Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2020:823 ECLI:NL:RBNHO:2020:823 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:823 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2020:823
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 19/5164 (voorlopige voorziening) en 19/5166 (beroep) proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 februari 2020 in de zaken tussen [verzoeker] , te [woonplaats 1] , verzoeker (gemachtigde: mr. M.W. van der Hulst), en de staatsecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder (gemachtigde: mr. M.G.T. van Leijenhorst). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: mr. [derde partij] , te [woonplaats 2] . Procesverloop Bij besluit van 2 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van de brief van derde-partij van 16 januari 2019 besloten tot openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:823 · Rechtbank Noord-Holland: Bij brief van 16 januari 2019 heeft derde-partij verweerder op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van documenten met betrekking tot de verhuur van het perceel gemeente [perceel] (hierna: het perceel) door (thans) Rijkswaterstaat aan verzoeker. Verweerder heeft 23 documenten onder zich die op deze aangelegenheid betrekking hebben. Eén document daarvan is reeds openbaar, te weten de algemene huurvoorwaarden. Alle overige documenten is verweerder voornemens gedeeltelijk openbaar te maken. De delen die niet openbaar worden gemaakt, zijn weggelakt met een beroep op artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob (bescherming persoonlijke levenssfeer) en /of artikel 10, tweede lid, onder b, van de Wob (economische of financiële belangen van de Staat).

Keywords

AI generated
requirement of building permit application to an administrative authority building police regulations requests for information servitude not to build preliminary building permit

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:58
Alle correspondentie (schriftelijk dan wel elektronisch of op andere wijze vastgelegd) die intern in uw organisatie alsook tussen u en externe derden (andere gemeenten, VNG, partijen, openbaar ministerie, media, etc.) sinds het indienen van bovengenoemde wob-verzoek heeft plaatsgevonden.
ECLI:NL:RVS:2017:384
201604824/1/A3. Datum uitspraak: 15 februari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2016 in zaak nr. 16/1101 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Financiën. Procesverloop Bij brief van 4 december 2015 heeft de minister een verzoek van [appellant] om afschriften van documenten die zijn uitgewisseld tussen de minister en de Thaise Belastingdienst afgewezen. Bij besluit van 29 januari 2016 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2017:1702
201600205/1/A3. Datum uitspraak: 28 juni 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats] 2. het college van burgemeester en wethouders van Groningen, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 december 2015 in zaak nr. 15/2120 in het geding tussen: [appellant sub 1] en het college. Procesverloop Bij brief van 30 oktober 2014 heeft het college [appellant sub 1] medegedeeld dat zijn verzoek om toezending van documenten niet in behandeling wordt genomen. Bij besluit van 20 april 2015 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 19/5164 (voorlopige voorziening) en 19/5166 (beroep) proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 februari 2020 in de zaken tussen [verzoeker] , te [woonplaats 1] , verzoeker (gemachtigde: mr. M.W. van der Hulst), en de staatsecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder (gemachtigde: mr. M.G.T. van Leijenhorst). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: mr. [derde partij] , te [woonplaats 2] . Procesverloop Bij besluit van 2 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van de brief van derde-partij van 16 januari 2019 besloten tot openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Het betreffen documenten over gesloten contracten, aanpassingen daarvan, huurprijsindexaties, alsmede (interne) correspondentie in de breedste zin van het woord met betrekking tot het perceel kadastraal bekend als [perceel] . Bij besluit van 17 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Voor verzoeker is verschenen [naam 1] , dochter van verzoeker, bijgestaan door de gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen, vergezeld door mr. K. El Moussaoui. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; - herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; - draagt verweerder op de betaalde griffierechten van in totaal € 348,- aan verzoeker te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.097,-.

Overwegingen 1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Bij brief van 16 januari 2019 heeft derde-partij verweerder op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van documenten met betrekking tot de verhuur van het perceel gemeente [perceel] (hierna: het perceel) door (thans) Rijkswaterstaat aan verzoeker. Verweerder heeft 23 documenten onder zich die op deze aangelegenheid betrekking hebben. Eén document daarvan is reeds openbaar, te weten de algemene huurvoorwaarden. Alle overige documenten is verweerder voornemens gedeeltelijk openbaar te maken. De delen die niet openbaar worden gemaakt, zijn weggelakt met een beroep op artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob (bescherming persoonlijke levenssfeer) en /of artikel 10, tweede lid, onder b, van de Wob (economische of financiële belangen van de Staat).

Met het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd. 3.1 De voorzieningenrechter ziet zich eerst gesteld voor de vraag of verweerder de brief van derde-partij van 16 januari 2019 terecht heeft aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wob. 3.2 De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Om als Wob verzoek te kunnen kwalificeren moet allereerst de Wob expliciet aan het verzoek ten grondslag worden gesteld. Daaraan is in dit geval voldaan. Bij een Wob-verzoek hoeft voorts geen belang te worden gesteld.

Een verzoek kan echter niet als Wob-verzoek worden aangemerkt, indien de verzoeker met zijn verzoek geen openbaarmaking voor een ieder heeft beoogd. In dit verband wijst de voorzieningenrechter op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:58), 15 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:384) en 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1702). Gegeven de toelichting door derde-partij op het verzoek van 16 januari 2019 zoals gedaan tijdens de hoorzitting op 9 september 2019 en zoals ook nader toegelicht ter zitting, bestaat er onvoldoende grond om te oordelen dat met het verzoek openbaarmaking voor een ieder is beoogd.

De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het verzoek is gedaan met het doel om een volledig beeld te krijgen van de huursituatie op het perceel dat wordt gehuurd door verzoeker. Het gaat, gelijk door derde-partij is gesteld, om het verkrijgen van inzicht in het “totaalplaatje” op het perceel, teneinde wellicht op termijn ontwikkelingen ter plaatse mogelijk te maken. Gelet hierop neemt de voorzieningenrechter daarom als vaststaand aan dat het verzoek is ingegeven door het commerciële belang van onder meer [naam 2] , waarvoor derde-partij als belangenbehartiger optreedt.

Dat ook andere partijen bij het verkrijgen van de gevraagde informatie belang zouden kunnen hebben of kunnen krijgen, bijvoorbeeld de gemeente Zaanstad, maakt niet dat openbaarmaking voor een ieder is beoogd. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat verweerder het verzoek ten onrechte heeft aangemerkt als een Wob-verzoek.

4. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is, dat het bestreden besluit moet worden vernietigd en dat het primaire besluit moet worden herroepen, in die zin dat het verzoek van 16 januari 2019 wordt afgewezen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.

5. Met de gegrondverklaring van het beroep en de herroeping van het primaire besluit bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.

6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.097,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 261,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2020. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.