Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2020:6347 ECLI:NL:RBNHO:2020:6347 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:6347 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2020:6347
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Gerechtshof Den Haag 19 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1204. Gerechtshof Amsterdam 28 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1409. Vergelijk Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBNHO:2020:6347 · Rechtbank Noord-Holland: Naar aanleiding van die brief heeft de griffier van de rechtbank op 5 augustus 2020 telefonisch contact gezocht met de gemachtigde van eiser en van hem vernomen dat deze het beroep niet zou intrekken.

Keywords

AI generated
procedural costs complexity of proceedings costs of expert opinion valuation proceedings standard of proof obligation to quantify claims

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht
Verweerder heeft bij brief van 14 mei 2019 een beroep gedaan op geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHDHA:2020:1204
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-19/00672 en BK-19/00685 t/m BK-19/00688 Uitspraak van 19 juni 2020 in het geding tussen: [Belanghebbende] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende en dat van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 23 september 2019, nummers SGR 19/415, SGR 19/418, SGR 19/420, SGR 19/421 en SGR 19/422. Overwegingen 1.1. De aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde beschikking (achterwaartse verliesverrekening) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) met een verzamelinkomen van € 69.522 leidt na de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 met een gelijk verzamelinkomen, opgelegd in verband met deels ten onrechte verleende verliesverrekening van 2013, met een te betalen bedrag van € 368, uiteindelijk tot een vermindering c.q. te ontvangen bedrag van € 113. 1.2.
ECLI:NL:GHAMS:2020:1409
Een te hanteren bedrag aan (minimaal) te betalen belasting naar aanleiding van correcties van €225 per individuele belastingaanslag, dus per middel en belastingplichtige; Negatieve correcties in het voordeel van belastingplichtige worden altijd aangebracht.
ECLI:NL:HR:2011:BT2293
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.
ECLI:NL:GHSHE:2018:4638
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 17/00149 en 17/00151 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 27 december 2016, nummer AWB 16/998 en 16/999, in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, hierna: de Heffingsambtenaar, betreffende de hierna vermelde beschikkingen en aanslagen. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
ECLI:NL:HR:2016:252
19 februari 2016 nr. 14/03907 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenaam van [A] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 juli 2014, nr. BK-13/00675, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 10/2071‑isv) betreffende het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2013:BZ6822
Het geding in feitelijke instanties Ten aanzien van belanghebbende is bij in één geschrift opgenomen beschikkingen de waarde van de onroerende zaken a-straat 1, b-straat 1, b-straat 2 en b-straat 3 te Q voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar) bij in één geschrift vervatte uitspraken de waarden op een lager bedrag vastgesteld en daarbij een vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar toegekend.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/1083 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2020 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiser (gemachtigde: M. Collij), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.970. Voorts is bij beschikking een bedrag van € 92 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.330. De eerder in rekening gebrachte beschikking belastingrente is daarom verminderd tot € 19. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft bij brief van 14 mei 2019 een beroep gedaan op geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht. Van de betreffende bijlage is een geschoonde versie overgelegd. Verweerder heeft verzocht om beperkte kennisneming van de ongeschoonde versie.

De geheimhoudingskamer heeft bij beslissing van 6 februari 2020 het verzoek van verweerder tot beperkte kennisneming voor de betreffende bijlage toegewezen. Bij brief van 21 februari 2020 heeft eiser desgevraagd aangegeven dat hij de rechtbank geen toestemming verleent kennis te nemen van de hem niet ter beschikking staande delen van de gedingstukken. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2020 te Haarlem. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en [B] .

Overwegingen Feiten 1. Op 2 november 2016 is de aanslag ib/pvv voor het jaar 2014 conform de door de gemachtigde elektronisch ingediende aangifte aan eiser opgelegd. Daarbij is een persoonsgebonden aftrek van € 2.907 in aanmerking genomen (een aftrekbaar bedrag van € 1.640 aan onderhoudsverplichtingen voor eisers kinderen en een aftrekbedrag van € 1.267 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten). Bij deze aanslag is aan eiser ook de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack) van € 2.133 verleend.

2. Nadat bij de navordering van de geclaimde persoonsgebonden aftrek van € 2.907 een bedrag van € 2.082 werd teruggenomen en de iack geheel werd geweigerd, heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 18 januari 2019 een bedrag van € 2.465 aan persoonsgebonden aftrek toegestaan en is de iack geheel verleend. De kosten van de bezwaarfase zijn hierbij aan eiser vergoed onder toepassing van wegingsfactor 1 (gemiddeld) voor de zwaarte van de zaak.

3. Na de uitspraak op bezwaar is de navorderingsaanslag op 6 februari 2019 ambtshalve verder verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.323. Deze verdere vermindering van het belastbare inkomen had vanwege de geringe omvang (€ 7 minder) geen effect op de verschuldigde belastingrente van € 19.

4. Er is dus na het aanwenden van het rechtsmiddel bezwaar en na de ambtshalve vermindering ten opzichte van de opgelegde (primitieve) aanslag per saldo een correctie op het belastbare inkomen aangebracht van € 435 (€ 2.907 - € 2.465 - € 7).

5. In aanloop naar de zitting van de rechtbank heeft verweerder bij brief van 31 juli 2020 aan eiser laten weten dat recente jurisprudentie aanleiding is om de navorderingsaanslag te vernietigen. De verminderingsbeschikking is opgemaakt en deze zal eiser binnen korte tijd ontvangen. Verweerder stelt voor om een bedrag van € 525 voor de proceskosten in de beroepsfase te vergoeden. Voor toekenning van een zwaardere wegingsfactor dan 1 (gemiddeld) ziet verweerder in deze zaak geen aanleiding. Verweerder ziet dus ook geen grond voor een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase dan reeds is toegekend. Verder laat verweerder weten dat eiser recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.000, omdat er tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de brief (afgerond) 7 maanden zijn verstreken.

6. Naar aanleiding van die brief heeft de griffier van de rechtbank op 5 augustus 2020 telefonisch contact gezocht met de gemachtigde van eiser en van hem vernomen dat deze het beroep niet zou intrekken.

7. Ter zitting bij de rechtbank heeft verweerder toegelicht dat de navorderingsaanslag inmiddels administratief vernietigd is en dat de verminderingsbeschikking verzonden zal worden met dagtekening 14 augustus 2020. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij uitgaat van de vernietiging van de navorderingsaanslag. De rechtmatigheid van de navorderingsaanslag is daarom niet langer tussen partijen in geschil. Geschil 8. In geschil is of eiser recht heeft op vergoeding van de kosten in de bezwaarfase en beroepsfase onder toekenning van wegingsfactor 1,5 (zwaar) voor deze zaak.

Beoordeling van het geschil Navorderingsaanslag 9. Vanwege de vernietiging van de navorderingsaanslag is het beroep reeds gegrond. Kosten bezwaar 10. Eiser stelt dat deze zaak als ‘zwaar’ moet worden aangemerkt, zodat voor de kostenvergoeding in de bezwaarfase wegingsfactor 1,5 had moeten gelden. De vergoeding voor kosten in de bezwaarfase was daarom te laag. Eiser stelt dat wegingsfactor ‘zwaar’ gepast is in deze zaak, omdat het om een juridisch evidente kwestie ging en het hem zeer veel moeite heeft gekost om de vermindering van de navorderingsaanslag te bewerkstelligen.

Eiser verwijst ter verdere onderbouwing van zijn standpunt naar de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 19 juni 2020 waarin voor een soortgelijke zaak van het kantoor van dezelfde gemachtigde wegingsfactor 2 (zeer zwaar) werd toegekend. Gerechtshof Amsterdam heeft weliswaar in de zaak van 28 mei 2020 wel wegingsfactor 1 (gemiddeld) gehanteerd, maar dit is volgens eiser te verklaren door de omstandigheid dat in die zaak niet is verzocht om toekenning van een zwaardere wegingsfactor.

11. Verweerder brengt daartegen in dat deze zaak niet ingewikkelder is dan een gemiddelde zaak. De door eiser genoemde uitspraak van Gerechtshof Den Haag moet als uitzondering worden beschouwd. In de andere zaken zoals deze kennen rechtbanken en gerechtshoven wegingsfactor 1 (gemiddeld) toe.

12. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door de aard, het belang en de ingewikkeldheid. De hoeveelheid werk van een gemachtigde is daarbij niet doorslaggevend, maar wel de gecompliceerdheid van zijn werkzaamheden. In beginsel wordt de wegingsfactor op 1 (gemiddeld) gesteld, tenzij er aanleiding is om van dat uitgangspunt af te wijken. Indien daarover wordt geklaagd, toetst de rechter de in eerdere fasen van het geding toegekende proceskostenvergoeding volledig en niet marginaal. Deze toets betreft ook de beoordeling van de zwaarte van de zaak.

Indien de rechter bij het doen van uitspraak een proceskostenvergoeding voor het beroep of hoger beroep toekent, zal hij zelf de zwaarte van de zaak in die fase beoordelen. Anders dan eiser betoogt, is niet relevant of een gemachtigde de rechter heeft verzocht om toekenning van een zwaardere wegingsfactor dan gemiddeld. Er kan daarom wel degelijk betekenis worden toegekend aan uitspraken waarin de rechter een wegingsfactor 1 (gemiddeld) op zijn plaats achtte, ook wanneer de desbetreffende gemachtigde niet om een zwaardere weging had verzocht.

15. De rechtbank acht deze zaak zoals die in bezwaar voorlag in haar aard niet van een grotere complexiteit of van een groter belang dan een gemiddelde zaak. Er is daarom geen aanleiding om aan deze zaak zoals die in de bezwaarfase heeft gediend een zwaardere wegingsfactor dan 1 (gemiddeld) toe te kennen. In complexiteit en belang steeg deze zaak in de bezwaarfase niet uit boven de zaak zoals die in hoger beroep voorlag bij het Gerechtshof Amsterdam en die leidde tot de onder punt 10 genoemde uitspraak van 28 mei 2020, waarbij het Gerechtshof wegingsfactor 1 (gemiddeld) toekende voor de hoger beroepsfase.

16. De kostenvergoeding voor de bezwaarfase is daarom met een juiste wegingsfactor, namelijk 1 (gemiddeld), berekend en daarmee tot een juist bedrag toegekend. Immateriële schadevergoeding 17. Eiser verzoekt om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn van twee jaar voor het doen van een uitspraak in bezwaar en beroep. Een uitspraak in eerste aanleg is niet binnen een redelijke termijn gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Het bezwaarschrift is ingediend op 8 januari 2018, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 18 januari 2019 en de rechtbank doet uitspraak op 21 augustus 2020. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld noch gebleken. In deze zaak is daarom de redelijke termijn overschreden met (afgerond) acht maanden. De overschrijding is voor zeven maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor één maand aan de beroepsfase. Gelet hierop bedraagt de immateriële schadevergoeding in deze zaak in totaal € 1.000 (2 x € 500).

Hiervan dient een bedrag van € 875 door verweerder vergoed te worden en een bedrag van € 125 door de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid). Proceskosten beroep 20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten voor het beroep. In het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) of de systematiek daarvan ligt niet besloten dat een eenmaal toegepaste wegingsfactor voor elke volgende fase van de procedure blijft gelden. Dit geldt temeer als het geschil in de bezwaarfase niet gelijk was aan dat in de beroepsfase.

21. In deze zaak was het geschil in de beroepsfase niet gelijk aan dat in de bezwaarfase. Eiser stelt dat voor de beroepsfase wegingsfactor 1,5 (zwaar) moet worden toegepast.

22. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om in deze zaak voor de beroepsfase af te wijken van het uitgangspunt dat de wegingsfactor voor de proceskosten in beginsel op 1 (gemiddeld) wordt vastgesteld. Bij aanvang van de beroepsfase was de navorderingsaanslag nog in geschil en ter zitting werd duidelijk dat het voorliggende geschil enkel nog betrekking had op de proceskostenvergoedingen. De vragen en beroepsgronden die in de beroepsfase als geheel aan de orde kwamen kwalificeert de rechtbank als passend bij een zaak van gemiddelde zwaarte. Naar het oordeel van de rechtbank is factor 1 (gemiddeld) een passende weging voor de aard en ingewikkeldheid van deze zaak in de beroepsfase.

23. Op grond van het Bpb stelt de rechtbank de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar, behoudens de beslissing over de kosten van bezwaar; vernietigt – voor zover nodig – de navorderingsaanslag; veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiser van de immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 875; veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiser van de immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 125; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050, en draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ferrier, rechter, in aanwezigheid van E.H. Mazel, griffier. De beslissing is gedaan op 21 augustus 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Gerechtshof Den Haag 19 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1204. Gerechtshof Amsterdam 28 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1409. Vergelijk Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822.