Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2020:6028 ECLI:NL:RBNHO:2020:6028 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:6028 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2020:6028
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/290394 / HA ZA 19-424 Vonnis van 22 juli 2020 in de zaak van vennootschap onder firma FA. KWEKERIJ P. VAN DUIN, gevestigd te Schagerbrug, gemeente Schagen, eiseres, advocaat: mr. I.N.A. Denninger te Haarlem, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon PROVINCIE NOORD-HOLLAND, zetelend te Haarlem, gedaagde, advocaat: mr. J.A.C.M. Nielen te Haarlem. Partijen zullen hierna Van Duin en de Provincie genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 15 april 2020 en de daarin genoemde stukken; de akte uitlaten met producties 29 en 30 van de zijde van de Provincie. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:162 BW; ECLI:NL:RBNHO:2020:6028 · Rechtbank Noord-Holland: Nu Van Duin - behalve de reeds in het tussenvonnis besproken argumenten - geen andere gronden aan zijn betoog ten grondslag heeft gelegd, leidt dit tot de conclusie dat de Provincie niet onrechtmatig heeft gehandeld, zodat aan het eerste vereiste voor vestiging van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW niet is voldaan. Aan de vraag of aan de overige vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan, bijvoorbeeld of sprake is van een causaal verband tussen het handelen van de Provincie en de schade van Van Duin, wordt daarom niet toegekomen. beroep op rechtmatige overheidsdaad (egalité beginsel) 2.9.

Keywords

AI generated
liability for water damage pollution from agricultural sources professional misconduct water-hazardous liquid water quality over-exploitation of resources

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:162 BW

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1965:AB7079
dat hij, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, tegelijkertijd met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; dat het voor hem niet mogelijk was door de zich ter plaatse bevindende coca-colakistjes aan de rechterzijde te passeren, omdat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, en dat de kistjes en de zich aldaar bevindende personen bovendien het zicht op het keldergat hebben ontnomen; (3a) ‘’dat – wat het probandum sub 1 betreft – het Hof bewezen acht, dat Duchateau, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, (3b) dat immers uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom blijkt, dat het voor Duchateau niet mogelijk is geweest, om rechts achter de coca-colakistjes om te lopen, daar reeds de van het luik af naar voren geschoven stoelen en de daaronder geschoven opgerolde mat dit beletten; (4) ‘’dat – wat dit deel van het probandum betreft – het Hof niet bewezen acht, dat Duchateau daarop met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; (5) ‘’dat het Hof echter niet van overwegend belang acht, wat Duchateau in de laatste ogenblikken vóór zijn val na het passeren van de kistjes heeft gedaan, nu door de wederpartij niet is bestreden, dat hij per ongeluk in het kelderruim is gevallen en niet als gevolg van een gewaagde poging, om over het kelderruim heen toch in het herentoilet te komen; (6) ‘’wat het tweede deel van het probandum betreft: (6a) dat niet is bewezen, dat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, (6b) dat integendeel dit volgens de verklaring van getuige Sjouwerman niet het geval was, terwijl getuige Boom deze verklaring heeft bevestigd met zijn verklaring, dat volgens zijn herinnering aan dit tafeltje geen mensen zaten, (6c) dat daarmede allereerst een der redenen is komen te vervallen, waarom Duchateau volgens zijn posita niet rechts van de kistjes kon passeren, doch dat dit niet meer van belang is, nu is gebleken, dat hij dit uit anderen hoofde niet kon doen, (6d) dat verder echter door dit niet-bewezen zijn niet is gebleken, dat voormeld aanwezig zijn van mensen voor Duchateau het zicht op het keldergat heeft ontnomen, (6e) dat hiermede van de door Duchateau gestelde en in het probandum overgenomen redenen, waarom hij het keldergat niet heeft kunnen waarnemen, alleen de aanwezigheid der op elkaar gestapelde coca-colakistjes overblijft, (6f) dat echter, zoals de door de politie na het ongeval gemaakte en in het geding gebrachte foto’s duidelijk uitwijzen, de omvang van deze coca-colakistjes niet zodanig was, dat daarmede het gat geheel onzichtbaar werd gemaakt, terwijl voorts – naar uit die foto’s blijkt – het openstaande luik duidelijk boven de kistjes zichtbaar moet zijn geweest; (7) ‘’dat hieruit volgt, dat Duchateau niet op de omgeving van het herentoilet heeft gelet, toen hij daarbij was gekomen, en het nu de vraag is, of er reden voor hem bestond, om dit te doen; (8a) ‘’dat – al neemt men aan, dat Duchateau vóór het ongeval het openstaande luik niet heeft opgemerkt, gelijk hij beweert, doch de wederpartij betwist – toch voor Duchateau reden bestond bij het naderen van het toilet om zich heen te zien, alvorens verder te gaan, (8b) dat de deur van het herentoilet, naar Coca-Cola heeft gesteld, getuige Sjouwerman heeft verklaard en op de overgelegde situatiefoto’s is te zien, ingevolge de stand van de meergenoemde kistjes slechts gedeeltelijk open kon, (8c) dat dit feit, hetwelk Duchateau niet kan zijn ontgaan, hem zeker tot een opnemen van de omgeving had moeten brengen, zo hem de vreemde plaats van de kistjes daar – gedeeltelijk op het pad – al niet een waarschuwing had moeten zijn, om op die omgeving te letten; (9) ‘’dat, indien hij dit had gedaan, hem het zich daar ter plaatse bevindende keldergat niet had kunnen ontgaan, hetwelk naar uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom moet worden afgeleid, voldoende verlicht was; (10) ‘’dat hieruit volgt, dat hij schuld aan het ongeval heeft, en het thans nog slechts de vraag is, of hier van alle schuld, gelijk de Rechtbank heeft aangenomen, dan wel slechts van medeschuld aan zijn zijde sprake is; (11a) ‘’dat volgens de verklaring van de toenmalige eigenaar van de zaak, getuige Boom, deze in geval hij het luik moest openen, het keldergat barricadeerde met stoelen, (11b) dat getuige Sjouwerman ook gemakkelijk dit gat op deze wijze had kunnen barricaderen, (11c) dat hij dit niet heeft gedaan, maar zich volgens zijn eigen verklaring en die van getuige Boom bepaald heeft tot een opstapelen van de kistjes met lege flessen naast het keldergat, zonder de toegang tot de toiletten geheel af te sluiten; (11d) dat Sjouwerman er rekening mede had behoren te houden, dat bezoekers aan de toegang tot het toilet wellicht niet hun volledige aandacht zouden besteden, (11e) dat, gelet op de eenvoudige middelen, waarmede Sjouwerman – als voormeld – de toegang tot het keldergat afdoende had kunnen barricaderen, zo hij meende zich vandaar te moeten verwijderen, ook hem schuld aan het ongeval treft; (12) ‘’dat het Hof, de schuld van Duchateau en die van Sjouwerman tegen elkaar afwegende, van oordeel is, dat ieder van hen voor de helft aansprakelijk is voor het ongeval; (13) ‘’dat derhalve de door Duchateau aangevoerde grief gedeeltelijk is gegrond en Coca-Cola voor de helft van de door het ongeval geleden schade aansprakelijk is te stellen;’’ Overwegende dat Coca-Cola ’s Hofs arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
ECLI:NL:HR:2004:AO4224
Het geding in feitelijke instanties Met een op 19 maart 2001 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, hierna: het gerecht, ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - zich gewend tot dat gerecht en verzocht voor recht te verklaren dat verweerster in cassatie - verder te noemen: PJIAE - voor 100% aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het ten processe bedoelde voorval en PJIAE te veroordelen aan [eiseres] de schade te betalen nader op te maken bij staat. PJIAE heeft de vordering bestreden. Het gerecht heeft bij vonnis van 27 november 2001 de vordering ontzegd. Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, hierna: het hof. Bij vonnis van 29 november 2002 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bevestigd. Het vonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2001:AB0801
Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 20 december 1995 eiser tot cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en veroordeling van de Staat gevorderd tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van ƒ 17.201,92, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 13.942,74 vanaf 25 juni 1993 en met de wettelijke rente over ƒ 3.259,18 vanaf de dag der dagvaarding. De Staat heeft de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 oktober 1997 een comparitie van partijen gelast, [verweerster] en de Staat tot bewijslevering toegelaten en voor het overige iedere beslissing aangehouden. Tegen dit tussenvonnis heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 18 november 1999 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd en de zaak terugverwezen naar de Rechtbank te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/290394 / HA ZA 19-424 Vonnis van 22 juli 2020 in de zaak van vennootschap onder firma FA. KWEKERIJ P. VAN DUIN, gevestigd te Schagerbrug, gemeente Schagen, eiseres, advocaat: mr. I.N.A. Denninger te Haarlem, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon PROVINCIE NOORD-HOLLAND, zetelend te Haarlem, gedaagde, advocaat: mr. J.A.C.M. Nielen te Haarlem. Partijen zullen hierna Van Duin en de Provincie genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 15 april 2020 en de daarin genoemde stukken; de akte uitlaten met producties 29 en 30 van de zijde van de Provincie. 1.2.

Van Duin heeft per B-16 formulier van 4 juni 2020 aan de griffie medegedeeld af te zien van het nemen van een antwoordakte, en vonnis gevraagd. 1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. In het tussenvonnis van 15 april 2020 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank de Provincie in de gelegenheid gesteld te reageren op de ter comparitie door Van Duin ingenomen stelling over het verslag van bouwvergadering van 11 juni 2014, alsmede uiteen te zetten waarom het door het Hoogheemraadschap aangetroffen zoutgehalte te hoog was. schending zorgvuldigheidsnorm - bouwvergadering van 11 juni 2014 2.2.

Van Duin heeft zich ter comparitie op het standpunt gesteld dat uit het verslag van de bouwvergadering van 11 juni 2014 blijkt dat tijdens die vergadering is besproken dat het Hoogheemraadschap een “te hoog” zoutgehalte had aangetroffen in een sloot, en dat zowel door de aannemer als door de Provincie de mogelijke oorzaak uitgezocht dient te worden en eventueel een oplossing dient te worden aangedragen. De datering van het verslag van de bouwvergadering is cruciaal, omdat deze bouwvergadering volgens Van Duin heeft plaatsgevonden op 11 juni 2014, derhalve voordat hij op 21 en/of 22 juni 2014 het water uit de beregeningssloot gebruikte voor de besproeiing van zijn gewassen en schade leed.

Volgens Van Duin heeft de Provincie verzuimd de naburige agrariërs, die zichtbaar bezig waren met beregening, te waarschuwen voor de toen al bij haar bekende verzilting, wat volgens Van Duin op zichzelf al onrechtmatig is (zie 4.18 van het tussenvonnis). 2.3. De Provincie heeft - samengevat - aangevoerd dat dit standpunt van Van Duin niet is gebaseerd op de integrale verslagen van de bouwvergaderingen, maar op een samenvatting van de behandeling van de zoutproblematiek in de bouwvergaderingen, die is opgesteld door een ondersteuner van het projectteam van de Provincie, en die Van Duin van de Provincie heeft verkregen middels een WOB-verzoek.

De samensteller van de samenvatting heeft volgens de Provincie een vergissing gemaakt. De meting van het Hoogheemraadschap van een “te hoog” zoutgehalte is volgens de Provincie besproken in de bouwvergadering van 10 juli 2014 (derhalve nadat de schade van Van Duin had plaatsgevonden). Er heeft wel een bouwvergadering plaatsgevonden op 11 juni 2014, maar tijdens die vergadering is geen meting van het Hoogheemraadschap van een (te) hoog zoutgehalte aan de orde geweest. Deze vergissing in de samenvatting kan volgens de Provincie worden verklaard doordat op de eerste pagina van het verslag van de bouwvergadering van 10 juli 2014 weliswaar de juiste datum staat, maar dat bovenaan de overige pagina’s van het verslag van de vergadering van 10 juli 2014 ten onrechte de datum 11 juni 2014 (de datum van de vorige vergadering) is vermeld.

De Provincie heeft haar stellingen onderbouwd met het overleggen van de integrale verslagen van de bouwvergaderingen van 11 juni 2014 en 10 juli 2014 waaruit een en ander blijkt. Van Duin heeft afgezien van een reactie op het voorgaande. 2.4. Omdat Van Duin de met stukken onderbouwde toelichting van de Provincie niet heeft weersproken, zal de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaan. De feitenvaststelling in nr. 2.10 van het tussenvonnis dient daarom aldus te worden gecorrigeerd, dat de geciteerde passage niet is opgenomen in het verslag van de bouwvergadering van 11 juni 2014, maar in het verslag van de bouwvergadering van 10 juli 2014.

Dat betekent dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat de Provincie tijdens de bouwvergadering van 11 juni 2014 ermee bekend is geworden dat sprake was van een “te hoog” zoutgehalte in een sloot. 2.5. Dat de Provincie op een ander moment vóór 21 juni 2014 bekend is geworden met de (te) hoge zoutwaarden in de beregeningssloot is voorts niet gesteld of gebleken. Bij deze stand van zaken kan het beroep van Van Duin op het Kelderluik-arrest (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079) en het Jetblast-arrest (HR 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4224) niet slagen.

Die arresten zien immers op het geval waarin iemand een situatie in het leven roept of laat voortbestaan, die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, en geven antwoord op de vraag of aan diegene de eis kan worden gesteld dat hij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt. Hieraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat diegene ermee bekend is dat sprake is van een (potentieel) gevaarlijke situatie, terwijl daarvan in het onderhavige geval aan de zijde van de Provincie geen sprake is.

Ook gelet op hetgeen in het tussenvonnis is overwogen over de gestelde schending van een zorgvuldigheidsnorm door de Provincie, is immers niet komen vast te staan dat de Provincie voorafgaand aan 21 juni 2014 wist of moest weten dat sprake was van een (te) hoog zoutgehalte in het slootwater, of een (verhoogde) kans daarop. 2.6. Voor zover uit het overgelegde verslag van de bouwvergadering van 10 juli 2014 blijkt dat de Provincie op die datum wel bekend was met een te hoog zoutgehalte in de beregeningssloot (dat wil zeggen: een voor agrariërs gevaarlijk hoog zoutgehalte), hetgeen de Provincie overigens weerspreekt, leidt dit niet tot het oordeel dat de Provincie onzorgvuldig heeft gehandeld door Van Duin niet te waarschuwen.

Op dat moment (10 juli 2014) had de schade bij Van Duin zich reeds voorgedaan (op 21/22 juni 2014) en was de schade ook al door Van Duin geconstateerd (op 23 juni 2014), zodat een waarschuwing van de Provincie aan Van Duin zinloos zou zijn geweest. 2.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het betoog van Van Duin dat de Provincie onrechtmatig heeft gehandeld door Van Duin en andere naburige agrariërs, die zichtbaar bezig waren met beregening, niet te waarschuwen voor bij haar bekende verzilting in de sloot, niet kan worden gevolgd. 2.8. Gelet op hetgeen in het voorgaande en in het tussenvonnis is overwogen, is in deze procedure onvoldoende gebleken dat de Provincie een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden.

Nu Van Duin - behalve de reeds in het tussenvonnis besproken argumenten - geen andere gronden aan zijn betoog ten grondslag heeft gelegd, leidt dit tot de conclusie dat de Provincie niet onrechtmatig heeft gehandeld, zodat aan het eerste vereiste voor vestiging van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW niet is voldaan. Aan de vraag of aan de overige vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan, bijvoorbeeld of sprake is van een causaal verband tussen het handelen van de Provincie en de schade van Van Duin, wordt daarom niet toegekomen. beroep op rechtmatige overheidsdaad (egalité beginsel) 2.9.

Subsidiair heeft Van Duin een beroep gedaan op aansprakelijkheid van de Provincie wegens een rechtmatige overheidsdaad, op grond van het beginsel van de égalité devant les charges publiques. Volgens Van Duin dient de Provincie de schade van Van Duin te vergoeden, omdat de uitvoering van het project het algemeen belang diende en Van Duin disproportioneel is geschaad. 2.10. Vooropgesteld wordt dat slechts in uitzonderingsgevallen plaats is voor aansprakelijkheid voor schade aan een ander toegebracht door een rechtmatige daad. In HR Staat/Lavrijsen (30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0801) is bepaald dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat de onevenredig nadelige - dat wil zeggen: buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - gevolgen van een overheidshandeling niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld.

Of de gevolgen onevenredig nadelig zijn moet worden beoordeeld met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, zoals de aard van de overheidshandeling en het gewicht van het daarmee gediende belang, alsmede in hoeverre die handeling en de gevolgen daarvan voorzienbaar zijn voor de derde die als gevolg daarvan schade lijdt, en anderzijds de aard en de omvang van de toegebrachte schade. 2.11. De rechtbank overweegt dat, indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van het betoog van Van Duin, het overheidshandelen in dit geval tot gevolg heeft gehad dat sprake is geweest van verzilting van het water van de beregeningssloot (hetgeen de Provincie eveneens gemotiveerd weerspreekt, maar wat in het kader van deze procedure in het midden kan blijven).

Van Duin heeft vervolgens dat water gebruikt om zijn gewassen te besproeien, hetgeen bij hem tot schade heeft geleid. Bij de beoordeling acht de rechtbank echter van doorslaggevend belang dat (zoals reeds is overwogen in nr. 4.3 van het tussenvonnis) op de Provincie geen verplichting rust om de kwaliteit van het gietwater in de beregeningsloot te garanderen aan Van Duin. Het risico van het gebruik van het water uit de beregeningssloot voor de besproeiing van gewassen (zonder eerst de kwaliteit daarvan te testen), terwijl de Provincie geen algemene verplichting heeft aan Van Duin en andere agrariërs om gietwater te leveren dat van voldoende kwaliteit is, valt daarom binnen het (normale) bedrijfsrisico van Van Duin.

Dit zou anders (kunnen) zijn geweest indien de schade van Van Duin het gevolg zou zijn geweest van onzorgvuldig of anderszins onrechtmatig handelen van de Provincie, maar daarvan is niet gebleken. Gelet op het voorgaande en de bovengenoemde restrictieve maatstaf voor de aansprakelijkheid wegens rechtmatige overheidsdaad, heeft Van Duin zijn betoog onvoldoende toegelicht, zodat hieraan verder voorbij wordt gegaan. slotsom en proceskosten 2.12. Nu geen van de Van Duin aangevoerde grondslagen voor de aansprakelijkheid van de Provincie slaagt, zal de vordering van Van Duin worden afgewezen. 2.13.

Van Duin zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Provincie worden begroot op: - griffierecht € 4.030,00 - salaris advocaat € 3.414,00 (2 punten × tarief € 1.707,00) Totaal € 7.444,00 Bij de begroting van het salaris van de advocaat van de Provincie wordt geen rekening gehouden met de akte van de Provincie na het tussenvonnis, nu deze extra schriftelijke ronde zijn oorzaak vindt in het feit dat in de door de Provincie gemaakte samenvatting van de verslagen van de bouwvergadering een vergissing is gemaakt door een onjuiste datum te vermelden, zodat die kosten voor rekening van de Provincie behoren te blijven. 2.14.

De gevorderde nakosten zullen worden begroot conform het daarop toepasselijke liquidatietarief. De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3De beslissing

De rechtbank 3.1. wijst de vorderingen af; 3.2. veroordeelt Van Duin in de proceskosten, aan de zijde van Provincie tot op heden begroot op € 7.444,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 3.3. veroordeelt Van Duin in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Van Duin niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak; 3.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2020.