Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2020:6622 ECLI:NL:RBNHO:2020:6622 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:6622 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2020:6622
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:17 van de Awb; ECLI:NL:RBNHO:2020:6622 · Rechtbank Noord-Holland: Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil 5. Voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is sprake van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten; een andersluidende uitleg van deze bepalingen en het Bpb zou te veel afbreuk doen aan de door de wetgever om dit verband beoogde eenvoud (zie HR 13 juli 2012, nr. 11/01222, ECLI:NL:HR:2012:BX0892, onderdeel 3.3.3).

Keywords

AI generated
joinder of claims municipal taxes public levies dispute liability of municipalities cumulative multi-stage tax cumulative pension entitlement

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:17 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2012:BX0892
Het geding in feitelijke instantie Aan belanghebbende zijn over de jaren 1990 tot en met 1997 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en over de jaren 1991 tot en met 1998 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van honderd percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging geen kwijtschelding is verleend. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht. Aan belanghebbende zijn voorts over de jaren 1998 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en over de jaren 1999 en 2000 navorderingsaanslagen in de VB opgelegd, alsmede boeten.
ECLI:NL:HR:2013:BZ6822
Het geding in feitelijke instanties Ten aanzien van belanghebbende is bij in één geschrift opgenomen beschikkingen de waarde van de onroerende zaken a-straat 1, b-straat 1, b-straat 2 en b-straat 3 te Q voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar) bij in één geschrift vervatte uitspraken de waarden op een lager bedrag vastgesteld en daarbij een vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar toegekend.
ECLI:NL:HR:2015:19
9 januari 2015 nr. 14/03962 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2014, nr. 13/01092, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel (nr. AWB 13/599) betreffende de ten aanzien van belanghebbende genomen beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) voor het jaar 2012 betreffende de onroerende zaken [a-straat 1], [a-straat 2], [b-straat 1] en [c-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2015:1352
29 mei 2015 nr. 14/05515 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 oktober 2014, nr. AWB 14/1568 en 14/1569, betreffende de beschikking tot vaststelling van een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 Awb alsmede de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:RVS:2014:1870
201305144/1/A3. Datum uitspraak: 28 mei 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2013 in de zaken nrs. 13/8, 13/866, 13/1532, 13/1556 en 13/1732 in het geding tussen: [appellant] en de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW). Procesverloop Bij e-mailbericht van 14 juli 2012 heeft [appellant] de RDW verzocht om openbaarmaking van de gegevens, opgeslagen in het Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem (hierna:
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/374 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2020 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiseres (gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk), en de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 28 februari 2018 een WOZ-beschikking over 2018 vastgesteld alsmede een aanslag gemeentelijke heffingen opgelegd (afvalstoffenheffing, onroerende-zaakbelasting eigenaar en rioolheffing). De beschikkingen en heffingen zijn op één aanslagbiljet vermeld.

Verweerder heeft op 12 april 2018 een bezwaarschrift gericht tegen deze heffingen ontvangen. Verweerder heeft op 15 februari 2019 een ingebrekestelling ontvangen. Verweerder heeft bij beschikking van 13 mei 2019 bepaald dat eiseres recht heeft op de maximale dwangsom van € 1.442. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2019 de bezwaren ongegrond verklaard. Verweerder heeft op 25 juni 2019 een bezwaarschrift ontvangen gericht tegen het dwangsombesluit. Op 20 augustus 2019 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 oktober 2019 het bezwaar tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld, door de rechtbank ontvangen op 16 oktober 2019. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [A] . Overwegingen 1. In geschil is of verweerder het juiste bedrag aan dwangsom aan eiseres heeft uitbetaald, in het bijzonder of verweerder eenmaal dan wel driemaal de maximale dwangsom is verschuldigd.

2. Eiseres stelt dat sprake is van drie bezwaarschriften gericht tegen drie heffingen. Ten aanzien van alle drie de bezwaarschriften heeft verweerder niet tijdig beslist zodat driemaal de maximale dwangsom is verschuldigd.

3. Verweerder voert aan dat sprake is van meerdere op één aanslagbiljet vermelde heffingen zodat ook sprake is van één bezwaar. Overigens heeft eiseres ook slechts één bezwaarschrift ingediend. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil 5. Voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is sprake van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten; een andersluidende uitleg van deze bepalingen en het Bpb zou te veel afbreuk doen aan de door de wetgever om dit verband beoogde eenvoud (zie HR 13 juli 2012, nr. 11/01222, ECLI:NL:HR:2012:BX0892, onderdeel 3.3.3).

6. De Hoge Raad heeft beslist (Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822 en Hoge Raad 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:19) dat voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht sprake is van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. Deze arresten van de Hoge Raad zien op een situatie waarin bezwaar wordt gemaakt tegen op één aanslagbiljet vermelde WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerende-zaakbelastingen die betrekking hebben op meerdere onroerende zaken die zijn gelegen binnen dezelfde gemeente.

7. Anders dan eiseres heeft betoogd, kan uit de door eiseres genoemde jurisprudentie niet worden afgeleid dat op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb in ieder geval waarin het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist over meerdere besluiten, evenzovele dwangsommen verschuldigd zijn als er besluiten hadden moeten worden genomen. In lijn met de desbetreffende rechtspraak van de Hoge Raad (arrest van 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1870) overweegt de rechtbank dat een uitzondering op het beginsel, dat per niet tijdig genomen besluit een dwangsom verschuldigd is, behoort te gelden in de situatie waarin aanvragen - inclusief bezwaarschriften - (nagenoeg) gelijktijdig zijn gedaan en inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb met zich brengt dat slechts één dwangsom wordt verbeurd.

Voorts heeft voor ieder besluit te gelden dat sprake moet zijn geweest van een desbetreffende schriftelijke ingebrekestelling. Mede met inachtneming van dit toetsingskader ziet de rechtbank geen aanleiding om voor de berekening van de dwangsom af te wijken van het oordeel van de Hoge Raad dat in geval van op één aanslagbiljet vermelde besluiten sprake is van één bezwaarschrift. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu ook sprake van voldoende inhoudelijke samenhang. Eiseres heeft bovendien één bezwaarschrift alsmede slechts één ingebrekestelling ingediend.

Verweerder is derhalve eenmaal het bedrag van € 1.442 verschuldigd.

8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is gedaan op 9 september 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.