Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2022:3770 ECLI:NL:RBNHO:2022:3770 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2022:3770 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2022:3770
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/314056-21 (P) Uitspraakdatum: 12 april 2022 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 maart 2022 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , thans gedetineerd in [detentieadres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.E. Stroink en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, artikel 9a Sr, artikel 37 Sr, artikel 36f Sr; ECLI:NL:RBNHO:2022:3770 · Rechtbank Noord-Holland: De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog en van de reclassering met betrekking tot het gevaar voor recidive over en oordeelt – zoals eveneens door de officier van justitie is gevorderd en door de raadsvrouw is bepleit – dat aan de verdachte geen strafrechtelijke maatregel dient te worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat aan de verdachte in de zaak met rekestnummer C/15/326242 FA RK 22/1252, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, bij afzonderlijke beslissing van deze rechtbank een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, Wfz is verleend, zodat in dat kader gedwongen behandeling van de verdachte zal plaatsvinden.

Keywords

AI generated
crime victim attempted aggravated assault physical aggression violent offenses violence against authorities sexual assault

Cited Legislation

AI generated
artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht
artikel 9a Sr
Hoewel in deze zaak in strafrechtelijke zin geen straf of maatregel wordt opgelegd en geen toepassing wordt gegeven aan artikel 9a Sr, oordeelt de rechtbank dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en overweegt daartoe als volgt.
artikel 37 Sr
Op 1 januari 2020 is artikel 37 Sr – de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis bij volledige ontoerekeningsvatbaarheid – komen te vervallen.
artikel 36f Sr
Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2021:1217
afdeling strafrecht parketnummer: 23-003581-17 datum uitspraak: 28 april 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-800233-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, adres: [adres]. Procesgang De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis van 6 oktober 2017 het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, het bewezenverklaarde niet strafbaar verklaard en de verdachte daarvoor ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts is de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis opgelegd. Het openbaar ministerie heeft tegen dat vonnis op 11 oktober 2017 hoger beroep ingesteld. Tijdens het proces zijn verschillende rapportages met betrekking tot de persoon van de verdachte uitgebracht. In hoger beroep is de verdachte nader onderzocht door deskundigen van het NIFP in het Pieter Baan Centrum. De deskundigen [naam 1], psychiater en [naam 2], psycholoog hebben over haar gerapporteerd in een rapport van 12 november 2019 en aanvullend in een rapport van 22 december 2020. In het PBC-rapport van 12 november 2019 is onder meer geadviseerd tot oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Dit advies wordt door de deskundigen in het aanvullend PBC-rapport van 22 december 2020 vanwege positieve ontwikkelingen niet langer gehandhaafd. In dat rapport wordt wel nog steeds een behandeling in een gedwongen kader geadviseerd. Volgens de deskundigen zou een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) op zijn plaats zijn. Op de pro-formazitting van het hof van 11 januari 2021 heeft de advocaat-generaal vervolgens aangegeven een verzoekschrift zorgmachtiging met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (Wfz) voor te bereiden, in aanloop naar de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Op 7 april 2021 is dit verzoekschrift geregistreerd bij de rechtbank Amsterdam. Het verzoekschrift is op 14 april 2021 gelijktijdig behandeld met de onderhavige zaak. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. primairzij op of omstreeks 15 juni 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, (meermalen) met een mes en/of een schroevendraaier stekende en/of zwaaiende beweging(en) heeft gemaakt in en/of in de richting van de borst en/of het gezicht en/of de nek/hals en/of de arm(en) en/of andere deel/delen van het lichaam van die [benadeelde], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 1. subsidiairzij op of omstreeks 15 juni 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermalen) met een mes en/of een schroevendraaier stekende en/of zwaaiende beweging(en) heeft gemaakt in en/of in de richting van de borst en/of het gezicht en/of de nek/hals en/of de arm(en) en/of andere deel/delen van het lichaam van die [benadeelde], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2.zij op of omstreeks 15 juni 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] in diens (rechter) bovenarm te bijten. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraak feit 1, primair Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewezenverklaring feit 1 subsidiair en feit 2 Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. zij op 15 juni 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een mes en een schroevendraaier stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in en/of in de richting van de borst en/of het gezicht en/of de nek/hals en/of de arm(en) van [benadeelde], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2.zij op 15 juni 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [benadeelde] heeft mishandeld door [benadeelde] in diens rechter bovenarm te bijten. Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van de conclusies van de verschillende pro Justitia-rapporten die zich in het strafdossier bevinden. Het hof overweegt als volgt. In het hierboven genoemde PBC rapport van [naam 1] en [naam 2] van 12 november 2019 is geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde leed aan, kortgezegd, een ziekelijke stoornis en zij psychotisch was, hetgeen zich uitte in waandenkbeelden die haar gedachten domineerden, waardoor zij niet meer in staat was haar keuzes in vrijheid te maken. Haar motief tot het begaan van de tenlastegelegde feiten (indien bewezen) was psychotisch ingegeven en zij had geen corrigerend vermogen meer op haar denken en daaruit vloeiende handelen. De bewezenverklaarde feiten kunnen haar dan ook volgens de deskundigen niet worden toegerekend. Het hof neemt deze, deugdelijk onderbouwde, conclusies over en maakt deze tot de zijne. Dit betekent dat voor het hof vast staat dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, ten gevolge waarvan die feiten haar niet kunnen worden toegerekend. Daarmee is de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar en dient zij te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Beslag Het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.182,18, bestaande uit € 82,18 aan materiële schade en € 1.100,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich op 18 juni 2019 opnieuw gevoegd in hoger beroep. De advocaat-generaal heeft op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ontvankelijk is in de vordering, ook al zou overeenkomstig zijn vordering geen straf of maatregel worden opgelegd, indien het hof met de te verlenen zorgmachtiging een equivalent nastreeft van de in eerste aanleg aan de verdachte opgelegde – en inmiddels vervallen – maatregel van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarbij gaat de advocaat-generaal er van uit dat de wetgever door de invoering van de zorgmachtiging niet heeft bedoeld een wijziging ten nadele aan te brengen in de positie van de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering geheel moet worden toegewezen. Ook de raadsman heeft bepleit dat de schade van de benadeelde partij moet worden voldaan, op de wijze zoals voorgesteld door de advocaat-generaal, als dit mogelijk is. In het geval dat het hof tot het oordeel komt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering, heeft de raadsman toegezegd dat alsnog geregeld zal worden dat de schade wordt vergoed. Ontvankelijkheid benadeelde partij In artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald dat een benadeelde partij alleen ontvankelijk zal zijn in haar vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, of indien toepassing wordt gegeven aan artikel 9a Sr. In het onderhavige geval wordt de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof stelt voorop dat uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat zij de onder 1, subsidiair en 2 bedoelde strafbare feiten heeft begaan. In het onderhavige geval wordt de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en voorts wordt de maatregel van onttrekking aan het verkeer van enkele voorwerpen gelast. Het hof heeft bij afzonderlijke beschikking van heden een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 2.3 Wfz verleend. Dit werpt de vraag op of onder “maatregel” in de zin van artikel 361, tweede lid, onder a, Sv ook is begrepen een door het hof bij afzonderlijke beschikking afgegeven zorgmachtiging op grond van artikel 2.3 Wfz. Hierover overweegt het hof als volgt. Op 1 januari 2020 is artikel 37 Sr komen te vervallen. Met ingang van diezelfde datum is de Wfz in werking getreden. Met het afgeven van een zorgmachtiging door de strafrechter wordt in een geval als het onderhavige hetzelfde doel nagestreefd als met de maatregel van een opname in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in het vervallen artikel 37 Sr, namelijk er voor zorgen dat de verdachte verplichte zorg krijgt, waardoor het risico van gevaar voor de (algemene) veiligheid van personen of goederen wordt afgewend. Artikel 2.3, eerste lid, Wfz bepaalt ook uitdrukkelijk dat de machtiging krachtens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, zoals die ook in het kader van dit strafproces bij aparte beslissing betreffende de verdachte is afgegeven, een bevoegdheid betreft in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Het heeft er alle schijn van dat de wetgever bij het realiseren van voornoemde wetswijzigingen niet ook steeds de positie van de benadeelde partij in het oog heeft gehouden. Dit vermoeden wordt versterkt door de omstandigheid dat, ook na 1 januari 2020, het inmiddels vervallen artikel 37 Sr nog steeds wordt vermeld in artikel 36f Sr. Het hof gaat er van uit dat de wetgever door de invoering van de zorgmachtiging niet heeft bedoeld een wijziging ten nadele aan te brengen in de positie van de benadeelde partij. Omdat het hof gelet op het hiervoor overwogene met het afgeven van de zorgmachtiging een equivalent van het vervallen artikel 37 Sr heeft verstrekt, is het van oordeel dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en het hof ook een schadevergoedingsmaatregel kan opleggen. Het hof merkt nog op dat gelet op de verwevenheid van procedures, zoals die ook tot uitdrukking komt in het voorgaande, en de tekst van artikel 2.3 Wfz naar het oordeel van het hof aan het voorgaande niet afdoet dat sprake is van twee afzonderlijke procedures, een strafrechtelijke, onderscheidenlijk civielrechtelijke procedure en de uitkomst van die laatste nog niet onherroepelijk is. Toewijzing vordering van de benadeelde partij Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Met betrekking tot de immateriële schade overweegt het hof als volgt. De begroting van de omvang van de immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels voor stelplicht en bewijslast van het civiele recht. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vaststellen op € 1.100,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op genoemde aard en de ernst van de normschending, het toegebrachte letsel en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. Met betrekking tot de materiële schade overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat de gehele gevorderde materiële schade in aanmerking komt voor vergoeding. De schadeposten van het eigen risico van de ziektekostenverzekering (€ 57,18) en van het T-shirt (€ 25,00) zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Het hof zal daarom ook dit deel van de vordering toewijzen. De toe te wijzen bedragen zullen - als gevorderd - worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1.00 STK Mes aardappel (766781). 1.00 STK Schroevendraaier kleur: zwart (766780). Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.182,18 (duizend honderdtweeëntachtig euro en achttien cent) bestaande uit € 82,18 (tweeëntachtig euro en achttien cent) materiële schade en € 1.100,00 (duizend honderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.182,18 (duizend honderdtweeëntachtig euro en achttien cent) bestaande uit € 82,18 (tweeëntachtig euro en achttien cent) materiële schade en € 1.100,00 (duizend honderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 21 (eenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 juni 2017. Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. H.A. van Eijk en mr. R.A.E. van Noort, in tegenwoordigheid van R.J. den Arend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 april 2021. De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/314056-21 (P) Uitspraakdatum: 12 april 2022 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 maart 2022 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , thans gedetineerd in [detentieadres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.E. Stroink en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr.

K.C. van Hoogmoed, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 20 november 2021 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een sleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n), die [slachtoffer] stevig heeft vastgepakt en een scherpe scherf, in elk geval een scherp voorwerp, met kracht tegen de nek van die [slachtoffer] heeft gedrukt en/of gedrukt heeft gehouden en daarbij op dwingende toon heeft gezegd: "geef me je sleutel" althans woorden van soortgelijke aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Gelet daarop zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 20 november 2021 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een sleutel, die aan een derde toebehoorde, die [slachtoffer] stevig heeft vastgepakt en een scherpe scherf tegen de nek van die [slachtoffer] heeft gedrukt en daarbij op dwingende toon heeft gezegd: "geef me je sleutel" althans woorden van soortgelijke aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: poging tot afpersing. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte 5.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar de Pro Justitia rapportage – gevorderd dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar zal worden geacht en dat hij dientengevolge zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 5.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft hetzelfde standpunt ingenomen. 5.3 Deskundigenadviezen De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende omtrent de verdachte opgemaakte rapportages:- de Pro Justitia rapportage van 18 januari 2022, opgemaakt door GZ-psycholoog drs.

M.L. de Groot; - het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 19 januari 2022, opgemaakt door [reclasseringswerker] en [reclasseringswerker] . Voornoemd psychologisch onderzoeksrapport houdt onder meer het volgende in: Bij de betrokkene is sprake van een ernstig psychiatrische stoornis, waarbij manisch-psychotische episodes en depressieve episodes (soms ook gepaard gaande met psychotische kenmerken) zich afwisselen. Voornoemde kan in de DSM 5 worden geclassificeerd als een bipolaire I stoornis met psychotische kenmerken. In aanloop naar en ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van een ernstig manisch-psychotisch beeld, in het kader van een bipolaire I stoornis met psychotische kenmerken.

Betrokkenes realiteitstoetsing was ernstig verstoord, in de zin dat hij er (oncorrigeerbaar) van was overtuigd dat hij dood zou gaan door een hogere macht, en dat hij alleen door zelfmoord zijn ziel en die van zijn moeder kon redden. Ontsnappen uit de kliniek was de enige manier om dit te volbrengen. Zijn dreigende gedrag kwam voort vanuit de (psychotische) angst dat hij en zijn moeder anders gestraft zouden worden. Op basis van betrokkenes verhaal lijken manische symptomen tevens een rol te hebben gespeeld, in de zin dat zijn gedachtes voortdurend een vlucht met hem namen en dat hij daardoor moeilijk helder kon denken.

Betrokkene overwoog weliswaar andere opties om zijn plan te verwezenlijken, maar al deze overwegingen waren psychotisch gekleurd. Op basis van onderhavig onderzoek lijkt het ten laste gelegde volledig pathologisch gemotiveerd en was er geenszins ruimte voor gezonde (her)overwegingen van zijn gedrag. Geadviseerd wordt dan ook om hem het ten laste gelegde niet toe te rekenen. 5.4 Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde psychologische rapportage op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies over de toerekeningsvatbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing.

De rechtbank neemt – zoals door de officier van justitie gevorderd en door de raadsvrouw bepleit – de inhoud van de rapportage over en maakt de conclusies daaruit tot de hare. De rechtbank acht de verdachte ten aanzien van het door hem gepleegde feit dan ook volledig ontoerekeningsvatbaar. De gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het feit zijn in een dusdanig overheersende mate beïnvloed door de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat dit de conclusie rechtvaardigt dat het bewezenverklaarde feit hem wegens die stoornis niet kan worden toegerekend.

De rechtbank acht de verdachte dan ook niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging. 6Geen maatregel 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte geen strafrechtelijke maatregel zal worden opgelegd. De officier van justitie is van oordeel dat met de toewijzing van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging ex artikel 2.3 Wet forensische zorg (Wfz), welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, kan worden volstaan. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om binnen het strafrechtelijk kader aan de verdachte geen maatregel op te leggen. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij haar beslissing over het al dan niet opleggen van een strafrechtelijke maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met bovengenoemde Pro Justitia rapportage die op dit punt – voor zover hier van belang – het volgende inhoudt:

Indien betrokkene zonder behandeling terugkeert in de maatschappij, is de kans groot dat hij opnieuw ernstig manisch-psychotisch ontregelt. Door zijn gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht zal hij immers stoppen met het gebruik van medicatie en bij hem bestaat geen enkele motivatie om hulp te zoeken. Het risico op geweld zoals het ten laste gelegde wordt ingeschat op laag tot matig. Sinds betrokkene is ingesteld op (dwang)medicatie, leeft hij bovendien niet langer in de waan dat hij dood moet/gaat, en lijkt de kans op recidive in geweld zoals het ten laste gelegde tot zeer laag gereduceerd.

Betrokkene is gezien zijn ernstige psychische stoornis gebaat bij een klinische behandeling binnen een besloten psychiatrische setting. Onder de huidige omstandigheden (medicatiegebruik) lijkt een laag beveiligingsniveau te volstaan. Vanwege het ontbrekende ziektebesef en het gebrek aan motivatie voor behandeling, dient behandeling in een gedwongen kader plaats te vinden. Op basis van het lage tot matige geweldsrisico lijkt gedwongen behandeling in het kader van een zorgmachtiging het best passend. De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met voornoemd reclasseringsadvies, waarin de reclassering zich heeft aangesloten bij het advies van de psycholoog om een zorgmachtiging op te leggen.

De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog en van de reclassering met betrekking tot het gevaar voor recidive over en oordeelt – zoals eveneens door de officier van justitie is gevorderd en door de raadsvrouw is bepleit – dat aan de verdachte geen strafrechtelijke maatregel dient te worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat aan de verdachte in de zaak met rekestnummer C/15/326242 FA RK 22/1252, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, bij afzonderlijke beslissing van deze rechtbank een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, Wfz is verleend, zodat in dat kader gedwongen behandeling van de verdachte zal plaatsvinden.

7Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. 7.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij kan worden ontvangen in haar vordering, ook als geen straf of maatregel aan de verdachte zou worden opgelegd. Volgens de officier van justitie kan een afgegeven zorgmachtiging ex artikel 2.3 Wfz met de oplegging van een maatregel in de zin van artikel 361, tweede lid, onder a, Sv worden gelijkgesteld.

De officier van justitie verwijst hiertoe naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 april 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1217. De officier van justitie heeft gevorderd dat de gevorderde immateriële schade volledig zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet kan worden ontvangen in haar vordering, omdat – onder verwijzing naar artikel 361, tweede lid, Sv – geen straf of maatregel aan de verdachte moet worden opgelegd.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de door de benadeelde partij aangehaalde jurisprudentie niet vergelijkbaar is met het onderhavige geval. 7.3 Oordeel van de rechtbank 7.3.1 Ontvankelijkheid Artikel 361, tweede lid, onder a, Sv bepaalt dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), schuldig wordt verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Hoewel in deze zaak in strafrechtelijke zin geen straf of maatregel wordt opgelegd en geen toepassing wordt gegeven aan artikel 9a Sr, oordeelt de rechtbank dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en overweegt daartoe als volgt.

Op 1 januari 2020 is artikel 37 Sr – de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis bij volledige ontoerekeningsvatbaarheid – komen te vervallen. Met ingang van diezelfde datum is artikel 2.3 van de Wfz in werking getreden. Hierin is de mogelijkheid geschapen om in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde een zorgmachtiging te verlenen. Met het verlenen van een zorgmachtiging door de strafrechter wordt hetzelfde doel nagestreefd als met de maatregel van een opname in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in het vervallen artikel 37 Sr, namelijk er voor zorgen dat de verdachte verplichte zorg krijgt, waardoor kort gezegd het risico van gevaar voor de (algemene) veiligheid van personen of goederen wordt afgewend.

Artikel 2.3, eerste lid, Wfz bepaalt ook uitdrukkelijk dat de machtiging krachtens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, zoals die ook in het kader van dit strafproces bij aparte beslissing betreffende de verdachte is afgegeven, een bevoegdheid betreft in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld.

De rechtbank gaat er van uit dat de wetgever door de invoering van de zorgmachtiging niet heeft bedoeld een wijziging aan te brengen in de positie van de benadeelde partij. Omdat de rechtbank gelet op het hiervoor overwogene met het afgeven van de zorgmachtiging een equivalent van het vervallen artikel 37 Sr heeft verstrekt, is zij van oordeel dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en de rechtbank ook een schadevergoedingsmaatregel kan opleggen. 7.3.2 Beoordeling van de vordering De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden.

Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend, komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 750,- zonder meer billijk voor. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat dit zonder nadere stukken ter onderbouwing niet voldoende onderbouwd is.

De benadeelde partij kan dat deel van de vordering dat tot niet-ontvankelijkheid heeft geleid desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikelen 36f, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. 9Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop bovengenoemde zorgmachtiging ten uitvoer wordt gelegd. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. C.W.M. Giesen, voorzitter, mrs. M.E. Allegro en M. Goedhart, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.S. Rietdijk, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 april 2022. mr.

M. Goedhart is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.