Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2022:3056 ECLI:NL:RBNHO:2022:3056 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2022:3056 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2022:3056
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 7456986 \ CV EXPL 19-378 Uitspraakdatum: 30 maart 2022 Vonnis van de kantonrechter in het incident tot tussenkomst ex artikel 118 Rv in de zaak van: 1 [passagier sub 1] te [woonplaats] 2. [passagier sub 2], wonende te [woonplaats] (Duitsland) 3. [passagier sub 3], wonende te [woonplaats] 4. [passagier sub 4], pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kind [minderjarige] 5. [passagier sub 5] allen wonende te [woonplaats] 6. [passagier sub 6], wonende te [woonplaats] 7. [passagier sub 7] 8. [passagier sub 8] beiden wonende te [woonplaats] 9.

Legislator headnote

AI generated

artikel 118 Rv; ECLI:NL:RBNHO:2022:3056 · Rechtbank Noord-Holland: Er is dus sprake van lastgeving ‘ter incasso’, aldus de vervoerder. Op grond van de tekst van ‘Power of Attorney’ is EUclaim bovendien telkens aangesteld om voor en namens de passagiers op te treden om de compensatie te verkrijgen en verkreeg EUclaim daarvoor alle benodigde rechten, waarbij de compensatie op de bankrekening van EUclaim binnenkomt en hij uitsluitend 71% van het compensatiebedrag ingevolge artikel 7 van de Verordening minus € 26,00 aan administratiekosten aan de passagiers zal overmaken, aldus nog steeds de vervoerder. Ook zou het volgens de vervoerder om een ‘no cure no pay’-regeling gaan.

Keywords

AI generated
compensation and assistance to passengers travel insurance airport noise compensation flight risk civil aviation law commercial traveller contract

Cited Legislation

AI generated
artikel 118 Rv
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 7456986 \ CV EXPL 19-378 Uitspraakdatum: 30 maart 2022 Vonnis van de kantonrechter in het incident tot tussenkomst ex artikel 118 Rv in de zaak van: 1 [passagier sub 1] te [woonplaats] 2.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2019:3623
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.246.587/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: 6077001/CV EXPL 17-5408 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 oktober 2019 inzake de vennootschap naar vreemd recht QATAR AIRWAYS (Q.C.S.C.) gevestigd te Doha, Qatar, appellante, advocaat: mr. S.D. Arnold te Bussum, tegen 1. [geïntimeerde sub 1]voor zich en als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige A] en [minderjarige B], allen wonend te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde sub 2], wonend te [woonplaats] , 3. [geïntimeerde sub 3], wonend te [woonplaats] , 4. [geïntimeerde sub 4], wonend te [woonplaats] , 5. [geïntimeerde sub 5], wonend te [woonplaats] , 6. [geïntimeerde sub 6], wonend te [woonplaats] , 7. [geïntimeerde sub 7], wonend te [woonplaats] , 8. [geïntimeerde sub 8], wonend te [woonplaats] , 9. [geïntimeerde sub 9], wonend te [woonplaats] , 10. [geïntimeerde sub 10], wonend te [woonplaats] , 11. [geïntimeerde sub 11], wonend te [woonplaats] , 12. [geïntimeerde sub 12], wonend te [woonplaats] , 13. [geïntimeerde sub 13], wonend te [woonplaats] , 14. [geïntimeerde sub 14]voor zich en als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige C] en [minderjarige D], allen wonend te [woonplaats] , 15. [geïntimeerde sub 15], wonend te [woonplaats] , 16. [geïntimeerde sub 16], wonend te [woonplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr.
ECLI:NL:GHDHA:2015:1093
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.156.907 / 01 Zaaknummer rechtbank : C/09/444070 Arrest in het incident tot oproeping in vrijwaring van 19 mei 2015 inzake de gemeente Haarlemmermeer, zetelend te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel, verweerster in het incident, hierna te noemen: de Gemeente, advocaat: mr. J.C. Binnerts te Haarlem, tegen Stichting ICTU, gevestigd te Den Haag, geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel, eiseres in het incident, hierna te noemen:
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 7456986 \ CV EXPL 19-378 Uitspraakdatum: 30 maart 2022 Vonnis van de kantonrechter in het incident tot tussenkomst ex artikel 118 Rv in de zaak van: 1 [passagier sub 1] te [woonplaats] 2. [passagier sub 2], wonende te [woonplaats] (Duitsland) 3. [passagier sub 3], wonende te [woonplaats] 4. [passagier sub 4], pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kind [minderjarige] 5. [passagier sub 5] allen wonende te [woonplaats] 6. [passagier sub 6], wonende te [woonplaats] 7. [passagier sub 7] 8. [passagier sub 8] beiden wonende te [woonplaats] 9.

Stichting Achmea Rechtsbijstand, statutair gevestigd te Tilburg eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident hierna gezamenlijk te noemen de passagiers en Stichting Achmea Rechtsbijstand gemachtigden mr. I.G.B. Maertzdorff, mr. M.J.R. Hannink en M.A.P. Duinkerk (EUclaim B.V.) tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Closed Stock Company Qatar Airways (Q.C.S.C.) statutair gevestigd te Doha (Qatar), mede kantoorhoudende te Schiphol gedaagde in de hoofdzaak, eisers in het incident hierna te noemen de vervoerder gemachtigde mr. J.J. Croon (Croon Aviation Lawyers) 1Het procesverloop 1.1.

De passagiers en Stichting Achmea Rechtsbijstand hebben bij dagvaarding van 13 april 2018 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft een incidentele conclusie strekkende tot gedwongen tussenkomst van EUclaim B.V. (hierna: EUclaim) ingevolge artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) genomen. De passagiers en Stichting Achmea Rechtsbijstand hebben hierop schriftelijk gereageerd. 2De vordering in de hoofdzaak 2.1. De passagiers en Stichting Achmea Rechtsbijstand vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 6.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 april 2016, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 847,00 dan wel begroot op € 816,75 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 2.2.

De passagiers en Stichting Achmea Rechtsbijstand hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers en Stichting Achmea Rechtsbijstand stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier. 3De vordering en het verweer in het incident 3.1.

De vervoerder vordert – samengevat – in het incident dat EUclaim op grond van artikel 118 Rv wordt opgeroepen om als derde gedwongen tussen te komen. 3.2. De vervoerder legt aan de vordering ten grondslag dat EUclaim in deze procedure zodanig betrokken is dat de vervoerder er belang bij heeft dat beslissingen over de in het petitum vermelde vorderingen in de hoofdzaak ook EUclaim zullen binden, waaronder de beslissing tot veroordeling in de proceskosten in het geval dat deze vorderingen worden afgewezen. Voorts heeft de vervoerder aangevoerd dat het hof Amsterdam in een vergelijkbaar geval (ECLI:NL:GHAMS:2019:3623) heeft geoordeeld dat de ‘Power of Attorney’ een volmacht betreft, gekoppeld aan een last met het doel de vergoeding te vorderen.

Er is dus sprake van lastgeving ‘ter incasso’, aldus de vervoerder. Op grond van de tekst van ‘Power of Attorney’ is EUclaim bovendien telkens aangesteld om voor en namens de passagiers op te treden om de compensatie te verkrijgen en verkreeg EUclaim daarvoor alle benodigde rechten, waarbij de compensatie op de bankrekening van EUclaim binnenkomt en hij uitsluitend 71% van het compensatiebedrag ingevolge artikel 7 van de Verordening minus € 26,00 aan administratiekosten aan de passagiers zal overmaken, aldus nog steeds de vervoerder. Ook zou het volgens de vervoerder om een ‘no cure no pay’-regeling gaan.

De vervoerder stelt zich om die reden op het standpunt dat EUclaim bij de uitkomst van deze procedure een zodanig eigen belang heeft dat zij mede als procespartij dient te worden aangemerkt. 3.3. De passagiers en Stichting Achmea Rechtsbijstand verzetten zich tegen gedwongen tussenkomst van EUclaim. Daartoe hebben zij, onder meer, aangevoerd dat de vervoerder geen recht en belang bij heeft bij het oproepen van EUclaim in de hoofdzaak. Voorts hebben de passagiers aangevoerd dat zij geen lastgevingsovereenkomst met EUclaim hebben gesloten. Er is slechts sprake van een volmacht.

Tevens hebben de passagiers en Stichting Achmea Rechtsbijstand aangegeven dat EUclaim niet feitelijk en ook niet materieel partij is in onderhavige procedure. Verder vrezen de passagiers en Stichting Achmea Rechtsbijstand voor onredelijke vertraging van de hoofdzaak. De passagiers en Stichting Achmea Rechtsbijstand verzoeken de kantonrechter dan ook om de vervoerder te veroordelen in de kosten van het incident. 4De beoordeling van de incidentele vordering 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.2.

Artikel 118 Rv heeft betrekking op gevallen waar derden in het geding moeten worden betrokken. Daarvoor kan aanleiding bestaan als sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, op basis van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling of op basis van de juridische verhouding tussen (één van) partijen en die derde. Het moet gaan om een geschil waarin de belangen van die derde rechtstreeks worden geraakt en waarover niet zinvol kan worden beslist zonder de positie van de derde daarin te betrekken (hof Den Haag 19 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1093). 4.3.

De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van de vervoerder dat hij meent dat sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. Anders dan de vervoerder is de kantonrechter van oordeel dat daar geen sprake van is, omdat EUclaim geen eigen vordering heeft op de vervoerder. EUclaim treedt slechts op als gemachtigde. Dat de passagiers, Stichting Achmea Rechtsbijstand en EUclaim hebben gekozen voor resultaatgerichte beloning (no cure no pay) doet daar niets aan af. Evenmin kan uit de ‘Power of Attorney’ een ondeelbare rechtsverhouding worden afgeleid, ook niet in combinatie met de algemene voorwaarden van EUclaim.

Bij de ‘Power of Attorney’ gaat het om een volmacht, gekoppeld aan een last, met het doel de vergoeding voor en namens de passagiers van de vervoerder te vorderen. Het enkele feit dat de passagiers aan EUclaim een volmacht hebben gegeven om de vordering namens hen te innen, betekent niet dat de eigendom van de vorderingen aan EUclaim is overgedragen. Daarvoor is een akte van cessie vereist en het bestaan daarvan is gesteld noch gebleken. Derhalve kan niet worden gesteld dat in onderhavige procedure de belangen van EUclaim rechtstreeks worden geraakt en dat sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding.

Ook leest de kantonrechter in de ‘Power of Attorney’ geen lastgevingsovereenkomst zoals door de vervoerder wordt gesteld. De vervoerder heeft nog aangevoerd dat uit de algemene voorwaarden van EUclaim blijkt dat EUclaim feitelijk tegen de luchtvaartmaatschappij procedeert. De vervoerder heeft onvoldoende onderbouwd dat de overgelegde algemene voorwaarden van EUclaim van toepassing zijn op de overeenkomst tussen EUclaim en de passagiers dan wel Stichting Achmea Rechtsbijstand, zodat de kantonrechter hieraan voorbij gaat. De vordering van de vervoerder tot gedwongen tussenkomst van EUclaim op grond van artikel 118 Rv zal dan ook worden afgewezen. 4.4.

De vervoerder zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident.

5De beslissing

De kantonrechter: in het incident: 5.1. wijst de vorderingen in het incident af; 5.2. veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van het incident, aan de zijde van de passagiers en Stichting Achmea Rechtsbijstand tot op heden begroot op € 75,00; in de hoofdzaak: 5.3. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 4 mei 2022 voor conclusie van antwoord. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter