Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2021:1302 ECLI:NL:RBNHO:2021:1302 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2021:1302 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2021:1302
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/104169-20 (P) Uitspraakdatum: 11 februari 2021 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 januari 2021 in de zaak tegen: [verdachte] geboren op [geboortedatum/plaats] ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Peters en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. R.J.A. Verhoeven, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 08 februari 2010 tot en met 13 juni 2017 in de gemeente Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [naam 5] , althans alleen, in strijd met (een) haar, verdachte [naam 1] , bij of krachtens wettelijk(e) voorschrift(en) opgelegde verplichting(en), te weten artikel 17 Wet werk enbijstand en/of artikel 17 Participatiewet, opzettelijk heeft/hebben nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en/of [naam 5] wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet (norm alleenstaandeouder/ één- ouder gezin), dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of [naam 5] , (telkens) opzettelijk nagelaten tijdig en/of volledig (bij) de (Sociale Dienst van de) gemeente Alkmaar en/of HalteWerk op de hoogte te stellen en/of in te lichten en/of op te geven dat zij, verdachte en [naam 5] , samenwoonde(n) en/of een gezamenlijke huishouding voerde(n) (op/aan het adres Haspelstraat 4 te Alkmaar) en/of dat haar, verdachte [naam 1] , woon-/leef-/gezinssituatie was gewijzigd en/of dat zij, verdachte [naam 1] , niet (langer) gescheiden leefde van haar echtgenoot (te weten [naam 5] ). 2Voorvragen 2.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de uitkerende instantie, HalteWerk, al in 2009 – toen verdachte een nieuwe uitkering aanvroeg – bekend was met signalen waaruit bleek dat verdachte geen recht had op een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder.

Legislator headnote

AI generated

artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 6 EVRM, artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht, artikel 227b Sr; ECLI:NL:RBNHO:2021:1302 · Rechtbank Noord-Holland: Tot 1 januari 2015 gold op grond van de WWB eenzelfde bepaling. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Tot 1 januari 2015 gold op grond van de WWB eenzelfde bepaling. 4.3.2 Duurzaam gescheiden leven Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep en ook de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2010:BL7267) is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld.

Keywords

AI generated
social housing departure of spouse neglect of maintenance obligations lack of marital cohabitation reduction of spousal maintenance living separate and apart

Cited Legislation

AI generated
artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering
artikel 6 EVRM
artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht
Volgens vaste jurisprudentie betreft de kern van het verwijt dat een overtreder van artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt gemaakt, het nalaten van het verstrekken van relevante gegevens.
artikel 227b Sr
De uitkeringsgerechtigde op wie de in artikel 227b Sr bedoelde inlichtingenplicht rust, is in de eerste plaats de normadressaat van artikel 227b Sr.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2020:1889
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/03503 Datum 1 december 2020 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 juli 2018, nummer 22/002584-17, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:HR:2010:BL7267
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 07/04479) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHAMS:2019:1363
afdeling strafrecht parketnummer: 23-003459-17 datum uitspraak: 15 maart 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-732024-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Congo) op [geboortedag] 1968, adres: [adres 1] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte (hierna ook: [verdachte]) en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1.zij in of omstreeks de periode vanaf 24 december 2004 tot en met 20 juli 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Algemene bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet werk en bijstand en/of artikel 17 van de Participatiewet opgelegde verplichting(en), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Sociale dienst en/of de Dienst werk en inkomen en/of de gemeente Amsterdam, immers heeft zij (in die periode(n) en op die plaats) geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst(en) medegedeeld of kenbaar gemaakt dat: - zij (oncontroleerbare) inkomsten ontving en/of had ontvangen en/of - zij beschikte en/of had beschikt over een vermogen hoger dan de vermogensgrens (als bedoeld in artikel 34 lid 3 onder a van de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet) en/of - zij beschikte en/of had beschikt over één of meerdere verzwegen bankrekening(en) met rekeningnummer(s) [rekeningnummer 1] en/of [rekeningnummer 2] zijnde dit (een) gegeven(s) waarvan zij redelijkerwijze moest vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van verdachtes of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering krachtens de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander; 2.zij in of omstreeks de periode vanaf 24 december 2010 tot en met 20 juli 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand en/of artikel 17 van de Participatiewet opgelegde verplichting(en), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Sociale dienst en/of de Dienst werk en inkomen en/of de gemeente Amsterdam, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader te weten [medeverdachte], (in die periode(n) en op die plaats) geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst(en) medegedeeld of kenbaar gemaakt dat: - zij en/of haar mededader een gezamenlijke huishouding voerde(n) en of hadden gevoerd en/of - zij en/of haar mededader samenwoonde(n) en/of had(den) samengewoond zijnde dit (een) gegeven(s) waarvan zij en/of haar mededader wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van verdachtes of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering krachtens de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert en tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.zij in de periode vanaf 24 december 2004 tot en met 20 juli 2015 te Amstelveen, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand en/of artikel 17 van de Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, immers heeft zij niet medegedeeld dat: - zij (oncontroleerbare) inkomsten ontving en/of had ontvangen en - zij beschikte en/of had beschikt over bankrekeningen met rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] zijnde dit gegevens waarvan zij wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel op de hoogte of de duur van een bijstandsuitkering krachtens de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander; 2.zij in of omstreeks de periode vanaf 24 december 2010 tot en met 20 juli 2015 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand en/of artikel 17 van de Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, immers hebben zij en haar mededader te weten [medeverdachte], niet medegedeeld dat: - zij en haar mededader een gezamenlijke huishouding voerden en/of hadden gevoerd en - zij en haar mededader samenwoonden en/of hadden samengewoond zijnde dit gegevens waarvan zij en haar mededader wisten, althans redelijkerwijze moesten vermoeden dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel op de hoogte of de duur van een bijstandsuitkering krachtens de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Bewijsoverwegingen en bespreking verweren Feit 1 - Bankrekeningen De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, omdat geen sprake is van inlichtingen die de verdachte moest melden in het kader van haar inlichtingenplicht aangezien er geen sprake is van bevoordeling. Op de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] hebben nagenoeg geen mutaties plaatsgevonden en ten aanzien van de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] is het zo dat deze rekening gebruikt werd door een groot aantal personen uit Afrika om handel te drijven in Europa. Deze gelden behoorden niet toe aan de verdachte, zodat deze niet van invloed konden zijn op haar recht op een bijstandsuitkering. De verdachte heeft – onder meer ter terechtzitting in hoger beroep – erkend dat zij het bestaan van voornoemde twee bankrekeningen bij de ABN AMRO bank niet heeft doorgegeven aan – zo begrijpt het hof – het daartoe bevoegde orgaan. Het hof stelt vast dat in de door verdachte maandelijks in te vullen informatieformulieren de navolgende vraag is opgenomen: “Is deze maand het vermogen van u en/of uw partner toegenomen of gewijzigd? (geld ontvangen, bankrekening geopend, auto gekocht, aandelen gekocht, boedel verdeeld erfenis ontvangen etc.)”. Reeds dit brengt mee dat deze informatie - ongeacht of sprake was van inkomsten - kennelijk voor de uitkerende instantie van belang is voor het beantwoorden van de vraag of en zo ja welk bedrag aan de al dan niet bijstandsgerechtigde zal worden betaald. Dat deze vraag gesteld wordt is ook meer dan vanzelfsprekend, nu het hier immers gaat om het al dan niet verstrekken van gelden aan personen die slechts dan recht op een uitkering hebben indien zij zelf niet over (voldoende) middelen beschikken. Het is niet aan de persoon die de formulieren invult en die dus aanspraak wil maken op een uitkering hier een eigen afweging te maken van wat wel en niet van belang is. Het was dus ook niet aan de verdachte uit te maken of het geld waarover zij in ieder geval de feitelijke beschikkingsmacht had wel of niet van invloed was op haar recht op uitkering. Dat het extra geld van invloed kon zijn op haar recht op uitkering, had haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn, gelet op het karakter van de uitkering, namelijk het verschaffen van een bestaansminimum aan diegenen die daarover niet zelf kunnen beschikken. Gelet op het vorenstaande wist de verdachte of had zij redelijkerwijs moeten vermoeden dat zij het bestaan van de bankrekeningen moest doorgeven. Dat de rekeningen wel zouden zijn gemeld aan de schuldhulpverlening, doet aan voornoemde inlichtingenplicht niet af. Het verweer wordt verworpen. Feit 2 - Gezamenlijke huishouding en samenwonen De verdediging heeft gesteld dat geen sprake was van samenwonen en/of van het voeren van een gezamenlijke huishouding in de tenlastegelegde periode. Dat de medeverdachte tijdens de observaties en door omwonenden veel wordt gezien bij de woning van de verdachte, is niet alleen te verklaren doordat de medeverdachte in deze periode vaak langs kwam voor de kinderen maar ook doordat – kort samengevat – ten tijde van de observaties de verdachte en de medeverdachte weer vaker samen waren omdat zij wilden hertrouwen. Het hof ziet zich voorts geplaatst voor de vraag of het strafbare feit van artikel 227b Sv zich leent voor de juridische figuur van het medeplegen. De kern van het verwijt dat een overtreder van artikel 227b Sr wordt gemaakt, is het nalaten van het verstrekken van relevante gegevens. Er is dus sprake van een omissiedelict. De uitkeringsgerechtigde op wie de in artikel 227b Sr bedoelde inlichtingenplicht rust, is in de eerste plaats de normadressaat van artikel 227b Sr. Het zijn van uitkeringsgerechtigde met een inlichtingenplicht moet dus als een voor het plegen van artikel 227b Sr vereiste ‘kwaliteit’ worden gezien. Daarom is artikel 227b Sr ook aan te merken als een kwaliteitsdelict. Wil er sprake kunnen zijn van het medeplegen van dit delict, dan moet, gelet op het vorenstaande, bewezen kunnen worden dat de opzet van de medepleger rechtstreeks of voorwaardelijk is gericht op de kwaliteit van de andere betrokkene(n), in die zin dat hij heeft geweten van de hoedanigheid van uitkeringsgerechtigde van die ander(en) en de daarmee verband houdende inlichtingenplicht of tenminste de aanmerkelijke kans van het bestaan van die kwaliteit heeft aanvaard. Daarnaast moet hij geweten hebben of moet het hem in ieder geval redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat zijn mededader heeft nagelaten aan die inlichtingenplicht te voldoen. Tenslotte moet er sprake zijn van een essentiële bijdrage van de mededader aan dit niet voldoen aan de inlichtingenplicht. Het hof is van oordeel dat in dit geval aan deze voorwaarden is voldaan. Uit de te hanteren bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] (de verdachte en medeverdachte) met hun kinderen in de bewezenverklaarde periode feitelijk hebben samengewoond op het adres [adres 2] in Amstelveen. Weliswaar stond [medeverdachte] ingeschreven op het adres [adres 3] in Amsterdam, maar daar heeft hij blijkens de verklaring als afgelegd tegenover de sociaal rechercheurs van de gemeente Amsterdam van de getuige [getuige], de hoofdhuurder van dat adres, slechts zeer kort verbleven en nooit gewoond. [medeverdachte] heeft deze getuige verteld dat hij met zijn vrouw in Amstelveen woonde. Dit wordt ondersteund door de omstandigheid dat de buurtbewoners in Amsterdam [medeverdachte] niet hebben herkend als bewoner van de [adres 3], terwijl de buurtbewoners in Amstelveen hebben verklaard dat op het adres [adres 2] een gezin woonde met kinderen, waarbij [medeverdachte] door een aantal getuigen is herkend als de man van dat gezin. Voorts was bij de werkgever van [medeverdachte] bekend dat hij in Amsterdam (slechts) een postadres had, maar dat hij woonde op het adres [adres 2] in Amstelveen. Een en ander brengt met zich een bewijsvermoeden dat er sprake is geweest van een gezamenlijke huidhouding. Door of namens de verdachte is niets aangevoerd dat dit bewijsvermoeden weerlegt. Het samenwonen en het voeren van een gezamenlijke huishouding zijn omstandigheden die door de ontvanger van een bijstandsuitkering aan de uitkeringsinstantie moeten worden gemeld. [verdachte] heeft dit als uitkeringsgerechtigde geweten of had dit in ieder geval redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen en dit geldt naar het oordeel van het hof ook voor [medeverdachte]. [medeverdachte] heeft verklaard dat “hij geen, maar zijn ex ([verdachte]) misschien wel een bijstandsuitkering ontving” en op de vraag hoe hij dat wist, antwoordde hij: “Omdat zij niet werkte.” Gelet hierop en mede gelet op de lange periode waarin [verdachte] en [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding voerden, is niet aannemelijk dat [medeverdachte] niet bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn met het feit dat [verdachte] een bijstandsuitkering ontving. Het hof gaat er daarbij eveneens van uit dat [medeverdachte] wist, rechtstreeks of in de vorm van voorwaardelijk opzet, dat [verdachte] niet aan de op haar rustende inlichtingenplicht heeft voldaan. Het is immers onaannemelijk dat zij een bijstandsuitkering zou krijgen wanneer bij de uitkeringsinstantie bekend was dat zij een gemeenschappelijke huishouding voerde met een man die over werk en inkomen daaruit beschikte. In deze omstandigheden kan gezegd worden dat [medeverdachte] ten minste de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verdachte] de op haar rustende inlichtingenplicht niet heeft nageleefd. Door zich op een ander adres in te schrijven en dit ook bij zijn werkgever als postadres te laten registreren, heeft [medeverdachte] voorts een essentiële bijdrage geleverd aan het onkundig laten van de betrokken uitkeringsinstantie van het feitelijk samenwonen. Aldus is er sprake van het medeplegen van het nalaten van het voldoen aan de inlichtingenplicht van de ontvanger van een uitkering. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming. Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: medeplegen van in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft gedurende een lange periode nagelaten inlichtingen te verstrekken die van belang waren voor de beoordeling of zij recht had op een uitkering en de hoogte daarvan. Zij heeft in die periode de beschikking gehad over twee bankrekeningen bij de ABN AMRO bank die zij niet heeft doorgegeven aan de uitkeringsinstantie. Daarnaast voerde zij gedurende ruim vier jaren een gezamenlijke huishouding met de medeverdachte en heeft zij ook nagelaten dit door te geven. De verdachte wist of had moeten weten dat zij deze gegevens moest doorgeven. Door dit nalaten heeft zij, samen met haar man, de uitkeringsinstantie bewust misleid en heeft zij de gemeente Amstelveen voor een aanzienlijk bedrag, circa € 100.000,00, benadeeld. Dit is een ernstig feit waardoor zij het vertrouwen waarop het stelsel van sociale zekerheid is gebaseerd heeft geschonden. Zij heeft misbruik gemaakt van de voorzieningen die zijn bedoeld middelen van bestaan te garanderen voor diegenen die niet bij machte zijn deze op eigen kracht te verwerven. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. Gelet op de ernst en de duur van de feiten acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding een taakstraf op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 227b van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. J.L. Bruinsma en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 maart 2019. ========================================================================= […]
ECLI:NL:PHR:2017:452
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/104169-20 (P) Uitspraakdatum: 11 februari 2021 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 januari 2021 in de zaak tegen: [verdachte] geboren op [geboortedatum/plaats] ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Peters en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. R.J.A. Verhoeven, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 08 februari 2010 tot en met 13 juni 2017 in de gemeente Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [naam 5] , althans alleen, in strijd met (een) haar, verdachte [naam 1] , bij of krachtens wettelijk(e) voorschrift(en) opgelegde verplichting(en), te weten artikel 17 Wet werk enbijstand en/of artikel 17 Participatiewet, opzettelijk heeft/hebben nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en/of [naam 5] wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet (norm alleenstaandeouder/ één- ouder gezin), dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of [naam 5] , (telkens) opzettelijk nagelaten tijdig en/of volledig (bij) de (Sociale Dienst van de) gemeente Alkmaar en/of HalteWerk op de hoogte te stellen en/of in te lichten en/of op te geven dat zij, verdachte en [naam 5] , samenwoonde(n) en/of een gezamenlijke huishouding voerde(n) (op/aan het adres Haspelstraat 4 te Alkmaar) en/of dat haar, verdachte [naam 1] , woon-/leef-/gezinssituatie was gewijzigd en/of dat zij, verdachte [naam 1] , niet (langer) gescheiden leefde van haar echtgenoot (te weten [naam 5] ). 2Voorvragen 2.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de uitkerende instantie, HalteWerk, al in 2009 – toen verdachte een nieuwe uitkering aanvroeg – bekend was met signalen waaruit bleek dat verdachte geen recht had op een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder.

Immers, de uitkeringsinstantie heeft de aanvraag in eerste instantie daarom ook afgewezen. Toen de aanvraag in de bezwaarprocedure alsnog werd toegewezen had voortdurend diepgravend onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering in de rede gelegen. Door dit na te laten, heeft HalteWerk de ten onrechte verleende uitkering onnodig laten oplopen tot een bedrag waardoor thans strafrechtelijke vervolging aan de orde is. Volgens de raadsman heeft HalteWerk aldus een strafbaar feit (mede) uitgelokt door een onrechtmatige situatie onnodig te laten voortduren, wat moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889) komt niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. De strekking van de geldende maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt.

Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – ‘the proceedings as a whole were not fair.’ Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht, of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt.

Daarvan is in deze zaak geen sprake. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verdachte door de uitkerende instantie is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor zij wordt vervolgd, terwijl haar opzet tevoren niet al daarop was gericht. Dat HalteWerk eerst in 2016 een onderzoek is gestart geldt niet als ‘uitlokking’, zoals de raadsman heeft betoogd. Daar komt nog bij dat HalteWerk als zodanig niet een (opsporings)instantie is voor wiens handelen politie en/of justitie verantwoordelijk is. De officier van justitie is naar het oordeel van de rechtbank dan ook ontvankelijk in de vervolging. 2.2 Overige voorvragen De rechtbank heeft voor het overige vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Inleiding Verdachte en medeverdachte [naam 5] zijn op 19 juli 1993 met elkaar getrouwd.

Zij hebben samen vijf kinderen gekregen. Bij beschikking van 10 januari 2002 van de rechtbank Alkmaar is de scheiding van tafel en bed uitgesproken, welke beschikking op 27 februari 2002 is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister van de rechtbank ’s-Gravenhage. Het huwelijk is vervolgens bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 14 januari 2010 ontbonden. Deze echtscheidingsbeschikking is, zo is ter terechtzitting van 28 januari 2021 gebleken, tot op de dag van vandaag niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In de Basisregistratie Personen staan verdachte en medeverdachte [naam 5] dan ook nog altijd geregistreerd als zijnde gehuwd met elkaar.

Verdachte staat sinds december 1995 ingeschreven op het adres [adres 1] Medeverdachte [naam 5] heeft – na de uitgesproken scheiding van tafel en bed – in de periode van 8 februari 2010 tot 11 juli 2012 ingeschreven gestaan op het adres [adres 2] Dit is een opvangadres voor dak- en thuislozen. Vanaf 11 juli 2012 stond [naam 5] ingeschreven op het adres [adres 3] De huurovereenkomst met betrekking tot deze woning is medio juli 2017 ontbonden. Aan verdachte is – zoals vermeld: na een ingesteld bezwaar tegen een eerdere afwijzing – bij beschikking van 17 mei 2010, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, met ingang van 14 mei 2009 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder toegekend.

Naar aanleiding van een fraudemelding op 29 september 2016 heeft HalteWerk namens de gemeente Alkmaar een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de verstrekking van de bijstandsuitkering aan verdachte. Gedurende dit onderzoek is de uitkering van verdachte op 13 juni 2017 opgeschort, nadat verdachte niet had meegewerkt aan een huisbezoek. Vervolgens heeft de gemeente Alkmaar besloten de bijstandsuitkering van verdachte te beëindigen per 6 juli 2017 en met terugwerkende kracht in te trekken vanaf 8 februari 2010. Deze besluiten staan in rechte vast.

Ter beoordeling in de onderhavige strafzaak ligt de vraag voor of verdachte in de periode van 8 februari 2010 tot en met 13 juni 2017 in strijd met de inlichtingenverplichting van eerst artikel 17 van de Wet werk en bijstand (WWB) en later artikel 17 van de Participatiewet (PW), opzettelijk heeft nagelaten de gemeente Alkmaar te informeren dat zij en [naam 5] niet duurzaam gescheiden van elkaar leefden, terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dit gegeven van belang was voor de vaststelling van haar recht op een bijstandsuitkering dan wel de hoogte en/of duur daarvan. 4Beoordeling van het bewijs 4.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, inclusief het medeplegen.

Verdachte en medeverdachte [naam 5] zijn, doordat de echtscheidingsbeschikking niet is ingeschreven, nog steeds met elkaar gehuwd. Volgens de officier van justitie blijkt uit het dossier genoegzaam dat [naam 5] , ondanks dat hij stond ingeschreven op andere adressen, nog altijd feitelijk verbleef bij zijn gezin op de [adres 1] De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte en [naam 5] in de ten laste gelegde periode hebben samengewoond en een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Verdachte heeft, door dit niet te melden, haar inlichtingenplicht geschonden, terwijl zij wist dat zij dit moest melden.

Daarbij is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met [naam 5] , zodat ook het medeplegen is bewezen. 4.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft naar voren gebracht dat van verdachte, die de Nederlandse taal nauwelijks machtig is en die niet voldoende in de Nederlandse samenleving ingeburgerd is om daarin zelfstandig te kunnen functioneren, niet kan worden verwacht dat zij bekend is met de Nederlandse wet- en regelgeving, en met wat de informatieplicht die zij had ten opzichte van de uitkeringsinstantie precies inhield. Verdachte heeft dan ook niet opzettelijk nagelaten om inlichtingen te verschaffen die betrekking hadden op haar uitkering.

Daarom moet zij worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde, aldus de raadsman. 4.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, inclusief het medeplegen, op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. De rechtbank overweegt voorts het volgende. 4.3.1 Wettelijk kader Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Tot 1 januari 2015 gold op grond van de WWB eenzelfde bepaling. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Tot 1 januari 2015 gold op grond van de WWB eenzelfde bepaling. 4.3.2 Duurzaam gescheiden leven Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep en ook de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2010:BL7267) is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld.

Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden. In dit verband blijkt uit de bewijsmiddelen het volgende. Medeverdachte [naam 5] stond vanaf 8 februari 2010 ingeschreven op de [adres 2] zijnde een opvangadres voor dak- en thuislozen. Uit informatie van de opvangorganisatie is echter gebleken dat verdachte nooit heeft overnacht bij deze daklozenopvang. De rechtbank stelt dan ook vast dat medeverdachte [naam 5] in de periode vanaf 8 februari 2010 niet overnachtte op het adres waarop hij stond ingeschreven. Vanaf 11 juli 2012 stond medeverdachte [naam 5] ingeschreven op het adres [adres 3] Uit getuigenverklaringen van buren op de [weg] blijkt echter dat zij medeverdachte [naam 5] niet kennen als zijnde de bewoner van dat adres.

Hieruit leidt de rechtbank af dat medeverdachte [naam 5] ook in de periode vanaf 11 juli 2012 ergens anders verbleef dan op het adres waarop hij stond ingeschreven. De getuige [naam 3] , bewoner van [adres 4], heeft op 13 juni 2017 – onder meer – verklaard dat op [adres 1], een man, die hij herkent als medeverdachte [naam 5] , en een vrouw en hun vier kinderen wonen (de oudste zoon is volgens deze getuige al de deur uit). Zij woonden daar volgens de buurman al, toen hijzelf in 1998 in de [straat] kwam wonen. [naam 3] verklaart dat hij medeverdachte [naam 5] dagelijks ziet en hoort.

De getuige [naam 4] heeft – onder meer – verklaard dat hij tot maart/april 2017 zeven of acht jaar op de [adres 1] heeft gewoond en dat op nummer 4, een man, die hij herkent als medeverdachte [naam 5] , een vrouw en hun vier kinderen woonden, voorheen vijf kinderen. Medeverdachte [naam 5] woonde er al toen [naam 4] in de [straat] kwam wonen. Volgens [naam 4] was medeverdachte [naam 5] er altijd en zag hij hem dagelijks. Voorts blijkt dat het waterverbruik op de [adres 1] in de ten laste gelegde periode steeds (ruim) boven de NIBUD-norm is geweest, rekening houdend met het aantal personen dat officieel op dit adres stond ingeschreven.

Dat waterverbruik ligt zodanig veel hoger, dat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat het meer dan gemiddelde waterverbruik op het adres van verdachte enkel verklaard kan worden doordat de inwonende kinderen van verdachte lang en vaak zouden douchen en doordat de uitwonende zoon op het adres van verdachte zou douchen en zijn was daar zou doen, zoals verdachte heeft aangevoerd. Tegelijkertijd is ook gebleken dat op de [adres 3] opvallend weinig water werd verbruikt. In ieder geval ruim beneden de NIBUD-norm, horend bij het aantal personen dat op dat adres officieel stond ingeschreven vanaf 2012.

Verder komt uit waarnemingen in de periode van 30 januari 2017 tot en met 4 juli 2017 naar voren dat de auto van medeverdachte [naam 5] door sociaal rechercheurs van HalteWerk in die periode uitsluitend is waargenomen in de omgeving van de [straat] en nooit in de omgeving van de [weg] . De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat medeverdachte [naam 5] in de gehele ten laste gelegde periode, de periode van 8 februari 2010 tot en met 13 juni 2017 (de dag waarop de uitkering van verdachte is opgeschort), feitelijk zijn hoofdverblijf had bij verdachte en hun kinderen op de [adres 1] Dat medeverdachte [naam 5] enkel ten behoeve van de kinderen en voor het doen van klussen regelmatig langskwam op het adres van verdachte, zoals verdachte ter zitting heeft gesteld, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

De rechtbank acht in dit verband de eerst ter zitting door de raadsman opgeworpen stelling dat medeverdachte [naam 5] in de ten laste gelegde periode een affectieve relatie had met iemand die in Amsterdam woonde en bij haar verbleef in plaats van bij verdachte en hun kinderen op de Haspelstraat, gelet op het voorgaande, evenmin aannemelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er in de ten laste gelegde periode geen sprake was van een toestand dat verdachte en medeverdachte [naam 5] ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidde als ware hij of zij niet met de ander gehuwd.

Dit leidt tot de conclusie dat verdachte en medeverdachte [naam 5] gedurende de ten laste gelegde periode niet duurzaam gescheiden van elkaar leefden zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, WWB respectievelijk PW. 4.3.3 Opzet Nu verdachte een bijstandsuitkering ontving naar de norm van een alleenstaande ouder, was het onmiskenbaar van belang dat zij bij de uitkeringsinstantie meldde dat zij niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Vaststaat dat verdachte heeft nagelaten de uitkeringsinstantie daarover te informeren.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet met opzet heeft nagelaten om relevante inlichtingen aan de uitkeringsinstantie te melden. De rechtbank overweegt dat verdachte ter terechtzitting van 28 januari 2021 echter heeft verklaard (met bijstand van een tolk) dat zij wist dat zij een inlichtingenplicht had en wat dit inhield. In dat verband is ter terechtzitting ook ter sprake gekomen dat verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen ter zake van vermeende schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten inlichtingen te verstrekken aan de gemeente Alkmaar die van belang waren voor haar bijstandsuitkering.

In dit verband acht de rechtbank het ook veelzeggend dat verdachte bij haar bezoek aan HalteWerk op 16 maart 2017 aantoonbaar (namelijk op basis van de waarnemingen van de sociaal rechercheurs) heeft gelogen over dat zij met de bus naar de afspraak was gekomen, terwijl zij in werkelijkheid door medeverdachte [naam 5] met de auto was gebracht. 4.3.4 Medeplegen De raadsman van verdachte, die ook medeverdachte [naam 5] bijstaat, heeft ter zitting aangevoerd dat medeverdachte [naam 5] niet kan worden verweten de inlichtingenplicht te hebben geschonden, ook niet via de constructie van het medeplegen.

Immers, hij was niet de uitkeringsgerechtigde en was dan ook niet verplicht om inlichtingen aan de uitkeringsinstantie te verschaffen. De rechtbank overweegt in dit verband, ook in de zaak van verdachte, het volgende. Volgens vaste jurisprudentie betreft de kern van het verwijt dat een overtreder van artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt gemaakt, het nalaten van het verstrekken van relevante gegevens. Er is dus sprake van een omissiedelict. De uitkeringsgerechtigde op wie de in artikel 227b Sr bedoelde inlichtingenplicht rust, is in de eerste plaats de normadressaat van artikel 227b Sr.

Het zijn van uitkeringsgerechtigde met een inlichtingenplicht moet dus als een voor het plegen van artikel 227b Sr vereiste ‘kwaliteit’ worden beschouwd. Daarom is artikel 227b Sr ook aan te merken als een kwaliteitsdelict. Wil er sprake kunnen zijn van het medeplegen van dit delict, dan moet, gelet op het vorenstaande, bewezen kunnen worden dat de opzet van de medepleger rechtstreeks of voorwaardelijk is gericht op de kwaliteit van de andere betrokkene(n), in die zin dat hij heeft geweten van de hoedanigheid van uitkeringsgerechtigde van die ander(en) en de daarmee verband houdende inlichtingenplicht of tenminste de aanmerkelijke kans van het bestaan van die kwaliteit heeft aanvaard.

Daarnaast moet hij geweten hebben, of moet het hem in ieder geval redelijkerwijs duidelijk zijn geweest, dat zijn mededader heeft nagelaten aan die inlichtingenplicht te voldoen. Ten slotte moet er sprake zijn van een essentiële bijdrage van de mededader aan dit niet voldoen aan de inlichtingenplicht. (vgl. Gerechtshof Amsterdam 15 maart 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:1363), alsmede de conclusie van Advocaat-Generaal Harteveld van 18 april 2017 (ECLI:NL:PHR:2017:452)) Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat medeverdachte [naam 5] haar altijd met alles hielp, ook met het verkrijgen van een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder en het aantekenen van bezwaar tegen het eerste afwijzende besluit op een aanvraag daartoe.

De rechtbank leidt hieruit af dat medeverdachte [naam 5] wist dat verdachte uitkeringsgerechtigd was en dat zij in dat verband een inlichtingenplicht had, te meer nu ook medeverdachte [naam 5] eerder met justitie in aanraking is gekomen ter zake van vermeende schending van de inlichtingenplicht. Door zich (valselijk) op andere adressen in te schrijven, heeft medeverdachte [naam 5] bovendien een essentiële bijdrage geleverd aan het onkundig laten van de betrokken uitkeringsinstantie van het feit dat verdachte en hij niet duurzaam gescheiden leefden.

Immers, daarmee werd op papier een andere voorstelling van zaken gegeven, die geen recht deed aan de feitelijke situatie, en werd de schijn gewekt dat verdachte en medeverdachte [naam 5] duurzaam gescheiden leefden. Naar het oordeel van de rechtbank was het medeverdachte [naam 5] duidelijk dat verdachte geen uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder zou krijgen wanneer bij de uitkeringsinstantie bekend was dat zij niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot, medeverdachte [naam 5] , die over een eigen inkomen in de vorm van een uitkering beschikte.

Daarmee heeft verdachte zich in nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [naam 5] schuldig gemaakt aan het schenden van de inlichtingenplicht en acht de rechtbank ook het ten laste gelegde medeplegen bewezen. 4.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: zij in de periode van 8 februari 2010 tot en met 13 juni 2017 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met [naam 5] , in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 Wet werk en bijstand of artikel 17 Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en [naam 5] wisten dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand of de Participatiewet (norm alleenstaande ouder), dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers hebben zij, verdachte, en [naam 5] opzettelijk nagelaten de Sociale Dienst van de gemeente Alkmaar in te lichten dat zij, verdachte, niet (langer) gescheiden leefde van haar echtgenoot, te weten [naam 5] .

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar. 7Motivering van de sanctie 7.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden. 7.2 Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft bepleit dat in geval van een bewezenverklaring bij de straftoemeting rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte en de medeverdachte thans nog drie minderjarige kinderen hebben (in de leeftijd van 12, 14 en 16 jaar) en dat ten minste een van hen de opvoedingstaak zal moeten kunnen vervullen. 7.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim zeven jaar schuldig gemaakt aan het medeplegen van bijstandsfraude door opzettelijk na te laten de uitkerende instantie in te lichten dat zij niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot, terwijl zij een bijstandsuitkering ontving naar de norm van een alleenstaande ouder. Verdachte heeft hierdoor een aanzienlijk bedrag aan uitkeringsgelden ontvangen waarop zij geen, dan wel niet volledig recht had. HalteWerk heeft het benadelingsbedrag berekend op ruim € 120.000,-. Verdachte heeft aldus door haar handelen het vertrouwen waarop het stelsel van sociale voorzieningen in Nederland is gebaseerd, op grove wijze geschonden.

Hierdoor heeft zij niet alleen in financieel opzicht schade aan dit stelsel berokkend, maar ook op ernstige wijze afbreuk gedaan aan de solidariteitsgedachte die daaraan ten grondslag ligt. Verdachte heeft misbruik gemaakt van voorzieningen die zijn bedoeld middelen van bestaan te garanderen voor diegenen die niet bij machte zijn deze op eigen kracht te verwerven. Verdachte heeft ter terechtzitting op geen enkele manier blijk gegeven van inzicht in de laakbaarheid van haar handelen. Voorts is ter terechtzitting gebleken dat hoewel HalteWerk tot terugvordering is overgegaan, tot op heden nog niets is terugbetaald.

De rechtbank rekent verdachte het voorgaande zwaar aan. Ook gelet op het feit dat verdachte – blijkens het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 december 2020 – in 2002 een transactie heeft gekregen voor een eenzelfde feit. Weliswaar gaat het hier niet om een onherroepelijke veroordeling of strafbeschikking, en zal de rechtbank het om die reden niet als een strafverzwarende omstandigheid aanmerken, maar verdachte was wel een gewaarschuwd mens. De rechtbank acht, gelet op de ernst van het feit, de hoogte en de duur van de door verdachte ten onrechte ontvangen uitkeringsgelden, enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen.

De rechtbank slaat daarbij acht op de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht betreffende fraude. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf zoals door de officier van justitie is gevorderd, passend is. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen reden om van deze eis af te wijken.

8Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikelen 47 en 227b van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. A. Buiskool, voorzitter, mr. S. Jongeling en mr. S.J. Riem, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Klippel, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 februari 2021. Mr. A. Buiskool en mr. A. Klippel zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.