Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2020:8510 ECLI:NL:RBNHO:2020:8510 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:8510 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2020:8510
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/253826-19 (P) Uitspraakdatum: 23 oktober 2020 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2020 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. de Vries en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 21 oktober 2019 te Purmerend, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp voorwerp, in zijn (boven)lichaam en/of de hals te steken. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde, te weten moord, en tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten doodslag. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet duidelijk is wat zich in de nacht van 20 op 21 oktober 2019 op de plaats delict precies heeft afgespeeld en er geen direct bewijs is dat verdachte een aandeel heeft gehad in de dood van het slachtoffer.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 6:108 lid 3 BW, artikel 532 Sv, artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBNHO:2020:8510 · Rechtbank Noord-Holland: De rechtbank zal de omvang van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar billijkheid schatten op € 20.000,-. Het overige deel van de vordering tot vergoeding van shockschade zal worden afgewezen. affectieschade Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW is, wanneer iemand overlijdt door een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht tot vergoeding van affectieschade aan de in lid 4 van dat artikel genoemde naasten. Onder deze naasten vallen onder meer de ouders van de overledene.

Keywords

AI generated
implausible testimony unproven causation psychiatric evidence failure to state reasons deficiencies in evidence evidentiary grounds

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek
De rechtbank zal de omvang van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar billijkheid schatten op € 20.000,-.
artikel 6:108 lid 3 BW
affectieschade Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW is, wanneer iemand overlijdt door een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht tot vergoeding van affectieschade aan de in lid 4 van dat artikel genoemde naasten.
artikel 532 Sv
proceskosten Verdachte dient op grond van artikel 532 Sv te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht
schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2020:2439
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002078-18 datum uitspraak: 8 september 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 juni 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 15-870696-17 en 23-005163-15 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwolle (PPC). Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht, alsmede van de standpunten van de advocaten van de benadeelde partijen, de familie [benadeelde 2] en [benadeelde 1] . Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 10 april 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde persoon meermalen (althans eenmaal) met een mes, althans een scherp voorwerp, in de borstkas en/of in de buik en/of in de rug en/of in de arm(en) en/of in de/het be(e)n(en) en/of in de hand(en) te steken en/of te snijden; 2. primairhij op of omstreeks 10 april 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde 1] meermalen (althans eenmaal) met een mes, althans een scherp voorwerp, in het been heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. subsidiairhij op of omstreeks 10 april 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, [benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] meermalen (althans eenmaal) met een mes, althans een scherp, voorwerp in het been te steken en/of te snijden; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op hoofdlijnen vinden in de overwegingen en de beslissingen van de rechtbank. Desalniettemin zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd, omdat de verdediging in hoger beroep verweer heeft gevoerd en een beroep op noodweer(exces) heeft gedaan. Naar aanleiding van de pas in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaringen hanteert het hof ook een andere bewijsvoering. Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 2 primair ten laste gelegde De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van haar pleitnotities betoogd dat poging tot zware mishandeling niet bewezen kan worden, omdat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) bewust heeft gestoken of gesneden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [benadeelde 1] de verdachte bedreigde met een mes en dat de verdachte dat mes toen in een worsteling van hem heeft afgepakt. De verdachte heeft vervolgens alleen met het mes gezwaaid en hem niet bewust gestoken. Het letsel van [benadeelde 1] , zijnde een scheurwond en geen steekwond, past ook niet bij zijn verklaring dat hij gestoken is door de verdachte. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van een noodweersituatie. Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt. Het hof volgt de verklaring van [benadeelde 1] , dat de verdachte hem met een mes heeft gestoken en hem daarmee letsel heeft toegebracht. Zijn verklaring wordt ondersteund door de geneeskundige verklaring, waaruit volgt dat [benadeelde 1] een forse snijwond in zijn rechterbeen had, welke gehecht moest worden. Het hof verwerpt de andersluidende lezing van de verdachte over hetgeen is voorgevallen, hetgeen nog nader aan de orde komt bij de bespreking van het beroep op noodweer. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 10 april 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde persoon meermalen met een mes in de borstkas en in de buik en in de rug te steken; 2. primairhij op 10 april 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde 1] met een mes in het been heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen onder 1 en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Omwille van de leesbaarheid van het arrest zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage is aan het arrest gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte Bespreking van het beroep op noodweer(exces) ( I) Feiten en omstandigheden Het hof zal eerst een weergave geven van de relevante feiten en omstandigheden in deze zaak en vervolgens ingaan op het verweer. Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden, die verder ook niet ter discussie hebben gestaan. Op 10 april 2017 omstreeks 01:00 uur treffen de verdachte, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) elkaar bij het [tankstation] tankstation te IJmuiden. [benadeelde 1] is met de auto meegereden met [slachtoffer] en [naam 1] is met de verdachte meegekomen. Zij treffen elkaar daar omdat [slachtoffer] de confrontatie wilde aangaan met [naam 1] , omdat [naam 1] de week ervoor zijn vriendin had aangesproken. Omdat er camera’s hangen bij het tankstation, verplaatsen zij zich naar de Betelgeuzestraat. Eenmaal daar wordt duidelijk dat [slachtoffer] een vuurwapen heeft meegenomen. De verdachte zegt [slachtoffer] het wapen weg te doen, nu zij (het hof leest: de verdachte en [naam 1] ) ook zonder wapens zijn gekomen. [slachtoffer] loopt naar zijn auto, doet een autodeur open en weer dicht en loopt weer terug naar de anderen. [slachtoffer] loopt vervolgens naar [naam 1] en er vindt een discussie plaats, waarna [slachtoffer] [naam 1] een vuistslag en een trap geeft. Over wat er daarna gebeurt lopen de lezingen uiteen. Wat vast staat is dat [slachtoffer] op 10 april 2017 om 01:47 uur dood en bebloed wordt aangetroffen op de achterbank van zijn Mercedes op de Boerhavelaan te Haarlem. Hij wordt aangetroffen naar aanleiding van de 112 melding van [benadeelde 1] , die hem daarheen heeft vervoerd. [slachtoffer] is overleden aan steekverwondingen in zijn borstkas. Hij heeft 12 steekletsels en 4 snijletsels in zijn lichaam. In de Mercedes van [slachtoffer] wordt onder de stuurkolom een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen. Op dit wapen wordt geen bloed aangetroffen. De verdachte is op 10 april 2017 via Brussel naar Turkije gereisd. ( II) Lezing van [benadeelde 1] (en [naam 1] ) Zowel [naam 1] als [benadeelde 1] hebben verklaard dat [slachtoffer] , op het moment dat hij terug kwam van zijn auto, de confrontatie is aangegaan met [naam 1] en hem toen een trap en een klap heeft gegeven, waarna [naam 1] buiten bewustzijn is geraakt. [benadeelde 1] heeft – kort samengevat – als volgt verklaard over hetgeen daarna gebeurde. De verdachte heeft vervolgens [slachtoffer] aangevallen met een mes. De verdachte en [slachtoffer] stonden face to face. Hij zag dat de verdachte meerdere vuist- of steekbewegingen maakte richting de zij van [slachtoffer] , terwijl hij [slachtoffer] met zijn linkerhand vasthield in de nek. [slachtoffer] vroeg om hulp, maar de verdachte bleef doorgaan met de steekbewegingen. [benadeelde 1] heeft geprobeerd in te grijpen door de verdachte van achter een trap te geven, maar de verdachte draaide zich om en haalde uit naar [benadeelde 1] . [benadeelde 1] voelde pijn in/rondom zijn knie en zag dat zijn broek was gescheurd. Hij is door de verdachte in zijn been gestoken en heeft letsel opgelopen bestaande uit een lichte snee in zijn rechter scheenbeen en een diep gat in zijn rechterbovenbeen. De verdachte ging vervolgens door met het steken van [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] nog steeds om hulp riep. Op dat moment zag [benadeelde 1] het mes bij de verdachte. De verdachte heeft [slachtoffer] minimaal 10 keer gestoken, waarna hij [slachtoffer] heeft losgelaten en is weggerend, aldus [benadeelde 1] . ( III) Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren en het alternatieve scenario Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Zij heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Ter onderbouwing van deze verweren zijn door en namens de verdachte – kort samengevat – de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. [slachtoffer] heeft [naam 1] een vuistslag en een trap gegeven en bleef vervolgens op hem inslaan. De verdachte zag zich genoodzaakt in te grijpen door tussen [naam 1] en [slachtoffer] te komen, maar toen hij dat wilde doen viel [benadeelde 1] hem aan met een mes. De verdachte raakte met [benadeelde 1] in gevecht om het mes, waarbij hij het mes wist te bemachtigen. [benadeelde 1] heeft de verdachte tijdens dit gevecht met het mes geraakt in zijn knie. Toen de verdachte het mes had bemachtigd heeft [slachtoffer] een pistool op het hoofd van de verdachte gezet. De verdachte hoorde een klik, was in paniek en dacht dat hij dood zou gaan. De verdachte sloot toen zijn ogen en is uit blinde paniek met het mes gaan zwaaien. Toen hij het pistool niet meer op zijn hoofd voelde, is hij weggerend. Concluderend stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat het handelen van de verdachte niet als aanvallend kan worden gekwalificeerd, doch alleen als verdedigend. Er werd evident levensbedreigend geweld gebruikt door [slachtoffer] , waaraan de verdachte zich niet kon onttrekken. Zowel het letsel van de verdachte als het letsel van [benadeelde 1] ondersteunen de verklaring van de verdachte dat hij met [benadeelde 1] in gevecht is geraakt teneinde het (door [benadeelde 1] meegenomen) mes te bemachtigen. De conclusie van de rechtbank dat [slachtoffer] tijdens het steekincident geen wapen in zijn hand had, kan niet in stand blijven, omdat zowel [benadeelde 1] als [naam 1] niet hebben gezien dat [slachtoffer] het wapen daadwerkelijk heeft weggelegd in zijn auto. Het feit dat er geen bloed op het naderhand in die auto gevonden wapen is aangetroffen sluit niet uit dat [slachtoffer] wel degelijk een wapen heeft gebruikt tijdens het steekincident, omdat [slachtoffer] het wapen met zijn niet bebloede rechterhand kan hebben teruggelegd. Tot slot voldoet het handelen van de verdachte aan de eisen van proportionaliteit, omdat er een pistool op het hoofd van de verdachte werd gezet. Dat het geen echt pistool was kon de verdachte niet weten. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat, mocht het hof overwegen dat het handelen van de verdachte wel disproportioneel was, de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt omdat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging. ( IV) Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie omdat de wederrechtelijke aanranding jegens [naam 1] voorbij was, aangezien hij na de klap en de trap bewusteloos op de grond lag en er voor de verdachte niet was te vrezen dat [slachtoffer] verder geweld zou toepassen tegen [naam 1] of tegen de verdachte. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer moet worden verworpen, omdat het handelen van de verdachte niet was ingegeven door de verdediging van [naam 1] of zichzelf, maar door woede, dan wel dat er een wederrechtelijke aanranding van [naam 1] bestond waartegen verdediging geboden was, maar dat het handelen van de verdachte de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. ( V) Oordeel van het hof Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Het hof overweegt daartoe als volgt. In de onderhavige zaak ziet het hof zich allereerst voor de vraag gesteld of er sprake was een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens [naam 1] , waartegen verdediging door de verdachte noodzakelijk en geboden was. De verklaring van de verdachte, dat [slachtoffer] op [naam 1] bleef inslaan nadat [naam 1] out was gegaan, strookt niet met de lezingen van [naam 1] zelf en [benadeelde 1] , die hetzelfde verklaren over het door [slachtoffer] toegepaste geweld, namelijk dat het bleef bij het uitdelen van een klap en een trap. Bovendien strookt de verklaring van de verdachte niet met het letsel van [naam 1] . Als [slachtoffer] op [naam 1] was blijven inslaan had er naar het oordeel van het hof sprake moeten zijn van aanzienlijk meer letsel bij [naam 1] . De lezing van de verdachte is in dit opzicht dan ook op geen enkele wijze aannemelijk geworden en wordt als ongeloofwaardig terzijde gesteld. Het hof is van oordeel dat er weliswaar sprake was van een wederrechtelijke aanranding jegens [naam 1] door [slachtoffer] , [slachtoffer] heeft immers geweld gebruikt jegens [naam 1] , maar deze aanranding was na de trap en de vuistslag van [slachtoffer] en het out gaan van [naam 1] geëindigd, zodat op het moment dat de verdachte, naar zijn zeggen, besloot in te grijpen er geen sprake meer was van een ogenblikkelijke aanranding van [naam 1] . Ook de verklaring van de verdachte, dat [benadeelde 1] hem aanviel met een mes op het moment dat hij, de verdachte, [naam 1] te hulp wilde schieten, volgt het hof niet. In de eerste plaats reeds omdat hiervoor is overwogen dat er geen situatie bestond waarin de verdachte [naam 1] nog te hulp moest schieten. Voorts volgt het hof de verklaring van [benadeelde 1] dat de verdachte hem met een mes heeft gestoken en hem letsel heeft toegebracht op het moment dat hij [slachtoffer] wilde helpen, omdat deze verklaring wordt ondersteund door een geneeskundige verklaring waaruit volgt dat [benadeelde 1] een forse snijwond in zijn rechterbeen had die gehecht moest worden. Het hof concludeert dat de verdachte de persoon was die het mes trok. Het hof heeft deze overtuiging te meer nu [benadeelde 1] duidelijk beschrijft op welk moment hij het mes voor het eerst bij de verdachte zag en omdat ook andere onderdelen van de verklaring van [benadeelde 1] steun vinden in het dossier. Dit terwijl de lezing van de verdachte geen steun vindt in het dossier. Het hof volgt in dit verband de conclusie van de rechtbank dat [slachtoffer] op het moment van het steekincident geen vuurwapen of iets daarop gelijkends in zijn hand heeft gehad. Zowel de verdachte als [benadeelde 1] én [naam 1] hebben verklaard dat [slachtoffer] , na de opdracht van de verdachte het wapen weg te doen, naar zijn auto is gelopen, zijn autodeur heeft geopend en toen weer terug is gekomen. Het wapen werd later door de politie aangetroffen onder de stuurkolom van de auto van [slachtoffer] . Op het wapen werd geen bloed aangetroffen. Het verweer van de raadsvrouw dat het mogelijk is dat [slachtoffer] het wapen met zijn niet bebloede rechterhand heeft teruggelegd in de auto na het steekincident, wordt verworpen omdat het volgens het hof uiterst onwaarschijnlijk is dat er geen bloed op het wapen zat als [slachtoffer] het vuurwapen in zijn hand had ten tijde van het steekincident, dat immers met zeer grof geweld van de verdachte gepaard ging, waarbij veel bloed vloeide. Voorts merkt het hof nog op dat de verklaring van de verdachte, dat hij (blind en uit paniek) met het mes heeft gezwaaid, niet strookt met het letsel van [slachtoffer] . [slachtoffer] had 12 steekverwondingen en 4 snijletsels. Dit letsel past wel bij het doelgericht insteken op [slachtoffer] , maar niet bij het louter om zich heen zwaaien met een mes, waarbij [slachtoffer] zou zijn geraakt. Het letsel van [slachtoffer] komt overeen met de lezing van [benadeelde 1] , dat de verdachte [slachtoffer] met zijn linkerhand vasthield bij de nek en met zijn rechterhand en steek- of stootbewegingen maakte richting de linkerzij van [slachtoffer] . Tot slot vindt het hof het niet voor de geloofwaardigheid van het verhaal van de verdachte pleiten dat hij direct na het gebeuren naar Turkije is gevlucht en pas na twee jaar, nadat hij wordt aangehouden en naar Nederland wordt overbracht, besluit zijn verhaal te vertellen. Dit doet afbreuk aan het door de verdachte gedane beroep op noodweer. Nu het hof het in het kader van het noodweerverweer geschetste scenario van de verdachte – dat [slachtoffer] bleef inslaan op [naam 1] , dat [benadeelde 1] de verdachte heeft aangevallen met een mes en dat [slachtoffer] een pistool op het hoofd van de verdachte heeft gezet – niet aannemelijk vindt en heeft geconcludeerd dat er ook geen sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van [naam 1] , waartegen de verdachte hem mocht verdedigen noch dat [slachtoffer] een handeling heeft verricht die bij de verdachte in redelijkheid de vrees kon laten ontstaan dat [slachtoffer] met hem de confrontatie zou aangaan, leidt dit tot de conclusie dat geen sprake was van een noodweersituatie, waardoor de verdachte zich niet met succes op noodweer of noodweerexces kan beroepen. De verweren, strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte, worden dan ook verworpen. Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: doodslag. Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Evenmin is een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging te betrekken het gegeven dat [slachtoffer] en [benadeelde 1] wapens hebben meegebracht en de verdachte en [naam 1] niet. Voorts verzoekt de raadsvrouw bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte beseft hoe veel leed de nabestaanden is aangedaan. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag en een poging tot zware mishandeling. Hij heeft de 18-jarige [slachtoffer] vele malen en met grof geweld in zijn lichaam gestoken, waardoor [slachtoffer] zodanig gewond is geraakt dat hij daaraan is overleden. Door zijn handelen heeft de verdachte een onherstelbaar misdrijf gepleegd door aan een mens het meest elementaire recht, namelijk het recht op leven, te ontnemen. De verdachte heeft daarmee niet alleen het leven van [slachtoffer] vroegtijdig beëindigd, maar ook groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de familieleden en andere naasten van [slachtoffer] . Voorts heeft hij [benadeelde 1] met een mes in zijn been gestoken en deze had daarbij zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen. Dat dit niet is gebeurd is geenszins aan de verdachte te danken. Door zijn handelen heeft de verdachte een onaanvaardbare inbreuk op de lichamelijke en persoonlijke integriteit van [benadeelde 1] gemaakt. Dat de gebeurtenissen ook een grote impact hebben gehad op [benadeelde 1] , blijkt wel uit zijn ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring. Zo verklaart hij dat het na het steekincident nog zeker drie jaar slecht met hem ging, dat hij de hulp van een psycholoog heeft ingeschakeld en dat hij zijn baan en bovenal zichzelf is kwijtgeraakt. Ook heeft hij nog moeite met slapen en doet zijn litteken soms nog steeds pijn. De door de verdachte gepleegde misdrijven dragen een voor de rechtsorde bijzonder schokkend karakter en veroorzaken sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. De verdachte heeft weinig blijk gegeven besef te hebben van de onomkeerbare gevolgen die zijn handelen heeft veroorzaakt. Hij heeft zich twee jaar schuil gehouden en ook daarna geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 augustus 2020 is hij eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, ook rekening houdend met de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 59.217,73, en is als volgt opgebouwd: 1. Materiële schade (€ 13.617,73); - Autopoetsbedrijf [naam 2] € 302,50; - Vliegtickets € 1575,28; - [winkel] € 49,95; - Advocaatkosten Turkije € 11.690,00; 2. Immateriële schadevergoeding bestaande uit shock- en/of affectieschade € 45.000,00; 3. Advocaatkosten Nederland € 600,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 14.477,75. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de affectieschade en heeft zich voor wat betreft de overige posten aangesloten bij het oordeel van de rechtbank. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. Met betrekking tot het verzoek tot schadevergoeding van de familie [benadeelde 2] heeft de verdediging aangevoerd zich aan het oordeel van het hof te refereren. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Materiële schade Op grond van artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen nabestaanden in aanmerking komen voor schadevergoeding. In dit artikel wordt een limitatieve opsomming gegeven van personen die een vordering kunnen instellen en van hetgeen kan worden gevorderd. Kort gezegd kan degene die de kosten voor de lijkbezorging heeft gedragen deze kosten vorderen. De gevorderde materiële schadevergoeding die ziet op deze kosten, de vliegtickets, is niet betwist en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen. Ook zal het hof de gevorderde schoonmaakkosten van de auto als niet betwist toewijzen. Ten aanzien van posten ‘ [winkel] ’ en ‘Advocaatkosten Turkije’, te weten een bedrag van € 11,739,95, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren omdat deze posten onvoldoende onderbouwd zijn. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan die vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.877,78 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit, tot de dag van de voldoening. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vordering. Immateriële schade Het gevorderde bedrag is niet gespecificeerd ten aanzien van shockschade enerzijds en affectieschade anderzijds, hetgeen aan de hierna volgende beslissingen van het hof niet in de weg staat. Shockschade De benadeelde partij maakt deels aanspraak op vergoeding van immateriële schade, omdat sprake zou zijn van een aantasting in de persoon, als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Van de onder artikel 6:106 aanhef en onder b van het BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake, indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders, indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van shockschade onderbouwd. Het hof stelt vast dat de bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht. De ouders van het slachtoffer zijn enkele uren nadat de politie het lichaam van hun overleden zoon, welk lichaam zwaar bebloed als gevolg van messteken op de achterbank van zijn auto lag, had aangetroffen op de hoogte gesteld van de gewelddadige dood van hun zoon. Uit het proces-verbaal blijkt dat de politie die morgen om ongeveer 08.30 uur hij de woning van de ouders heeft aangebeld en hen enige tijd later een foto heeft getoond van hun zoon welke genomen was op de plaats delict. Dit om het slachtoffer te kunnen identificeren. Door de politie is aan de ouders uitgelegd dat dit een schokkende foto was, maar dat er op dat moment geen andere mogelijkheid was om de identiteit van het slachtoffer vast te stellen. Uit het proces-verbaal blijkt eveneens dat de moeder hierop diverse keren flauw viel. Deze confrontatie heeft bij de vader van het slachtoffer geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, te weten een posttraumatisch stress syndroom en een depressieve stoornis. Dit psychiatrie erkend ziektebeeld is voldoende onderbouwd door een brief van de behandelend psychiater. Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Het hof zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 12.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit, tot de dag van de voldoening. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Het hof zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering zodat dat het restant van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Affectieschade Ten aanzien van de gevorderde affectieschade in verband met het verdriet om het overlijden of het door ernstig en blijvend letsel gekwetst raken van een naaste, wordt het volgende overwogen. Door de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht om vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Staatsblad 2018, 132), is de kring van tot schadevergoeding gerechtigden verruimd in die zin dat het voor de in artikel 6:107, tweede lid, BW en artikel 6:108, vierde lid, BW genoemde naasten van slachtoffers mogelijk wordt om een (forfaitaire) vergoeding van affectieschade te vorderen indien sprake is van overlijden of ernstig en blijvend letsel van het slachtoffer. Artikel 51f, tweede lid, Sv is gewijzigd in die zin dat deze naasten zich in het strafproces kunnen voegen met de hier aan de orde zijnde vordering tot vergoeding van ‘affectieschade’. Ingevolge het overgangsrecht als bepaald in artikel 68 en 69 Overgangswet nieuw BW heeft deze verruiming slechts gevolgen ten aanzien van schadeveroorzakende gebeurtenissen die plaatsvinden ná de inwerkingtreding van deze wetswijziging per 1 januari 2019. Zoals het hof hierboven heeft vooropgesteld is vergoeding van affectieschade op grond van artikel 6:108 BW slechts mogelijk ten aanzien van schadeveroorzakende gebeurtenissen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van deze wetswijziging per 1 januari 2019. Nu [slachtoffer] is overleden op 10 april 2017 is vergoeding op deze grond niet mogelijk. Gelet daarop zal het hof de benadeelde partij in de vordering tot vergoeding van de affectieschade niet-ontvankelijk verklaren. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 33.448,00, en is als volgt opgebouwd: 1. Materiele schade (€11.948,00); - Inkomstenderving € 11.468,00; - Schade kleding en schoenen € 480,00; 2. Immateriële schade (€21.500,00); - Steekwond been € 1.500,00; - Shockschade € 20.000. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.980,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich voor wat betreft de opgevoerde materiële schade op het standpunt gesteld dat de post kleding en schoenen kan worden toegewezen. Ten aanzien van de post inkomstenverderving heeft de advocaat-generaal gevorderd deze niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze post niet nader onderbouwd is. Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van shockschade heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze gedeeltelijk toewijst, tot een bedrag van € 10.000,00, en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ter zake van de gederfde inkomsten niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat dit onvoldoende onderbouwd is. Ten aanzien van de shockschade heeft zij verzocht deze vordering af te wijzen. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Materiële schade De vordering voor wat betreft het verlies aan inkomsten is onvoldoende onderbouwd omdat niet blijkt dat de schade daadwerkelijk is geleden als rechtstreeks gevolg van het onrechtmatig handelen van de verdachte. Ten aanzien van dat deel van de vordering tot vergoeding van materiële schade zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Het hof concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 480,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit, tot de dag van de voldoening. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Immateriële schade Vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,00 als gevolg van de toegebrachte steekwond komt het hof billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Het hof zal de vordering ten aanzien van dat onderdeel toewijzen. Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit hof zich aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het hof oordeelt over dit onderdeel van de vordering als volgt. Nog afgezien van de vraag of [benadeelde 1] in voldoende nauwe relatie tot [slachtoffer] stond om aanspraak te kunnen maken op shockschade (zij waren slechts oppervlakkig bevriend, zo leidt het hof uit het dossier af), is het hof van oordeel dat [benadeelde 1] geen vergoeding van shockschade toekomt, omdat hij bewust is meegegaan met [slachtoffer] , wetende dat [slachtoffer] de confrontatie wilde zoeken met een andere persoon, en zich vervolgens niet heeft gedistantieerd toen de confrontatie gewelddadig dreigde te worden. Door de keuzes die [benadeelde 1] heeft gemaakt heeft hij zichzelf gebracht in een situatie die zo uit de hand kon lopen dat deze voor hem een trauma heeft opgeleverd. Het hof is van oordeel dat [benadeelde 1] onder die omstandigheden geen aanspraak kan maken op vergoeding van shockschade en zal de vordering ten aanzien van dat onderdeel afwijzen. Het hof concludeert dat de vordering tot immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit, tot de dag van de voldoening. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde. Vordering tenuitvoerlegging Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 mei 2016 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 59 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie een gevangenisstraf van hierna te melden duur gelasten. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 13.877,78 (dertienduizend achthonderdzevenenzeventig euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 1.877,78 (duizend achthonderdzevenenzeventig euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 12.000,00 (twaalfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 600,00 (zeshonderd euro). Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 13.881,78 (dertienduizend achthonderdeenentachtig euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 1.881,78 (duizend achthonderdeenentachtig euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 12.000,00 (twaalfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 104 (honderdvier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 april 2017. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.980,00 (duizend negenhonderdtachtig euro) bestaande uit € 480,00 (vierhonderdtachtig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst af de gevorderde schade tot een bedrag van € 20.000 immateriële schade/shockschade. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1, 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.980,00 (duizend negenhonderdtachtig euro) bestaande uit € 480,00 (vierhonderdtachtig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 29 (negenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 april 2017. Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 mei 2016 met parketnummer 23-005163-15, te weten een jeugddetentie voor de duur van 59 dagen, een gevangenisstraf voor de duur van 59 (negenenvijftig) dagen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. M.J.A. Plaisier en mr. C.J. van der Wilt, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 september 2020. ========================================================================= […]
ECLI:NL:HR:2002:AD5356
Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 16 juni 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Woudsend - gedagvaard voor de Rechtbank te Alkmaar en gevorderd Woudsend te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, om aan [verweerster] ten titel van schadevergoeding te voldoen de somma van ƒ 105.823,49, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 1992 tot aan de dag der algehele voldoening. Woudsend heeft de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij vonnis van 17 december 1998 de vordering van [verweerster] afgewezen.
ECLI:NL:RBDHA:2020:450
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/842012-19; 09/837358-19 Datum uitspraak: 27 januari 2019 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , [geboortedatum] 1992 [geboorteplaats] , [adres 1] .
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/253826-19 (P) Uitspraakdatum: 23 oktober 2020 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2020 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. de Vries en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 21 oktober 2019 te Purmerend, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp voorwerp, in zijn (boven)lichaam en/of de hals te steken. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde, te weten moord, en tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten doodslag. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet duidelijk is wat zich in de nacht van 20 op 21 oktober 2019 op de plaats delict precies heeft afgespeeld en er geen direct bewijs is dat verdachte een aandeel heeft gehad in de dood van het slachtoffer.

Er zijn bijvoorbeeld geen directe getuigen en aan het gebruik van DNA-sporen als bewijsmiddel kleven beperkingen, aldus de raadsman. Onder verwijzing naar de verklaring van verdachte, heeft de raadsman daarbij opgemerkt, dat alternatieve scenario’s denkbaar zijn en dat verdachte ook geen motief had om het slachtoffer, die een vriend van hem was, te doden. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat het dossier geen bewijs bevat voor voorbedachte raad en dat daarvoor ook contra-indicaties zijn aan te wijzen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte om die reden in elk geval van het impliciet primair ten laste gelegde, moord, vrij te spreken. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Vrijspraak impliciet primair ten laste gelegde (moord) Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte impliciet primair is ten laste gelegd: moord.

In het dossier zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om te kunnen vaststellen dat verdachte heeft gehandeld met de voor een bewezenverklaring van moord vereiste voorbedachte raad. Verdachte zal van dit feit dan ook worden vrijgesproken. 3.3.2 Bewijsmiddelen De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de impliciet subsidiair laste gelegde doodslag op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.3 Bewijsmotivering Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 oktober 2019 in Purmerend [slachtoffer] opzettelijk met messteken van het leven heeft beroofd.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op 21 oktober 2019 om 8.21 uur komt de politie bij de woning van verdachte in de [flat] aan de [adres] te Purmerend. Aanleiding is een telefoontje van verdachte van tien minuten daarvoor naar het alarmnummer 112, waarin hij meldt dat zijn vriend overleden in de woning op de grond ligt. De politie gaat het appartement van verdachte binnen en vindt in de woonkamer een lichaam. Van het lichaam is op dat moment alleen een deel van het linkerbeen zichtbaar. Het bovenlijf en het hoofd zijn aan het oog onttrokken door een blauwe deken en op de benen liggen een omgekeerde houten tafel en een bureaustoel.

Rond het lichaam zijn bloedspatten te zien op de vloer, de muren en het meubilair. Wanneer de verbalisanten de deken optillen, zien zij direct twee kennelijke steekwonden in de hals van het lichaam. De overleden persoon blijkt [slachtoffer] te zijn. De schouwarts concludeert ter plekke dat sprake is van een niet natuurlijk overlijden. Bij de later verrichte sectie op het lichaam van het slachtoffer worden in totaal circa 25 steekletsels en circa 24 snijletsels vastgesteld. Het overlijden wordt volgens de patholoog verklaard door ademhalingsfunctiestoornissen, hartfunctiestoornissen en bloedverlies, ten gevolge van negen steekletsels in de borst.

Kort na het aantreffen van het slachtoffer is forensisch onderzoek gedaan in de woning. Daarbij is vastgesteld dat tussen de blote benen van het slachtoffer een spijkerbroek lag en dat de onderbroek onder het kruis rond de bovenbenen zat. De onderbroek, die binnenstebuiten zat, was uitgerekt en niet ‘opgepropt’, wat er op duidt dat de onderbroek aan de pijpen naar beneden is getrokken. Voorts zijn naast het hoofd van het slachtoffer de geslachtsdelen (penis en scrotum) van het slachtoffer op de grond aangetroffen, waarvan tijdens de sectie overigens is vastgesteld dat deze post mortem met een mes zijn verwijderd.

Dit alles wijst erop, zo concludeert de rechtbank, dat iemand anders dan het slachtoffer zelf de onderbroek naar beneden heeft getrokken. Naast het hoofd van het slachtoffer wordt ook een kartelmes aangetroffen met een scherpe punt en een verbogen lemmet. In de keuken lag in de spoelbak een gebroken mes, dat wil zeggen een los lemmet en een los heft. Beide messen blijken afkomstig te zijn uit de huisraad van verdachte. De messen, de spijkerbroek en de onderbroek zijn bemonsterd op biologische sporen. Bij de kledingstukken zijn monsters genomen van plekken die gerelateerd kunnen worden aan het uittrekken van de kleding: de pijpen en de tailleband.

Uit onderzoeken door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is onder meer het volgende gebleken: Op het gekartelde mes met verbogen lemmet zijn bloedsporen aangetroffen die op grond van de daaruit verkregen DNA-profielen kunnen worden toegeschreven aan het slachtoffer. Daarnaast is er in een bemonstering van (het lemmet van) dit mes een DNA-mengprofiel gevonden met daarin, naast DNA van het slachtoffer, DNA-nevenkenmerken die van verdachte kunnen zijn (matchkans kleiner dan 1 op 90.000). Op het lemmet en het heft uit de spoelbak van de keuken zijn bloedsporen aangetroffen met daarin DNA van het slachtoffer.

In acht van de bemonsteringen van de spijkerbroek, die afkomstig zijn van zowel de binnenzijde als de buitenzijde van de tailleband en van de broekspijpen, is DNA gevonden van verdachte (naast dat van het slachtoffer). In alle acht bemonsteringen van de onderbroek, die afkomstig zijn van de tailleband en de broekspijpen aan zowel de binnenzijde als de buitenzijde, is eveneens DNA van verdachte gevonden en – naast dat van het slachtoffer – van niemand anders. De rechtbank verbindt aan deze laatste bevindingen de conclusie dat het verdachte moet zijn geweest die de spijkerbroek van het slachtoffer heeft uitgetrokken en de onderbroek van het slachtoffer naar beneden heeft getrokken.

Voorts is van belang dat op camerabeelden van de [flat] te zien is dat verdachte en het slachtoffer op 20 oktober 2019 rond 22.30 uur samen, elk met een fiets, aankomen bij de flat, in de lift stappen en kennelijk op de achtste verdieping, waarop de woning van verdachte is gelegen, de lift weer verlaten. Op 21 oktober 2019, om ongeveer 3.43 uur, stapt verdachte met zijn fiets weer in de lift, gaat hij daarmee naar beneden en verlaat hij het flatgebouw om, zo blijkt uit het dossier, naar de woning van zijn vriendin te gaan. Opvallend is dat verdachte op dat moment andere kleding draagt dan bij aankomst bij de flat.

De kleding die verdachte ’s avonds bij zijn aankomst bij de flat, blijkens de camerabeelden op 20 oktober 2019 droeg, is de volgende ochtend voor een deel aangetroffen in de trommel van de wasmachine in de woning van verdachte. Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is geweest die in zijn woning [slachtoffer] met messteken om het leven heeft gebracht. Verdachte heeft (samengevat) verklaard dat in de nacht van 20 op 21 oktober 2019 drie mannen zijn woning zijn binnengekomen, die [slachtoffer] moesten hebben.

Deze mannen dwongen verdachte in de gang op de grond te gaan liggen en zijn kleren uit te trekken. Vervolgens gingen de mannen naar de woonkamer, waar [slachtoffer] zich bevond, en was er gebonk en gestamp te horen. Na enige tijd mocht verdachte weg gaan van de overvallers. Hij heeft zich aangekleed, waarbij hij andere kleding pakte dan hij daarvóór droeg, is met de lift naar beneden gegaan en is vervolgens vertrokken. Pas toen hij de volgende ochtend rond 7.30 uur weer in zijn woning terugkwam, vond hij het lichaam van [slachtoffer] op de grond in de woonkamer, aldus verdachte.

De rechtbank stelt vast dat, ondanks het zeer uitgebreide onderzoek dat de politie heeft verricht, ook naar dit door verdachte geschetste scenario, er geen enkele aanwijzing is gevonden dat er in de nacht van 20 op 21 oktober 2019 andere personen in de woning van verdachte zijn geweest dan het slachtoffer en verdachte zelf. De lezing van verdachte wordt door de rechtbank als volstrekt ongeloofwaardig terzijde geschoven. Daarbij weegt mee dat verdachte op 21 oktober 2019 om 4.22 uur vanuit de woning van zijn vriendin een melding heeft gedaan bij het alarmnummer 112, waarin hij ongevraagd meedeelde dat zijn vriend (nog) in zijn huis aan de [adres] lag.

De omstandigheid dat verdachte tijdens zijn melding het woord “ligt” gebruikte, is naar het oordeel van de rechtbank veelzeggend, omdat – wanneer het door verdachte geschetste scenario van de overval gevolgd zou worden – verdachte niet kon weten in welke toestand [slachtoffer] zich op het moment van zijn vertrek uit de woning bevond. Verdachte heeft immers verklaard dat hij in de gang moest blijven nadat de mannen waren binnengekomen, terwijl [slachtoffer] al die tijd in de woonkamer was. Voorts merkt de rechtbank op dat toen verdachte ’s nachts de [flat] verliet, om ongeveer 3.43 uur, op de camerabeelden niets is waar te nemen dat er op duidt dat verdachte net ‘slachtoffer’ was geworden van een overval in zijn woning.

Integendeel, verdachte komt op die beelden rustig en niet gestrest over. Verdachte heeft ook niet direct de politie gebeld, maar pas een half uur later, toen hij – nota bene na het aantrekken van zijn regenbroek en handschoenen – bij zijn vriendin arriveerde. Aan de overtuiging van de rechtbank draagt verder bij dat verdachte in zijn vele en uitgebreide verhoren bij de politie wisselend en inconsistent over de gang van zaken in de nacht van 20 op 21 oktober 2019 heeft verklaard. De rechtbank heeft sterk de indruk dat verdachte zijn verklaringen telkens heeft bijgesteld in reactie op de onderzoeksresultaten waarmee hij geconfronteerd werd.

De verklaringen van verdachte komen op onderdelen ook niet overeen met hetgeen zijn vriendin heeft verklaard over wat verdachte haar heeft verteld, bijvoorbeeld op het punt van het al dan niet vastbinden van verdachte door de overvallers. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 21 oktober 2019 te Purmerend [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] meermalen met een mes in zijn bovenlichaam te steken.

Hetgeen aan verdachte impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: Doodslag Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar. 6Motivering van de sancties 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest, en dat daarnaast aan hem zal worden opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met bevel tot verpleging van overheidswege. 6.2 Standpunt van de verdediging Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht in ieder geval geen TBS-maatregel aan verdachte op te leggen.

Volgens de raadsman blijkt uit de rapporten van de deskundigen namelijk niet, althans onvoldoende, dat de door hen bij verdachte geconstateerde ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, invloed heeft gehad op het delict. Bovendien meent de raadsman dat niet is voldaan aan het gevaarscriterium. Mocht de rechtbank overwegen toch een TBS-maatregel op te leggen, dan verzoekt de raadsman de rechtbank om, in lijn met het advies van de reclassering, de mogelijkheid van een TBS met voorwaarden te onderzoeken. De raadsman heeft in zoverre een voorwaardelijk verzoek om aanhouding van de zaak gedaan.

In reactie op de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf heeft de raadsman naar voren gebracht dat volgens hem uit de rechtspraak blijkt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat voor een voltooide doodslag, een gevangenisstraf van tussen de zes en acht jaren wordt opgelegd, en dat vanuit die ‘basis’ naar strafverzwarende en -verminderende omstandigheden moet worden gekeken. 6.3 Oordeel van de rechtbank Motivering van de hoofdstraf Bij de beslissing over de hoofdstraf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 21 oktober 2019 [slachtoffer] op uiterst gewelddadige wijze van het leven beroofd, waarbij in totaal 25 steekletsels en 24 snijletsels zijn toegebracht. Daarnaast was bij het slachtoffer sprake van letsels, toegebracht door uitwendig mechanisch stomp botsend geweld. Het menselijk leven is het hoogste in het recht te beschermen goed. Dat heeft verdachte het destijds 30-jarige slachtoffer op onvoorstelbaar brute wijze ontnomen. De steek- en snijletsels waren, naast in de borst en buik, ook toegebracht in het gezicht. Volgens de patholoog waren er in het gelaat circa 21 min of meer parallel aan elkaar verlopende snijletsels, die soms zeer diep reikten.

Bovendien heeft verdachte, nadat het slachtoffer al was overleden, diens lichaam nog verder, gruwelijk verminkt, door de geslachtsdelen (penis en scrotum) af te snijden. Het slachtoffer is hierdoor onteerd en van alle menselijke waardigheid beroofd. Door dit alles heeft verdachte de dierbaren van het slachtoffer onmetelijke pijn en verdriet aangedaan, zoals onder meer blijkt uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaringen van de moeder en de zus van [slachtoffer] . De omstandigheid dat het slachtoffer en verdachte voor 21 oktober 2019 vriendschappelijk met elkaar omgingen en er geen enkel aanknopingspunt voor een aanleiding voor deze huiveringwekkende daad is gebleken, maakt het gebeurde voor de nabestaanden onbegrijpelijk en onverteerbaar.

Het behoeft geen betoog dat door dit misdrijf ook de rechtsorde ernstig is geschokt. Afschuw, angst en gevoelens van onveiligheid onder burgers worden erdoor in de hand gewerkt. Dit alles acht de rechtbank buitengewoon ernstig en zij rekent het verdachte zwaar aan. Vanwege de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur als passende straf in aanmerking. Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft de rechtbank enerzijds rekening gehouden met de buitengewoon gruwelijke aard van de onderhavige doodslag.

Anderzijds heeft de rechtbank in strafmatigende zin in aanmerking genomen dat – zoals hierna zal worden overwogen – verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt en dat aan hem tevens een TBS-maatregel zal worden opgelegd. Alles afwegende, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf een passende en zij zal deze eis dan ook volgen. De rechtbank merkt hierbij op dat zij niet het standpunt van de raadsman deelt dat deze straf, in vergelijking met de huidige straftoemeting in zaken van doodslag, te hoog is.

Motivering van de maatregel De rechtbank heeft kennis genomen van onder meer de volgende over de persoon van verdachte uitgebrachte rapporten en adviezen: het rapport van het psychologisch onderzoek Pro Justitia, opgesteld door drs. R.S. Turk, GZ-psycholoog, gedateerd 23 januari 2020; het rapport van het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia, opgesteld door J. van der Meer, psychiater, gedateerd 28 januari 2020; het reclasseringsadvies, opgesteld door [reclasseringswerker 1] , werkzaam bij GGZ Reclassering Fivoor te Leiden, gedateerd 31 januari 2020; het milieurapport, opgesteld door [forensisch milieurapporteur] , forensisch milieurapporteur, gedateerd 31 juli 2020; het rapport van het aanvullend psychologisch onderzoek Pro Justitia, opgesteld door drs.

R.S. Turk, voornoemd, gedateerd 13 augustus 2020; het rapport van het aanvullend psychiatrisch onderzoek Pro Justitia, opgesteld door J. van der Meer, voornoemd, gedateerd 19 augustus 2020; het reclasseringsadvies, opgesteld door [reclasseringswerker 2] , werkzaam bij GGZ Reclassering Fivoor te Heerhugowaard, gedateerd 23 september 2020. In zijn rapport van 19 augustus 2020 komt de psychiater tot het oordeel dat bij verdachte sprake is van een stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een lichte verstandelijke beperking.

Deze stoornissen waren ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig bij verdachte. De psychiater is verder van mening dat, gezien de ontkenning van verdachte en omdat uit de processtukken geen eenduidig delictscenario naar voren komt, niet kan worden nagegaan of en zo ja op welke manier de stoornissen van invloed zijn geweest op het gedrag van verdachte zoals ten laste gelegd. Om die reden onthoudt de psychiater zich van uitspraken over de toerekenbaarheid, het recidivegevaar en mogelijke interventies. De psycholoog komt in zijn rapport van 13 augustus 2020 tot dezelfde diagnose als de psychiater: een lichte verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne.

Verder houdt dit rapport onder meer het volgende in: Verband diagnose en delict Als de rechtbank het tenlastegelegde feit bewezen acht, kan verondersteld worden dat de stoornissen van betrokkene daarin hebben doorgewerkt. Deze stoornissen bestaan reeds geruime tijd. Uit het toxicologisch onderzoek van het NFI komt naar voren dat betrokkene zoveel had gedronken dat gedragsveranderingen konden worden verwacht. Hij had bovendien cocaïne gebruikt. Van de combinatie alcohol en cocaïne is bekend dat die tot gewelddadige en grensoverschrijdende uitspattingen kan leiden door kortsluiting in het brein.

De combinatie van alcohol en cocaïne met een verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis is een zeer gevaarlijke en geschikt om volkomen door te draaien. Betrokkene wist dat zijn alcohol- en druggebruik hem in moeilijkheden kon brengen want dat was hem vaker overkomen. Hij had zich beter in acht moeten nemen. Aan de andere kant maken de verstandelijke beperking en de antisociale persoonlijkheidsstoornis dat betrokkene veel meer moeite heeft dan anderen grenzen te hanteren. Geadviseerd wordt dan ook het ten laste gelegde in verminderde mate aan hem toe te rekenen.

Risicotaxatie Risicotaxatie met de HCR-20 en de SAPROF wijst op een hoge kans op gewelddadige recidive. Zorgprognose en beïnvloedingsmogelijkheden en interventieadvies en -condities Een verstandelijke beperking is een stoornis die niet genezen kan worden, maar wel begeleid. De antisociale persoonlijkheidsstoornis is enigszins beïnvloedbaar, maar betrokkene is weinig leerbaar. Vanwege gebrekkige cognitieve capaciteiten, het ontbreken van ziektebesef en het ontbreken van een behoefte te veranderen zal gedragsbeïnvloeding moeilijk worden. Dit betekent dat het recidiverisico moeilijk onder controle is te brengen.

Zonder langdurige en nauwlettende controle, bescherming, sturing en begeleiding zal betrokkene binnen de kortste keren terugvallen in problematisch gedrag. Ambulante begeleiding heeft geen enkele zin. De problemen zijn daarvoor te groot. De kans op recidive is groot. Onderzoeker meent dat behandeling in het kader van TBS de enige realistische mogelijkheid biedt het recidiverisico blijvend te verlagen. TBS met voorwaarden geeft onvoldoende garantie het recidivegevaar terug te dringen. Betrokkene is door zijn beperking niet in staat eventuele voorwaarden adequaat te hanteren.

Hij mist daarvoor de benodigde stabiliteit en motivatie. Hij is aangewezen op 24-uurs zorg en toezicht in een omgeving waarin men weet om te gaan met gedragsgestoorde en verstandelijk beperkte patiënten met verslavingsproblemen. Aanbevelingen Onderzoeker adviseert betrokkene de maatregel van TBS met bevel tot verpleging op te leggen indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht. De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en de psycholoog over de bij verdachte vastgestelde, en ook ten tijde van het bewezenverklaarde aanwezige, stoornissen over.

Voorts verenigt de rechtbank zich met de conclusie van de psycholoog over de doorwerking van die stoornissen in het gedrag van verdachte tijdens het bewezenverklaarde. De rechtbank volgt daarom ook het advies van de psycholoog om verdachte het bewezen verklaarde feit in verminderde mate toe te rekenen. Met de officier van justitie is de rechtbank verder van oordeel dat het advies van de psycholoog met betrekking tot de oplegging van de TBS-maatregel moet worden gevolgd, mede gelet op de overige inhoud van het dossier en de indruk die de rechtbank ter zitting van de persoon van verdachte heeft gekregen.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte al vanaf 15-jarige leeftijd met politie en justitie in aanraking komt, vanwege met name agressie- en/of geweldsdelicten, en dat hij geen (althans onvoldoende) inzicht heeft in de aard en ernst van zijn persoonlijkheidsproblematiek. De rechtbank is tevens van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Een TBS met voorwaarden biedt, zoals de psycholoog overtuigend heeft gemotiveerd, onvoldoende waarborgen om het recidivegevaar te beteugelen. Aan de formele vereisten voor oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging is voldaan, nu bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en het door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Daarnaast eist de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel, gezien de uitkomst van de risicotaxatie door de psycholoog en ook de mening van de reclassering (in het advies van 31 januari 2020) dat het recidivegevaar en het risico op letselschade beide als hoog moeten worden ingeschat. Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten doodslag, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven gaan.

Afwijzing voorwaardelijk verzoek Het verzoek van de raadsman om, in geval de rechtbank wil overgaan tot het opleggen van een TBS-maatregel, de mogelijkheid van TBS met voorwaarden (nader) te onderzoeken, wordt afgewezen. Zoals hiervoor overwogen, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf van meer dan vijf jaren moet worden opgelegd. De combinatie van die straf met TBS met voorwaarden is wettelijk uitgesloten. Daarnaast acht de rechtbank, zoals hierboven eveneens is uiteengezet, dwangverpleging van verdachte noodzakelijk. Bij deze stand van zaken is er geen aanleiding voor (nader) onderzoek naar de mogelijkheid van TBS met voorwaarden, nog daargelaten dat het kennelijke advies hiertoe van de reclassering zeer summier is onderbouwd.

7Beslissing ten aanzien van het beslag

De officier van justitie heeft ter zitting de beslaglijst beperkt tot een drietal messen, waarvan zij de onttrekking aan het verkeer heeft gevorderd. De raadsman heeft zich over het beslag niet uitgelaten. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven messen, op de beslaglijst als volgt omschreven: - 1 STK Mes (1080045) (Omschrijving: zwart, merk: le Chef) - 1 STK Mes (1080048) - 1 STK Mes (1080049) (Omschrijving: zwart) dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen is begaan en het ongecontroleerde bezit van de voorwerpen is in strijd met de wet of het algemeen belang. 8Vorderingen benadeelde partijen [benadeelde partij 1] De benadeelde partij [benadeelde partij 1] (moeder van [slachtoffer] ) heeft, door tussenkomst van mr.

D.J. Klock als haar gemachtigde, een vordering tot schadevergoeding van € 47.500,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde immateriële schade is opgebouwd uit een bedrag van € 30.000,- wegens shockschade en een bedrag van € 17.500,- wegens affectieschade. Daarnaast wordt een bedrag van € 153,67 (€ 144,77 + € 8,90) aan proceskosten (reis- en parkeerkosten) gevorderd. Ter zitting heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht.

Daarbij heeft zij, ter nadere onderbouwing van de shockschade, gewezen op een recent arrest van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2020:2439). De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering. De raadsman van verdachte heeft verzocht de benadeelde partij wat betreft de shockschade niet-ontvankelijk te verklaren, nu zij niet direct is geconfronteerd met het delict en er ook geen onverhoedse confrontatie met het stoffelijk overschot heeft plaatsgevonden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het bedrag te matigen.

Met betrekking tot de affectieschade heeft de verdediging geen opmerkingen gemaakt. De reis- en parkeerkosten van de benadeelde partij komen volgens de raadsman op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet als proceskosten voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank overweegt als volgt. shockschade Shockschade – psychische schade die optreedt bij een ander dan het directe slachtoffer van (in dit geval) een misdrijf – komt in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking indien (i) de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het misdrijf heeft plaatsgevonden, (ii) deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, wat zich met name kan voordoen als sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het misdrijf is gedood of gewond geraakt, en (iii) uit deze hevige schok geestelijk letsel is voortgevloeid en dit letsel in rechte kan worden vastgesteld, wat in het algemeen slechts het geval zal zijn als er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Wat betreft voorwaarde (i) heeft de (civiele kamer van de) Hoge Raad in zijn arrest van 22 februari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) geoordeeld dat de opvatting dat is vereist dat de betrokkene direct betrokken is geweest bij het misdrijf, niet als juist kan worden aanvaard. “Voldoende is dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettend handelen enerzijds en het geestelijk letsel dat een derde door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen oploopt anderzijds. Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden”, aldus de Hoge Raad.

In dit geval is de benadeelde partij door de politie in kennis gesteld van het feit dat haar zoon door geweld om het leven was gekomen. Enkele dagen hierna heeft zij het gruwelijk verminkte stoffelijk overschot van haar zoon moeten identificeren. Dit alles heeft haar hevig geschokt en psychische klachten veroorzaakt. Uit een in het geding gebrachte brief van de behandelend psycholoog van de benadeelde partij blijkt dat zij lijdt aan een posttraumatische stressstoornis, wat een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is. De benadeelde partij komt, ook gezien de verdere onderbouwing, daarom in aanmerking voor toewijzing van vergoeding van shockschade.

De rechtbank zal de omvang van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar billijkheid schatten op € 20.000,-. Het overige deel van de vordering tot vergoeding van shockschade zal worden afgewezen. affectieschade Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW is, wanneer iemand overlijdt door een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht tot vergoeding van affectieschade aan de in lid 4 van dat artikel genoemde naasten. Onder deze naasten vallen onder meer de ouders van de overledene.

De bedragen die voor deze schade kunnen worden toegekend staan vermeld in het Besluit vergoeding affectieschade. Op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan deze schadevergoeding in het strafproces worden gevorderd. Het slachtoffer was ten tijde van zijn overlijden meerderjarig en woonde niet meer bij zijn moeder, zodat de affectieschade voor zijn moeder € 17.500,- bedraagt. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering geheel toewijzen. Samenvattend zal de vordering dus worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 37.500,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening. proceskosten Verdachte dient op grond van artikel 532 Sv te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op € 153,67. Ook al wordt de benadeelde partij bijgestaan door een gemachtigd advocaat, de rechtbank acht het billijk vergoeding van deze kosten toe te wijzen. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. [benadeelde partij 2] De benadeelde partij [benadeelde partij 2] (zus van [slachtoffer] ) heeft, door tussenkomst van mr.

D.J. Klock als haar gemachtigde, een vordering tot schadevergoeding van € 22.885,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade betreft het eigen risico van de zorgverzekering over 2020 (een bedrag van € 385,-) in verband met therapie. De gestelde immateriële schade is opgebouwd uit een bedrag van € 5.000,- wegens shockschade en een bedrag van € 17.500,- wegens affectieschade.

Daarnaast wordt een bedrag van € 85,55 (€ 76,65 + € 8,90) aan proceskosten (reis- en parkeerkosten) gevorderd. Ter zitting heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht. Daarbij heeft zij, ter nadere onderbouwing van de shockschade, gewezen op een recent vonnis van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2020:450). De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering. De raadsman van verdachte heeft gesteld dat de vordering wat betreft het eigen risico van de zorgverzekering onvoldoende is onderbouwd.

De verdediging meent verder dat de benadeelde partij wat betreft de affectieschade niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van vergoeding van affectieschade voor broers en zussen en niet van een uitzonderlijke situatie is gebleken. Tot slot heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij ook wat betreft de shockschade niet-ontvankelijk te verklaren, nu de benadeelde niet direct is geconfronteerd met het delict en er ook geen onverhoedse confrontatie met het stoffelijk overschot heeft plaatsgevonden.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in alle onderdelen van de vordering en overweegt daartoe het volgende. De rechtbank merkt echter allereerst op dat zij er niet aan twijfelt dat de benadeelde partij door het overlijden van haar broer ernstig is geschokt en dat zij daarvoor thans therapie volgt. De rechtbank zal de vordering echter moeten beoordelen met inachtneming van de wettelijke regels. affectieschade Zussen en broers van de overledene komen ingevolge de wet in beginsel niet voor affectieschade in aanmerking, tenzij zij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naasten worden aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g BW).

Daarvan kan sprake zijn wanneer zij in een bepaalde zorgrelatie tot elkaar stonden of wanneer zij, als volwassenen, een langdurige gemeenschappelijke huishouding voerden. Uit de ingediende vordering en de ter terechtzitting voorgedragen verklaring van de benadeelde partij blijkt dat zij een hechte band had met haar broer en dat zij zich om hem bekommerde. De dood van [slachtoffer] heeft zijn zus diep getroffen en de rechtbank ziet, zoals vermeld, haar onnoemelijke verdriet om dit verlies. Ondanks de hechte band die zij met elkaar hadden, is echter niet gebleken dat de verhouding tussen de benadeelde partij en haar broer sterk afweek van wat in het algemeen geldt voor volwassen kinderen uit één gezin, van wie één van beiden maatschappelijke begeleiding nodig heeft.

Zo hadden broer en zus geen specifieke zorgrelatie en woonden zij ook niet samen. Dit maakt dat de benadeelde partij geen aanspraak kan maken op affectieschade, althans dat dit thans onvoldoende is onderbouwd. shockschade Zoals hierboven uiteengezet, kan vergoeding van shockschade slechts plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door rechtstreekse confrontatie met (de gevolgen van) het misdrijf, en uit die emotionele schok geestelijk letsel is voortgevloeid. Bij die confrontatie gaat het blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad om het (onverhoeds) waarnemen van het misdrijf zelf en/of van het lichaam en de verwondingen van het slachtoffer (kort) na het misdrijf.

De rechtbank gaat er zonder meer van uit dat de benadeelde partij nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden van de gewelddadige dood van haar broer. De benadeelde partij heeft het misdrijf echter niet gezien en er is bij haar – anders dan bij de moeder van het slachtoffer, die het lichaam heeft moeten identificeren – ook geen sprake geweest van het (onverhoeds) waarnemen van het lichaam en de verwondingen van het slachtoffer (kort) na het misdrijf. Het, ten behoeve van het (ook door anderen) waardig afscheid nemen van het slachtoffer (de condoleance en de uitvaartplechtigheid), zien van het lichaam en het bedekken van bepaalde onderdelen van het lichaam, kan niet als zodanig gelden.

Er is met andere woorden niet voldaan aan het confrontatievereiste. De psychische gevolgen voor de benadeelde partij kunnen daarom niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. materiële schade Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen het bewezen verklaarde feit en de psychische gevolgen voor de benadeelde partij volgt dat de vergoeding van het eigen risico van de zorgverzekering evenmin kan worden toegewezen. proceskosten De beslissing dat de benadeelde partij in de gehele vordering niet-ontvankelijk is, heeft tot gevolg dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten zal moeten dragen.

9Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing. 10Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan verdachte impliciet primair is ten laste gelegd (moord) en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert (doodslag).

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren. Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd. Onttrekt aan het verkeer: - 1 STK Mes (1080045) (Omschrijving: zwart, merk: le Chef) - 1 STK Mes (1080048) - 1 STK Mes (1080049) (Omschrijving: zwart).

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 37.500,- (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor de immateriële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Wijst de vordering voor het overige af. Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 153,67, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 37.500,- (zevenendertigduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 222 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering. Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen proceskosten draagt. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. S. Jongeling, voorzitter, mrs. N.O.P. Roché en C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2020. Mr. De Jonge van Ellemeet is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. [bijlage: de bewijsmiddelen]