adres 2] . [benadeelde 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] liepen op enige afstand achter hem aan uit voorzorg. Toen [benadeelde 2] over het bruggetje naar de Zomerkade liep, werd hij gebeld door [medeverdachte 2] . Hij hoorde door de telefoon en van een afstand personen zeggen: ‘Daar is ie, daar is ie’.[medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] liepen [benadeelde 2] tegemoet over de Zomerkade. Het kwam vervolgens tot een confrontatie tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] enerzijds en [benadeelde 2] , en na een kort ogenblik [benadeelde 1] en [slachtoffer 1] , anderzijds. [benadeelde 2] en [benadeelde 1] liepen verwondingen door messteken op en [slachtoffer 1] kwam te overlijden door een messteek die hem in zijn hart trof. Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 (medeplegen poging doodslag op [benadeelde 2] en [benadeelde 1] ) Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte en [medeverdachte 1] in het gevecht meerdere keren met messen stekende bewegingen hebben gemaakt in de richting van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] . [benadeelde 2] en [benadeelde 1] zijn beiden ook daadwerkelijk met een mes gestoken in delen van het lichaam waar zich vitale organen bevinden. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg, de dood van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] , aanvaard. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde poging tot doodslag op [benadeelde 2] en [benadeelde 1] . Volgens de raadsvrouw heeft de verdachte niet met opzet – in de zin dat de verdachte bewust het mogelijke gevolg van haar handelen zou hebben aanvaard – gehandeld en zijn de veroorzaakte letsels niet van dien aard dat vastgesteld kan worden dat er een reële, aanmerkelijke kans was op het overlijden van [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] . Oordeel van het hof De verdachte is samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van de woning aan de [adres 2] in Haarlem naar de Zomerkade gelopen. Zoals hiervoor uiteengezet, heeft de verdachte daarbij meerdere messen meegenomen uit de woning. Op de Zomerkade heeft vervolgens een gewelddadig treffen plaatsgevonden tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] enerzijds en [benadeelde 2] , [benadeelde 1] en [slachtoffer 1] anderzijds. Uit de na te noemen bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte en [medeverdachte 1] bij dit treffen met messen hebben gestoken. [benadeelde 2] en [benadeelde 1] hebben daarbij verwondingen opgelopen en [slachtoffer 1] is daarbij om het leven gekomen. Aan de verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd het medeplegen van poging tot doodslag op [benadeelde 2] en [benadeelde 1] . Op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat [benadeelde 2] is gestoken in zijn buik door [medeverdachte 1] en in zijn schouder door de verdachte. [benadeelde 1] is geraakt op het hoofd door [medeverdachte 1] en gestoken in zijn borstkas door de verdachte. Geconstateerd moet worden dat weliswaar geen sprake is van diepe verwondingen, maar dat het handelen van de verdachten wel dusdanig is geweest dat sprake is van pogingen tot doodslag nu de steekverwondingen zijn toegebracht in en bij lichaamsdelen met vitale organen. De gevaarzettendheid van het handelen van de verdachten is evident. Het hof overweegt daarbij dat – ondanks dat vaststaat dat de verdachte alcohol en drugs had gebruikt – het geenszins is gebleken dat de toestand van de verdachte dusdanig was dat kan worden gezegd dat ieder inzicht in de draagwijdte van haar handelen heeft ontbroken. Het hof komt tot de conclusie dat de verdachte minst genomen heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft door het op voornoemde plaatsen van het lichaam steken met een mes bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] zou(den) komen te overlijden. Het hof komt daarbij ook tot het oordeel dat sprake is geweest van medeplegen van poging tot doodslag. De verdachte en [medeverdachte 1] zijn – tezamen met [medeverdachte 2] – naar de Zomerkade gegaan en zijn de confrontatie aangegaan met [benadeelde 2] , die samen met anderen daar was verschenen. De verdachte had messen meegenomen en [medeverdachte 1] was daarvan op de hoogte. Er is sprake van in gezamenlijkheid uitgeoefend geweld van [medeverdachte 1] en de verdachte bestaande uit openlijk geweld in het algemeen en het steken met een mes van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] in het bijzonder. De messteken hebben elkaar onmiddellijk opgevolgd en waren gericht tegen dezelfde slachtoffers. Het hof komt tot het oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en dat de verdachte en [medeverdachte 1] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag op [benadeelde 2] en [benadeelde 1] . Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 (openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer 1] , [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] ) Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde. De verdachte heeft door haar handelen een voldoende significante bijdrage aan het geweld geleverd en zich derhalve schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw van de verdachte heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het dit feit en sluit zich aan bij de bewezenverklaring van de rechtbank. Oordeel van het hof Het hof stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem/haar te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. Zoals hiervoor uiteengezet, ging aan de gewelddadige confrontatie op de Zomerkade vooraf dat [medeverdachte 2] en de verdachte telefonisch en via Whatsapp-berichten ruzie maakten met [benadeelde 2] . De verdachte heeft naar aanleiding daarvan messen gepakt en gezegd [benadeelde 2] te zullen steken. [medeverdachte 2] heeft [benadeelde 2] telefonisch uitgedaagd, geroepen dat hij moest komen en ook zij heeft geroepen dat ze hem zou neersteken, en een mes gepakt. Toen bekend werd dat [benadeelde 2] met een groep zou komen, zijn de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar buiten gegaan, waarbij in ieder geval de verdachte messen bij zich had, hetgeen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wisten. [medeverdachte 2] had naar eigen zeggen uit voorzorg sleutels in haar hand met de ring over haar vinger, om zich te kunnen verdedigen. [medeverdachte 2] heeft naar eigen zeggen gedurende de confrontatie gedreigd met woorden. Uit deze gang van zaken blijkt naar het oordeel van het hof dat de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op het moment van verlaten van de woning rekening hielden met een confrontatie met [benadeelde 2] waarbij messen gebruikt konden gaan worden; de verdachte en [medeverdachte 2] hadden daar al mee gedreigd. Zij zijn als groep op [benadeelde 2] af gegaan. Toen het tot een treffen van deze groep met de groep van [benadeelde 2] en zijn vrienden kwam, hebben alle drie de verdachten aan die confrontatie een gewelddadig of in elk geval dreigend aandeel geleverd. Aldus is naar het oordeel van het hof de intellectuele en/of materiële bijdrage van ieder van de drie verdachten over het geheel genomen van voldoende gewicht geweest, om tot een bewezenverklaring van het in vereniging plegen van geweld tegen personen te kunnen komen. Tijdens de daarop volgende confrontatie is [slachtoffer 1] dodelijk in het hart gestoken met een mes. [benadeelde 2] is met een mes in zijn buik en in zijn nek/schouder gestoken. [benadeelde 1] is met een mes tegen zijn hoofd geslagen, waarbij hij in zijn hoofd is geraakt door dit mes, en met een mes in zijn borstkas geraakt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: feit 1 zij op 1 januari 2016 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededader voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet samen met die ander telkens met een mes, - in de schouder en de buikstreek van die [benadeelde 2] hebben gestoken en/of gesneden, en - in het hoofd en de linkerarm en de borststreek van die [benadeelde 1] hebben gestoken en/of gesneden en - stekende en/of snijdende bewegingen in de richting van die [benadeelde 2] en [benadeelde 1] hebben gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 2 zij op 1 januari 2016 te Haarlem openlijk, te weten op of aan de openbare weg, te weten de Zomerkade, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 1] , welk geweld bestond uit het met een mes, steken en/of snijden (in de richting) van voornoemde personen, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededaders, - met een mes in het hart van die [slachtoffer 1] gestoken en - telkens met een mes in de schouder en de buikstreek van die [benadeelde 2] gestoken en/of gesneden, en - telkens met een mes in het hoofd en de linkerarm en de borststreek van die [benadeelde 1] gestoken en/of gesneden, en - telkens met een mes stekende en/of snijdende bewegingen in de richting van die [benadeelde 2] en die [benadeelde 1] gemaakt, terwijl het door haar en haar mededaders gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten steek- en/of snijverwondingen aan het lichaam van die [benadeelde 2] en het lichaam van die [benadeelde 1] , ten gevolge heeft gehad. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, voor het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft – indien en voor zover het hof tot een bewezenverklaring komt – het hof verzocht geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de verdachte reeds heeft uitgezeten. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de redelijke termijn in grove mate is overschreden en derhalve het hof verzocht daar in strafmatigende zin rekening mee te houden. Oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich tijdens de nieuwjaarsnacht van 2016 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en een dubbele poging doodslag. Wat een feestelijke avond had moeten zijn, is op tragische wijze geëindigd. De verdachte heeft een ruzie geheel uit de hand laten lopen. Haar agressieve gedrag, in aanwezigheid van anderen, en het uitdagen van de betrokkene, was in belangrijke mate de oorzaak van het escaleren van de ruzie in een gewelddadige confrontatie op straat. De verdachte is samen met haar mededaders, bewapend met messen, de confrontatie aangegaan met de groep rondom [benadeelde 2] . Deze confrontatie is uitgelopen in een gevecht met de zinloze dood van [slachtoffer 1] tot gevolg. De verdachte en haar medeverdachten hebben met hun handelen de nabestaanden van [slachtoffer 1] onherstelbaar groot leed aangedaan dat tot op de dag van vandaag voortduurt en nog lang zal voortduren, te meer nu in dit proces niet kan worden vastgesteld wie de fatale steek aan [slachtoffer 1] heeft toegebracht. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij zich niet aan de vechtpartij heeft onttrokken en er voor heeft gekozen zich, bewapend met een of meer messen, in het gevecht te begeven en hieraan een wezenlijke bijdrage te leveren. Daarnaast heeft de verdachte gepoogd [benadeelde 2] en [benadeelde 1] van het leven te beroven door met een mes op hen in te steken. Zij heeft zich zodoende schuldig gemaakt aan poging doodslag en openlijke geweldpleging jegens hen. Hen had hetzelfde lot als [slachtoffer 1] kunnen treffen. Dit alles vond plaats op de openbare weg waar buurtbewoners hebben moeten aanschouwen dat een jongeman in hun straat bleek te zijn doodgestoken en anderen met messteken gewond waren geraakt. Deze vorm van agressie waarbij jongeren met messen de straat op gaan roept in de samenleving veel onrust op. Aldus heeft de verdachte een hevige schok in de rechtsorde veroorzaakt. Het hof is van oordeel dat op geweldsdelicten als de onderhavige – vanuit het oogpunt van vergelding en bescherming van de maatschappij – slechts kan worden gereageerd door middel van oplegging van een langdurige gevangenisstraf. Gelet op vorengaande acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden gerechtvaardigd. Het hof zal bij de strafoplegging rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Als uitgangspunt voor een voortvarende behandeling van een strafzaak geldt een termijn van twee jaren per rechterlijke instantie. Dit is anders als de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, in welk geval een termijn van 16 maanden als uitgangspunt heeft te gelden.. Het hof stelt vast dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 1 januari 2016, zijnde de datum waarop de verdachte in verband met deze zaak in verzekering is gesteld. Het hof constateert dat vanaf die datum tot aan de datum waarop dit hof arrest wijst vijf jaren en zes maanden zijn verstreken, hetgeen niet aan verdediging is te wijten. Het hof concludeert dat de redelijke termijn van de procedure als geheel met 34 maanden is overschreden. In de appelfase is de redelijke termijn, te rekenen vanaf 16 februari 2017, zijnde de datum van het instellen van appel, met 37 maanden is overschreden. Het hof acht, alles afwegende en met verdiscontering van de grove overschrijding van de redelijke termijn, een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden passend en geboden. Gelet op het feit dat de verdachte de op te leggen straf reeds heeft uitgezeten, zal geen uitvoering worden gegeven aan artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 26.104,75. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.104,75. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De gestelde schade bestaat uit: kosten van de uitvaart € 3.094,53 plaatsingsrechten grafmonument € 279,00 aanschafkosten grafmonument € 1.860,00 plaatsingskosten grafmonument € 476,00 kosten onderhoud grafmonument € 186,00 eten en drinken islamitische rouwperiode € 150,00 reiskosten naar steenhouwer € 50,46 reiskosten en parkeerkosten in verband metbezittingen ophalen politiebureau € 8,76 affectieschade € 20.000,00 De benadeelde partij heeft in eerste aanleg tevens een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de Staat van € 141,47 wegens materiële schade, bestaande uit gemaakte reis- en parkeerkosten wegens het bijwonen en voorbereiden van de zittingen. Zij heeft zich in hoger beroep ook ten aanzien van deze vordering opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd dat deze kosten ofwel vergoed dienen te worden door de Staat ofwel als proceskosten aangemerkt dienen te worden. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 6, 7 en 8 genoemde kosten hoofdelijk dienen te worden toegewezen. Met betrekking tot de kosten die verband houden met het grafmonument, zoals opgenomen onder de schadeposten 2, 3, 4 en 5, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien thans onduidelijk is of en zo ja, welke kosten met betrekking tot het grafmonument (gedeeltelijk) door anderen zijn voldaan en het – bij gebreke van nadere inlichtingen – ervoor moet worden gehouden dat dit deel van de vordering niet eenvoudig van aard is, waardoor dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat die schade onder geldend recht niet kan worden toegewezen, aangezien daarvoor thans geen juridische basis bestaat, zodat de benadeelde partij ten aanzien van die schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hetzelfde heeft volgens de advocaat-generaal te gelden voor de gevorderde reiskostenvergoeding van de Staat. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de gestelde materiële schade die verband houdt met de uitvaartkosten moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien niet duidelijk is of en zo ja, tot welk bedrag de benadeelde partij die kosten zelf heeft gedragen, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het huidige wettelijke systeem geen ruimte laat voor toekenning van dergelijke schade, zodat dat deel van de vordering dient te worden afgewezen. Oordeel van het hof Materiële schade Wat betreft de schadeposten 1, 2, 3 en 5 is het hof van oordeel dat deze posten voldoende zijn onderbouwd met stukken. Ten aanzien van schadepost 4 overweegt het hof dat, gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting en de daarbij overgelegde stukken waaruit blijkt dat het grafmonument daadwerkelijk is geplaatst, dit bedrag het hof niet onredelijk voorkomt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof dan ook voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.104,75. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Affectieschade Ten aanzien van de gevorderde affectieschade van € 20.000,- overweegt het hof als volgt. Affectieschade is een vorm van immateriële schadevergoeding voor nabestaanden of naasten die leed hebben ondervonden doordat een persoon met wie men een affectieve band had, is overleden door toedoen van een ander. Het hof stelt voorop dat uit de namens de moeder van [slachtoffer 1] ter terechtzitting in hoger beroep in 2018 voorgedragen slachtofferverklaring is gebleken dat de benadeelde partij onbeschrijflijk veel verdriet en leed is aangedaan door het verlies van haar zoon. Uitgangspunt is echter dat schadevergoeding slechts verschuldigd is voor zover de wet daartoe de mogelijkheid biedt. Namens de benadeelde partij is gewezen op de ‘Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen’, welke wet met ingang van 1 januari 2019 in werking is getreden. Deze wet biedt vanaf de datum van inwerkingtreding een wettelijke grondslag voor toekenning van affectieschade indien sprake is van overlijden of ernstig en blijvend letsel van het slachtoffer. Echter, ingevolge het overgangsrecht als bepaald in artikel 68 en 69 Overgangswet nieuw BW heeft deze verruiming slechts gevolgen ten aanzien van schadeveroorzakende gebeurtenissen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van deze wetswijziging per 1 januari 2019. Nu [slachtoffer 1] is overleden op 1 januari 2016 is vergoeding op deze grond niet mogelijk. Gelet daarop zal het hof de vordering tot vergoeding van de affectieschade afwijzen. Reis- en verblijfkosten Het hof overweegt omtrent de vordering tot schadevergoeding van €141,47 wegens gemaakte reis- en parkeerkosten als volgt. Artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering biedt een benadeelde partij de mogelijkheid om de schade die zij rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit, vergoed te krijgen. De gevorderde reis- en parkeerkosten kunnen naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade en kunnen derhalve niet als schadeposten worden toegewezen. Het hof verstaat daarom dat de benadeelde partij die kosten als proceskosten als bedoeld in artikel 532 Sv heeft willen opvoeren. De benadeelde partij heeft de advocaat die haar rechtsbijstand verleent, in het mede door haar ondertekende voegingsformulier, gemachtigd om namens haar te procederen. In dit voegingsformulier is tevens een verzoek gedaan om de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten te vergoeden. Het gaat hierbij om reis- en verblijfkosten kosten die zijn gemaakt voor bezoeken aan slachtofferhulp, de advocaat en het bijwonen van de inhoudelijke zittingen. Wat de kosten van de gemachtigde zelf betreft stelt het hof vast dat hiervoor door geen van de benadeelde partijen een kostenveroordeling wordt verzocht. Het hof leidt hieruit af dat er daarom telkens sprake is geweest van kosteloze rechtsbijstand, dat wil zeggen zonder voorafgaande beoordeling van de draagkracht volledig gefinancierd op de voet van artikel 44, vierde lid, van de Wet op de Rechtsbijstand. Nu aldus is geprocedeerd dient zich de vraag aan in welke rechtsregel grond is gelegen voor een beslissing waarbij de verdachte wordt veroordeeld om de overige proceskosten te vergoeden. De Hoge Raad heeft inmiddels bij herhaling in algemene zin overwogen en geoordeeld dat bij de begroting van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten dezelfde maatstaf dient te worden gehanteerd als in civiele procedures. In de voegingsprocedure in het strafproces kan, evenals in civiele procedures, het proceskostensysteem van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering worden toegepast. Meer in het bijzonder heeft de Hoge Raad de vingerwijzing gegeven dat in beginsel het liquidatietarief kan worden toegepast bij de bepaling van het te vergoeden bedrag voor gemaakte advocaatkosten. Ervan uitgaand dat aansluiting moet worden gezocht bij het procesrecht in burgerlijke zaken zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang. Artikel 238 Rv 1. In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, wordt, indien de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij zonder gemachtigde procedeert, onder de kosten waarin laatstgenoemde partij wordt veroordeeld, opgenomen een door de rechter te bepalen bedrag voor noodzakelijke reis- en verblijfkosten van die wederpartij. De rechter kan onder de kosten waarin de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld, ook opnemen een door hem te bepalen bedrag voor noodzakelijke verletkosten van de wederpartij. 2. Procedeert de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij met een gemachtigde, dan wordt onder die kosten een door de rechter te bepalen bedrag opgenomen voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde, tenzij de rechter om in het vonnis te vermelden redenen anders beslist. Artikel 239 Rv In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, kunnen van de kosten van de wederpartij slechts de salarissen en verschotten van de advocaat van die wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht. Het hof stelt vast dat in de civiele beslispraktijk aan deze regeling steevast op zodanige wijze toepassing wordt gegeven dat, in het geval er een gemachtigde advocaat optreedt namens de in het gelijk gestelde partij, er geen andere proceskostenveroordeling volgt dan die voor de door deze partij gemaakte kosten voor de gemachtigde. Er wordt dan, behoudens uitzonderingen, toepassing gegeven aan het liquidatietarief. Daarvan wordt algemeen aangenomen dat het niet toereikend is voor een volledige schadeloosstelling. Betekent dit dat, in het licht van de algemene richtsnoer dat de maatstaven van het civiele procesrecht dienen te worden gehanteerd, de namens de benadeelde partijen verzochte proceskostenveroordeling afstuit op een ontbrekende grondslag in de wet? Bij de beantwoording van die vraag stelt het hof voorop dat het in dit verband gaat om proceskosten die de benadeelde deels heeft gemaakt in de hoedanigheid van benadeelde partij en deels in die van slachtoffer. Wat betreft de uitoefening van de rechten en bevoegdheden in laatstgenoemde hoedanigheid (als bedoeld in de artikelen 51b tot en met 51e Sv) biedt de wet aan de persoon die is getroffen door de gevolgen van een strafbaar feit geen rechtsingang voor een verzoek tot vergoeding van gemaakte kosten ten laste van de verdachte in het kader van diens strafzaak. Indien en voor zover de opgevoerde kosten moeten worden geacht naar hun aard uitsluitend hierop betrekking te hebben is reeds hierin een beletsel voor een toewijzende beslissing gelegen. De Hoge Raad heeft meermalen als volgt overwogen: “Een redelijke uitleg van art. 592a Sv (thans: 532 Sv) brengt mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures.” Het hof begrijpt dit aldus dat hierin ligt besloten dat de strafrechter aan het gehele stelsel voor de proceskosten overeenkomstige toepassing dient te geven. Een uitsluiting van de regeling van artikel 238 Rv kan hierin in elk geval niet worden gelezen. Een rechterlijke beslissing, gegeven in de zich hier voordoende gevallen waarbij de kosten die zijn verbonden met de inzet van een gemachtigd advocaat volledig worden vergoed, die inhoudt dat in aanvulling daarop de door de benadeelde zelf gemaakte reis-, verblijf- en verletkosten worden vergoed, staat op gespannen voet met dit door de Hoge Raad geformuleerde kader. Tot nog toe heeft de Hoge Raad echter niet met zoveel woorden geoordeeld dat de reikwijdte van artikel 238 Rv zich ongeclausuleerd uitstrekt over de vordering van de benadeelde partij in het strafproces. Het voorgaande brengt het hof tot de volgende benaderingswijze van de proceskosten in de gevallen waarin sprake is van een gemachtigd advocaat. Daarbij wordt met al het voorgaande rekening gehouden. In aansluiting op de in het puntensysteem gehanteerde categorieën bij de toepassing van het liquidatietarief gaat het hof ervan uit dat in het bijzonder het invullen van het voegingsformulier (opstellen van de civiele vordering) en het bijwonen van de zitting waarop de strafzaak inhoudelijk wordt behandeld het meest gewicht toekomen in de inspanningen van de benadeelde partij. Het hof zal aan de hand van de opgevoerde kostenposten, die met deze activiteiten verband houden, schattenderwijs een bedrag bepalen waarvoor een proceskostenveroordeling zal worden uitgesproken. Daarbij zal als ondergrens worden gehanteerd een eenmalig bezoek aan de gemachtigd advocaat voor het opstellen van de vordering en het bijwonen van de inhoudelijke zittingsdagen in eerste aanleg op 16, 17, 19 en 20 januari 2017, waarop onder meer de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen in eerste en tweede termijn heeft plaatsgevonden. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag zal het hof in het bijzonder acht slaan op de afstanden die de benadeelde partij heeft moeten afleggen voor bezoek aan de advocaat en het bijwonen van deze zittingsdagen. Gelet op het vorenstaande zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [benadeelde 3] heeft gemaakt tot op heden begroot op € 103,75. Schadevergoedingsmaatregel Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, bestaande uit affectieschade. Deze bedraagt € 5.000,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Daarnaast heeft de benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding van € 545,71 ingediend tegen de Staat wegens materiële schade, bestaande uit gemaakte reis- en verblijfkosten wegens het bijwonen en voorbereiden van de zittingen. Hij heeft zich in hoger beroep ook ten aanzien van deze vordering opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd dat deze kosten ofwel vergoed dienen te worden door de staat ofwel als proceskosten aangemerkt dienen te worden. Affectieschade Zoals het hof hierboven heeft vooropgesteld is vergoeding van affectieschade op grond van artikel 6:108 BW slechts mogelijk ten aanzien van schadeveroorzakende gebeurtenissen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van deze wetswijziging per 1 januari 2019. Nu [slachtoffer 1] is overleden op 1 januari 2016 is vergoeding op deze grond niet mogelijk. Gelet daarop zal het hof de vordering tot vergoeding van de immateriële (affectie)schade afwijzen. Reis- en verblijfkosten Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 3] is overwogen met betrekking tot reis- en verblijfkosten zal het hof deze kosten als proceskosten aanmerken. Gelet op het feit dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel is afgewezen bepaalt het hof dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, bestaande uit affectieschade. Deze bedraagt € 5.000,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Daarnaast heeft de benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding van € 568,51 ingediend tegen de Staat wegens materiële schade, bestaande uit gemaakte reis- en verblijfkosten wegens het bijwonen en voorbereiden van de zittingen. Hij heeft zich in hoger beroep ook ten aanzien van deze vordering opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd dat deze kosten ofwel vergoed dienen te worden door de staat ofwel als proceskosten aangemerkt dienen te worden. Affectieschade Zoals het hof hierboven heeft vooropgesteld is vergoeding van affectieschade op grond van artikel 6:108 BW slechts mogelijk ten aanzien van schadeveroorzakende gebeurtenissen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van deze wetswijziging per 1 januari 2019. Nu [slachtoffer 1] is overleden op 1 januari 2016 is vergoeding op deze grond niet mogelijk. Gelet daarop zal het hof de vordering tot vergoeding van de immateriële (affectie)schade afwijzen. Reis- en verblijfkosten Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 3] is overwogen met betrekking tot reis- en verblijfkosten zal het hof deze kosten als proceskosten aanmerken. Gelet op het feit dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel is afgewezen bepaalt het hof dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.185,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.185,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De gestelde schade bestaat uit: kleding € 300,00 eigen risico ziektekostenverzekering € 385,00 immateriële schade € 2.500,00 Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de kostenposten 1 en 2 dienen te worden toegewezen. De immateriële schade dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00. De benadeelde partij dient wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in zijn vordering te worden verklaard. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft de vordering van de benadeelde partij niet gemotiveerd betwist en refereert zich te dien aanzien aan het oordeel van het hof. Oordeel van het hof Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, zodat het hof de onder 1 en 2 genoemde schadeposten toewijsbaar acht. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof overweegt ten aanzien van de gestelde schade aan de kleding dat, hoewel die schade niet nader is onderbouwd met stukken, uit het proces-verbaal van sporenonderzoek (Forensisch dossier, Map 2, p. 262, 263 en 276-278) genoegzaam is gebleken dat de jas en het T-shirt van de benadeelde partij als gevolg van de steekpartij zijn beschadigd en zijn broek en schoenen bebloed zijn geraakt. Daarnaast komt het hof vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, waarbij het hof in het bijzonder in aanmerking heeft genomen dat de steekpartij, waarbij de benadeelde partij zelf meerdere steekverwondingen heeft opgelopen, een grote impact op hem heeft gehad. Schadevergoedingsmaatregel Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.721,45. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.476,45. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, met dien verdachte dat de onder 7 en 8 genoemde schadeposten bestaande uit ‘parkeerkosten hoger beroep’ ter hoogte van € 85,- en de ‘parkeerkosten eerste aanleg’ ter hoogte van € 110,- niet meer als zelfstandige posten worden gevorderd, maar onder de verblijfkosten dienen te worden geschaard. De gestelde schade bestaat uit: 1. kleding € 300,00 2. behandeling ziekenhuis € 2.136,45 3. pijnstillers € 15,00 4. bio oil (littekens) € 25,00 5. reiskosten eerste aanleg € 75,00 6. reiskosten hoger beroep € 50,00 7. parkeerkosten eerste aanleg € 110,00 8. parkeerkosten hoger beroep € 85,00 9. immateriële schade € 3.850,00 De benadeelde partij heeft in eerste aanleg tevens een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de Staat van € 299,64 wegens materiële schade, bestaande uit gemaakte verblijfskosten wegens het bijwonen en voorbereiden van de zittingen. Hij heeft zich in hoger beroep ook ten aanzien van deze vordering opnieuw gevoegd met dien verstande dat de vergoeding in hoger beroep is bijgesteld naar €476,70. Daar dienen de kostenposten 7 en 8 bij te worden opgeteld zodat de totale gevorderde vergoeding €671,70 bedraagt. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3 en 4 genoemde schadeposten voor toewijzing vatbaar zijn. Ten aanzien van de onder 5, 6, 7 en 8 genoemde schadeposten heeft de advocaat-generaal verzocht deze op € 25,- per schadepost te schatten en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding acht de advocaat-generaal een bedrag van € 2.000,- toewijsbaar en voor het overige verzoekt hij deze schadepost niet-ontvankelijk te verklaren. De gevorderde reiskostenvergoeding van de Staat acht de advocaat-generaal niet voor toewijzing vatbaar nu dit niet mogelijk is onder geldend recht, zodat de benadeelde partij te dien aanzien niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de hoofdelijke aansprakelijkheid zal worden gelast voor de toegewezen schadevergoeding. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft de vordering van de benadeelde partij niet gemotiveerd betwist en refereert zich te dien aanzien aan het oordeel van het hof. Oordeel van het hof Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, zodat het hof de onder 1, 2, 3 en 4 genoemde schadeposten toewijsbaar acht. Het hof overweegt ten aanzien van de gestelde schade aan de kleding dat, hoewel die schade niet nader is onderbouwd met stukken, uit het proces-verbaal van sporenonderzoek (Forensisch dossier, Map 2, p. 260, 261 en 267-272) genoegzaam is gebleken dat twee jassen, waaronder één van het merk ‘Stone Island’, een vest en het T-shirt van de benadeelde partij als gevolg van de steekpartij zijn beschadigd. Voorts komen de opgevoerde kosten met betrekking tot medicatie het hof niet onredelijk voor. De gevorderde materiële schadevergoeding zal voor het totale bedrag van deze posten van € 2.476,45 worden toegewezen. Immateriële schade Daarnaast komt het hof vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, waarbij het hof in het bijzonder in aanmerking heeft genomen dat de benadeelde partij bij de steekpartij zelf meerdere steekverwondingen heeft opgelopen. De verdachte is tot vergoeding van die schade, te weten een totaalbedrag van € 4.976,45, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Reis- en verblijfkosten De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de schadeposten 7 en 8 die zien op de parkeerkosten in eerste aanleg en hoger beroep onder de verblijfkosten dan wel proceskosten dienen te worden geschaard en niet als op zichzelf staande posten moeten worden beschouwd. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 3] is overwogen met betrekking tot reis- en verblijfkosten begrijpt het hof dat de benadeelde partij de gevorderde reiskosten eerste aanleg en hoger beroep, zoals genoemd onder 5 en 6, ook als proceskosten heeft willen opvoeren nu deze kosten in de onderhavige procedure niet als schadeposten kunnen worden toegewezen, zodat de totale vergoeding voor reis- en verblijfkosten €796,70 bedraagt Het hof zal, gelet op hetgeen hiervoor overwogen, ook bij deze benadeelde partij aan de hand van de opgevoerde kostenposten, die verband houden met het invullen van het voegingsformulier en het bijwonen van de zittingen waarop de strafzaak inhoudelijk wordt behandeld, schattenderwijs een bedrag bepalen waarvoor een proceskostenveroordeling zal worden uitgesproken. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag zal het hof in het bijzonder acht slaan op de afstanden die de benadeelde partij heeft moeten afleggen voor bezoek aan de advocaat en het bijwonen van deze zittingsdagen. Gelet op het vorenstaande zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft gemaakt tot op heden begroot op € 215,-. Schadevergoedingsmaatregel Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van de onder 2 cumulatief/alternatief tenlastegelegde openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 2] . Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.104,75 (zesduizend honderdvier euro en vijfenzeventig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 103,75 (honderddrie euro en vijfenzeventig cent). Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.104,75 (zesduizend honderdvier euro en vijfenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 januari 2016. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] tot schadevergoeding af. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] tot schadevergoeding af. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.185,00 (drieduizend honderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 685,00 (zeshonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.185,00 (drieduizend honderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 685,00 (zeshonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 41 (eenenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 januari 2016. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.967,45 (vierduizend negenhonderdzevenenzestig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 2.467,45 (tweeduizend vierhonderdzevenenzestig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 215,00 (driehonderdtwintig euro). Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.967,45 (vierduizend negenhonderdzevenenzestig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 2.467,45 (tweeduizend vierhonderdzevenenzestig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 59 (negenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 januari 2016. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. M.J.A. Plaisier en mr. N. van der Wijngaart en, in tegenwoordigheid van, mr. F. van den Brink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juli 2021. ========================================================================= […] Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal tactisch onderzoek telefoons verdachten opgemaakt door verbalisant [naam] , algemeen dossier p. 230, 231, 239, 243, 244-246. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 5 januari 2016 (Algemeen dossier, pagina 322); proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 16 januari 2016 (Algemeen dossier, pagina 356). Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 7 juni 2016, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland; proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 14 januari 2016 (Algemeen dossier, pagina 362). Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 5 januari 2016 (Algemeen dossier, pagina 322); proces-verbaal van verhoor verdachte [naam] d.d. 2 januari 2019 (Persoonsdossier verdachte [naam] , pagina 5 van het proces-verbaal). Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 3 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [verdachte] , pagina 42); proces-verhaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 7 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [medeverdachte 2] , pagina 44). Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 5 juli 2016, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 5 juli 2016, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland; proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 5 januari 2016 (Algemeen dossier, pagina 336); proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 5 januari 2016 (Algemeen dossier, pagina 322). Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 5 juli 2016, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 5 januari 2016 (Algemeen dossier, pagina 322); proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [verdachte] , pagina 32). Proces-verbaal van verhoor verdachte [benadeelde 1] (Persoonsdossier verdachte [benadeelde 1] , pagina’s 26 en 27). Proces-verbaal van verhoor verdachte [benadeelde 2] d.d. 20 januari (Persoonsdossier verdachte [benadeelde 2] , pagina 43). Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [verdachte] , pagina 32); proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 3 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [medeverdachte 2] , pagina’s 40 en 41). Proces-verbaal van verhoor verdachte [benadeelde 2] d.d. 1 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [benadeelde 2] , pagina 27 en 32). Proces-verbaal van verhoor verdachte [benadeelde 2] d.d. 1 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [benadeelde 2] , pagina 30). Geneeskundige verklaring betreffende [benadeelde 1] d.d. 1 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [benadeelde 1] , pagina 14). Proces-verbaal van verhoor verdachte [benadeelde 1] d.d. 22 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [benadeelde 1] , pagina 39). Proces-verbaal van verhoor verdachte [benadeelde 1] d.d. 22 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [benadeelde 1] , pagina 38). Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 3 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [verdachte] , pagina 42); proces-verhaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 7 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [medeverdachte 2] , pagina 44). Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [verdachte] , pagina 32); proces-verhaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 3 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [medeverdachte 2] , pagina 30); proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 2 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [medeverdachte 1] , pagina 21). Proces-verhaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 3 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [medeverdachte 2] , pagina 31). Proces-verhaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 3 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [medeverdachte 2] , pagina 32). Proces-verhaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 3 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [medeverdachte 2] , pagina 31); proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 3 januari 2016 (Persoonsdossier verdachte [verdachte] . pagina 45).
ECLI:NL:HR:2019:793
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 17/02033 Datum 28 mei 2019 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 19 januari 2017, nummer 21/002441-16, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:HR:2009:BG7995
Het geding in feitelijke instanties Met een op 23 september 2002 ter griffie van de rechtbank 's-Hertogenbosch ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De vrouw heeft een verweerschrift, tevens een zelfstandig verzoek tot echtscheiding en nevenvoorzieningen ingediend. De verzochte nevenvoorzieningen hadden, na wijziging van het verzoek, betrekking op een bijdrage in haar levensonderhoud, een verklaring voor recht dat de vrouw overeenkomstig het bepaalde in art. 1:155 BW recht op pensioenverevening heeft, alsmede een aan de man op te leggen verplichting tot medewerking aan die verevening en veroordeling van de man in de proceskosten aan de zijde van de vrouw.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/710007-22 (P) Uitspraakdatum: 17 oktober 2022 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 oktober 2022 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [woonplaats] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr.

G.V. van der Bom, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Feit 1 hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 oktober 2017 te Alphen aan den Rijn en/of elders in Nederland opzettelijk meerdere geldbedragen (van in totaal ongeveer anderhalve ton euro (150.000,- euro)), in elk geval enig goed, toebehorende aan Stichting M.C.J. Trip-Fonds, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren)/bedragen aan verdachte als beheerder van een instelling van weldadigheid en/of een stichting anders dan door misdrijf onder zich had, dan wel tegen geldelijke vergoeding (beheersvergoeding) onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, (immers heeft verdachte aan (het vermogen van) Stichting MCJ Tripfonds (zonder rechtmatige titel) onttrokken:

I op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013 meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer 51.000,- euro en/of II op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 7 juni 2017 meerdere/een geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 104.000,- euro te weten meerdere betalingen van vorderingen op hem verdachte persoonlijk, in elk geval op een ander dan dat Tripfonds welke werden gedaan door verdachte vanaf de bankrekening van dat Tripfonds (ter voldoening van vorderingen op hem verdachte danwel ter voldoening van vorderingen welke niet gericht of niet ten laste behoorden te komen van dat Tripfonds) en welke betalingen werden gedaan aan (derden als): de Belastingdienst en/of [betrokkene 1] en/of Legal Account BV Zoetermeer en/of T-Mobile en/of het C.J.I.B. en/of [betrokkene 2] en/of Nationale Nederlanden en/of PAOB en/of [betrokkene 3] en/of Internetselling Service Holding BV en/of Delta Lloyd en/of Register Belastingadviseurs en/of Raad voor de rechtsbijstand en/of Jacir Beheer BV en/of Licent Beheer BV/Licent Academy en/of Tilburg University en/of RB Opleidingen en/of Bennet Nieuwegein en/of Schaap & Partners);

Feit 2 hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 16 januari 2018 te Alphen aan den Rijn en/of elders in Nederlands (telkens) een of meer overeenkomsten betreffende een geldlening door het Trip-fonds aan hem verdachte (p. 189 t/m 192) en/of derden ( [betrokkene 4] en/of [betrokkene 1] , p. 479 - 499), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar (telkens) valselijk: in die overeenkomsten tot geldlening van het Tripfonds aan hem verdachte vermeld dat er sprake zou zijn van een geldlening tussen hem verdachte en het Stichting M.C.J.

Tripfonds, terwijl hij verdachte geen nazaat is van mejuffrouw Trip en/of door achteraf twee leenovereenkomsten op te maken tussen hem, verdachte en/of het Tripfonds en/of ten aanzien van de overeenkomst tussen hem verdachte en/of het Tripfonds en/of ten aanzien van de overeenkomst tussen hem verdachte en/of het Tripfonds gedateerd 25 december 2019 voorts een lager bedrag opgenomen dan dat door hem verdachte aan dat Tripfonds was onttrokken en/of in die overeenkomsten tot geldlening van het Tripfonds aan die derden ( [betrokkene 1] en/of [betrokkene 4] ) vermeld dat er sprake was van een geldlening aan die [betrokkene 4] (en/of [betrokkene 1] ), terwijl die [betrokkene 4] (en/of [betrokkene 1] ) geen nazaat/nazaten van mejuffrouw Trip is en/of in die [betrokkene 4] (en/of [betrokkene 1] ) in werkelijkheid geen geldlening met het Tripfonds is/zijn aangegaan en/of daar nooit voor heeft/hebben getekend, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

De gevoerde verweren worden voor zover van belang hierna besproken. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Bewijsmiddelen De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.2 Bewijsmotivering De verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij zich in de ten laste gelegde periode als beheerder van de stichting Maria-Carolina-Justina-Trip-Fonds (hierna: de stichting) heeft schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen, door deze van de bankrekening van de stichting aan of ten behoeve van zichzelf over te maken, en aan valsheid in geschrift omdat hij valse overeenkomsten van geldlening zou hebben opgemaakt.

Vaststelling van de feiten Op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen op de zitting is besproken stelt de rechtbank het volgende vast. In 1915 is de stichting opgericht door wijlen mevrouw [betrokkene 5] met als doelstelling het verlenen van bijstand uit een fonds aan behoeftige bloedverwanten van deze mevrouw [betrokkene 5] . Uit de statuten van de stichting volgt dat het vermogen van de stichting nimmer mag worden aangetast en de vruchten van het vermogen slechts kunnen worden besteed in overeenstemming met de doelstelling. De stichting wordt beheerd door een beheerder die het vermogen van de stichting naar zijn beste weten bestuurt, zorgt voor veilige en deugdelijke beleggingen van de gelden – zoveel mogelijk in vaste goederen of hypothecaire vorderingen –, een behoorlijke boekhouding voert en zorg draagt voor een goede bewaring van de eigendommen en de papieren van de stichting.

De beheerder kan jaarlijks tien procent van de onzuivere inkomsten van de stichting als loon in rekening brengen. De verdachte was van 26 juli 1999 tot 18 oktober 2017 de beheerder van de stichting. Hij was daarmee de enige die bevoegd was de bankrekeningen van de stichting te beheren en daarvan gelden over te boeken. In de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013 zijn van de bankrekening van de stichting verschillende geldbedragen overgeboekt naar de bankrekening(en) van de verdachte. Het totaalbedrag van deze overboekingen bedraagt € 67.958,25.

Gedurende deze periode heeft de verdachte de hem toekomende beheersvergoeding van € 16.566,- niet uitgekeerd. In de periode van 1 januari 2011 tot en met 7 juni 2017 zijn van de bankrekening van de stichting verschillende geldbedragen overgeboekt naar bankrekeningen van diverse derde partijen. Het totaalbedrag van deze overboekingen bedraagt € 106.457,37. Verklaring van de verdachte De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij de hiervoor genoemde overboekingen naar zichzelf en naar derden heeft gedaan omdat hij in de financiële problemen zat ten gevolge van een juridische procedure met zijn voormalig werkgever.

Over de overboekingen naar derden heeft de verdachte nog verklaard dat, met uitzondering van de overboekingen naar [betrokkene 1] , hiermee kosten werden voldaan die hij privé heeft gemaakt. De overboekingen naar [betrokkene 1] zouden volgens de verdachte hebben bestaan uit een lening van de stichting aan [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ), de echtgenoot van [betrokkene 1] . De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat door deze overboekingen geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening van gelden toebehorend aan de stichting omdat sprake zou zijn van een geldlening van de stichting aan hem.

Volgens de verdachte was het verstrekken van geldleningen aan hemzelf en aan [betrokkene 4] in overeenstemming met de statuten, omdathet om deugdelijke beleggingen ging, nu hiertegenover 4% rente en voldoende zekerheid stond. De verdachte had een eigen woning zonder hypotheeklast en hij verwachtte uit een gerechtelijke (civiele) procedure tegen zijn voormalig werkgever een bedrag van ongeveer 100.000 euro te ontvangen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdachte aangegeven dat hij deze geldleningen heeft vastgelegd in overeenkomsten van geldlening en alles transparant heeft neergelegd in de boekhouding van de stichting.

De stichting heeft zodoende een vordering op de verdachte en op [betrokkene 4] en op die wijze zou de verdachte het vermogen van de stichting niet hebben aangetast. Oordeel van de rechtbank De rechtbank verwerpt het verweer dat sprake zou zijn van overeenkomsten van geldlening van de stichting aan de verdachte. Uit de omschrijvingen bij de overboekingen van de bankrekening van de stichting naar de bankrekening van de verdachte valt niet op te maken dat deze betrekking hebben op een lening die aan de verdachte zou zijn verstrekt. Regelmatig staat vermeld ‘voorschot’ of ‘spoedopdracht op uw verzoek’ en ook worden omschrijvingen vermeld als ‘bijzonder’, ‘diversen’ en ‘tussentijds’.

Ook uit de naar uiterlijke verschijningsvorm vrij willekeurige wijze waarop de verdachte de bankrekening van de stichting gebruikte om diverse privé kosten te voldoen, kan niet worden opgemaakt dat deze overboekingen in verband staan met een lening aan de verdachte. In het dossier bevinden zich twee overeenkomsten van geldlening tussen de stichting en de verdachte. Een overeenkomst waarin is vastgesteld dat de stichting een geldbedrag van € 25.000,- leent aan de verdachte, welke overeenkomst van kracht is geworden met ingang van 1 januari 2008 en is gedateerd 25 december 2009.

Een tweede overeenkomst, gedateerd 25 april 2013, waarin is vastgesteld dat de stichting een geldbedrag van € 115.000,- leent aan de verdachte, welke overeenkomst van kracht is geworden met ingang van 1 januari 2008 en in de plaats treed van de overeenkomst van 25 december 2009. In de overeenkomsten is opgenomen dat aflossing niet eerder dan 1 januari 2014 zal plaatsvinden en alsdan in gelijke maandelijkse termijnen van € 5.000,- per maand zal worden betaald. De verschuldigde rente hoeft pas achteraf, met de laatste aflostermijn te worden betaald.

Er is geen sprake van rente op rente. De rechtbank stelt vast dat tot op heden nimmer enige aflossing of betaling van rente heeft plaatsgevonden. Als zekerheid is opgenomen dat een positieve/negatieve hypotheek op de woning van de verdachte kan worden verlangd. Er is geen recht van hypotheek ten behoeve van de stichting gevestigd. Onder al deze omstandigheden kan, anders dan de verdachte heeft betoogd, niet worden gezegd dat het sluiten van een dergelijke overeenkomst van geldlening kan worden aangemerkt als een veilige en deugdelijke belegging, zoals in de statuten is omschreven.

Over deze overeenkomsten van geldlening merkt de rechtbank verder op dat deze achteraf – kennelijk eerst nadat de inspecteur van de belastingdienst de verdachte om informatie over de stichting heeft gevraagd – zijn opgesteld, dat de in de overeenkomsten van geldlening genoemde bedragen niet overeenkomen met de bedragen die daadwerkelijk van de bankrekening van de stichting zijn afgeschreven en hier evenmin een deugdelijke administratie van is bijgehouden, en bovendien dat de overeenkomsten van geldlening niet zijn ondertekend. Tot slot weegt de rechtbank mee dat de verdachte vragen van de nazaten over de gestelde lening steeds grotendeels onbeantwoord heeft gelaten, met name door niet te melden dat het een lening aan hemzelf zou zijn.

Dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, brengt de rechtbank tot het oordeel dat in werkelijkheid geen sprake was van overeenkomsten van geldlening van de stichting aan de verdachte en dat deze overeenkomsten in strijd met de waarheid zijn opgemaakt door de verdachte. De rechtbank verwerpt ook het verweer dat sprake zou zijn van overeenkomsten van geldlening van de stichting aan [betrokkene 4] . Daartoe is het volgende van belang. In het dossier bevinden zich zeven overeenkomsten van geldlening van de stichting aan [betrokkene 4] van een totaalbedrag van € 7.600,-.

Ook deze overeenkomsten zijn niet ondertekend door een van de partijen. De bankoverschrijvingen waarop deze overeenkomsten volgens de verdachte betrekking zouden hebben, betreffen telkens niet een overboeking aan [betrokkene 4] maar aan [betrokkene 1] , zijnde de echtgenote van [betrokkene 4] . Daarbij komt dat het totaalbedrag aan overboekingen aan [betrokkene 1] € 5.000,- bedraagt en dus niet overeenkomt met het totaalbedrag van de hiervoor genoemde overeenkomsten van geldlening. Bovendien heeft [betrokkene 4] verklaard dat de overboekingen op de bankrekening van [betrokkene 1] geen betrekking hadden op een lening van de stichting aan hem.

Tot slot merkt de rechtbank nog op dat ten aanzien van de overeenkomsten van geldlening aan [betrokkene 4] nooit is afgelost, terwijl blijkens al die overeenkomsten – kort gezegd – had moeten worden afgelost in het jaar 2015. Evenmin zijn van de zijde van de verdachte acties ondernomen om [betrokkene 4] te bewegen tot betaling. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat in werkelijkheid geen sprake is geweest van overeenkomsten van geldlening van de stichting aan [betrokkene 4] en dat deze overeenkomsten in strijd met de waarheid zijn opgemaakt.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte als beheerder van de stichting in de ten laste gelegde periode geldbedragen van de bankrekening van de stichting aan en ten behoeve van zichzelf heeft overgemaakt en dat hij zich deze gelden dus wederrechtelijk heeft toegeëigend. De verdachte heeft daarbij een schijnconstructie opgezet door de door hem aan de bankrekening van de stichting onttrokken geldbedragen achteraf te dekken met valse overeenkomsten van geldlening. Het feit dat de verdachte de overboekingen en de leningen boekhoudkundig transparant zou hebben opgenomen in de boekhouding van de stichting, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Integendeel, het opnemen van bedragen als ware het (onderdeel van) een lening, is niet in overeenstemming met de waarheid geweest en heeft juist bijgedragen aan het in stand houden van de door de verdachte in het leven geroepen schijnconstructie. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het zich wederrechtelijk toe-eigenen van gelden toebehorende aan de stichting in zijn hoedanigheid als beheerder van de stichting. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opstellen van valse overeenkomsten van geldlening. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat Feit 1 hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 7 juni 2017 in Nederland opzettelijk meerdere geldbedragen (van in totaal ongeveer anderhalve ton euro (150.000,- euro)), toebehorende aan Stichting M.C.J.

Trip-Fonds, en welke bedragen verdachte als beheerder van een stichting anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, immers heeft verdachte aan (het vermogen van) Stichting MCJ Tripfonds (zonder rechtmatige titel) onttrokken: I op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013 meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer 51.000,- euro en II op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 7 juni 2017 meerdere geldbedragen ter voldoening van vorderingen op hem verdachte dan wel ter voldoening van vorderingen welke niet gericht of niet ten laste behoorden te komen van dat Tripfonds en welke betalingen werden gedaan aan: de Belastingdienst en [betrokkene 1] en Legal Account BV Zoetermeer en T-Mobile en het C.J.I.B. en [betrokkene 2] en Nationale Nederlanden en PAOB en [betrokkene 3] en Internetselling Service Holding BV en Delta Lloyd en Register Belastingadviseurs en Raad voor de rechtsbijstand en Jacir Beheer BV en Licent Beheer BV/Licent Academy en Tilburg University en RB Opleidingen en Bennet Nieuwegein en Schaap & Partners;

Feit 2 hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 16 januari 2018 in Nederland overeenkomsten betreffende een geldlening door het Trip-fonds aan hem verdachte en een derde ( [betrokkene 4] ), - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte toen en daar telkens valselijk: in die overeenkomsten tot geldlening van het Tripfonds aan hem verdachte vermeld dat er sprake zou zijn van een geldlening tussen hem verdachte en Stichting M.C.J. Tripfonds, en in die overeenkomsten tot geldlening van het Tripfonds aan die derde ( [betrokkene 4] ) vermeld dat er sprake was van een geldlening aan die [betrokkene 4] , zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 verduistering gepleegd door hem die het goed als beheerder van een stichting onder zich heeft, meermalen gepleegd, feit 2 valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden en dat aan de verdachte een beroepsverbod wordt opgelegd voor functies waaruit administratief en/of financieel beheer voortvloeit voor de duur van vijf jaren. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van eventuele strafoplegging rekening te houden met de 71-jarige leeftijd van de verdachte, met het feit dat de verdachte een first offender is en dat de redelijke termijn met twee jaren en zes maanden is overschreden.

De raadsman heeft bepleit geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar hooguit de maximale taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich in zijn hoedanigheid van beheerder van een stichting gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan verduistering.

De verdachte heeft het in hem als beheerder gestelde vertrouwen op grove wijze beschaamd door gedurende een periode van ongeveer negen jaren voortdurend geld van de bankrekening van de stichting aan te wenden voor persoonlijke doeleinden. Het totale verduisterde bedrag bedraagt ongeveer € 150.000,-. De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat de verdachte geld heeft verduisterd dat was bestemd voor een stichting die was opgericht om behoeftige familieleden van de oprichtster te ondersteunen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift.

Daarmee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in documenten als de onderhavige gesteld mag worden. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat als uitgangspunt genomen de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Die oriëntatiepunten vermelden voor de bestraffing van fraude met een benadelingsbedrag tussen de € 125.000,- tot € 250.000,- als uitgangspunt 9 tot 12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De aanzienlijke duur van de verduistering en de omstandigheid dat de verdachte valse overeenkomsten heeft opgesteld om een schijnconstructie in het leven te roepen, wegen in strafverzwarende zin mee.

De persoon van de verdachte en de redelijke termijn Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 8 september 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Op de zitting heeft de verdachte op geen enkele wijze blijk gegeven te beseffen dat hij in de fout is gegaan. De verdachte neemt als financieel beheerder ook geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen door telkens naar anderen te blijven wijzen: de voormalig werkgever die maar niet betaalt, de belastinginspecteur die hem zou willen beschadigen en de rechtspraak die het verkeerd ziet.

Dit gebrek aan verantwoordelijkheid en daarnaast het feit dat de verdachte de stichting nog niets heeft terugbetaald, weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee. Tot slot heeft de rechtbank voor de bepaling van de strafsoort en -maat rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in geval van de verdachte is aangevangen op 16 januari 2018, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. Nu het eindvonnis op 17 oktober 2022 wordt gewezen en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaren en negen maanden.

Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Conclusie De ernst van de feiten, de langere duur waarover deze zich hebben afgespeeld en de omstandigheid dat de verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen, maken dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden vindt. De rechtbank neemt hierbij als uitgangspunt een vrijheidsbenemende straf van tien maanden. Zoals eerder verwoord ziet de rechtbank in de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak aanleiding de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf te matigen.

Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden opleggen. Gelet op de aard en de duur van de gedragingen zal de rechtbank daarnaast een beroepsverbod voor de duur van vijf jaren opleggen, zoals bij de beslissing omschreven. 7Beslag De officier van justitie heeft gevorderd dat het conservatoir beslag op de woning van de verdachte wordt opgeheven, nu de echtgenote van de verdachte voor de helft eigenaar is en daarmee sprake is van onverdeeld vermogen. Nu onder de verdachte conservatoir beslag is gelegd op grond artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en de rechtbank conform artikel 353 Sv alleen gehouden is een beslissing te nemen ten aanzien van het beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, zal de rechtbank ten aanzien van het beslag geen beslissing nemen.

8Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij Stichting Maria-Carolina-Justina-Trip-fonds heeft een vordering tot schadevergoeding van € 27.039,47 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Dit bedrag is blijkens de vordering opgebouwd uit de geldbedragen die de verdachte vanaf de rekening van de stichting heeft overgeboekt aan zichzelf en aan derden (€ 170.465,44), waarvan vervolgens is afgetrokken de beheerdersvergoeding waar de verdachte recht op had (€ 43.477,-) en het geldbedrag dat de stichting reeds in de civiele procedure toegewezen heeft gekregen (€ 99.948,97).

Daarnaast heeft de benadeelde partij gevorderd dat een bedrag van € 8.045,- aan proceskosten door de verdachte dient te worden vergoed. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met dien verstande dat de proceskosten op € 1.824,-, zijnde het in eerste instantie door de benadeelde partij gevorderde bedrag, moeten worden vastgesteld. De raadsman van de verdachte heeft allereerst aangevoerd dat een bedrag van € 19.000,- in mindering moet worden gebracht op de door de benadeelde partij gevorderde schade.

Dit betreft een bedrag dat de verdachte heeft overgeboekt van de bankrekening van de stichting aan Schaap & Partners. In overeenstemming met hetgeen de raadsman van de verdachte hierover heeft aangevoerd, stelt de rechtbank vast dat uit het vonnis van de civiele rechter van 5 februari 2020, dat als bijlage bij de vordering van de benadeelde partij is gevoegd, volgt dat Schaap & Partners reeds een bedrag van € 19.000,-, heeft terugbetaald aan de stichting. Dit betreft een gedeelte van het door de verdachte verduisterde geldbedrag als bedoeld onder feit 1 en dient dan ook in mindering te worden gebracht op het door de benadeelde partij gevorderde schadebedrag.

De raadsman van de verdachte heeft daarnaast nog aangevoerd dat een bedrag van € 5.000,- in mindering moet worden gebracht op de door de benadeelde partij gevorderde schade. Dit betreft een bedrag dat de verdachte heeft overgeboekt van de bankrekening van de stichting aan [betrokkene 1] . Dit bedrag zou niet een betaling zijn geweest die ten goede van de verdachte is gekomen maar heeft betrekking op de lening die door de stichting zou zijn verstrekt aan [betrokkene 4] . De stichting heeft dan ook een vordering op [betrokkene 4] en de verdachte kan dus niet worden aangesproken wat betreft dit gedeelte van de schade.

De rechtbank volgt dit standpunt niet, nu de rechtbank onder 3.3.2 heeft geoordeeld dat tussen de stichting en [betrokkene 4] geen sprake was van een overeenkomst van geldlening. Gezien het voorgaande begroot de rechtbank de door de benadeelde partij geleden schade op een bedrag van € 8.039,47. De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal daarom tot dit bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 juni 2017, zijnde de datum van de laatste overboeking door de verdachte vanaf de bankrekening van de stichting, tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige wijst de rechtbank de vordering af. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De advocaat van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat de hoogte van de proceskosten is berekend aan de hand van de daadwerkelijk gemaakte kosten en niet volgens het liquidatietarief omdat uit jurisprudentie zou volgen dat dit standaard zou zijn. De advocaat van de benadeelde partij verwijst daarbij naar het arrest van het Hof Amsterdam van 20 juli 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2125).

De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt onjuist is. Uit staande jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:793) volgt dat een redelijke uitleg van artikel 592a oud Sv (thans 530 Sv) meebrengt dat de kosten voor rechtsbijstand die de benadeelde partij heeft moeten maken, op dezelfde wijze wordt begroot als dat gebeurt in civiele zaken, hetgeen in beginsel neerkomt op het hanteren van het liquidatietarief. Afwijken hiervan mag en is denkbaar, maar zal altijd nader moeten worden gemotiveerd (ECLI:NL:HR:2009:BG7995). Nu op de zitting geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken waarom er in onderhavige zaak afgeweken zou moeten worden van het liquidatietarief, is de rechtbank van oordeel dat ook in deze zaak voor de vaststelling van die vergoeding het bij de behandeling van civiele zaken gebruikelijke liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven als uitgangspunt gehanteerd dient te worden.

Bij de berekening – op grond van genoemd liquidatietarief – heeft de rechtbank gelet op de verrichte werkzaamheden, te weten het indienen van de vordering (1 punt), de aanwezigheid bij de regiezitting (0,5 punt) en het doen van een mondelinge toelichting op de zitting (1 punt). De geldswaarde in gevorderde hoofdsom ligt tussen de € 20.000,- en € 40.000,-, zodat tarief III geldt (een tarief van € 721,- per punt). In totaal komt daarmee in aanmerking een vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 1.802,50. De rechtbank zal dat bedrag toekennen.

Om te bevorderen dat de totale door de verduistering veroorzaakte schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit het verhandelde op de zitting kan worden opgemaakt dat de verdachte, ook naar aanleiding van het vonnis van de civiele rechter, nog niets heeft terugbetaald aan de stichting. Aan de verdachte zal dan ook de verplichting worden opgelegd aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, Stichting Maria-Carolina-Justina-Trip-fonds, ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 107.988,44 (€ 8.039,47 + € 99.948,97).

9Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikelen 36f, 57, 225, 323 en 325 van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden. Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Bepaalt dat de verdachte gedurende 5 (vijf) jaren wordt ontzet uit het recht om als beheerder dan wel bestuurder van een stichting op te treden. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij Stichting Maria-Carolina-Justina-Trip-fonds geleden schade tot een bedrag van € 8.039,47, bestaande uit vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 1.802,50, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Wijst af het meer of anders gevorderde. Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer Stichting Maria-Carolina-Justina-Trip-fonds de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 107.988,44, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 360 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, voorzitter, mr. M. Hoendervoogt en mr. E.M. van Poecke, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.C. ten Klooster, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2022.

Mr. Van Poecke is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.