Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2021:6285 ECLI:NL:RBNHO:2021:6285 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2021:6285 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2021:6285
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

beschikking RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind Zittingsplaats Alkmaar zaaknummer / rekestnummer: C/15/317583 / HA RK 21-111 Beschikking van 7 juli 2021 in de zaak van [verzoekster] , mede h.o.d.n. [bedrijfsnaam], wonende te [woonplaats] , verzoekster, advocaat: mr. H. Reitsma te Naarden, en DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK NOORD-HOLLAND, gevestigd te Alkmaar, verweerder. Partijen worden hierna [verzoekster] en de griffier genoemd. 1De procedure 1.1. Op de griffie van deze rechtbank is op 11 juni 2021 een verzoekschrift binnengekomen ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz), waarbij verzoekster (tijdig) in verzet is gekomen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht ten bedrage van € 1.159,- (€ 1.666,- met aftrek van het al bij de kantonrechter geheven griffierecht van € 507,-). 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:218 BW, artikel 4:223 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek; ECLI:NL:RBNHO:2021:6285 · Rechtbank Noord-Holland: Op grond van artikel 3 lid 1 Wgbz wordt in dagvaardingszaken van elke eiser en elke verschenen gedaagde een griffierecht geheven. Op grond van artikel 10 lid 1 Wgbz wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding. Uit artikel 3 lid 5 Wgbz volgt dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij de Wgbz is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag, waarbij moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering of wel het financiële belang van de zaak.

Keywords

AI generated
sale with advance payments unpaid cost advance objection to debt enforcement prohibition of payment fines for procedural infringement reassignment of claim

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:218 BW
[yyy] beveelt deze vorderingen sub II tot en met IV te plaatsen op de uitdelingslijst als bedoeld in artikel 4:218 BW, als niet-betwiste concurrente schuld van [xxx] , op straffe van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom; (…)” 2.3.
artikel 4:223 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek
[verzoekster] heeft haar vordering overeenkomstig de bepaling van artikel 4:223 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geformuleerd.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GBNHO:2014:9636
[verzoekster] verwijst ter onderbouwing naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 september 2014 (ECLI:NL:GBNHO:2014:9636) en literatuur.
ECLI:NL:HR:2017:1014
2 juni 2017 Eerste Kamer 16/05471 LZ/MD Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: mr.
ECLI:NL:HR:2019:1912
Mr. Paul Frederik SCHEPEL, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van CompLions B.V, en 2. BDO Advisory B.V., hierna: de curator c.s. 1Feiten en procesverloop 1.1 In deze verzetprocedure op de voet van art. 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) verzoekt mr. De Knijff, die in cassatie optreedt voor de curator c.s., correctie van de hoogte van het in cassatie geheven griffierecht, in die zin dat alsnog het tarief voor een vordering van onbepaalde waarde wordt toegepast. 1.2 In de hoofdzaak vorderen de curator c.s. een verklaring voor recht dat ING Bank N.V. (hierna:
ECLI:NL:GHDHA:2016:2006
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.176.349/01 Beschikking van 12 juli 2016 inzake de rechtspersoon naar Engels recht, Venn Partners LLP, gevestigd te Reading (Berkshire), Verenigd Koninkrijk, hierna te noemen: Venn, opposante, advocaat: mr. D.F. Lunsingh Scheurleer, tegen de griffier van het gerechtshof te Den Haag, geopposeerde, hierna te noemen: de griffier. Het geding Bij verzetschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 september 2015, is Venn in verzet gekomen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van griffierecht ten bedrage van € 5.160,-.
ECLI:NL:GHSHE:2018:5243
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 13 december 2018 Zaaknummer : 200.247.524/01 Zaaknummer hoofdzaak : 200.243.009/01 in de zaak ex artikel 29 WGBZ van: mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

beschikking RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind Zittingsplaats Alkmaar zaaknummer / rekestnummer: C/15/317583 / HA RK 21-111 Beschikking van 7 juli 2021 in de zaak van [verzoekster] , mede h.o.d.n. [bedrijfsnaam], wonende te [woonplaats] , verzoekster, advocaat: mr. H. Reitsma te Naarden, en DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK NOORD-HOLLAND, gevestigd te Alkmaar, verweerder. Partijen worden hierna [verzoekster] en de griffier genoemd. 1De procedure 1.1. Op de griffie van deze rechtbank is op 11 juni 2021 een verzoekschrift binnengekomen ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz), waarbij verzoekster (tijdig) in verzet is gekomen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht ten bedrage van € 1.159,- (€ 1.666,- met aftrek van het al bij de kantonrechter geheven griffierecht van € 507,-). 1.2.

De griffier heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 1.3. Van een mondelinge behandeling is afgezien gelet op het bepaalde in artikel 1.4.1 van het toepasselijke Procesreglement verzoekschriftprocedures. 2De feiten 2.1. Verzoekster heeft op 18 december 2020 een dagvaarding uitgebracht. Bij vonnis van 24 maart 2021 heeft de kantonrechter een deel van de zaak verwezen naar de handelskamer van deze rechtbank. De (verwezen) procedure is aanhangig bij deze rechtbank en ingeschreven onder zaak-/rolnummer C/15/315846 / HA ZA 21/247. 2.2.

Het petitum van de dagvaarding luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “ [verzoekster] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: (ten aanzien van de vordering op [xxx] jegens de vereffenaar) I. Voor recht verklaart dat [verzoekster] een vordering heeft op wijlen de heer [xxx] van € 150.000,-, vermeerderd met 5% rente berekend vanaf 1 januari 2012, tot aan de dag der algehele voldoening van de vordering, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; II. Voor recht verklaart dat [verzoekster] een vordering heeft op wijlen de heer [xxx] van € 240.000,-, vermeerderd met 2,5% rente berekend vanaf 1 april 2019, tot aan de dag der algehele voldoening van de vordering, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

III. Voor recht verklaart dat [verzoekster] een vordering heeft op wijlen de heer [xxx] van € 4.507,25 als schadevergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten; IV. [yyy] beveelt deze vorderingen sub II tot en met IV te plaatsen op de uitdelingslijst als bedoeld in artikel 4:218 BW, als niet-betwiste concurrente schuld van [xxx] , op straffe van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom; (…)” 2.3. De griffier heeft een bedrag van € 1.159,- aan griffierecht in rekening gebracht, welk bedrag op 12 mei 2021 door (de advocaat van) verzoekster is betaald. 3De beoordeling 3.1.

Op grond van artikel 3 lid 1 Wgbz wordt in dagvaardingszaken van elke eiser en elke verschenen gedaagde een griffierecht geheven. Op grond van artikel 10 lid 1 Wgbz wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding. Uit artikel 3 lid 5 Wgbz volgt dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij de Wgbz is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag, waarbij moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering of wel het financiële belang van de zaak.

Blijkens voormelde tabel wordt het griffierecht in zaken met betrekking tot een vordering van onbepaalde waarde voor een natuurlijk persoon bepaald op een bedrag van € 309,00. In zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van meer dan € 100.000 wordt het bedrag van het griffierecht voor een natuurlijk persoon bepaald op € 1.666,-. 3.2. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de griffier in het onderhavige geval ten onrechte het tarief voor bepaalde waarde in rekening heeft gebracht. Zij voert hiertoe – kort gezegd – aan dat de vordering moet worden behandeld als een vordering van onbepaalde waarde.

Er is namelijk een verklaring voor recht gevorderd dat wijlen de heer [xxx] de in de dagvaarding vermelde bedragen en rente verschuldigd is. [verzoekster] heeft haar vordering overeenkomstig de bepaling van artikel 4:223 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geformuleerd. Daarmee staat de waarde van die vordering evenwel nog niet vast, want de waarde hangt af van de uitdeling die zij zal blijken te ontvangen (maar voor de bepaling van haar recht op uitdeling moet wel vaststaan wat de hoogte van haar vordering is). De regels voor het bepalen van de hoogte van het griffierecht moeten strikt worden uitgelegd.

Er moet dan ook uitsluitend bij het financiële belang van de zaak worden aangeknoopt als de vordering strekt tot daadwerkelijke betaling van een geldsom. Dat is hier niet aan de orde, want [verzoekster] vordert vaststelling van de omvang van haar aanspraak zodat die vordering overeenkomstig op de uitdelingslijst zal worden opgenomen. Daar komt bij dat er in de betreffende nalatenschap vooralsnog geen uitzicht is op enige uitdeling. [verzoekster] verwijst ter onderbouwing naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 september 2014 (ECLI:NL:GBNHO:2014:9636) en literatuur. 3.3.

De rechtbank volgt het standpunt van [verzoekster] niet. [verzoekster] vordert onder I. en II. van het petitum in de dagvaarding een verklaring voor recht dat zij een vordering heeft op wijlen [xxx] van € 150.000,- respectievelijk € 240.000,-. Een vordering tot verklaring voor recht is in principe een vordering van onbepaalde waarde, maar als het gaat om een vordering tot verklaring voor recht dat de andere partij een bedrag moet betalen én er wordt een bedrag genoemd, dan wordt dat bedrag als basis genomen voor de bepaling van het griffierecht.

Uit de geldende jurisprudentie (die recenter is dan de door [verzoekster] aangehaalde jurisprudentie en literatuur) volgt dat de vordering dan namelijk bepaalbaar is op een beloop of de waarde van dat bedrag. Essentie van genoemde jurisprudentie is dat voor de berekening van het griffierecht moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering, ook als niet de betaling van een geldsom is gevorderd. 3.4. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de griffier de hoogte van het griffierecht terecht bepaald op € 1.159,-. De rechtbank zal de beslissing van de griffier in stand laten en het verzet ongegrond verklaren.

4De beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2021. Zie o.a. Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014, Hoge Raad 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1912, gerechtshof Den Haag 7 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2006 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5243. type: IV coll: MF