Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2020:6648 ECLI:NL:RBNHO:2020:6648 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:6648 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2020:6648
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/305847 / KG ZA 20-445 Vonnis in kort geding van 25 augustus 2020 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. B. Steeghs te Amsterdam, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OBLIGATIEFONDS BOUTIQUEHOTEL BRASA B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Purmerend, gevoegde partij aan de zijde van eiser, advocaat mr. W. de Vis te Alkmaar, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BEAUVAST GRONINGEN B.V., gevestigd te Groningen, gedaagde, advocaat mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:80 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 351 Rv, art. 705 lid 2 Rv, artikel 6:23 BW, art. 6:23 BW; ECLI:NL:RBNHO:2020:6648 · Rechtbank Noord-Holland: Het onderhavige geding is niet meer van toepassing ingeval en vanaf het moment dat het Verkochte op de in artikel 5 lid 3 van de Koopovereenkomst overeengekomen wijze is overgedragen. In de koopovereenkomst is over het ontbindingsrecht bepaald: Ontbindingsrecht Artikel 19 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 15 zijn Verkoper en Koper het navolgende ontbindingsrecht overeengekomen. Zowel Verkoper als Koper heeft het recht de koopovereenkomst te ontbinden indien uiterlijk per 1 september 2020 Omgevingsvergunning 2 niet onherroepelijk is verstrekt.

Keywords

AI generated
revocable offer waiver of concession counter-proposal objection to debt enforcement public takeover bid withdrawal of opposition

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:80 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek
In de gevallen bedoeld in artikel 6:80 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek kunnen in afwijking van vorenstaande de gevolgen van niet nakoming reeds intreden voordat de vordering opeisbaar is en wordt de betreffende Partij geacht in verzuim te zijn.
artikel 351 Rv
[B.] c.s., hebben tevens een incident ex artikel 351 Rv opgeworpen.
art. 705 lid 2 Rv
Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt.
artikel 6:23 BW
Beauvast heeft zich beroepen op artikel 6:23 BW.
art. 6:23 BW
Dat is a prima vista voldoende om serieus rekening te houden met de mogelijkheid dat het door Yieldforce gedane beroep op art. 6:23 BW in een bodemprocedure slaagt, hetgeen tot gevolg heeft dat Yieldforce zich niet op het ontbreken van de onherroepelijkheid van de omgevingsvergunning kan beroepen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBNNE:2020:1741
VONNIS RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Groningen zaaknummer / rolnummer: C/18/198094 / KG ZA 20-66 Vonnis in kort geding van 22 april 2020 in de zaak van de besloten vennootschap BEAUVAST GRONINGEN B.V., gevestigd te Groningen, eiseres, advocaten: mrs. S.A. Frijling en W.R. van der Velde te Groningen, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat: mr. J.D. Meerburg te Groningen. Eiseres zal hierna "Beauvast" worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk " [gedaagde sub 1] " en " [gedaagde sub 2] " en gezamenlijk " [gedaagden] " worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding d.d. 2 april 2020, de aanvullende producties van Beauvast, de producties van [gedaagden] , de pleitnotities van Beauvast, de pleitnotities van [gedaagden] , de mondelinge behandeling d.d. 9 april 2020, die in verband met de Coronacrisis door middel van videohoren heeft plaatsgevonden, waarbij aan de zijde van Beauvast haar (indirect) directeur [naam 1] (hierna: [naam 1] ) alsmede haar advocaten zijn verschenen en waarbij aan de zijde van [gedaagden] zijn advocaat is verschenen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Beauvast is een vastgoedonderneming die deel uitmaakt van een groep vennootschappen die vallen onder moedermaatschappij Wwabi B.V. (hierna te noemen: Wwabi). [naam 1] is enig aandeelhouder van Wwabi. Bedoelde vennootschappen exploiteren in de gemeente Groningen eigen ondernemingen, verpachten ondernemingen en houden zich bezig met de restauratie en renovatie van panden, de verhuur van bedrijfspanden en appartementen en met projectontwikkeling. 2.2. [gedaagden] houdt zich onder meer bezig met de exploitatie van onroerend goed in de gemeente Groningen. [gedaagden] woont in [woonplaats] . 2.3. Beauvast is sinds 2008 eigenaar van de onroerende zaak, gelegen in het centrum van Groningen tussen de Schuitemakersstraat en de Reitemakersrijge, plaatselijk bekend Reitemakersrijge 13, kadastraal bekend Gemeente Groningen sectie I nummer 4846 (en 4758/4861), ook wel het oude KPN-gebouw genoemd. Beauvast heeft het gebouw destijds gekocht onder de voorwaarde dat de verkopende partij, KPN, nog tot 1 januari 2019 van het gebouw gebruik zou kunnen maken. 2.4. [gedaagde sub 1] is sinds 2 maart 2017 eigenaar van de onroerende zaken plaatselijk bekend [straatnaam] [nummer] , [nummer] en [nummer] te Groningen, kadastraal bekend Gemeente Groningen [nummer] . Deze percelen zijn op enige afstand van het oude KPN-gebouw gelegen en hebben daarop geen uitzicht. 2.5. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn sinds 2 mei 2016, ieder voor de helft, eigenaar van de onroerende zaak plaatselijk bekend [straatnaam] [nummer] te Groningen, kadastraal bekend Gemeente Groningen [nummer] . Dit pand is schuin tegenover het oude KPN-gebouw gelegen. 2.6. Beauvast heeft op 25 mei 2016 bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: het college) een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het transformeren en uitbreiden van het gebouw naar 200 woningen met op de begane grond ook ondersteunende voorzieningen zoals horeca en andere faciliteiten (hierna te noemen: de eerste omgevingsvergunning). 2.7. Het college heeft bij besluit van 3 mei 2017 de verzochte omgevingsvergunning verleend. In de motivering van het besluit is vermeld dat volgens de voorschriften van het geldende bestemmingsplan op deze locatie wonen op de begane grond niet is toegestaan, maar dat niettemin daarvoor ontheffing wordt verleend met toepassing van een buitenplanse afwijkingsprocedure. 2.8. Tegen de aan Beauvast verleende omgevingsvergunning zijn geen bezwaren ingediend. Deze omgevingsvergunning is daarmee onherroepelijk geworden. 2.9. KPN heeft het gebouw per 1 januari 2019 ontruimd. Op 1 februari 2019 zijn de sloopwerkzaamheden in het gebouw gestart. Deze werkzaamheden hebben tot en met november 2019 geduurd en zijn uitgevoerd op basis van de (eerste) omgevingsvergunning. 2.10. Beauvast heeft besloten om de in het souterrain van het gebouw voorziene appartementen naar de begane grond te verplaatsen (het betreft 9 van de 200 appartementen) en een aantal planoptimalisaties uitgevoerd. Deze aanpassingen zijn in een revisieplan verwerkt. 2.11. Beauvast heeft op basis van dat plan op 19 november 2019 bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de revisie van de eerste vergunning voor de verbouwing en uitbreiding van het gebouw (hierna ook: de revisievergunning). 2.12. Beauvast heeft op 20 november 2019 met [bedrijf] een schriftelijke koopovereenkomst met betrekking tot het gebouw gesloten. In de koopovereenkomst is met betrekking tot de datum van levering bepaald: Notariële Akte van Levering Artikel 1 De Akte van Levering zal ten overstaan van de Notaris worden verleden op de zevende (7e) kalenderdag nadat Omgevingsvergunning 2 onherroepelijk is verleend, zulks tussen 10.00 en 14.00 uur CET, of zoveel eerder of later als Partijen nader zullen overeenkomen. 2.13. Beauvast heeft aan de hand van een presentielijst met e-mailadressen van de aanwezigen bij een informatieavond voor de buurt van 12 juli 2017 per e-mail van 23 december 2019 deze personen geïnformeerd over de voorgenomen bouwkundige wijziging van het gebouw en de daarmee samenhangende aanvraag voor een revisievergunning. 2.14. Het college heeft bij besluit van 13 januari 2020 de verzochte revisievergunning verleend. In de motivering van het besluit vermeldt het college, wederom, dat volgens de voorschriften van het geldende bestemmingsplan wonen op de begane grond niet is toegestaan, maar dat niettemin daarvoor een ontheffing wordt verleend. Het college stelt daartoe onder meer: "(…) Wonen op de begane grond is sterk afhankelijk van de plek in de binnenstad. Daar waar in een straat of gebied de nadruk ligt op detailhandel en/of horeca, is voor (functieverandering naar) wonen op de begane grond in principe geen ruimte, daar waar een straat of een gebied meer nadruk op wonen heeft of waar de huidige functie weinig toekomstwaarde meer heeft, zijn wel mogelijkheden voor wonen op de begane grond. Hiermee ontstaat een aantrekkelijke binnenstad, waarin het goed wonen is voor diverse doelgroepen. De Reitemakersrijge is typisch een locatie waar al veel panden zijn getransformeerd naar wonen, ook op de begane grond. Ruimtelijk gezien is het realiseren van woningen op de begane grond hier passend en zorgt dit voor een verbetering van de woonkwaliteit op deze plek. (…)" 2.15. [gedaagden] heeft bij brief aan het college van 3 februari 2020 bezwaar gemaakt tegen de aan Beauvast verleende revisievergunning. Daartoe stelt [gedaagden] in zijn bezwaarschrift: "(…) Hierbij maak ik bezwaar tegen de verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen en nieuwbouwen van de Reitemakersrijge 13 naar 200 woningen en commerciële ruimte in het souterrain aan de firma Beauvast Groningen BV en wel op de volgende redenen: 1 Bibob: Volgens de beleidsregels van de gemeente Groningen moet een aanvraag die betrekking heeft op een bouwsom hoger dan 1.000.000 euro excl BTW onderworpen worden aan een BIBOB toets. Uit de verleende omgevingsvergunning d.d. 13 januari 2020 blijkt dat deze toets niet is toegepast. Dit had wel gemoeten. (…) Bij een bouwwerk met deze omvang dient de gemeente goed te weten wie de aanvrager is. Hoe hij of zij aan het geld komt om een gebouw als deze te kunnen ontwikkelen. Nu is niet uitgesloten dat er criminele activiteiten worden verricht met de verleende omgevingsvergunning. Dit is zeer kwalijk. 2 Wonen op de begane grond: In de verleende omgevingsvergunning beschrijft de gemeente zelf al dat wonen niet is toegestaan op de begane grond. De motivering om dit wel toe te staan is kort gezegd niet toereikend. Er is geen enkel deugdelijk onderzoek gedaan naar het feit of dit daadwerkelijk wel zo is. Dit is zeer kwalijk een dergelijk bouwplan als deze. Het is een ontzettend groot bouwwerk met grote gevolgen voor de buurt. 3 Belanghebbenden en buurtbewoners: De gemeente heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning meerdere vrijstellingen verleend. Echter is het plan nooit besproken met de buurt en belanghebbenden. Een vastgoed man als [naam 1] moet weten dat dit essentieel is voor het laten slagen van een dergelijk plan. De omgeving/buurt is totaal niet geïnformeerd over deze wijzigingen in de huidige omgevingsvergunning cq nieuwe omgevingsvergunning. Dit had voorkomen kunnen worden door een informatieavond o.i.d. te organiseren. 4 Tekeningen onvolledig: Op de plattegronden is te zien dat de woningen op de begane grond links van de entrée aan de Reitemakersrijge zijde geen toegang hebben. Er staat geen toegang naar de buitenzijde ingetekend. Met andere woorden de bewoners kunnen er helemaal niet in. Om bovenstaande redenen verzoek ik u college om nog eens goed naar de omgevingsvergunning verlening te kijken en bij constatering dat deze inderdaad zoals ik schrijft niet juist is verleend alsnog de verleende omgevingsvergunning in te trekken. (…)" Er zijn geen andere bezwaren tegen de revisievergunning ingediend. 2.16. Beauvast heeft bij e-mail van 12 februari 2020 aan de afdeling juridische zaken van de gemeente aangegeven dat de door [gedaagden] aangevoerde bezwaargronden feitelijk onjuist zijn en geen basis kunnen vormen voor aantasting van de verleende vergunning. Voorts geeft Beauvast in deze e-mail aan dat het om een belangrijk project gaat waarmee zo snel mogelijk moet worden begonnen, zodat er belang bij bestaat dat het bezwaar op korte termijn wordt behandeld. Beauvast verzoekt de gemeente daarom om het bezwaar van [gedaagden] per brief af te handelen. 2.17. In vervolg hierop heeft Beauvast de afdeling juridische zaken van de gemeente bij e-mail van 13 februari 2020 bericht dat zij het college verzoekt om in dit geval geen advies te vragen aan de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie, op korte termijn een hoorgesprek met [gedaagden] te organiseren en na dit gesprek een besluit te nemen over het bezwaar van [gedaagden] 2.18. De afdeling juridische zaken van de gemeente heeft bij e-mail aan Beauvast van 14 februari 2020 gereageerd. In deze e-mail stelt de gemeente dat de zaak zich niet leent voor een zogenaamde ambtelijke afdoening, zonder het inwinnen van een advies door de bezwaarschriftencommissie. 2.19. In de maanden februari en maart 2020 heeft Beauvast, in de persoon van [naam 1] , geprobeerd om in onderling overleg met [gedaagden] tot een oplossing te komen inzake het bezwaar van [gedaagden] Beauvast is hierbij ter zijde gestaan door de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [gedaagden] is in deze contacten verzocht om het bezwaarschrift in te trekken, maar hij is daartoe uiteindelijk niet overgegaan. 2.20. De afdeling Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving van de gemeente heeft namens het college op 4 maart 2020 bij de bezwaarschriftencommissie verweer ingediend tegen het bezwaarschrift van [gedaagden] , met conclusie tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift en instandhouding van het besluit tot verlening van de revisievergunning. In het verweer is onder meer vermeld: "(…) Gronden van bezwaar Wij vatten de ingediende bezwaargronden hieronder samen en geven - per bezwaargrond - onze reactie daarop. 1. Uit de vergunning is niet gebleken dat er een toets op grond van de Bibob is uitgevoerd. Reactie Na ontvangst van de aanvraag omgevingsvergunning is de aanvrager op 27 november 2019 schriftelijk verzocht om informatie aan te leveren inzake de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (Wet bibob). Het door de aanvrager ingevulde Bibob formulier, inclusief bijlagen, is door ons ontvangen op 27 november 2019. Door het team Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Groningen is de Bibob informatie getoetst en geconcludeerd dat dit geen reden tot weigering van de omgevingsvergunning tot gevolg heeft. 2. De motivatie voor de strijdigheid van de woonfunctie op de begane grond is ontoereikend. Reactie In het bestreden besluit is door ons gemotiveerd dat een woonfunctie op deze locatie passend is. Een woonfunctie op de begane grond past namelijk in de ruimtelijk functionele structuur van zowel de Reitemakersrijge als de Schuitemakersstraat. Wij zien ook na heroverweging op grond van het ingediende bezwaar geen reden om ons standpunt hierover te herzien. Aangevuld kan worden dat op grond van de in 2017 verleende omgevingsvergunning een deel van de begane grond al gebruikt mag worden als woonfunctie. Daarnaast bevindt het overgrote deel van de 200 appartementen zich op de verdieping waar een woonfunctie passend is in het bestemmingsplan. De omvang van de strijdigheid van de woonfunctie op de begane grond moet wel in verhouding worden gezien met de totale omvang van het gebouw. 3. Er heeft geen buurtparticipatie door middel van een informatieavond o.i.d. plaatsgevonden. Reactie Ten tijde van de vergunning uit 2017 is door de aanvrager een informatieavond gehouden om de buurt te informeren. Hij heeft er voor gekozen dit niet opnieuw te doen voorafgaand na indiening van de huidige vergunningaanvraag of na het bestreden besluit. Wij hanteren momenteel nog de werkwijze dat - ook bij een bouwplan waarvoor van het bestemmingsplan moet worden afgeweken - participatie niet verplicht is. In de nabije toekomst zal dit zeer waarschijnlijk veranderen zodra de Omgevingswet van kracht wordt. 4. Uit de tekeningen van de begane grond blijkt niet hoe de woningen links van de entree een toegang hebben. Reactie De tekening van de begane grond geeft hier inderdaad geen uitsluitsel over. Navraag bij de architect van het bouwplan heeft geleerd dat het op tekening ontbreken van de toegang voor deze woningen, die wel degelijk aanwezig is, is ontstaan door het aanwezige hoogteverschil in het gebouw. Bij nader inzien zal een tekening moeten worden toegevoegd aan de omgevingsvergunning, of zal de huidige tekening van de begane grond moeten worden gewijzigd, om zodoende duidelijkheid over de toegang van de bedoelde woningen te krijgen. De architect heeft inmiddels met de bezwaarde hierover contact gehad en bezwaarde aan de hand van een 3-d tekening duidelijk gemaakt hoe het zit. Conclusie Gelet op de aangevoerde bezwaren, verzoeken wij uw commissie om het primaire besluit in stand te laten en te adviseren het bezwaarschrift ongegrond te verklaren. (…)" 2.21. De advocaat van Beauvast heeft [gedaagden] bij brief van 26 maart 2020 verzocht om vóór 30 maart 2020 bij de gemeente kenbaar te maken dat hij de bezwaren tegen de revisievergunning intrekt. [gedaagden] heeft niet aan dit verzoek voldaan. 2.22. Op 2 april 2020 was een hoorzitting gepland bij de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie over het door [gedaagden] ingediende bezwaarschrift. De afdeling juridische zaken van de gemeente heeft [gedaagden] in verband met het uitbreken van de Coronacrisis in maart 2020 geïnformeerd dat deze hoorzitting geen doorgang kan vinden. In aansluiting hierop heeft de afdeling juridische zaken [gedaagden] bij e-mail van 6 april 2020 medegedeeld dat op korte termijn geen hoorzitting zal plaatsvinden waarbij alle partijen fysiek aanwezig zijn en dat de bezwaarschriftencommissie [gedaagden] nog in de gelegenheid zal stellen om zijn bezwaren telefonisch toe te lichten. 2.23. Mr. A.A. Westers heeft de afdeling juridische zaken van de gemeente bij e-mail van 7 april 2020 medegedeeld dat hij zich in de bezwaarprocedure namens [gedaagden] als advocaat/gemachtigde stelt. 2.24. De beslistermijn in de bezwaarprocedure eindigt op 2 juli 2020. 3De vordering 3.1. Beauvast vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. [gedaagden] gebiedt om binnen twee dagen na betekening van het vonnis het door hem ingediende bezwaarschrift bij de gemeente Groningen d.d. 3 februari 2020 tegen de omgevingsvergunning (voor Reitemakersrijge 13 onder nummer 201975238) in te trekken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 hoofdelijk voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voor iedere dag dan wel gedeelte van een dag, dat [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] daartoe nalatig blijft; alsmede 2. indien [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] niet binnen veertien dagen uitvoering hebben gegeven aan het hiervoor onder 1. gevorderde, bepaalt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen aanspraken geldend kunnen maken onder hun bezwaarschrift bij de gemeente Groningen d.d. 3 februari 2020 tegen de omgevingsvergunning (voor Reitemakersrijge 13 onder nummer 201975238), met bepaling dat het vonnis van de voorzieningenrechter dezelfde kracht heeft als de hiervoor onder 1. bedoelde intrekking door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zelf; alsmede 3. [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten veroordeelt. 3.2. [gedaagden] voert verweer, met conclusie tot afwijzing van het gevorderde en veroordeling van Beauvast in de proceskosten. 4De standpunten van partijen Standpunt Beauvast 4.1. Beauvast heeft een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Alleen het bezwaar van [gedaagden] staat nog in de weg aan het onherroepelijk worden van de revisievergunning en de daaropvolgende levering van het gebouw. Bij levering op korte termijn zal Beauvast een aanzienlijke koopsom ontvangen, die zij vervolgens kan gebruiken om haar eigen verplichtingen na te komen en om andere groepsvennootschappen financieel te ondersteunen. Beauvast en deze groepsvennootschappen zijn als gevolg van de Coronacrisis namelijk in forse financiële problemen gekomen. Er komen niet of nauwelijks inkomsten meer binnen, terwijl de uitgaven wel doorlopen. Daarnaast hebben huurders aangegeven niet meer aan hun financiële verplichtingen jegens groepsvennootschappen te kunnen voldoen. Tegen deze achtergrond kan van Beauvast op dit moment niet worden gevergd dat zij wacht op de uitkomst van de bezwaarprocedure, die nog enkele maanden kan duren en moet nu een ordemaatregel worden getroffen, strekkende tot intrekking van het bezwaar van [gedaagden] 4.2. [gedaagden] is ten eerste gehouden tot deze intrekking, nu met het indienen en handhaven van het bezwaarschrift misbruik van bevoegdheid wordt gemaakt. [gedaagden] heeft het bezwaarschrift gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kent dan wel behoort te kennen. De door [gedaagden] aangevoerde bezwaargronden zijn namelijk onjuist. [gedaagden] gebruikt het bezwaar tegen de revisievergunning enkel om Beauvast en de gemeente dwars te zitten, zo heeft [gedaagde sub 1] tegenover [naam 2] ook erkend, Voorts gebruikt [gedaagden] het recht om bezwaar te maken tegen de revisievergunning voor een ander doel dan waarvoor dit recht is verleend. [gedaagden] ondervindt zelf geen enkel(e) last of nadeel van de revisievergunning. In zijn bezwaarschrift benoemt [gedaagden] ook niet concreet welke (negatieve) gevolgen de revisievergunning voor hem heeft; hij benoemt slechts een aantal procedurele aspecten. Van aantasting van de woon- of leefomgeving van [gedaagden] , die zelf in [woonplaats] woont, of van financiële schade door het verlenen van de revisievergunning is geen sprake. Ten slotte kan [gedaagden] in redelijkheid niet komen tot de uitoefening van zijn bevoegdheid om bezwaar te maken, gelet op de onevenredigheid tussen zijn belang hierbij en de hierdoor geschade belangen van Beauvast. Er is sprake van een evident ongegrond bezwaar, dat niet tot een materieel gewijzigd bouwplan voor het gebouw kan leiden maar hooguit tot een aanpassing van de procedure. [gedaagden] heeft daarom geen rechtens te respecteren belang bij (handhaving van) het bezwaar. Om die reden en in aanmerking nemende de zwaarwegende belangen van Beauvast bij spoedige levering van het gebouw aan de koper, had [gedaagden] van het maken en handhaven van het bezwaar moeten afzien. 4.3. [gedaagden] is ten tweede op grond van onrechtmatige daad gehouden tot intrekking van zijn bezwaarschrift. Het misbruik van de bevoegdheid om bezwaar te maken is in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Beauvast lijdt schade ten gevolge van dit onrechtmatig handelen van [gedaagden] omdat hierdoor de levering van het gebouw wordt belemmerd en Beauvast zodoende niet op korte termijn de beschikking kan krijgen over de koopsom, waarmee zij aan haar eigen en aan groepsgerelateerde verplichtingen kan voldoen. Standpunt [gedaagden] 4.4. betwist dat Beauvast een spoedeisend belang heeft bij de in dit kort geding gevraagde voorziening. van De door Beauvast genoemde groepsvennootschappen zijn geen partij in dit kort geding en met hun positie kan reeds daarom geen rekening worden gehouden. De gestelde financiële problemen van de betreffende groepsvennootschappen zijn overigens ook niet voldoende onderbouwd. Er wordt slechts in het algemeen naar de gevolgen van de Coronacrisis verwezen en de cijfermatige onderbouwing is gebrekkig. In elk geval is niet gebleken dat bij deze ondernemingen sprake is van een acute noodtoestand, waardoor zij dreigen om te vallen. Daarnaast mag worden aangenomen dat binnenkort al een (telefonische) hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie zal plaatsvinden. Verder moet worden bedacht dat de bezwaarschriftencommissie des verzocht geen aanleiding heeft gezien om het bezwaar versneld af te doen. In het licht van het voorgaande dient Beauvast de uitkomst van de bezwaarprocedure af te wachten, aldus [gedaagden] 4.5. Met het aannemen van misbruik van bevoegdheid in verband met het instellen van een bestuursrechtelijk rechtsmiddel moet zeer terughoudend worden omgegaan. Beauvast verlangt thans intrekking van het bezwaar nog voordat [gedaagden] de gelegenheid heeft gehad om dit bezwaar nader toe te lichten en zonder dat een hoorzitting heeft plaatsgevonden, hetgeen zeer verstrekkend is. Als het bezwaar moet worden ingetrokken, is daarmee de bestuursrechtelijke rechtsingang van [gedaagden] tegen de revisievergunning ook definitief verloren. De vordering van Beauvast strekt aldus verder dan een tijdelijke ordemaatregel. Bovendien kan de bezwaarschriftencommissie ook zelf de niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift uitspreken als zij van oordeel mocht zijn dat [gedaagden] geen redelijk belang heeft bij het bezwaar. 4.6. [gedaagden] heeft het bezwaarschrift niet ingediend met als enig doel om Beauvast te schaden. Er is geen sprake van persoonlijke grieven van [gedaagden] jegens Beauvast, of [naam 1] , die [gedaagden] hebben bewogen om bezwaar te maken. 4.7. [gedaagden] is als eigenaar van twee nabij het onderhavige gebouw gelegen panden belanghebbende bij het besluit tot verlening van de revisievergunning. In zijn bezwaarschrift heeft [gedaagden] al enkele bezwaren tegen de vergunning opgesomd. Deze bezwaren kunnen in een later stadium van de bezwaarschriftprocedure ook nog worden aangevuld of uitgebreid. Dit kort geding is niet geschikt voor het voeren van een inhoudelijke discussie over de gegrondheid van de bezwaren van [gedaagden] wijst er in elk geval op dat ten onrechte een ontheffing van het bestemmingsplan is verleend voor het realiseren van woningen op de begane grond van het gebouw, waar géén woonbestemming is toegestaan. In de gegeven omstandigheden was het college niet bevoegd tot het verlenen van deze ontheffing. Bovendien is de motivering van de ontheffing niet toereikend, de gemeente dient die in bezwaar nader te onderbouwen. Verder wijst [gedaagden] erop dat het voor de woon- en leefomgeving in de buurt van het gebouw uitmaakt of op de begane grond detailhandel/horeca of woningen worden gerealiseerd. Woningen zullen de woon- en leefomgeving in de buurt nadelig beïnvloeden. 4.8. [gedaagden] kon, in aanmerking nemend zijn eigen belangen en die van Beauvast in redelijkheid komen tot de uitoefening van zijn bevoegdheid om bezwaar tegen de revisievergunning te maken. Beauvast heeft het gebouw immers aan een derde verkocht in de wetenschap dat de verleende revisievergunning nog niet onherroepelijk was en dat daartegen nog bezwaar kon worden gemaakt. Onder díe voorwaarde is de koop ook gesloten. Het belang van Beauvast bij versnelde levering van het gebouw weegt niet op tegen het belang van [gedaagden] dat hij een volledige en ongestoorde bestuursrechtelijke procedure tegen de verleende revisievergunning kan voeren, waarin hij overigens tegenover de gemeente en níet tegenover Beauvast staat. Met Beauvast heeft [gedaagden] ook geen civielrechtelijke relatie. 5De beoordeling Het geschil 5.1. In dit kort geding gaat het, kort samengevat, om de vraag of [gedaagden] wegens misbruik van bevoegdheid en/of onrechtmatige daad gehouden is tot intrekking van het door hem ingediende bezwaarschrift tegen de revisievergunning die door het college op 13 januari 2020 aan Beauvast is verleend ten behoeve van de verdere verbouwing van het oude KPN-gebouw aan de Reitemakersrijge te Groningen. Spoedeisend belang 5.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Beauvast voldoende spoedeisend belang bij de in dit kort geding gevraagde voorziening. Beauvast heeft, aan de hand van het als productie 23 overgelegde overzicht d.d. 8 april 2020 van omzetderving ten gevolge van de Coronacrisis, voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat zij en aan haar gelieerde groepsvennootschappen - met name die welke zich bezighouden met horeca-, hotel- en winkelactiviteiten - sinds het uitbreken van de Coronacrisis te maken hebben gekregen met een substantiële omzetdaling. Ook heeft Beauvast voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zelf ten aanzien van meerdere door haar verhuurde panden te maken heeft met huurders die de huur voor de maand april 2020 niet hebben betaald, waardoor zij substantiële huurinkomsten derft. Deze financiële gegevens zijn door [gedaagden] niet gemotiveerd betwist, zodat van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Voorshands acht de voorzieningenrechter ook niet onwaarschijnlijk dat de omzet- en huurderving van Beauvast en aan haar gelieerde groepsvennootschappen als gevolg van de Coronacrisis nog enige tijd zal voortduren. Aannemelijk is dat indien Beauvast op korte termijn kan beschikken over de verkoopopbrengst van het gebouw, zij deze geldelijke middelen zal kunnen inzetten ter compensatie van de hiervoor bedoelde omzet- en huurderving binnen het concern. Voorts zal de uitkomst van de bezwaarprocedure, naar Beauvast onbetwist heeft gesteld, in het meest ongunstige geval nog enkele maanden op zich laten wachten. In geval van intrekking van het bezwaarschrift van [gedaagden] wordt de revisievergunning op korte termijn al onherroepelijk en dient de koper het gebouw direct daarna af te nemen onder betaling van de koopsom, waarmee Beauvast op korte termijn over extra financiële middelen zal kunnen beschikken. Misbruik van bevoegdheid 5.3. Artikel 3:13 lid 1 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt haar niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Het 2e lid van dit wetsartikel bepaalt dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Misbruik van bevoegdheid kan ook bestaan in het misbruik van processuele bevoegdheden. Artikel 3:13 BW vindt op grond van artikel 3:15 BW ook toepassing buiten het vermogensrecht, zoals in het bestuursrecht. De bevoegdheid om in het bestuursrecht bezwaar of beroep in te stellen kan niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt (vgl. de conclusie van de A-G bij het Parket van de Hoge Raad van 29 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:702). 5.4. Naar vaste rechtspraak wordt aangenomen dat van misbruik van procesrecht door het aanhangig maken van een procedure pas sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij, achterwege had moeten blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als de eiser zijn vordering heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van een dergelijk misbruik van bevoegdheid past terughoudendheid, gelet op het mede door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter (vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360). 5.5. Temeer in een bestuursrechtelijke context, die onder meer gekenmerkt wordt door een gemakkelijke toegang voor een belanghebbende tot een bezwaar- en beroepsprocedure en de mogelijkheid om als procesdeelnemer zonder procesvertegenwoordiging te procederen, moet terughoudend met het aannemen van misbruik van procesrecht worden omgegaan. Bedacht moet ook worden dat wanneer, zoals hier, een omgevingsvergunning is verleend, de aanvrager er te allen tijde rekening mee moet houden dat een belanghebbende gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot het instellen van bezwaar of beroep. Uitgangspunt is dat de uitkomst van dergelijke bestuursrechtelijke procedures dient te worden afgewacht en dat de gevolgen daarvan voor rekening en risico van de aanvrager komen. 5.6. In dit kort geding is extra terughoudendheid geboden omdat de gevorderde voorziening er materieel toe strekt dat [gedaagden] voor altijd de mogelijkheid wordt ontnomen om de revisievergunning aan te vechten. Tegen deze achtergrond is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit kort geding alleen dan ruimte voor een dergelijke voorziening, indien onmiskenbaar is dat [gedaagden] met zijn bezwaar misbruik van bevoegdheid maakt. 5.7. In zijn bezwaarschrift heeft [gedaagden] een viertal bezwaren tegen de verleende revisievergunning aangevoerd. Deze bezwaargronden betreffen, samengevat weergegeven, dat (i) de aanvraag voor de vergunning niet aan een Bibob toets is onderworpen, (ii) de gemeente onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij een ontheffing heeft verleend voor wonen op de begane grond van het gebouw, (iii) het bouwplan van Beauvast niet is besproken met belanghebbenden en buurtbewoners en (iv) dat de tekeningen onvolledig zijn vanwege het ontbreken van een buitendeur bij woningen op de begane grond. 5.8. De gemeente heeft in reactie op deze bezwaren van [gedaagden] in haar verweer in de bezwaarprocedure, samengevat weergegeven, aangevoerd dat (i) er wel degelijk een Bibob toets heeft plaatsgevonden voordat de vergunning is verleend, (ii) de ontheffing van het bestemmingsplan voor wonen op de begane grond voldoende gemotiveerd is, (iii) er geen verplichting tot buurtparticipatie bestond voorafgaand aan de vergunningsaanvraag en (iv) een extra tekening moet worden toegevoegd aan de bouwvergunning of de huidige tekening van de begane grond moet worden gewijzigd, om duidelijkheid te krijgen over de toegang tot bedoelde woningen. 5.9. [gedaagden] is in het kader van dit kort geding niet of nauwelijks op deze weerlegging van zijn bezwaren ingegaan, hetgeen naar het oordeel van de voorzieningenrechter alleszins voor de hand had gelegen, indien [gedaagden] meent gegronde bezwaren tegen het besluit tot verlening van de revisievergunning te hebben. Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter er voorshands dan ook allerminst van overtuigd dat de in het bezwaarschrift van [gedaagden] genoemde bezwaren kans van slagen zullen hebben. De revisievergunning voorziet in de kern slechts in een inpandige verplaatsing van enkele appartementen, van het souterrain naar de begane grond. [gedaagden] heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat door deze (geringe) wijziging van het bouwplan zijn belangen op rechtens relevante wijze worden geraakt. Desgevraagd heeft [gedaagden] ter zitting ook niet kunnen uitleggen in hoeverre de woon- en leefomgeving in de buurt nadelig wordt beïnvloed door voornoemde inpandige wijziging, waarbij ook dient te worden bedacht dat [gedaagden] zelf niet in de buurt van het gebouw maar in [woonplaats] woonachtig is. Ook over (eventuele) financiële schade als gevolg van het verlenen van de revisievergunning aan Beauvast heeft [gedaagden] niets gesteld. 5.10. Bij deze stand van zaken kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter bepaald niet worden uitgesloten dat de thans kenbare bezwaren van [gedaagden] in de bezwaarprocedure ongegrond zullen worden verklaard. Dit is echter onvoldoende om op dit moment te kunnen oordelen dat onmiskenbaar sprake is van misbruik door [gedaagden] van zijn bevoegdheid tot het maken/handhaven van bezwaar. Voorshands is onvoldoende komen vast te staan dat [gedaagden] zijn bezwaar slechts heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij van tevoren duidelijk de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen, of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze evident geen kans van slagen zouden hebben. Weliswaar geeft [naam 2] in zijn overgelegde schriftelijke verklaring aan dat [gedaagden] tegenover hem heeft erkend dat hij het bezwaar alleen maar heeft ingediend om (de bestuurder van) Beauvast dwars te zitten, maar zijn verklaring is op dit punt door [gedaagden] uitdrukkelijk betwist, waardoor in zoverre niet vooruit kan worden gelopen op de uitkomst van een bodemprocedure. 5.11. Op grond van het vorenstaande kan in dit kort geding niet worden geconcludeerd dat het bezwaar van [gedaagden] zodanig evident ongegrond is, dat het verantwoord is om hem thans te gebieden zijn bezwaar in te trekken, in aanmerking genomen het zeer verstrekkende en definitieve karakter van een dergelijke voorziening en de omstandigheid dat de bezwaarprocedure tegen de aan Beauvast verleende revisievergunning zich nog in het allereerste stadium bevindt. Onrechtmatige daad 5.12. Beauvast heeft voorts gesteld dat het misbruik door [gedaagden] van zijn bevoegdheid om bezwaar te maken tegen de revisievergunning een onrechtmatige daad van [gedaagden] oplevert, die eveneens noopt tot intrekking van het onderhavige bezwaarschrift. Nu naar voorlopig oordeel van misbruik van bevoegdheid geen sprake is, faalt daarmee ook deze grondslag van de vordering. Conclusie 5.13. Gelet op het vorenstaande zal de vordering van Beauvast worden afgewezen. Proceskosten 5.14. Nu Beauvast ongelijk krijgt, zal zij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van [gedaagden] vastgesteld als volgt: - vast recht € 304,00 - salaris advocaat € 980,00 ------------- € 1.284,00 BESLISSING De voorzieningenrechter: 1. wijst de vordering van Beauvast af; 2. veroordeelt Beauvast in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagden] vastgesteld op € 1.284,00. Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2020. 614 / mp
NJ 1997/481
Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481).
NJ 1990/286
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 oktober 1989 (NJ 1990/286 (Beklamel)) een specifieke zorgvuldigheidsnorm ontwikkeld.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/305847 / KG ZA 20-445 Vonnis in kort geding van 25 augustus 2020 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. B. Steeghs te Amsterdam, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OBLIGATIEFONDS BOUTIQUEHOTEL BRASA B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Purmerend, gevoegde partij aan de zijde van eiser, advocaat mr. W. de Vis te Alkmaar, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BEAUVAST GRONINGEN B.V., gevestigd te Groningen, gedaagde, advocaat mr.

S.A. Frijling te Groningen. Partijen zullen hierna respectievelijk [eiser], Brasa en Beauvast genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties de akte van [eiser] ten behoeve van de mondelinge behandeling met producties de akte tot eiswijziging met producties de incidentele conclusie tot voeging van Brasa met producties de mondelinge behandeling, waarbij de voeging van Brasa is toegestaan de pleitaantekeningen van [eiser] de pleitaantekeningen van Beauvast. de pleitnota van Brasa 1.2. Na uitroeping van de zaak zijn verschenen: [eiser] mr.

Steeghs voornoemd mr. Martens te Amsterdam, kantoorgenoot van mr. Steeghs voornoemd mr. De Vis voornoemd [A.], gevolmachtigde van Beauvast, hierna: [A.] mr. Frijlings voornoemd. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Beauvast is een vastgoedonderneming. [A.] is enig (indirect) bestuurder van Beauvast. Beauvast houdt zich onder meer bezig met de ontwikkeling en exploitatie van onroerend goed in de gemeente Groningen 2.2. Yieldforce B.V. (hierna: Yieldforce) is ook een vastgoedonderneming. [eiser] is enig (indirect) bestuurder van Yieldforce.

Yieldforce houdt zich eveneens onder meer bezig met de ontwikkeling en exploitatie van onroerend goed in de gemeente Groningen. 2.3. Beauvast is sinds 2008 eigenaar van de onroerende zaak, gelegen in het centrum van Groningen tussen de [adres], ook wel het [gebouw] genoemd (hierna: het Gebouw). 2.4. Beauvast heeft op 25 mei 2016 bij het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Groningen (hierna: het college) een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het transformeren en uitbreiden van het Gebouw naar 200 woningen met op de begane grond ook ondersteunende voorzieningen zoals horeca en andere faciliteiten (hierna te noemen: de eerste omgevingsvergunning). 2.5.

Het college heeft bij besluit van 3 mei 2017 de eerste omgevingsvergunning verleend. In de motivering van het besluit is vermeld dat volgens de voorschriften van het geldende bestemmingsplan op deze locatie wonen op de begane grond niet is toegestaan, maar dat niettemin daarvoor ontheffing wordt verleend met toepassing van een buitenplanse afwijkingsprocedure. 2.6. Tegen de aan Beauvast verleende eerste omgevingsvergunning zijn geen bezwaren ingediend. Deze omgevingsvergunning is daarmee onherroepelijk geworden. 2.7. Beauvast heeft besloten om de in het souterrain van het gebouw voorziene appartementen naar de begane grond te verplaatsen (het betreft hier 9 van de 200 appartementen) en een aantal planoptimalisaties uitgevoerd.

Deze aanpassingen zijn in een revisieplan verwerkt. 2.8. Beauvast heeft op basis van dat plan op 19 november 2019 bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de revisie van de eerste vergunning voor de verbouwing en uitbreiding van het Gebouw (hierna: de Omgevingsvergunning). 2.9. Yieldforce heeft op 15 november 2019 een document van Fiduciam Nominees Ltd. (hierna: Fiduciam) gekregen, waarin Fiduciam een voorstel heeft gedaan om aan Yieldforce het benodigde krediet te verschaffen ter afname van het gebouw. 2.10. Beauvast heeft op 20 november 2019 met Yieldforce een schriftelijke koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) met betrekking tot het gebouw gesloten.

In de koopovereenkomst is met betrekking tot de levering bepaald: Notariële Akte van Levering Artikel 1 De Akte van Levering zal ten overstaan van de Notaris worden verleden op de zevende (7e) kalenderdag nadat Omgevingsvergunning 2 onherroepelijk is verleend, zulks tussen 10.00 en 14.00 uur CET, of zoveel eerder of later als Partijen nader zullen overeenkomen. In de koopovereenkomst is wat betreft ingebrekestelling, verzuim, ontbinding en boete bepaald: Ingebrekestelling, verzuim, ontbinding en boete Artikel 17 1. bij niet of niet tijdige nakoming van de Koopovereenkomst anders dan door overmacht is de nalatige Partij aansprakelijk voor alle daaruit voor de andere Partij ontstane schade met kosten en rente, ongeacht het feit of de nalatige in verzuim is in de zin van het hierna bepaalde.

2. een Partij is in verzuim jegens de andere Partij als hij, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig is of blijft aan zijn verplichtingen uit hoofde van de Koopovereenkomst te voldoen, daaronder mede begrepen het niet tijdig betalen van de overeengekomen waarborgsom. Ingebrekestelling moet Schriftelijk geschieden met inachtneming van een termijn van acht dagen. In de gevallen bedoeld in artikel 6:80 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek kunnen in afwijking van vorenstaande de gevolgen van niet nakoming reeds intreden voordat de vordering opeisbaar is en wordt de betreffende Partij geacht in verzuim te zijn.

3. Wanneer een Partij in verzuim is heeft de andere Partij de keuze tussen: a. Uitvoering van de Koopovereenkomst te verlangen, in welk geval de Partij die in verzuim is na afloop van voormelde termijn van acht dagen voor elk nadien ingegane dag tot aan de dag van nakoming aan de andere Partij een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd van drie promille van de koopprijs; of b. De Koopovereenkomst door een Schriftelijke verklaring te ontbinden in welk geval de nalatige Partij een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zal zijn ten behoeve van de andere Partij van tien procent van de koopprijs.

Ingeval een Partij, nadat zij conform het hiervoor sub a vermelde uitvoering van de Koopovereenkomst heeft verlangd, alsnog vanwege het niet nakomen door de andere partij de Koopovereenkomst conform heb sub b bepaalde ontbindt, is de Partij die in verzuim is de sub b bedoelde boete verschuldigd vermeerderd met een rentevergoeding van 8% op jaarbasis over het bedrag van de koopprijs vanaf het moment dat de Partij die in verzuim is tot aan de datum van de sub b bedoelde ontbinding, en vervalt de hiervoor sub a vermelde boete. De hiervoor in dit lid opgenomen boeteregeling geldt niet in geval in de Koopovereenkomst uitdrukkelijk een afwijkende boeteregeling is opgenomen.

4. Eventueel over de boete verschuldigde omzetbelasting is daarin begrepen.

5. Betaalde of verschuldigde boete strekt in mindering op de eventueel verschuldigde schadevergoeding met rente en kosten.

6. Het onderhavige geding is niet meer van toepassing ingeval en vanaf het moment dat het Verkochte op de in artikel 5 lid 3 van de Koopovereenkomst overeengekomen wijze is overgedragen. In de koopovereenkomst is over het ontbindingsrecht bepaald: Ontbindingsrecht Artikel 19 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 15 zijn Verkoper en Koper het navolgende ontbindingsrecht overeengekomen. Zowel Verkoper als Koper heeft het recht de koopovereenkomst te ontbinden indien uiterlijk per 1 september 2020 Omgevingsvergunning 2 niet onherroepelijk is verstrekt.

2. Op het hiervoor in lid 1 vermelde ontbindingsrecht kan zowel door Verkoper als door Koper een beroep worden gedaan, en wel uiterlijk voorafgaand aan de ondertekening van de Akte van Levering. Doet Verkoper of Koper niet of niet tijdig Schriftelijk een beroep op het in lid 1 omschreven ontbindingsrecht dan is deze vervallen.

3. Koper heeft uitdrukkelijk geen financieringsvoorbehoud gemaakt ter zake de koop van het Verkochte. 2.11. Het college heeft bij besluit van 13 januari 2020 de omgevingsvergunning verleend. In de motivering van het besluit vermeldt het college, wederom, dat volgens de voorschriften van het geldende bestemmingsplan wonen op de begane grond niet is toegestaan, maar dat niettemin daarvoor een ontheffing wordt verleend. 2.12. De heer [B.] en de vrouw [C.] (hierna: [B.] c.s.) houden zich ook onder meer bezig met de exploitatie van onroerend goed in de gemeente Groningen. [B.] c.s. heeft bij brief aan het college van 3 februari 2020 bezwaar gemaakt tegen de aan Beauvast verleende Omgevingsvergunning.

Er zijn geen andere bezwaren tegen de omgevingsvergunning ingediend. Het bezwaarschrift van [B.] c.s. is in handen gesteld van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie. 2.13. Beauvast heeft in een kort geding procedure voor de voorzieningenrechter van rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, kort samengevat, gevorderd dat [B.] c.s. wordt veroordeeld om het tegen de revisievergunning ingediende bezwaarschrift in te trekken. Hiertoe heeft Beauvast aangevoerd dat [B.] c.s. misbruik van recht pleegt, althans onrechtmatig handelt, met het instellen en handhaven van diens bezwaarschrift.

Het kort geding is behandeld ter zitting van 9 april 2020. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 22 april 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:1741) de vordering van Beauvast afgewezen. 2.14. Bij besluit op bezwaar van 18 mei 2020 zijn de bezwaren van [B.] c.s. ongegrond verklaard. 2.15. Beauvast heeft [B.] c.s. na het besluit op bezwaar gevraagd om vrijwillig af te zien van het instellen van beroep bij de bestuursrechter van rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. [B.] c.s. heeft dit geweigerd. 2.16. Op 15 juni heeft [A.] een mail naar [eiser] gestuurd met, voor zover relevant, de volgende inhoud:

“Ik begrijp dat als jij een regeling treft met de bezwaarmakers, je niet direct geconfronteerd wilt worden met de op jou rustende afnameverplichting binnen 7 dagen. Voor mij is een verder uitstel van de levering, die reeds in maart 2020 zou plaatsvinden, met circa 6 maanden echter problematisch en kostbaar”. 2.17. op 17 juni 2020 heeft [A.] een mail naar [eiser] met, voor zover relevant, de volgende inhoud: “Er is tussen Beauvast en Yieldforce een overeenkomst gesloten zonder financieringsvoorbehoud, waarbij zonder de bizarre tussenkomst van [B.] Yieldforce reeds in maart 2020 had moeten afnemen.

Wat nu wordt gevraagd is uitstel tot 1 september 2020 met een nieuwe voorwaarde: doorverkoop aan Blauwhoed. Ik meen dat de kans groot is dat het KG nu wordt gewonnen. Is dat niet het geval dan kan bij de afdeling Bestuursrecht van dezelfde rechtbank het beroep van [B.] in “een spoedprocedure” worden behandeld en wordt een uitspraak eind juli 2020 verwacht. Volgens de geleerden is [B.]’s beroep “evident kansloos” en heb ik bij afwijzing van zijn beroep een sterke schadeclaim. Er ligt een uitspraak van het college van B&W, waarin de bezwaren van [B.] en zijn vrouw tegen de revisievergunning 2020 (Omgevingsvergunning 2) ongegrond zijn verklaard. [B.] heeft in een gesprek met jou te kennen gegeven dat hij en zijn vrouw af willen zien van het instellen van beroep tegen voormeld besluit en zich dus willen neerleggen bij de uitspraak van het college mits zij daarvoor een vergoeding krijgen.

Jij bent bereid hen een vergoeding daarvoor te betalen en deze te dragen. Je wenst dan wel dat jouw afnameverplichting wordt opgeschort tot 1 september 2020 maar ook dat de levering van Beauvast aan Yieldforce afhankelijk wordt gesteld van het doorgaan van jouw verkoop aan Blauwhoed. Ik kan uiteraard niet akkoord gaan met deze laatste voorwaarde. Daarbij komt dat bij een dergelijke deal mijn schadeclaim jegens [B.] niet meer kan worden gerealiseerd. Ne ruggespraak zie ik slechts het volgende alternatief, waarbij alleen de afspraak over de datum van de levering en de hoogte van de koopsom wordt aangepast: - levering uiterlijk per 1 september 2020; - koopsom €18.000.000 kk” Op 18 juni 2020 stuurt [A.] eveneens een mail naar [eiser] met, voor zover relevant, de volgende inhoud:

“Ondanks jouw belofte om open en transparant te zijn, met name over jouw contact met [B.], ben je dat niet. Je geeft achteraf pas toe dat je de financiering in maart 2020 niet rond had en dat je toen dus helemaal niet kon afnemen. Het bezwaar van [B.] kwam als een geschenk uit de hemel, het voorkwam dat je reeds in maart de contractuele boete van € 1.760.000 verschuldigd zou zijn. Jouw steun aan [B.] in zijn actie tegen Beauvast gins zelfs zo ver dat je een voor Beauvast zeer nadelige verklaring hebt afgegeven in het eerste Kort Geding. Naderhand gaf je aan dat je je schaamde voor jouw actie maar dat je je voortaan eerlijk zou gedragen in deze kwestie.

Hoe de zaak precies zit blijft voor mij nu nog een raadsel. Een voorlopig getuigenverhoor, waarbij alle betrokkenen onder ede worden gehoord, biedt ongetwijfeld meer helderheid. Vast staat dat jullie contact van een geheel andere orde is dan jij mij hebt voorgespiegeld. Jullie spannen samen. Zo weet ik dat jij al geruime tijd met [B.] met projecten bezig bent in Amsterdam en Purmerend. Volgende week komen jullie wederom bij elkaar om hierover te praten, met name over het project in Purmerend. Het is mij inmiddels ook bekend dat [B.] in december 2019 nog een aannemer heeft laten rekenen aan de transformatie van het KPN-gebouw.

Dus na de ondertekening van het koopcontract met YieldForce op 20 november 2019” 2.18. Beauvast heeft in een volgende kort geding procedure voor de voorzieningenrechter van rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, kort samengevat, gevorderd dat [B.] c.s. wordt verboden om in beroep te komen van de beslissing op bezwaar van de gemeente Groningen d.d. 18 mei 2020 tegen de omgevingsvergunning en voor het geval [B.] c.s. reeds tot het instellen van beroep tegen de beslissing op bezwaar van de gemeente Groningen d.d. 18 mei 2020 tegen de omgevingsvergunning zijn overgegaan, [B.] c.s. te gebieden dit beroep in te trekken.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 26 juni 2020 de vordering van Beauvast toegewezen op (onder meer) de volgende gronden: “Het belang van Beauvast bij het onherroepelijk worden van de revisievergunning is ontegenzeggelijk groot. Daarmee ligt immers de weg open naar de levering van het pand aan Yieldforce en ontvangst van de overeengekomen koopsom, waarmee miljoenen euro's gemoeid zijn. Bij een verbod op het instellen van beroep tegen het besluit op bezwaar wordt de revisievergunning op zeer korte termijn onherroepelijk. [B.] c.s. hebben op hun beurt de voorzieningenrechter niet kunnen overtuigen welk rechtens te respecteren belang zij hebben bij het instellen van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen, thans in het bijzonder het instellen van beroep, tegen de revisievergunning.

Ten slotte acht de voorzieningenrechter van belang dat [B.] c.s. bij verlies van de mogelijkheid van beroep tegen het besluit op bezwaar de mogelijkheid blijven houden tot het indienen van een planschadeclaim indien zij menen financiële schade te lijden als gevolg van een onherroepelijke revisievergunning. Beauvast heeft zich ook bereid verklaard, indien daarvoor voldoende gronden aanwezig zijn, een planschadevergoeding te betalen. Voor andere schade dan planschade kan [B.] c.s. Beauvast ook aansprakelijk houden. Al met al dient de afweging van de belangen van partijen bij het wel of niet treffen van een voorlopige voorziening in de door Beauvast voorgestane zin in het voordeel van Beauvast uit te vallen.” 2.19.

Op 28 juni 2020 heeft [eiser] aan de advocaat van [B.] het volgende bericht: “Ik heb kennis genomen van het vonnis d.d. 26 juni 2020. In dat vonnis wordt gesteld dat de heer [B.] het [gebouw] zelf van YieldForce wil kopen en bezig is met het verkrijgen van een financiering. Dit is echt een absurde conclusie! Er is op geen enkel moment sprake van geweest dat de heer [B.] of zijn BV dit project zou willen overnemen! Sterker nog, toen ik de heer [B.] medio maart van dit jaar eens vroeg of het niks voor hem was geweest gaf hij gelijk aan dat dit project voor hem veel te groot is! Ik heb de heer [A.] van Beauvast op maandag 15 juni j.l. uitleg gegeven over de gehele gang van zaken! Ik heb hem bij mij thuis uitgenodigd en we hebben 4 uur lang met elkaar gesproken.

Ik heb hem toen verteld dat ik mijn financiering op het moment van koop middels een tearmsheet toegezegd had gekregen van een Engelse financier. Echter toen Corona in maart uitbrak werden de financieringsregels van deze partij dermate aangepast dat er van mij 25% meer eigen geld in moest. Toen heb ik besloten om een koper te zoeken, welke ik heb gevonden in de vorm van een Duits Pensioenfonds. Ik heb de heer [A.] volledige openheid van zaken gegeven en hem de documenten laten zien van de planning en het DD onderzoek. Ik heb daarbij aangegeven dat ik daar niks in kan wijzigen dus echt tot 1 september nodig heb om deze deal af te ronden.

De heer [A.] toonde ook alle begrip en heeft meerdere malen aangegeven niet het vel over mijn neus te zullen trekken. Bijgaand zend ik ook de mailwisseling van 15 juli en daarop volgend van 17 juni waarbij de heer [A.] duidelijk te kennen geeft begrip te hebben en voorstelt om de gelegenheid te geven om met de levering af te wachten tot 1 september. Hij geeft zelfs aan dat hij een backup gaat regelen voor het geval ik niet af kan nemen!” 2.20. Door [B.] c.s. is op 29 juni 2020 spoedappel ingesteld. Tegelijkertijd met de dagvaarding in hoger beroep is ook de memorie van grieven betekend. [B.] c.s., hebben tevens een incident ex artikel 351 Rv opgeworpen. 2.21.

Op 14 juli 2020 heeft Beauvast de conclusie van antwoord in incident in de hoger beroepsprocedure ingediend. De zaak staat thans op de rol van 25 augustus 2020 voor arrest. 2.22. Beauvast heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 30 juli 2020 verlof verzocht om beslag te mogen leggen op een aantal onroerende zaken die aan [eiser] toebehoren. Het verlof is verleend, waarna bij exploot van 31 juli 2020 ten laste van [eiser] beslag is gelegd op: het volledig eigendom van het woonhuis met erf en tuin aan de [adres]; het volledig eigendom van het perceel waarop een horecagelegenheid is gevestigd aan de [adres];

Beauvast heeft op 5 augustus 2020 verzocht om aanvullend beslag te mogen leggen op een andere onroerende zaak die aan [eiser] toebehoort. Ook dat verlof is verleend, waarna bij exploot van 10 augustus 2020 onder meer aanvullend beslag is gelegd ten laste van [eiser] op: - het volledig eigendom van het perceel waarop een horecagelegenheid is gevestigd aan de [adres]. Deze beslagen worden hierna aangeduid als “de Beslagen”. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert – na eiswijziging buiten processueel bezwaar – dat: het de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, behage bij vonnis, zoveel mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de Beslagen op te heffen;

2. Beauvast te veroordelen de Beslagen binnen 24 uren na betekening van het in deze te wijzen vonnis (a) op te heffen voor zover de onder sub 1 genoemde vordering niet wordt toegewezen en (b) te doen doorhalen in de openbare registers;

3. Beauvast te verbieden ten laste van [eiser] nieuwe beslagen te leggen, althans Beauvast te gebieden bij het indienen van een nieuw verzoekschrift tot leggen van beslag een kopie te overleggen van het in deze te wijzen vonnis;

4. te bepalen dat voor iedere overtreding door Beauvast van een veroordeling onder sub 2 of sub 3 hiervoor een dwangsom aan [eiser] wordt verbeurd van € 25.000,- (zegge: vijfentwintig euro) vermeerderd met € 5.000 (zegge: vijfduizend euro) vermeerderd met € 5.000 (zegge: vijfduizend euro) per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen dat een overtreding voortduurt, althans een door u in goede justitie te bepalen dwangsom; en 5. Beauvast te veroordelen om de kosten van dit geding te voldoen binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis te vermeerderen met de nakosten, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is. 3.2. Brasa ondersteunt de vorderingen van [eiser]. 3.3. Beauvast voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Inleidende overwegingen 4.1. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. 4.2. Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt.

Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. 4.3. De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

De (on)deugdelijkheid van de vordering Tekortkoming Yieldforce? 4.4. De vordering waarvoor de Beslagen zijn gelegd is gebaseerd op de stelling dat Yieldforce, door het gebouw niet tijdig af te nemen, toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de met haar gesloten koopovereenkomst, en dat [eiser] als indirect bestuurder van dit handelen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Nu van een verplichting tot afname van het gebouw pas sprake is zodra de Omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden, zal de voorzieningenrechter, om de (on)deugdelijkheid van de vordering vast te stellen, allereerst moeten nagaan of er inmiddels sprake is van een situatie waarin de Omgevingsvergunning onherroepelijk is verleend.

De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt. 4.5. De voorzieningenrechter deelt de opvatting van [eiser] dat in technische zin van onherroepelijkheid van de Omgevingsvergunning op dit moment nog geen sprake is. In het (al dan niet hypothetische) geval dat het kort geding vonnis van 26 juni 2020, waarin het verbod tot beroep is uitgesproken, in hoger beroep wordt vernietigd of door een andersluidend oordeel van de bodemrechter terzijde wordt gesteld, bestaat er bestuursprocesrechtelijk gezien ruimte voor het indienen van een beroepschrift en is niet op voorhand uitgesloten te achten dat er een geslaagd beroep kan worden gedaan op verschoonbare termijnoverschrijding. 4.6.

De voorzieningenrechter acht de kans op vernietiging of een andersluidend oordeel in de bodemprocedure gevolgd door een geslaagd beroep op verschoonbare termijnoverschrijding echter niet zo groot dat daarin in de context van de afwegingen die in deze zaak moeten worden gemaakt - in hoeverre dient aan Beauvast de ruimte toe te komen om haar verhaalsaanspraken ter zake van een mogelijke tekortkoming door middel van beslaglegging te conserveren - aanleiding zou moeten worden gevonden om de vordering van Beauvast, summierlijk oordelend, ondeugdelijk te achten. 4.7.

De voorzieningenrechter wordt in deze benadering gesterkt door de volgende overwegingen. Beauvast heeft zich beroepen op artikel 6:23 BW. Zij heeft in dat verband gesteld dat [eiser] zelf heeft verhinderd dat de Omgevingsvergunning onherroepelijk werd door, samenspannend met [B.], te bewerkstelligen dat eerst bezwaar werd gemaakt en vervolgens werd aangestuurd op het instellen van hoger beroep. De voorzieningenrechter acht dit betoog aannemelijk. Hij wijst in dit verband, mede puttend uit de hiervoor genoemde uitspraken in de twee kort geding procedures ten overstaan van de voorzieningenrechter te Groningen, op het volgende. de wijziging van de omgevingsvergunning is ten opzichte van het bouwplan als geheel van volstrekt ondergeschikte betekenis; [B.] heeft daartegen een viertal bezwaren aangevoerd: (1) geen Bibob toets, (2) onvoldoende gemotiveerd waarom ontheffing voor wonen, (3) het bouwplan is niet besproken met belanghebbenden en buurtbewoners en (4) de tekeningen zijn onvolledig vanwege het ontbreken van een buitendeur bij de woningen op de begane grond; [B.] heeft het eerste bezwaar in de loop van de bezwaarschriftprocedure laten vallen.

Wat de overige bezwaren betreft moet worden vastgesteld dat hij de voorzieningenrechter in beide kort geding procedures niet een begin van een antwoord heeft kunnen geven op de vraag op welke wijze hij nu door het gewijzigde bouwplan in zijn belangen wordt getroffen. Verder moet worden vastgesteld dat hij in de weergave van zijn bezwaren niet consistent is. Zo heeft hij in het tweede kort geding aangegeven dat zijn belang bij bezwaar en beroep tegen de revisievergunning “beperkt en vooral immaterieel van aard” is; uit het hiervoor weergegeven mailverkeer tussen [eiser] en [A.] blijkt dat [B.] aan [eiser] te kennen heeft gegeven dat hij af zou willen zien van het instellen van beroep tegen de omgevingsvergunning en zich dus zou willen neerleggen bij de uitspraak, wanneer [eiser] hem een vergoeding zou betalen.

Verder staat vast dat [B.] en [eiser] samengewerkt hebben ter realisatie van vastgoedprojecten in Amsterdam en Purmerend; [B.], althans diens vennootschap PEX Real Estate B.V., heeft bij e-mail van 2 februari 2020 aan directeur [D.] van SHP Bouwbedrijven gevraagd een offerte voor werkzaamheden in het [gebouw] te maken. Hierbij werden documenten meegestuurd die Beauvast aan Yieldforce ter beschikking had gesteld in verband met de aanvraag voor de omgevingsvergunning. In deze e-mail werd uitdrukkelijk om discretie gevraagd. 4.8. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft bij voornoemd vonnis van 26 juni 2020 geconcludeerd dat [B.] c.s. de bevoegdheid om bezwaar te maken heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld, namelijk het beletten van de koopovereenkomst tussen Yieldforce en Beauvast, waardoor [B.] c.s. zelf in de gelegenheid zou komen om het gebouw af te nemen.

Deze voorzieningenrechter gaat daar gedeeltelijk in mee. De voorzieningenrechter deelt de opvatting dat [B.] de bevoegdheid om bezwaar te maken heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven, namelijk het beletten van de koopovereenkomst tussen Yieldforce en Beauvast. [B.] heeft dat echter niet (primair) of niet alleen gedaan omdat hij het gebouw zelf wilde kopen maar mede of uitsluitend om [eiser] in staat te (kunnen) stellen om met het oog op diens belang bij uitstel van de levering een voet tussen de deur te houden, waarbij hij (tegen vergoeding) bereid is geweest [eiser] te laten bepalen hoe lang de voet tussen de deur zou blijven. [eiser] heeft vervolgens geprobeerd deze bereidheid te gebruiken om Beauvast te bewegen tot aanpassing van de koopovereenkomst op zodanige wijze dat hij, [eiser], de ruimte zou krijgen om voor Yieldforce alsnog de financiering te krijgen die Yieldforce bij het aangaan van de koopovereenkomst met Beauvast al pretendeerde te hebben.

Hij is daarin niet geslaagd omdat Beauvast niet bereid is geweest daarin mee te gaan. 4.9. Dat is a prima vista voldoende om serieus rekening te houden met de mogelijkheid dat het door Yieldforce gedane beroep op art. 6:23 BW in een bodemprocedure slaagt, hetgeen tot gevolg heeft dat Yieldforce zich niet op het ontbreken van de onherroepelijkheid van de omgevingsvergunning kan beroepen. 4.10. Op voornoemde gronden moet vervolgens serieus rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de bodemrechter zal oordelen dat -bij afwezigheid van de samenspanning tussen Yieldforce ([eiser]) en [B.]- Yieldforce na het verstrijken van 7 dagen na ommekomst van de bezwaartermijn, dus op 5 maart 2020, op basis van de overeenkomst verplicht om was het gebouw af te nemen en de koopsom te betalen.

De omstandigheid dat Yieldforce dat niet heeft gedaan zal dan de consequentie hebben dat zij op grond van de koopovereenkomst een onmiddellijk opeisbare boete is verschuldigd aan Beauvast ter hoogte van 10% van de koopprijs van het gebouw, € 1.760.000,-. Aansprakelijkheid [eiser]? 4.11. Daarmee is de voorzieningenrechter toe aan de vraag of [eiser] als enig (indirect) bestuurder van Yieldforce persoonlijk aansprakelijk is voor de omstandigheid dat de contractueel verschuldigde boete door Yieldforce niet kan worden voldaan 4.12. Uitgangspunt bij de beantwoording van die vraag is dat de bestuurder van een rechtspersoon slechts onder bijzondere omstandigheden uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens een derde, indien die rechtspersoon, van wie hij bestuurder is, haar verplichtingen jegens die derde niet nakomt.

Het is vaste jurisprudentie dat aan de bestuurder een voldoende ernstig persoonlijk verwijt gemaakt moet kunnen worden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 oktober 1989 (NJ 1990/286 (Beklamel)) een specifieke zorgvuldigheidsnorm ontwikkeld. Een bestuurder kan aansprakelijk zijn uit onrechtmatige daad wanneer hij de rechtspersoon een overeenkomst laat sluiten met een derde terwijl hij weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de rechtspersoon niet (tijdig) zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden voor de schade die de derde als gevolg van de wanprestatie lijdt. 4.13.

In het onderhavige geval is Yieldforce, een lege projectvennootschap, een verbintenis aangegaan waaruit een even voorzienbare als substantiële betalingsverplichting voor Yieldforce voortvloeide. Indien [eiser] ten tijde van het aangaan van deze verbintenis wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Yieldforce, die als koper zou optreden, (i) niet - of niet binnen een redelijke termijn - haar betalingsverplichting kon nakomen (onvoldoende liquiditeit) en (ii) aan Beauvast geen verhaal zou bieden (onvoldoende solvabiliteit) valt [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter in beginsel een ernstig persoonlijk verwijt jegens Beauvast te maken en is de onrechtmatige daad van [eiser] als (indirect) bestuurder van Yieldforce gegeven, tenzij [eiser] zich kan beroepen op rechtvaardigende of verontschuldigende omstandigheden. 4.14. [eiser] heeft zich daarop beroepen en stelt ter onderbouwing dat hij twee opties had om de aankoop van het gebouw te financieren: ofwel zelf financieren van het gebouw en de verbouwing daarvan, waarvoor [eiser] een financieringsvoorstel bij Fiduciam had aangevraagd, of doorverkoop aan een eindbelegger.

Deze beide sporen werden echter doorkruist door de plotselinge uitbraak van Corona, waardoor Fiduciam haar financieringsvoorstel introk en eindbeleggers zich veel terughoudender gingen opstellen. Dit een en ander in aanmerking genomen meent [eiser] dat niet kan worden gezegd dat hij de koopovereenkomst is aangegaan terwijl hij wist of behoorde te begrijpen dat Yieldforce niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. De voorzieningenrechter oordeelt omtrent dit betoog als volgt. 4.15. Zoals niet ongebruikelijk bij projectontwikkeling als hier aan de orde, is door [eiser] een separate projectvennootschap opgericht met het doel vastgoed te verwerven en met separate financiering te ontwikkelen.

Namens Beauvast is ter zitting opgemerkt dat aan de makelaar die voor [eiser] optrad uitdrukkelijk te kennen is gegeven dat een financieringsvoorbehoud niet tot de mogelijkheden behoorde. Dat is ook met zoveel woorden in de overeenkomst vastgelegd. 4.16. De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] bij ondertekening van de overeenkomst op 15 november 2019 wist of had moeten begrijpen dat Yieldforce op 5 maart 2020 in een situatie zou kunnen komen te verkeren dat er in verband met haar afnameplicht € 17.600.000,- onder de notaris moest staan.

Toen [eiser] tekende wist hij (a) dat Yieldforce geen eigen middelen had en die, behoudens het rondkomen van financiering, op 5 maart 2020 ook niet zou hebben. Zekerheid dat die financiering dan rond zou zijn had [eiser] niet. Hij had weliswaar een kredietvoorstel van kredietverlener Fiduciam, maar dat voorstel was indicatief en verplichtte Fiduciam dus tot niets. 4.17. Voor zover [eiser] onder de geschetste omstandigheden al staande kan houden dat hem geen ernstig verwijt treft omdat hij op grond van dit kredietvoorstel de redelijke verwachting mocht hebben dat de financiering rond zou komen, brengt dit niet mee dat hij ook een beroep kan doen op Corona gerelateerde onvoorziene omstandigheden. [eiser] wist immers dat er een afnameplicht zou kunnen ontstaan op 5 maart 2020.

Op die datum was er van een Corona-crisis nog geen sprake. [eiser] heeft niet toegelicht wat er toe heeft geleid dat hij op 5 maart 2020 de financiering nog niet rond had. Uit het tweesporentraject dat [eiser] stelt te hebben gevolgd en uit [eiser] typering van art. 19 lid 3 van de koopovereenkomst als een beding dat heeft meegebracht dat een financieringsvoorbehoud “commercieel uitgesloten” was, leidt de voorzieningenrechter af dat hij bewust en opzettelijk het risico heeft gelopen dat Yieldforce, op het moment waarop zij juridisch tot afname verplicht zou zijn, de financiering niet rond zou hebben. 4.18.

De keuze om dat risico als kopende vennootschap te lopen is een besluit waar [eiser] als enig bestuurder volledig verantwoordelijk voor is. Die keuze, gemaakt in een situatie waarin de verkoper uitdrukkelijk heeft bedongen dat dit voorbehoud door de koper niet kan worden gemaakt terwijl de bestuurder weet dat de mogelijkheid om af te nemen uitsluitend en alleen van het hebben van financiering afhankelijk is, is, wanneer het risico zich realiseert, voldoende om een ernstig verwijt aan de bestuurder te rechtvaardigen. 4.19. Gelet op het feit dat Beauvast nog tot in juni 2020 bereid is geweest om tot uitvoering van de overeenkomst te komen indien Yieldforce alsnog had kunnen financieren, moet ook nog ingegaan worden op de vraag of [eiser] in zoverre wel een beroep op de door Corona veroorzaakte onmogelijkheid van financiering toekomt. 4.20.

Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Het expliciet uitsluiten van opname van een financieringsvoorbehoud door de verkoper kan immers geen andere betekenis hebben dan duidelijk te stipuleren dat het enkele ontbreken van financiering verzuim zal opleveren. Aldus bezien is het uitblijven van financiering, om welke reden dan ook, als omstandigheid in de overeenkomst verdisconteerd, en dus niet onvoorzien. Het verwijt om de overeenkomst zonder de zekerheid van financiering aan te gaan treft de bestuurder ook na het uitbreken van de Corona crisis even hard. 4.21.

Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de door Beauvast gepretendeerde vordering op [eiser] wegens bestuurdersaansprakelijkheid is gebleken. Belangenafweging 4.22. De voorzieningenrechter komt nu toe aan de vraag of het voorgaande ook de handhaving van alle beslagen rechtvaardigt. Daartoe moet onder meer worden ingegaan op hetgeen Brasa als belanghebbende bij opheffing ter onderbouwing van haar ondersteuning van de daartoe strekkende vordering heeft aangevoerd. 4.23. Brasa heeft aangevoerd dat zij ter fine van de aankoop en verbouwing van het beslagen gebouw staande en gelegen te (1462 MD) Purmerend aan de Rijperweg 83 een obligatielening van €4.000.000,- dient te verweven.

Zij wil dat doen door de uitgifte van 1.600 obligaties en is daar inmiddels mee begonnen. Ze heeft die uitgifte door het gelegde beslag noodgedwongen moeten staken. Brasa verstrekt aan haar obligatiehouders een eerste recht van hypotheek. Deze verplichting kan niet worden nageleefd als het gebouw niet tijdig kan worden geleverd, aldus Brasa. Bovendien stelt Brasa dat potentiële obligatiehouders door het conservatoir beslag worden afgeschrikt, waardoor de benodigde fondsen niet binnenkomen en de projectontwikkeling vertraging dreigt op te lopen, met o.m. leegloopschade als gevolg. 4.24. [eiser] heeft aangevoerd dat hij ermee wordt geconfronteerd dat de hypotheekhouder van zijn woonhuis de hypothecaire lening heeft opgezegd als gevolg van het beslag.

Dit zou voor [eiser] betekenen dat, indien het beslag niet wordt opgeheven, [eiser] de totale lening met rente en kosten (ter hoogte van 1.500.000,-) per 18 augustus 2020 zou moeten aflossen. [eiser] heeft ter zitting aangegeven dat hij hier de middelen niet voor heeft en dat in een dergelijke situatie zijn woonhuis executoriaal verkocht zal moeten worden. 4.25. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. [eiser] heeft ter zitting aangegeven dat hij nog steeds wil komen tot nakoming van de overeenkomst. Beauvast heeft laten weten dat die ruimte er wat haar betreft niet meer is.

Zij koerst op ontbinding en incasso van de boete. Partijen lijken het daarbij op één punt roerend met elkaar eens te zijn: de markt voor de onderhavige projectontwikkeling (studentenhuisvesting) was en is uitstekend. Het verbaast dan ook niet dat Beauvast - wellicht mede aangespoord door de ruige wijze waarop [eiser] het spel (b)lijkt te spelen - er nu voor heeft gekozen om een nieuwe deal met een ander te sluiten. Ook dat gaat ruig. Beauvast blijkt er niet voor terug te schrikken om, achter de rug van [eiser] om, rechtstreeks gesprekken te voeren met een partij die bij [eiser] als afnemer van Yieldforce in beeld was, waarbij de instandhouding van die relatie niet bepaald voorop lijkt te staan.

De voorzieningenrechter ziet in een en ander aanleiding om ernstig rekening te houden met de mogelijkheid dat de bodemrechter de boete-aanspraken van Beauvast zal temperen. 4.26. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat niet onaannemelijk is dat Brasa last heeft van de gelegde beslagen. Weliswaar is het technisch mogelijk om de levering te realiseren en het beslag op de verkoopopbrengst te laten rusten, maar de middelen waaruit die verkoop betaald moet worden, zullen wel eerst door uitgifte van obligaties bijeen moeten worden gebracht. De werkelijke last is vooralsnog niet goed te overzien. 4.27.

Maar dat hoeft ook niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat handhaving van de Beslagen met herbegroting van de vordering, inclusief rente en kosten op € 1.200.000,- voldoende rechtdoet aan het verhaalsbelang van Beauvast. Dat oordeel biedt wellicht mogelijkheden voor de betrokken advocaten om in overleg te komen tot herstructurering van de beslaglegging op zodanige wijze dat de door de Beslagen geraakte belangen van [eiser] en Brasa enigermate worden ontzien. 4.28. De voorzieningenrechter zal dan ook een tussenvonnis wijzen, waarin wordt bepaald dat de vordering waarvoor de beslagen zijn gelegd inclusief rente en kosten wordt herbegroot op € 1.200.000,-.

Aan [eiser] wordt verzocht om in overleg met Brasa binnen een week schriftelijk te laten weten op welke wijze hij denkt voor verhaal van een vordering inclusief rente en kosten tot dit bedrag, door gedeeltelijke handhaving van beslagen of anderszins, voldoende zekerheid te bieden. Beauvast krijgt vervolgens een week om daarop schriftelijk te reageren. Zo nodig zal daarna verder worden beslist.

5De beslissing

De voorzieningenrechter 5.1. bepaalt dat de vordering waarvoor de beslagen zijn gelegd inclusief rente en kosten wordt herbegroot op € 1.200.000,-, 5.2. Houdt de zaak twee weken aan voor uitlating als hiervoor bedoeld. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. Maunder-Cockram op 25 augustus 2020. type: coll: