Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2022:6777 ECLI:NL:RBNHO:2022:6777 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2022:6777 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2022:6777
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/6356 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2022 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Castricum, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft bij beschikking in de zin van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 676.000.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:17 van de Awb, artikel 7:4 van de Awb; ECLI:NL:RBNHO:2022:6777 · Rechtbank Noord-Holland: Het moet daarom ervoor worden gehouden dat verweerder bij zijn uitspraak op bezwaar ten onrechte niet een vergoeding aan eiser heeft toegekend voor kosten van een deskundige, te weten een taxateur. Bij deze stand van het geding is niet in geschil dat de te vergoeden kosten € 128,26 belopen. Informatievoorziening in de bezwaarfase 16. Verweerder hoefde in de bezwaarfase niet grondstaffels en taxatiekaarten een de gemachtigde van eiser toe te zenden. Een dergelijke verplichting vloeit niet voort uit artikel 6:17 van de Awb, artikel 7:4 van de Awb en/of artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ (zie Hof Amsterdam 22 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:499, rechtsoverwegingen 5.4.1-5.4.13 en 5.5.1-5.5.18).

Keywords

AI generated
property tax assessment expert assessment of value official valuation validity of tax assessment foreign property valuation assessment in concreto

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:17 van de Awb
Een dergelijke verplichting vloeit niet voort uit artikel 6:17 van de Awb, artikel 7:4 van de Awb en/of artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ (zie Hof Amsterdam 22 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:499, rechtsoverwegingen 5.4.1-5.4.13 en 5.5.1-5.5.18).
artikel 7:4 van de Awb
Een dergelijke verplichting vloeit niet voort uit artikel 6:17 van de Awb, artikel 7:4 van de Awb en/of artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ (zie Hof Amsterdam 22 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:499, rechtsoverwegingen 5.4.1-5.4.13 en 5.5.1-5.5.18).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2015:5642
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 14/00901 24 december 2015 uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X B.V.] , gevestigd te [Z] , belanghebbende, gemachtigden: mr.
ECLI:NL:RBOBR:2018:357
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 17/77 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2018 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: R.P.I.
ECLI:NL:PHR:2017:1051
Indien er sprake is van significante verschillen in grondoppervlakte tussen het getaxeerde object en de referentiepanden dient op basis van recente uitspraken van de rechtbank Oost Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2018:357) en de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2017:1051) een onderbouwde grondstaffel overlegd te worden.
ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2794
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector belasting Nummer BK-11/00095 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d.
ECLI:NL:GHAMS:2002:AE5169
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Vierde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van de erven van X te Z, belanghebbenden, tegen zeven uitspraken en een beschikking van het hoofd van de afdeling belastingen van de be-stuursdienst van de gemeente Hilversum, verweerder. 1. Loop van het geding 1.1. Van belanghebbenden is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 13 april 2001, mede namens zijn mede-belanghebbenden ingediend door A. Het beroep is gericht tegen de uit-spraken van 5 maart 2001 van verweerder betreffende de ten name van belanghebbenden genomen beschikkingen van 28 februari 1997, waarbij de waarde van de navolgende, te Hil-versum gelegen, onroerende zaken naar de waardepeildatum 1 januari 1994 voor het tijdvak van 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 op de na te noemen bedragen is vastgesteld: onroerende zaak: waarde: A-straat 39 winkel ƒ 190.000 A-straat 39 woning ƒ 171.000 A-straat 39a winkel ƒ 144.000 A-straat 39a woning ƒ 159.000 A-straat 41a winkel en woning ƒ 199.000 A-straat 41b winkel en woning ƒ 369.000 B-straat 54 woning ƒ 111.000 Het beroep is voorts gericht tegen de waardevaststelling in voormelde zin door verweerder van de onroerende zaak A-straat 41 winkel en woning, op ƒ 163.000, gedaan bij beschikking van 15 april 2001. 1.2. Na bezwaar tegen de zeven eerstgenoemde beschikkingen zijn de daarbij vastgestelde waarden bij de bestreden uitspraken ten aanzien van de onroerende zaken A-straat 39a win-kel en B-straat 54 woning gehandhaafd en zijn de overige daarbij vastgestelde waarden bij de bestreden uitspraken op de navolgende lagere bedragen vastgesteld: onroerende zaak: waarde: A-straat 39 winkel ƒ 123.000 A-straat 39 woning ƒ 109.000 A-straat 39a woning ƒ 118.000 A-straat 41a winkel en woning ƒ 170.000 A-straat 41b winkel en woning ƒ 262.000 1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van verweerder en tot vermindering van de vastgestelde waarden van elk van de voormelde onroerende zaken tot: A-straat 39 winkel ƒ 29.000 A-straat 39 woning ƒ 63.000 A-straat 39a winkel ƒ 35.000 A-straat 39a woning ƒ 66.000 A-straat 41 winkel en woning ƒ 65.000 A-straat 41a winkel en woning ƒ 76.000 A-straat 41b winkel en woning ƒ 123.000 B-straat 54 woning ƒ 71.000 1.4. Verweerder heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend en concludeert tot bevesti-ging van de bestreden uitspraken, alsmede tot handhaving van de waarde van de onroerende zaak A-straat 41 winkel en woning op de bij beschikking van 15 april 2001 bepaalde waarde. 1.5. Ter zitting van 3 mei 2002 zijn verschenen A, mede namens zijn medebelanghebbenden en vergezeld van B (Taxatiebureau C) en namens verweerder D. Namens verweerder is een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd. Namens belanghebben-den zijn fotokopieën overgelegd van twee krantenartikelen, twee pagina's uit een 'Detail-handelsnota Hilversum', twee plattegronden, twee pagina's met het opschrift 'Randvoor-waarden H-straat-A-straat-L-straat' en een pagina met handgeschreven aantekeningen. Beide partijen hebben van de door de wederpartij overgelegde stukken kunnen kennisnemen en hebben zich daarover kunnen uitlaten. Het Hof rekent alle voormelde stukken tot de stukken van het geding. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbenden zijn gezamenlijk eigenaar van de onroerende zaken welke hiervoor zijn omschreven (hierna: de objecten). De objecten zijn gebouwd in 1933/1934, maken deel uit van een aaneengebouwde rij winkels met daarboven woningen, zijn gelegen nabij het centrum van Hilversum en zijn in verband met hun architectonische kenmerken in 1995 op de gemeentelijke monumentenlijst van Hilversum geplaatst. Door deze status zijn een aantal beperkingen gesteld aan eventuele verbouw en/of renovatie van de panden. 2.2. Bij beschikking van 28 februari 1997 heeft verweerder de winkel en de woning van A-straat 41 ten onrechte als twee afzonderlijke Woz-objecten aangemerkt en gewaardeerd (op onderscheidenlijk ƒ 84.000 en ƒ 139.000). Naar aanleiding van het tegen de desbetreffende beschikkingen aangevoerde bezwaar heeft verweerder bij uitspraak van 4 april 2001 de beide beschikkingen vernietigd. Bij beschikking van 15 april 2001 heeft verweerder de genoemde winkel en woning alsnog als één Woz-object aangemerkt en dit object op ƒ 163.000 gewaar-deerd. Ten aanzien van de overige zeven in geding zijnde objecten, zoals onder 1.1. vermeld, heeft verweerder de objectafbakening van meet af aan correct uitgevoerd. 2.3. Bij beschikking van 28 februari 1997 zijn de waarden van de laatstgenoemde zeven ob-jecten voor het WOZ-tijdvak 1 januari 1997 t/m 31 december 2000 naar de waardepeildatum 1 januari 1994 vastgesteld op de onder 1.1. vermelde bedragen. Na bezwaar zijn deze waar-den deels gehandhaafd en deels verlaagd, een en ander zoals vermeld onder 1.2.. Ten aanzien van de winkel en de woning aan de A-straat 41 is de desbetreffende gang van zaken geweest zoals onder 2.2. omschreven. 2.4. Belanghebbenden hebben de objecten A-straat 39 winkel en A-straat 39 woning per 1 juli 1994 verhuurd tegen een totale jaarlijkse huursom van ƒ 27.500. 2.5.1. De door verweerder gestelde waarde in het economische verkeer is blijkens een bij het verweerschrift gevoegd taxatierapport, op 24 juli 2001 opgemaakt door E, makelaar-taxateur o.g., als volgt opgebouwd: ten aanzien van A-straat 39 winkel: Omschr b.v.o. prijs/m² huurw kap.fact Waarde (* 1000) kelder 19 125 2375 7 17 winkel 32 300 9600 7 67 werkr 12 225 2700 7 19 toilet 1 225 225 7 2 keuken 7 200 1400 7 10 berging 8 150 1200 7 8 79 17500 123 Onder deze tabel vermeldt het taxatierapport: "Met matige onderhoudstoestand is in de herwaardering al rekening gehouden Jaarhuur '94:27500 incl. boven; stel boven 10000/jaar Apart WOZ-object: aparte gebruiker Vanwege monumentstatus verlagen". ten aanzien van A-straat 39 woning: inhoud bov.won. 280 300 84000 st.ligg.w. 20000 berging 5000 109000 109 Onder deze tabel vermeldt het taxatierapport: "Met matige onderhoudstoestand is in de herwaardering al rekening gehouden Apart WOZ-object: aparte gebruiker Met gedeelde ingang is in herwaardering al rekening gehouden Vanwege monumentstatus verlagen". ten aanzien van A-straat 39a winkel: omschr. oppervl. (b.v.o.) prijs/m² huurw. kap.fact. waarde (*1000) kelder 12 150 1800 7 13 winkel 40 345 13800 7 97 koelcel 12 225 2700 7 19 toilet 4 225 900 7 6 berging 7 200 1400 7 10 75 20600 144 Onder deze tabel vermeldt het taxatierapport: "Huur betreft kale huur; huurder heeft winkel ook deels zelf opgeknapt Handhaven". ten aanzien van A-straat 39a woning: inhoud bov.won. 325 300 97500 st.ligg.w. 20000 117500 118 Onder deze tabel vermeldt het taxatierapport: "Met matige onderhoudstoestand is in de herwaardering al rekening gehouden Vanwege monumentstatus verlagen". ten aanzien van A-straat 41a winkel en woning: omschr. oppervl. (b.v.o.) prijs/m² huurw. kap.fact. waarde (*1000) kelder 22 75 1650 6,5 11 winkel 31 200 6200 6,5 40 keuken 14 150 2100 6,5 14 toilet 1 175 175 6,5 1 berging 10 100 1000 6,5 7 78 11125 72 inhoud bov.won. 260 300 78000 st.ligg.w. 20000 98000 98 170 Onder deze tabel vermeldt het taxatierapport: "Met matige onderhoudstoestand is in de herwaardering al rekening gehouden Vanwege monumentstatus verlagen". ten aanzien van A-straat 41b winkel en woning: omschr. oppervl. (b.v.o.) prijs/m² huurw. kap.fact. waarde (*1000) kelder 24 75 1800 6,5 12 winkel 70 275 19250 6,5 125 opslag 14 150 2100 6,5 14 toilet 1 175 175 6,5 1 berging 12 100 1200 6,5 8 121 24525 159 inhoud bov.won. 275 300 82500 st.ligg.w. 20000 102500 103 262 Onder deze tabel vermeldt het taxatierapport: "Met matige onderhoudstoestand is in de herwaardering al rekening gehouden Vanwege monumentstatus verlagen". ten aanzien van B-straat 54 woning: inhoud bov.won. 306 300 91800 st.ligg.w. 19000 110800 111 2.5.2. E heeft in zijn taxatierapport vermeld dat hij de (kwaliteits- en onderhouds)staat van elk van de getaxeerde panden heeft verdisconteerd in de gehanteerde verkoopwaarde c.q. in de gehanteerde huurwaarde en kapitalisatiefactor. Afzonderlijk beoordeeld taxeert E de in-vloed van de staat van de panden op hun waarde, als volgt: A-straat 39 winkel: benodigde reparatie dak ƒ 60.000, economische waarde ƒ 50.000 A-straat 39 woning: idem ƒ 45.000, idem ƒ 35.000 A-straat 39a winkel: idem ƒ 75.000, idem ƒ 45.000 A-straat 39a woning: idem ƒ 45.000, idem ƒ 35.000 A-straat 41a winkel en woning: idem ƒ 130.000, idem ƒ 100.000 A-straat 41b winkel en woning: idem ƒ 135.000, idem ƒ 110.000 B-straat 54 woning: idem ƒ 55.000, idem ƒ 45.000. Omtrent de door belanghebbenden gestelde, hogere, onderhoudskosten van de panden stelt E dat deze ten onrechte mede de gehele vernieuwing omvatten van onder meer keukens, sani-taire voorzieningen en c.v.-installaties. 2.5.3. Blijkens de taxatieverslagen die hebben geleid tot de genoemde beschikkingen van 28 februari 1997, heeft verweerder zich bij de aanvankelijke waardevaststellingen mede geba-seerd op de navolgende, aan de onroerende-zakenmarkt ontleende, gegevens van vergelij-kingspanden te Hilversum: ten aanzien van de winkelobjecten en het winkelgedeelte van de winkel-woningobjecten: - A-straat 10 winkel, ƒ 353 per m² - A-straat 18 winkel, ƒ 350 per m², ten aanzien van de woningobjecten en het woninggedeelte van de winkel-woningobjecten: - C-straat 11, transport 9 mei 1995, verkoopprijs ƒ 175.000 - D-straat 143, transport 20 februari 1995, verkoopprijs ƒ 190.000 - E-straat 80a, transport 1 september 1994, verkoopprijs ƒ 130.000 - F-straat 1271, transport 2 januari 1995, verkoopprijs ƒ 132.000 - G-straat 42, transport 28 juli 1995, verkoopprijs ƒ 131.000 - H-straat 27, transport 15 februari 1993, verkoopprijs ƒ 138.000. Blijkens bijlage 11 van E's rapport betreft A-straat 18 een winkel-woningpand in de omge-ving van de in geding zijnde objecten, waarvoor per 1 januari 1996 een jaarhuur gold van ƒ 14.565 en waarvan het winkelgedeelte bestond uit 18 m² winkelruimte, 16 m² werkruimte en 214 m3 woonruimte. In het kader van de per waardepeildatum 1 januari 1994 aan dat pand toegekende Woz-waarde (ƒ 184.000), is uitgegaan van ƒ 350 per m² winkelruimte aan jaarhuur, ƒ 200 per m² werkruimte aan jaarhuur en ƒ 450 per m3 woonruimte aan jaarhuur. Voorts vermeldt E ter onderbouwing van zijn conclusies de navolgende extra vergelijkings-objecten: B-straat 48a; bovenwoning, inhoud 220 m3, Woz-waarde naar waardepeildatum 1 januari 1994 ƒ 99.000, onderhoud matig, gemeentemonument. A-straat 20; winkel, waarvan 65 m² winkelruimte en 5 m² kantoor; jaarhuurwaarde per Woz-waardepeildatum 1 januari 1994 ƒ 27.150; in het kader van de per waardepeildatum 1 januari 1994 vastgestelde Woz-waarde (ƒ 246.000) is uitgegaan van ƒ 400 per m² winkelruimte en ƒ 200 per m² kantoorruimte; onderhoud normaal. A-straat 2; café-restaurant, waarvan 100 m² café-restaurantruimte en 100 m² magazijn (on-derverdeeld in 80 m² en 20 m²); jaarhuurwaarde per 1 november 1991 ƒ 35.158, in het kader van de per waardepeildatum 1 januari 1994 toegekende Woz-waarde (ƒ 429.000) is uitge-gaan van ƒ 400 per m² café-restaurantruimte aan jaarhuur, ƒ 125 per m² magazijnruimte (groot magazijn) aan jaarhuur en ƒ 100 per m² magazijnruimte (klein magazijn) aan jaar-huur; onderhoud normaal. I-straat 85: winkel en woning, waarvan 60 m² winkelruimte, 25 m² werkruimte en 400 m3 woonruimte; verkoopprijs per 6 november 1995 ƒ 675.000; in het kader van de per waarde-peildatum 1 januari 1994 toegekende Woz-waarde (ƒ 336.000) is uitgegaan van ƒ 275 per m² winkelruimte aan jaarhuur, ƒ 60 per m² werkruimte aan jaarhuur en ƒ 400 per m3 woon-ruimte aan jaarhuur; onderhoud normaal. J-straat 47a: woning boven café, inhoud 500 m3; verkoopprijs per 3 oktober 1994 ƒ 275.000; Woz-waarde naar de waardepeildatum 1 januari 1994 ƒ 195.000; onderhoud normaal. K-straat 4: bovenwoning, inhoud 200 m3; verkoopprijs per 29 september 1994 ƒ 140.000; Woz-waarde naar de waardepeildatum 1 januari 1994 ƒ 87.000. 2.6.1. Door belanghebbende is een taxatierapport overgelegd van B voornoemd van 4 april 2001, waarin de waarde van de in geding zijnde objecten in het economische verkeer met waardepeildatum 1 januari 1994 als volgt is vastgesteld en verantwoord: ten aanzien van A-straat 39 winkel: Panddeel bvo huur per m² huurwaarde kelder 19 50 950 winkel 32 300 9.600 werkr 12 175 2.100 toilet 1 200 200 keuken 7 150 1.050 berging 8 75 600 14.500 Waarde object 79.499,14 Bruto kapitalisatiefactor 5,48 Extra onkosten i.v.m. renovatie 50.000 WOZ waarde object 29.499,14 ten aanzien van A-straat 39 woning: panddeel bvo inhoud Prijs per m3/m2 Waarde woning 108 243 350 85.050 entree 4 10 350 3.500 berging 7 18 150 2.700 liggingswaarde 108 200 21.600 112.850 Extra onkosten i.v.m. renovatie 50.000 WOZ waarde object 62.850 ten aanzien van A-straat 39a winkel: panddeel bvo huur per m2 huurwaarde kelder 12 50 612,50 winkelruimte 40 300 12.000 koelcel 12 90 1.080 toilet 4 200 800 berging 7 75 525 15.017,50 Waarde object 84.696,94 Bruto kapitalisatiefactor 5,64 Extra onkosten i.v.m. renovatie 50.000 WOZ waarde object 34.696,94 ten aanzien van A-straat 39a woning: panddeel bvo inhoud prijs per m3/m² waarde woning 107 256 350 89.600 entree 5 13 350 4.550 liggingswaarde 107 200 21.400 115.550 Extra onkosten i.v.m. renovatie 50.000 WOZ waarde object 65.550 ten aanzien van A-straat 41a winkel en woning: panddeel bvo huur per m2 huurwaarde kelder 22 50 1.100 winkelruimte 31 300 9.300 keuken 14 150 2.100 toilet 1 200 200 berging 10 75 750 13.450 Bruto kapitalisatiefactor 5,36 panddeel bvo inhoud prijs per m3/m2 waarde woning 99 230 350 80.500 entree 4 10 350 3.500 liggingswaarde 99 200 19.800 103.800 Waarde winkelgedeelte 72.046,09 Waarde woongedeelte 103.800 Extra onkosten i.v.m. renovatie 100.000 WOZ waarde object 75.846,09 ten aanzien van A-straat 41b winkel en woning: Panddeel bvo huur per m2 huurwaarde Kelder 24 50 1.200 Winkelruimte 70 300 21.000 Opslag 14 100 1.400 Toilet 1 200 200 Berging 12 75 900 24.700 Bruto kapitalisatiefactor 5,68 Panddeel bvo inhoud prijs per m3/m² waarde Woning 103 238 350 83.300 Entree 4 10 350 3.500 Liggingswaarde 103 200 20.600 107.400 Waarde winkelgedeelte 140.299,43 Waarde woongedeelte 107.400 Extra onkosten i.v.m. renovatie 125.000 WOZ waarde object 122.699,43 ten aanzien van B-straat 54 woning: Panddeel bvo inhoud prijs per m3/m² waarde woning. 108 256 350 89.600 Entree 9 22 350 7.700 Kelder 6 12 200 2.400 Liggingswaarde 108 200 21.600 121.300 Extra kosten i.v.m. renovatie 50.000 WOZ waarde object 71.300 2.6.2. B becijfert de Woz-waarde van de in geding zijnde objecten op de hiervoor genoemde totalen, welke hij naar beneden heeft afgerond tot het dichtstbijzijnde veelvoud van duizend. In opdracht van belanghebbenden heeft Adviesbureau Y een schatting gemaakt van de reno-vatiekosten van de in geding zijnde panden, die daarbij zijn becijferd op ƒ 2.067.776 inclu-sief BTW. Daarbij zijn tot die kosten gerekend onder meer de vernieuwingskosten van toi-letten, douche/bad, c.v.-installatie, keukenblok en close-in-boiler. 3. Geschil Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de waarde in het economische verkeer van de in geding zijnde objecten dient te worden gesteld. 4. Standpunten van partijen 4.1. Voor de standpunten van partijen en de daartoe door hen gebezigde argumenten wordt verwezen naar de gedingstukken. Voorts is door partijen aan hun stellingen het volgende toegevoegd, zakelijk weergegeven: 4.1.1. namens belanghebbenden: De gemeente heeft de door haar voorgestane kapitalisatiefactor niet onderbouwd. De panden zijn niet gelegen in een winkelgebied met B-status, zoals de gemeente stelt, maar in een winkelgebied met mindere status. De winkelpanden zijn ook daarom te hoog gewaardeerd. De gemeente heeft bovendien onvoldoende rekening gehouden met het achterstallige onder-houd van de panden. Ook de monumentenstatus is onvoldoende door de gemeente in de waarde verdisconteerd. Voorts gebruikt de gemeente vergelijkingspanden die niet de status van gemeentelijk monument hebben. Wij hebben geen recht op vooraftrek van BTW; de gemeente gaat er ten onrechte vanuit dat dat wel zo is. De nalatenschap van X is eind 1999 gescheiden en gedeeld. De in geding zijnde panden zijn alle aan A toebedeeld: de panden A-straat 39 en 39a tegen inbreng in de boedel van ƒ 1, de overige panden tegen inbreng van ƒ 500.000. De totale waarde van de nalatenschap bedroeg circa ƒ 3.000.000. Er waren zes erfgenamen. Het ligt in de bedoeling om alle panden een woonbestemming te geven, maar de gemeente houdt dat tegen op grond van de status van gemeentelijk monument, op grond waarvan de winkels hun gebruiksbestemming dienen te houden. Daarover is een geschil met de gemeente aanhangig bij de provincie. Die status brengt in feite geen mogelijkheden tot subsidie mee. 4.1.2. namens verweerder: De panden zijn gelegen in een winkelgebied met B-status, op nog geen 100 meter van een prachtig winkelgebied dat in het hart van Hilversum is gesitueerd. Zij profiteren van de uit-straling van dat winkelgebied. Het is correct dat eerst in 1994 met de werkzaamheden is be-gonnen die dat winkelgebied de huidige uitstraling geven. Juist de door belanghebbenden voorgestane kapitalisatiefactor is niet onderbouwd. De kapitalisatiefactor die wij bij onze eerste taxatie gebruikten is in ons taxatierapport naar beneden bijgesteld. Dat is gebeurd om het achterstallige onderhoud en de gevolgen van de monumentenstatus beter tot uitdrukking te brengen. De aanvankelijk door ons gebruikte kapitalisatiefactor was ook te hoog omdat wij van een onjuist leegstandsrisico waren uitgegaan. Het taxatierapport van belanghebben-den is ten aanzien van de woningen uitsluitend gebaseerd op een m3-prijs. Dat is niet de methodiek die de Wet Woz voorschrijft. Het in opdracht van belanghebbenden opgestelde taxatierapport gaat, wat de winkelpanden betreft, ten onrechte uit van de lage huren die op grond van reeds lang lopende huurcontracten gelden. De actuele huurwaarde mag daaraan niet worden afgemeten. Wij hebben het achterstallige onderhoud van de panden in voldoen-de mate verdisconteerd in de waarden. De gemiddelde kapitalisatiefactor die destijds in Hil-versum werd gebruikt bij een waardevaststelling, was zeven. De monumentenstatus geeft mogelijkheden tot subsidie, bijvoorbeeld bij het terugbrengen in de oorspronkelijke staat. Het overgelegde krantenartikel omtrent de te koop staande woning aan de B-straat 38-I is voor deze zaak niet van belang. Er kunnen zoveel redenen zijn waarom een woning een tijdlang te koop staat. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Belanghebbenden dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun beroep, voor zo-ver dat betrekking heeft op het winkel- en het woonpand aan de A-straat 41. Voor zover dat beroep is ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar waarbij verweerder de aanvankelijke waardebeschikkingen (van 28 februari 1997) aangaande die panden heeft vernietigd, hebben belanghebbenden immers, gelet op die vernietiging, bij het beroep geen belang. Voor zover dat beroep is ingesteld tegen de beschikking van verweerder van 15 april 2001, waarbij de waarde van die panden (die daarbij als één Woz-object zijn aangemerkt) opnieuw is vastge-steld, dient het beroep te worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen die beschikking en dient het ingevolge artikel 6:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden doorgezonden aan verweerder, die het als een zo spoedig mogelijk doorgezonden -en dus tijdig ingekomen- bezwaarschrift in behandeling moet nemen. 5.2. Partijen zijn eenparig van opvatting dat de waarde van elk van de (overige) in geding zijnde objecten ingevolge de Wet Woz dient te worden gesteld op de waarde in het economi-sche verkeer en dat deze ten aanzien van de woningen/woninggedeelten dient te worden be-rekend aan de hand van gegevens, ontleend aan de verkopen van naar hun aard vergelijkbare woningen en ten aanzien van de winkels/winkelgedeelten aan de hand van de gekapitaliseer-de-huurwaardemethode. Aangezien die opvatting geen blijk geeft van een onjuiste rechtsop-vatting, sluit het Hof zich daarbij aan. 5.3. Op verweerder rust de plicht aannemelijk te maken dat hij de waarde van de objecten correct heeft vastgesteld. Hij heeft daartoe het rapport van taxateur E overgelegd. Naar in dat rapport aan de hand van concrete gegevens is verantwoord (zie onder 2.5.3.), berusten de in dat rapport genoemde waarden -wat de winkels/winkelgedeelten aangaat- op huurwaarden van referentiewinkelpanden (verkregen uit marktanalyse door de gemeente, publikaties en eigen marktonderzoek van de taxateur) en -wat de woningen/woongedeelten aangaat- op verkoopprijzen van referentiewoningen van rond de peildatum. Daartegenover staat het door belanghebbenden overgelegde rapport van taxateur B. De door deze berekende waarden van de woningen/woninggedeelten zijn uitsluitend gebaseerd op een prijs per kubieke meter woonruimte, hetgeen niet strookt met de terzake door de Wet Woz voorgeschreven metho-diek. Bovendien heeft hij volstaan met het noemen van de hoogte van de gehanteerde kubie-ke-meterprijzen, zonder die hoogte (bijvoorbeeld aan de hand van gerealiseerde verkopen van vergelijkingspanden) te onderbouwen. Wat de winkels/winkelgedeelten aangaat heeft B, naar verweerder onweersproken heeft aangevoerd, referentiehuurwaarden gehanteerd die zijn gebaseerd op huren die in de desbetreffende panden zijn gerealiseerd krachtens reeds lang lopende huurcontracten en die om die reden geen reëel beeld geven van de actuele marktsituatie op 1 januari 1994. Het gelijk van verweerder op dit punt volgt ook uit het feit dat belanghebbenden voor het woon-winkelpand A-straat 39 per 1 juli 1994 ƒ 27.500 aan huur ontvingen. Immers mag naar verweerder stelt, belanghebbenden niet weerspreken en het Hof redelijk acht op grond van hetgeen omtrent dat pand is gebleken, van die huursom ƒ 10.000 aan het woongedeelte worden toegerekend en ƒ 17.500 aan het winkelgedeelte, welke laatstgenoemde huursom substantieel hoger is dan de huursom die taxateur B in zijn rapport op dit punt hanteert, zijnde ƒ 14.500. 5.4. Gelet op de onderbouwing van het rapport van taxateur E en het feit dat het rapport van taxateur B, gezien de daaraan klevende bezwaren, aan dat rapport niet afdoet, is het Hof van oordeel dat de door taxateur E omschreven vergelijkingsgegevens met betrekking tot de wo-ningen/woongedeelten én de winkels/winkelgedeelten, een juiste basis bieden voor de vast-stelling van de waarden van de in geding zijnde objecten. 5.5. Vervolgens dient te worden beoordeeld of deze gegevens op correcte wijze zijn vergele-ken met de in geding zijnde objecten. Daaromtrent is tussen partijen in geschil of verweerder (met name taxateur E) voldoende rekening heeft gehouden met de status van de in geding zijnde objecten van gemeentelijk monument, met hun onderhoudsstaat en met de overige verschillen die er ten aanzien van de vergelijkingspanden bestaan, welke zijn gelegen in om-gevingsfactoren, te weten de aantrekkelijkheid van het winkelgebied waarin de objecten zijn gelegen en de aanwezigheid van parkeerplaatsen. 5.6. Ten aanzien van de winkels/winkelgedeelten hebben belanghebbenden gesteld dat de vergelijkingspanden A-straat 10 en A-straat 18, anders zijn gelegen dan de in geding zijnde winkelobjecten. Aan die stelling komt geen betekenis toe omdat het om panden in dezelfde straat gaat en behoudens een nadere, doch hier uitgebleven toelichting, niet aannemelijk is dat er binnen één straat relevante verschillen in huurwaarden bestaan die enkel voortvloeien uit de plaats van de desbetreffende panden in die straat. Bovendien heeft taxateur E zijn rap-port onderbouwd met (de huren van) andere panden uit de A-straat (nummers 2 en 20), ten aanzien waarvan niet van genoemd bezwaar is gebleken. Ten aanzien van de wonin-gen/woninggedeelten hebben belanghebbenden gesteld dat de vergelijkingspanden vele ma-len beter zijn gelegen. Naar het Hof uit de desbetreffende stellingen begrijpt, bestaat dit ver-schil er in de visie van belanghebbenden in dat hun woningen in een winkelgebied aan een doorgaande weg zijn gelegen en de vergelijkingspanden niet. Zonder nadere, doch ook hier uitgebleven toelichting, kan niet worden gezegd dat de door belanghebbenden gestelde ver-schillen een negatieve invloed dienen te hebben op de voor hun woningen te hanteren waar-de. Ook aan deze stelling moet daarom worden voorbijgegaan. 5.7. Of de winkelpanden van belanghebbenden in een winkelgebied met B-status zijn gele-gen, is niet van invloed op de uitkomst van dit geding, omdat de referentie-winkelpanden eveneens in de A-straat zijn gelegen en omdat niets erop wijst dat die panden in een ander 'status'-gebied zijn gelegen dan de winkelpanden van belanghebbenden, weshalve die status (welke dat ook is) mag worden geacht voldoende tot uitdrukking te zijn gekomen in de toe-passing van de aan die referentiewinkelpanden ontleende huurwaarden. 5.8. Ook aan de stelling van belanghebbenden omtrent (het gebrek aan) parkeergelegenheid in de nabijheid van de in geding zijnde objecten, komt geen betekenis toe, reeds omdat die stelling niet door feiten is onderbouwd. 5.9. Ten aanzien van de invloed op de waarde van de in geding zijnde objecten van hun sta-tus van gemeentelijk monument en van het achterstallig onderhoud waarvan bij die objecten (blijkens de rapporten van de beide taxateurs) sprake is, overweegt het Hof als volgt. Het Hof vat de stellingen van belanghebbenden omtrent de 'hokkerigheid' van de win-kels/winkelgedeelten en de mindere courantheid van de objecten vergeleken met andere panden (zoals de panden aan de A-straat 10 en A-straat 18) op als stellingen die belangheb-benden naar voren hebben gebracht ter ondersteuning van hun standpunt in deze twee kwes-ties.Taxateur E heeft weliswaar de te maken onderhoudskosten per pand geschat op een be-drag tussen ƒ 45.000 en ƒ 130.000 en de waardedrukkende invloed daarvan op een bedrag tussen ƒ 35.000 en ƒ 110.000, doch hij heeft niet verantwoord hoe die invloed in de waarde-berekeningen in zijn rapport tot uitdrukking komt. Evenmin heeft hij verantwoord op welke wijze de genoemde monumentenstatus (beide partijen gaan ervan uit dat deze in 1995 toege-kende status reeds van belang was op de waardepeildatum 1 januari 1994) in zijn berekenin-gen is verdisconteerd. Het had op verweerders weg gelegen hieromtrent meer duidelijkheid te verschaffen, temeer nu de door taxateur E aan de winkels/winkelgedeelten toegekende huurwaarde per m² (zoals onder 2.5.2. omschreven) naar gelang van de aard van de desbe-treffende deelruimten varieert van ƒ 100 tot ƒ 345 en de huurwaarden van de referentie-winkelpanden -waarvan niet is gesteld of gebleken dat zij gemeentelijke monumenten zijn en waarvan vast staat dat hun onderhoudssituatie normaal was- eveneens naar gelang van de aard van de desbetreffende deelruimten, varieerden tussen ƒ 100 en ƒ 400, alsmede nu de gemiddelde huurwaarde-kapitalisatiefactor voor bedrijfspanden in Hilversum destijds, naar verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld, zeven was en E -ook hier zonder nadere toelichting- ten aanzien van de objecten A-straat 39 winkel en A-straat 39a winkel ook van dat gemiddelde is uitgegaan en ten aanzien van de overige winkels/winkelgedeelten van de lagere factor 6,5. Dit brengt mee dat de uitkomsten van de taxatie door E in zoverre onvol-doende zijn onderbouwd. 5.10. Evenwel kan bij de bepaling van de invloed die aan de genoemde monumentenstatus en het achterstallig onderhoud moet toekomen, niet worden teruggevallen op hetgeen be-langhebbenden daaromtrent hebben gesteld. Daartoe bieden de berekeningen van taxateur B een te wankele basis, nu hij naar zeggen van belanghebbenden in de door hem gebezigde kapitalisatiefactor (ten aanzien van de winkels/winkelgedeelten) het achterstallige onderhoud reeds heeft verdisconteerd, hij daarenboven "in verband met renovatiekosten" een nominale waardevermindering per pand toepast tussen ƒ 50.000 en ƒ 125.000 en hij dusdoende op waarden uitkomt die vele tientallen procenten lager liggen dan de waarden die hadden ge-golden wanneer van de monumentenstatus en het achterstallige onderhoud geen sprake was geweest. In het geval van het object A-straat 39 winkel vermindert de door B gestelde waar-de alleen al door de extra nominale korting met circa 63 % en bedraagt deze nog slechts cir-ca tweemaal de door B becijferde jaarhuur. Omstandigheden die de slotsom rechtvaardigen dat aan de monumentenstatus en het achterstallige onderhoud een zodanige zwaarwegende invloed toekomt, zijn niet gesteld en aannemelijk geworden. Die omstandigheden volgen ook niet uit de opstelling van bouwbureau Y, omdat die opstelling niet alleen betrekking heeft op achterstallige onderhoudsposten, maar ook op posten die veeleer als verbetering zijn aan te merken. 5.11. Gelet op het voorgaande zal het Hof de waarde van de in geding zijnde panden baseren op de door verweerder gestelde waarden zoals getaxeerd door taxateur E, doch het Hof zal die waarden op genoemde gronden verlagen, waarbij de mate van die verlaging door het Hof in goede justitie wordt vastgesteld. Gelet op hetgeen is gesteld en aannemelijk is geworden omtrent de beperking in gebruiksmogelijkheden van de in geding zijnde objecten als gevolg van hun status als gemeentelijk monument en omtrent het achterstallige onderhoud, mede in acht genomen de overige omtrent de objecten gebleken omstandigheden, bepaalt het Hof de voornoemde waarde aldus dat ten aanzien van de winkel/winkelgedeelten in plaats van de door taxateur E toegepaste kapitalisatiefactor, factor zes wordt gehanteerd en dat de waarde van de woningen/woninggedeelten met 10 % wordt verlaagd. Voor een differentiatie van de toe te passen korting naar elk van de afzonderlijke objecten, ziet het Hof geen aanleiding, nu de panden gelijke bouwkundige kenmerken hebben, aaneengesloten zijn gebouwd en -anderszins is niet aannemelijk geworden- in hun onderhoudsstaat geen substantiële onder-linge verschillen vertonen. 5.12. Dit leidt tot de volgende som: A-straat 39 winkel: huurwaarde ƒ 17.500 x kapitalisatiefactor 6 ƒ 105.000 A-straat 39 woning: waarde ƒ 109.000 minus 10 % ƒ 98.100 A-straat 39a winkel: huurwaarde ƒ 20.600 x kapitalisatiefactor 6 ƒ 123.600 A-straat 39a woning: waarde ƒ 117.500 minus 10 % ƒ 105.750 A-straat 41a winkel: huurwaarde ƒ 11.125 x kapitalisatiefactor 6, ƒ 66.750 woning: waarde ƒ 98.000 minus 10 %, ƒ 88.200 ----------- ƒ 154.950 A-straat 41b winkel: huurwaarde ƒ 24.525 x kapitalisatiefactor 6, ƒ 147.150 woning: waarde ƒ 102.500 minus 10 % ƒ 92.250 ----------- ƒ 239.400 B-straat 54 woning: waarde ƒ 110.800 minus 10 % ƒ 99.720 6. Proceskosten en griffierecht Nu belanghebbenden in overwegende mate in het gelijk worden gesteld, acht het Hof termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten van belanghebbenden. Op de voet van het hier toepasselijke artikel 8:75 Abw en het Besluit proceskosten bestuursrecht, komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten van A in verband met het bijwonen van de zitting en de kosten van taxateur B, voor belanghebbenden verbonden aan zijn taxateurs-werkzaamheden (daaronder begrepen zijn werkzaamheden ter zitting). Genoemde reiskosten begroot het Hof op € 10. Genoemde kosten van taxateur E begroot het Hof op € 540 (10 uren werk ad € 54 per uur). Tevens dient verweerder het betaalde griffierecht ad ƒ 60 ( = € 27,23) aan belanghebbende te vergoeden. 7. Beslissing Het Hof n verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het betrekking heeft op de uitspraken van verweerder aangaande de afzonderlijke objecten A-straat 41 winkel en A-straat 41; n verstaat dat het beroep inzake het gecombineerde object A-straat 41 winkel en woning door verweerder in behandeling moet worden genomen als ware het een zo spoedig mo-gelijk doorgezonden bezwaarschrift tegen de beschikking van 15 april 2001; n verklaart het beroep voor het overige gegrond; n vernietigt de uitspraken van verweerder aangaande de objecten A-straat 39 winkel, A-straat 39 woning, A-straat 39a winkel, A-straat 39a woning, A-straat 41a winkel en wo-ning, A-straat 41b winkel en woning en B-straat 54 woning; n vermindert de op na te melden objecten betrekking hebbende beschikkingen tot beschik-kingen naar de na te melden waarde: A-straat 39 winkel ƒ 105.000 of € 47.646 A-straat 39 woning ƒ 98.100 of € 44.515 A-straat 39a winkel ƒ 123.600 of € 56.087 A-straat 39a woning ƒ 105.750 of € 47.987 A-straat 41a winkel en woning ƒ 154.950 of € 70.313 A-straat 41b winkel en woning ƒ 239.400 of € 108.634 B-straat 54 woning ƒ 99.720 of € 45.250 n veroordeelt verweerder tot vergoeding aan belanghebbende van € 550 aan proceskosten en wijst de gemeente Hilversum aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; n gelast de gemeente Hilversum het betaalde griffierecht ad € 27,23 aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak is vastgesteld op 14 juni 2002 door mrs. Schaap, Steenbergen en Rensema, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op die datum in het open-baar uitgesproken. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimi-seerde vorm. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit ge-rechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proces-kosten.
ECLI:NL:RBMID:2006:AY9555
RECHTBANK MIDDELBURG sector bestuursrecht enkelvoudige kamer ____________________________________________________ UITSPRAAK ____________________________________________________ Reg.nr.: Awb 05/1160 Inzake: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, tegen: de heffingsambtenaar van de gemeente Goes, verweerder. I. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser een op 31 januari 2005 gedagtekende waardebeschikking op grond van de Wet Waardering onroerende zaken (Wet WOZ) toegezonden. Eiser heeft tegen die beschikking op 29 januari 2005 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 27 september 2005 is het bezwaar ongegrond verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/6356 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2022 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Castricum, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft bij beschikking in de zin van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 676.000.

Op hetzelfde biljet heeft verweerder de aanslag onroerendezaakbelasting voor het jaar 2020 bekendgemaakt aan eiser. Verweerder heeft het bezwaar van eiser bij uitspraak van 16 oktober 2020 gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd tot € 630.000 en heeft een proceskostenvergoeding van € 522 toegekend. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2022 op zitting behandeld. Namens eiser is [gemachtigde 1] verschenen, kantoorgenoot van zijn gemachtigde, en namens verweerder mr. drs. [inspecteur] .

Overwegingen Feiten 1. Eiser is genothebbende krachtens eigendom van de woning. Het betreft een vrijstaande woning uit 1976 met ongeveer 700 kubieke meter inhoud, een dakkapel en 622 vierkante meter grond.

2. Omstreeks 1 januari 2019 zijn in de buurt waarin de woning is gelegen, onder meer de volgende objecten verkocht: [adres 1] , vrijstaande woning uit 1977 met 764 m3 wooninhoud op een kavel van 741 m2, verkocht op 6 februari 2018 voor € 790.000; [adres 2] , vrijstaande woning uit 1976 met 750 m3 wooninhoud op een kavel van 896 m2, verkocht op 2 oktober 2018 voor € 825.000 en na aankoop verbouwd; [adres 3] , vrijstaande woning uit 1976 met 925 m3 wooninhoud op een kavel van 897 m2, verkocht op 22 juni 2018 voor € 875.000 en na aankoop verbouwd, en [adres 4] , vrijstaande woning uit 1977 met 119 m2 woonoppervlak op een kavel van 742 m2, verkocht op 25 april 2018 voor €527.500.

3. In de bezwaarfase is namens eiser een taxatierapport overgelegd dat is ondertekend door E.M.J. Brandsen en E. Oostlander (hierna: Brandsen en Oostlander) van Phydias B.V. In dit rapport is het volgende vermeld (spelfouten zijn overgenomen): “ALGEMEEN A. OPDRACHT/OPNAME Opdracht is verstrekt aan : Phydias B.V. Adres : (…) Telefoon : (…) De taxatie is uitgevoerd door : E.M.J. Brandsen en E. Oostlander Het object is opgenomen op : 21-4-2020 B. OBJECT Type object : Vrijstaande woning Adres : [adres 5] Postcode en plaats : [woonplaats] C. DOEL VAN DE TAXATIE 1 De taxatie is bedoeld om inzicht te verschaffen in de waarde van het object in het kader van: a De uitvoering van de Wet WOZ naar waardepeildatum 1januari 2019 D.

WAARDERING 1 Het object is getaxeerd op a WOZ-waarde : € 616.000 b Grondslag OZB gebruik : - c Tarief OZB eigendom : Woning tarief E. ALGEMENE UITGANGSPUNTEN De taxatie is bedoeld om inzicht te verstrekken in de WOZ-waarde van hot object. De taxatie is uitsluitend bestemd voor genoemd doel en genoemde opdrachtgever. Er wordt geen verantwoordelijkheid aanvaard voor enig ander gebruik of gebruik door anderen dan de opdrachtgever. Op het object zijn op basis van de kadastrale recherche en/of opgave van opdrachtgever geen andere beperkende rechten en/of er(dienstbaarheden van toepassing behalve als deze specifiek vermeld worden in het rapport en van invloed zijn op de getaxeerde waarde(n).

Als uitgangspunt geldt dat eventuele privaat- en publiekrechtelijke beperkingen zoals weergegeven op het kadastraal uittreksel actueel en volledig zijn. De vigerende bestemming van het object is conform opgave van opdrachtgever in overeenstemming met hot huidige gebruik. Als uitgangspunt geldt dat alle vergunningen ton behoeve van het object onherroepelijk aanwezig zijn. In het kader van deze taxatie wordt geen onderzoek gedaan naar de gesteldheid van de bodem en/of het grondwater. Uitgegaan wordt van de informatie zoals verstrekt door de opdrachtgever en informatie uit openbare bronnen.

Als uitgangspunt geldt dat de gesteldheid van de bodem en het grondwater geen belemmering vormen voor het huidige gebruik. De taxateur vormt zich een globaal beeld van de onderhoudstoestand van het object op basis van een visuele inspectie. Dit impliceert dat geen oordeel wordt gevormd van elk afzonderlijk onderdeel, noch over de elementen die aan het zicht zijn onttrokken. Nadrukkelijk is geen sprake van een bouwkundige keuring van de gebouwen en/of de technische installaties. Bij de inschatting van de kosten van achterstallig onderhoud wordt uitgegaan van uitvoering van de werkzaamheden door professionelen.

De taxateur heeft de BAG administratie en de gegevens op het door de gemeente verstrekte taxatieverslag geraadpleegd. In beginsel wordt uit gegaan van de juistheid van deze gegevens. Bij twijfel aan de juistheid van deze gegevens vraagt de taxateur plattegronden of bouwtekeningen bij de opdrachtgever op. Indien deze niet voorhanden zijn schat de taxatour de afmetingen zo goed mogelijk in aan de hand van de plaatselijke opname of aan de hand van luchtfoto’s. F. WAARDEBEGRIPPEN EN OVERIGE BEGRIPPEN Gecorrigeerde vervangingswaarde De gecorrigeerde vervangingswaarde betreft de waarde in economische zin voor de eigenaar zelf.

Uitgangspunt hierbij zijn de door de eigenaar gekozen uitgangspunten mits deze uitgangspunten op de taxatiedatum nog onverkort gelden. De gecorrigeerde vervangingswaarde van een onroerende zaak wordt bepaald door in beginsel uit te gaan van de bruto vervangingswaarde van die zaak. Dit is het bedrag dat moet worden geïnvesteerd om een vergelijkbaar object te bouwen. Deze bruto vervangingswaarde wordt vervolgens gecorrigeerd voor een afschrijving door technische veroudering van het object en voor een afschrijving door functionele veroudering van het pand.

De bruto vervangingswaarde wordt bepaald via de systematiek van de elementenbegroting, waarbij gebouwgrootte, gebouwvorm en toegepaste materialen/elementen een rol spelen. Op deze wijze wordt automatisch rekening gehouden met de grootte van het pand. Voor veel voorkomende gebouwtypen kan uit pragmatische overwegingen aansluiting worden gezocht bij de door gemeenten gehanteerde archetypen zoals verwoord in de diverse taxatiewijzers van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. De technische correctie wordt bepaald aan de hand van de levensduur, restwaarde en ouderdom van het object.

De begrippen levensduur en de restwaarde van een gebouw (of onderdelen van een gebouw) zijn rekenkundige maatstaven die bij aanvang van de gebruiksperiode moeten worden aangelegd ten behoeve van het op evenwichtige wijze verdelen over die periode van de kosten van hot pand. Vele onzekerheden spelen daarbij een rol, hetgeen een exacte bepaling van wat rechtens juist is, moeilijk maakt en noopt tot schattingen. Na het verstrijken van de initieel bepaalde levensduur heeft een pand In het algemeen zijn restwaarde bereikt. Naast de technische correctie dient de waarde van het object ook gecorrigeerd te worden voor eventuele functionele gebreken.

Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden in een correctie voor economische veroudering (FC1), een correctie voor veranderde bouwwijze (FC2), een correctie voor de belemmering van gebruiksmogelijkheden (FC3) en een correctie voor excessieve gebruikskosten (FC4). Deze correcties betreffen correcties die niet reeds zijn gecorrigeerd bij de technische correctie, immers daar wordt gecorrigeerd voor de veroudering van de materialen zelf en niet voor eventuele functionele gebreken van een object. Voor het bepalen van de grondwaarde is het nodig om onderscheid te maken tussen de gebouwgebonden grond (de taxatiewijzer van de VNG spreekt over de “basiskavel”) en de ongebonden grond (de taxatiewijzer van de VNG speekt van “restgrond”), Dit onderscheid is van betekenis, wanneer de grondoppervlakte van het te taxeren object groter is dan normaliter wordt gebruikt voor een gebouw met die bestemming en dat bouwvolume.

Bij het bepalen van de grootte van de gebouwgebonden grond wordt gekeken naar het vloeroppervlakte van het gebouw of de gebouwen, waarbij ook naar het aantal bouwlagen van het gebouw een rol speelt. De grootte wordt in de praktijk bepaald door de oppervlakte van het gebouw (vloeroppervlakte) te vermenigvuldigen met een norm. - George Ten Have noemt in zijn Taxatieleer Vastgoed deel 1 (derde druk, paragraaf 8,2.4., pagina 154) een norm van 2. - De Taxatiewijzer Algemeen van de VNG noemt zelf geen norm. - De Taxatiewijzer Sport van da VNG noemt een norm van 1 tot en met 2,5 (afhankelijk van het aantal bouwlagen). - Ook bij de huurwaarde kapitalisatiemethode wordt een soortgelijke norm van 2 tot 2,5 gehanteerd.

In de huidige markt wordt een norm gehanteerd tussen de 0,75 (drie bouwlagen of meer) en 2,00 (één bouwlaag). Het resterende deel van de grondoppervlakte is dan ongebonden grond. Aangezien de gecorrigeerde vervangingswaarde de waarde voor de huidige eigenaar/gebruiker betreft en deze genoegen zou nemen met een kleiner perceel dan het huidige grotere kadastrale perceel, dient het resterende deel van het perceel gewaardeerd te worden tegen een lagere prijs per vierkante meter. Dit is in overeenstemming met hetgeen de taxatiewijzer VNG hierover voorschrijft.

Bedrijfswaarde De bedrijfswaarde is een bijzondere vorm van de gecorrigeerde vervangingswaarde. Bij objecten die in de commerciële sfeer gebezigd worden dient de gecorrigeerde vervangingswaarde zodanig te worden vastgesteld dat deze gelijk is aan de bedrijfswaarde van de onroerende zaak (onder meer ECLI:NL:GHAMS:2015:5642 en ECLI:NL;HR:2017:443). Bij de bepaling van de bedrijfswaarde van de onroerende zaak dient rekening te worden gehouden met lage of hoge winsten en winstverwachtingen als gevolg van ontwikkelingen in de economische omstandigheden of ontwikkelingen in de betreffende bedrijfstak, Daarnaast moeten ook omstandigheden die de onderneming en daarmee het object zelf betreffen in de waardering worden betrokken.

Al deze factoren worden verwerkt in de correctiefactor voor functionele veroudering. Marktwaarde Het geschatte bedrag waartegen vastgoed tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper na behoorlijke marketing in een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de waardepeildatum, waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld. In de Wet WOZ is deze terminologie nog niet overgenomen en wordt gesproken over de waarde in het economisch verkeer. Met beide begrippen wordt dezelfde waarde bedoeld.

Huurwaarde kapitalisatiemethode (marktwaarde) Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer (marktwaarde) van niet-woningen wordt vergeleken met huurcijfers van vergelijkbare panden. Van niet-woningen zoals bijvoorbeeld winkels, kantoren en bedrijfspanden zijn veelal huurprijzen bekend. Door deze huren te analyseren kan een gemiddelde huurwaarde worden berekend voor een bepaald type niet-woning. De huurwaarde wordt vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor. Deze factor drukt uit hoeveel maal de jaarhuurwaarde men bij verkoop bereid zou zijn te betalen voor het pand.

Bij het bepalen van de factor wordt rekening gehouden met zaken als inflatie, de rentestand, leegstand, de staat van onderhoud, verzekering, belasting en beheerskosten. Discounted cashflow methode (marktwaarde) Deze methode wordt gebruikt bij de waardering van onroerende zaken die slecht met elkaar zijn te vergelijken en waarvan weinig koop- of huurgegevens bestaan, zoals horecaobjecten en recreatieve objecten. Bij deze methode wordt het saldo van de toekomstige inkomsten en uitgaven van een bedrijf berekend, waarbij men in beginsel uitgaat van een periode van 10 tot 20 jaar.

Uitgaande van het geldende rendement op staatsleningen wordt vervolgens bekeken welk bedrag men nu zou moeten reserveren, om over twintig jaar het berekende saldo te hebben gespaard. Dat bedrag is dan de waarde die onroerende zaak nu vertegenwoordigt. G. JURISPRUDENTIE Principe van afnemend grensnut In de eindwaarde van het onderhavige object zit de waarde van de ondergrond, het deel van het kadastrale perceel dat toe te bedelen is een het onderhavige object, verdisconteerd. Op het taxatieverslag is door de gemeente niet inzichtelijk gegeven welke waarde aan de grond wordt toegekend.

Indien er sprake is van significante verschillen in grondoppervlakte tussen het getaxeerde object en de referentiepanden dient op basis van recente uitspraken van de rechtbank Oost Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2018:357) en de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2017:1051) een onderbouwde grondstaffel overlegd te worden. Dit principe van afnemend grensnut geldt niet alleen voor de waarde van de grond maar ook voor de waarde van de woning zelf. Indien er sprake is van significante verschillen in grootte tussen het getaxeerde object en de referentiepanden dient op basis van deze uitspraken tevens onderbouwd te worden op welke wijze het principe van het afnemend grensnut is toegepast bij de waardering van het woninggedeelte.

Woning met monumentale status Indien de woning een Rijksmonumentale status heeft dient hiermee rekening te worden gehouden. Volgens een uitspraak van gerechtshof ‘s-Gravenhage gaat er een waardedrukkend effect uit van deze status (ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2794). Indien de woning een gemeentelijke monumentale status heeft dient hier ook rekening mee te worden gehouden. De onderhoudskosten en frequentie van een monument liggen aanzienlijk hoger dan die van een gemiddelde woning. Een koper zal met deze kosten rekening houden bij de aanschaf van een monumentaal pand, hij zal in verhouding een lager bedrag betalen ter compensatie van de hogere onderhoudskosten.

Dat er een waardedrukkend effect uitgaat van een gemeentelijke monumentale status wordt onder meer bevestigd in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2002:AE5169). Waardedrukkende effecten Bij de waardebepaling dient rekening te houden met alle waardebeïnvloedende gegevens. Conform uitspraak van de Rechtbank Middelburg (ECLI:NL:RBMID:2006:AY9555) dient rekening te worden gehouden met de ligging van het onderhavige object nabij een hoogspanningsmast en dient de waarde van de grond verlaagd te worden met 10%. Conform de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2012:BW2985) dient rekening te worden gehouden met de ligging van het onderhavige object nabij een UMTS-mast en dient de waarde verlaagd te worden met 5%.

Conform de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ4864) dient rekening te worden gehouden met de ligging van het onderhavige object nabij een windturbine en dient de waarde verlaagd te worden met een bedrag dat afhankelijk is van de hemelsbrede afstand van de woning tot de windturbine. Conform de uitspraak van De Hoge Raad (ECLI NL:HR:2001:AD7580) dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van asbest en dient de waardedrukkende invloed te worden gesteld op het bedrag dat op de waardepeildatum door de veronderstelde koper zou worden gereserveerd voor de toekomstige verwijdering van de asbesthoudende materialen.

Conform de uitspraak van De Hoge Raad (ECLI:NL:GHSGR:2010:BL3741) dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van bodemverontreiniging en dient de waardedrukkende invloed te worden gesteld op het bedrag dat op de waardepeildatum door de veronderstelde koper na het best verrichte bodemonderzoek zou worden gereserveerd voor de toekomstige verwijdering van de bodemverontreiniging, waarbij ook rekening worden gehouden met eventuele rompslomp schade, negatief imago en mogelijke tuinaanplanting na de sanering. H. FOTO PRESENTATIE [2 satellietfoto’s met wegen erop ingetekend en drie buiten genomen foto’s] I.

OMSCHRIJVING OBJECT Het betreft een vrijstaande woning uit 1976. Het object is als volgt gelegen: in een woonwijk, in een bosrijk gebied en aan een rustige weg. De woning heeft een eigen oprit. Op ongeveer driehonderd meter is een school gelegen. Tevens liggen de N203 en de N513 in de buurt. J. STAAT WAARIN HET OBJECT VERKEERT De staat van het object is (mede) gebaseerd op door de cliënt verstrekte informatie, aangezien een inpandige opname niet mogelijk is geweest. Het object is 44 jaar oud en verkeert in een minder goede staat. Op korte termijn dienen investeringen te worden gedaan om het object weer up to date te krijgen.

K. ONDERBOUWING VAN DE WAARDE De waarde van de woning wordt onderbouwd aan de hand van de volgende rond de peildatum verkochte vergelijkbare woningen: - [adres 1] te [woonplaats] , per 26 maart 2018 verkocht voor een bedrag van €790.000; het betreft een vrijstaande woning uit circa 1978 met een grootte van circa 221 m² en een perceel ter grootte van 741 m2 - [adres 4] te [woonplaats] , per 25 april 2018 verkocht voor een bedrag van €527.500; het betreft een vrijstaande woning uit circa 1977 met een grootte van circa 119 m² en een perceel ter grootte van 742 m2 L.

ONDERTEKENING Aldus verricht naar beste kennis en wetenschap, opgemaakt te Arnhem op 21-4-2020. [handtekening] [handtekening] E.M.J. Brandsen E. Oostlander Phydias Phydias” 4. Onder meer in de brief waarbij het taxatierapport van Phydias BV aan verweerder is overgelegd, heeft de gemachtigde van eiser verweerder verzocht om, als niet volledig aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen, “de opbouw van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, en taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren, alsmede de manier waarop u de verschillen heeft verdisconteerd, van het onderhavige object en van de door u opgevoerde vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken.” 5.

Verweerder heeft aan de gemachtigde van eiser in de bezwaarfase grondstaffels en taxatiekaarten met KOUDV-factoren toegezonden van de vergelijkingsobjecten die zijn genoemd in het voor de hoorzitting aan eiser verstrekte taxatieverslag. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder verwezen naar het gerealiseerde verkoopcijfer voor een object dat niet in het taxatieverslag is genoemd, te weten [adres 4] . Van dit object heeft verweerder niet voorafgaand aan de hoorzitting een grondstaffel en een taxatiekaart verstrekt.

6. Verweerder heeft een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Er is geen vergoeding toegekend voor het taxatierapport. Geschil 7. Eiser voert in beroep aan dat de door verweerder toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag is. Voor het taxatierapport van Brandsen en Oostlander van Phydias BV dient nog een bedrag € 128,26 te worden vergoed (2 uur x € 53, vermeerderd met btw). Daarnaast kan de waarde van de woning op de peildatum volgens eiser niet hoger zijn dan € 616.000 en had verweerder de grondstaffel en taxatiekaart met KOUDV-factoren moeten verstrekken van de referentieverkoop die voor het eerst in de uitspraak op bezwaar is genoemd. Ten slotte heeft eiser verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg.

8. Verweerder meent dat het verzoek van eiser om vergoeding van deskundigenkosten terecht is afgewezen, onder verwijzing naar een uitspraak van het Tuchtcollege van de Stichting Nederlands Register Vastgoed Taxateurs (hierna: NRVT) van 14 januari 2021, onder meer inhoudende een schorsing van – aldus verweerder – Brandsen vanwege het uitbrengen van taxatierapporten die niet aan de regels dan wel standaarden van de NRVT voldoen. Verder acht verweerder de waarde van de woning, als verminderd bij uitspraak op bezwaar, niet te laag vastgesteld. Beoordeling van het geschil Proceskostenvergoeding in bezwaar 9.

Kosten voor het inschakelen van een taxateur die taxatierapport heeft uitgebracht in een bezwaar- of beroepsprocedure betreffende een beschikking op grond van de Wet WOZ, zijn in beginsel deskundigenkosten in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Dat lijdt in elk geval uitzondering als de beweerdelijke taxateur niet een deskundige is, als het uitgebrachte taxatierapport niet als een verslag is aan te merken of als het inschakelen van de deskundige in een voorkomend geval niet redelijk is.

10. In het standpunt van eiser ligt de stelling besloten dat het in bezwaar ingebrachte taxatierapport van Brandsen en Oostlander het verslag van een deskundige is en dat het inschakelen Brandsen en Oostlander redelijk was. Verder heeft hij ter zitting gesteld dat de schorsing van Brandsen in de door verweerder gereleveerde uitspraak van het Tuchtcollege van het NRVT in hoger beroep een berisping is geworden.

11. Naar de rechtbank begrijpt is het standpunt van verweerder dat het taxatierapport van Brandsen en Oostlander niet het verslag van een deskundige is, omdat Brandsen zich niet aan de regels van de NRVT heeft gehouden en omdat het in deze zaak overgelegde taxatierapport in zoverre eveneens tekortschiet (‘knip-en-plakwerk’). Voor het geval het ervoor moet worden gehouden dat het taxatierapport wel het verslag van een deskundige is, heeft verweerder niet bestreden dat het inschakelen van Brandsen en Oostlander door eiser redelijk was.

12. De rechtbank overweegt als volgt. De omstandigheid dat een taxateur regels van de NRVT niet heeft nageleefd of dat een door hem ondertekend taxatierapport niet aan de eisen voldoet die de NRVT aan taxatierapporten stelt, brengt nog niet mee dat hij niet (meer) een deskundige is op het gebied van taxaties. Dit alleen al omdat ook een taxateur die niet als register taxateur aan regels van de NRVT is gebonden, een deskundige kan zijn. Voor het overige heeft verweerder onvoldoende de gestelde deskundigheid van Brandsen betwist, die kennelijk over de kwalificaties beschikt om register taxateur te zijn. Het betoog van verweerder faalt daarom voor zover het inhoudt dat Brandsen niet een deskundige is.

13. Verweerder kan wel worden toegegeven dat eiser in redelijkheid niet heeft kunnen verwachten dat het overleggen van het taxatierapport van Brandsen en Oostlander aan een voor hem gunstige afloop van de bezwaarschriftprocedure zou bijdragen. Het taxatierapport houdt welbeschouwd namelijk weinig meer in dan een bewering van de ondertekenaars dat de woning op de peildatum € 616.000 waard was. De onderbouwing is een verwijzing naar de verkoopprijzen van twee referentieobjecten, waarvan, net als van de woning, maar heel summier kenmerken zijn opgenomen. Afgezien van twee satellietfoto’s en drie vage foto’s uit de straat van de woning, alles ogenschijnlijk van Google Maps afkomstig, bestaat het taxatierapport voor het overige uit algemeenheden, te weten een uitgebreide weergave van ‘algemene uitgangspunten’, ‘waardebegrippen en overige begrippen’ en doorgaans feitelijke jurisprudentie waaruit ten onrechte algemene conclusies worden getrokken (bijvoorbeeld dat ligging bij een UMTS-mast steeds leidt tot een 5% lagere waarde van een woning).

14. Anders dan verweerder in wezen betoogt, rechtvaardigt de omstandigheid dat de in het taxatierapport vermelde waarde van de woning niet of nauwelijks wordt onderbouwd, echter nog niet de gevolgtrekking dat het rapport niet een verslag (van een deskundige) is. Wel ligt het in de rede dat aan het deskundigenoordeel in het taxatierapport geen gewicht is gehecht bij de heroverweging in de bezwaarfase, zoals de rechtbank ook in dit beroep aan het taxatierapport voorbij zal gaan. Dat is echter niet relevant. Bij de beoordeling of recht bestaat op toekenning van een vergoeding van deskundigenkosten mag namelijk niet de eis worden gesteld dat (het verslag van) de deskundige daadwerkelijk aan een voor eiser gunstige afloop heeft bijgedragen (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1382).

15. Het moet daarom ervoor worden gehouden dat verweerder bij zijn uitspraak op bezwaar ten onrechte niet een vergoeding aan eiser heeft toegekend voor kosten van een deskundige, te weten een taxateur. Bij deze stand van het geding is niet in geschil dat de te vergoeden kosten € 128,26 belopen. Informatievoorziening in de bezwaarfase 16. Verweerder hoefde in de bezwaarfase niet grondstaffels en taxatiekaarten een de gemachtigde van eiser toe te zenden. Een dergelijke verplichting vloeit niet voort uit artikel 6:17 van de Awb, artikel 7:4 van de Awb en/of artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ (zie Hof Amsterdam 22 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:499, rechtsoverwegingen 5.4.1-5.4.13 en 5.5.1-5.5.18).

De beroepsgrond van eiser over de informatievoorziening door verweerder in de bezwaarfase slaagt daarom niet. Waarde van de woning 17. Ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde van de woning heeft verweerder in beroep een ‘matrix’ overgelegd. Daaruit volgt dat verweerder tot een waarde van € 630.975 komt door uit te gaan van een waarde per kubieke meter woonruimte van € 555, een waarde per vierkante meter perceel van € 383 en een dakkapel van € 4.000. Ter vergelijking zijn daarnaast de voor [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] gerealiseerde verkoopprijzen herleid tot waarden per kubieke meter woonruimte en waarden per vierkante meter kavel op de peildatum 1 januari 2019.

Deze laatste waarden zijn lager dan de waarden waarvan is uitgegaan voor de woning, te weten € 597 tot € 626 per m3 woonruimte en € 384 tot € 404 per m2 kavel. Verweerder erkent dat de voorzieningen van de woning gedateerd zijn. Verder stelt hij dat [adres 2] en [adres 3] na aankoop zijn verbouwd.

18. Gelet op de gerealiseerde verkoopprijzen voor de referenties die zijn genoemd in de matrix van verweerder, acht de rechtbank een waarde van de woning op de peildatum van ten minste € 630.000 aannemelijk. De matrix maakt inzichtelijk dat die waarde aan de lage kant ligt in verhouding tot de gerealiseerde verkoopprijzen voor de referenties, die qua type, bouwjaar, inhoud, perceelgrootte en ligging goed tot zeer goed met de woning vergelijkbaar zijn. De rechtbank acht aldus voldoende rekening gehouden met de relatief gedateerde staat van de voorzieningen (keuken, badkamer, sanitair) in de woning. Ook de omstandigheid dat de ligging van de referentie [adres 2] iets mooier is dan die van de woning (achter aan het water, maar voor tegenover een appartementencomplex), is van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen. Datzelfde geldt voor hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd en ingebracht, zoals het taxatierapport van Brandsen en Oostlander, dat niet wezenlijk meer is dan een bewering over de waarde van de woning (zie hiervoor).

19. De klacht van eiser dat de door verweerder gehanteerde index om de verkoopcijfers van de referentieobjecten naar de peildatum te vertalen niet inzichtelijk is en niet is onderbouwd, kan op zichzelf beschouwd niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden. Slechts de voor de woning vastgestelde eindwaarde ligt namelijk ter beoordeling voor. Daar komt bij dat verweerder in het voordeel van eiser van een zeer lage waardestijging uitgegaan (omgerekend minder dan vijf percent op jaarbasis in 2018) en in het geval van de verkoop van [adres 2] , die in oktober 2018 is verkocht, per abuis zelfs van een waardedaling.

20. Evenmin bestaat een zelfstandige verplichting voor verweerder om inzichtelijk te maken hoe een mindere staat van een object zich precies vertaalt in de waarde daarvan of van een deel daarvan. Bijvoorbeeld dat gedateerde voorzieningen meebrengen dat de waarde van de opstal tien percent lager wordt. Ook hier geldt dat het de eindwaarde is die voorligt ter beoordeling. Verzoek vergoeding immateriële schade 21. Het verzoek van eiser om vergoeding van immateriële schade dient te worden toegewezen, omdat deze uitspraak niet binnen een redelijke termijn wordt gedaan; sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 20 maart 2020 zijn meer dan twee jaar verstreken.

Bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor een langere redelijke termijn, doen zich niet voor. Bij de gegeven overschrijding van de redelijke termijn van afgerond vijf maanden past een vergoeding van € 500. Omdat daarvan afgerond een maand aan de bezwaarfase is toe te rekenen, dient verweerder (1/5e deel =) € 100 te vergoeden en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) de resterende € 400. Slotsom 22. Het beroep dient gegrond te worden verklaard. Proceskosten 23. Aanleiding bestaat verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep.

Deze kosten, te weten die voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, stelt de rechtbank op grond van het Besluit vast op € 1.518 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1). Zowel verweerder als de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) dient de helft van dit bedrag (€ 759) te vergoeden. Voor de vergoeding van het griffierecht geldt hetzelfde (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover verweerder daarin het verzoek van eiser tot vergoeding van deskundigenkosten heeft afgewezen; veroordeelt verweerder tot een vergoeding van deskundigenkosten van eiser in verband met de behandeling van het bezwaar tot een bedrag van € 128,26; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar; veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 100; veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 400; gelast verweerder en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden, ieder tot een bedrag van € 24, en veroordeelt verweerder en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van eiser, ieder tot een bedrag van € 759.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, rechter, in aanwezigheid van R. van der Vecht, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2022. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.