Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2020:9845 ECLI:NL:RBNHO:2020:9845 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:9845 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2020:9845
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/3514 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2020 in de zaak tussen [X] , te [Z] , eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser op 16 december 2019 een navorderingsaanslag voor het jaar 2007 opgelegd. Eiser heeft tegen voornoemde aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 21 april 2020 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Op 21 mei 2020 heeft eiser opnieuw een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Verweerder heeft het aangemerkt als beroepschrift en bij brief van 4 juni 2020 op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter verdere behandeling aan deze rechtbank doorgezonden. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:54 van de Awb, artikel 6:6 van de Awb; ECLI:NL:RBNHO:2020:9845 · Rechtbank Noord-Holland: Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

Keywords

AI generated
insufficiently substantiated submissions statute of limitations bar untimely recusal request insufficiently substantiated grievance late objection to debt enforcement request for appointment

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht
Verweerder heeft het aangemerkt als beroepschrift en bij brief van 4 juni 2020 op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter verdere behandeling aan deze rechtbank doorgezonden.
artikel 8:54 van de Awb
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.
artikel 6:6 van de Awb
Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/3514 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2020 in de zaak tussen [X] , te [Z] , eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser op 16 december 2019 een navorderingsaanslag voor het jaar 2007 opgelegd. Eiser heeft tegen voornoemde aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 21 april 2020 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Op 21 mei 2020 heeft eiser opnieuw een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Verweerder heeft het aangemerkt als beroepschrift en bij brief van 4 juni 2020 op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter verdere behandeling aan deze rechtbank doorgezonden. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.

2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

3. Verweerder heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft bij aangetekende brief van 28 juli 2020 eiser erop gewezen dat de gronden van het beroep in ieder geval betrekking moeten hebben op het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar. De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Eiser heeft bij brief van 25 augustus 2020 gereageerd. De rechtbank concludeert uit de ingediende stukken van eiser dat deze inhoudelijke gronden betreffen en niet zien op het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaarschrift. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 4 december 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.