Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2020:5342 ECLI:NL:RBNHO:2020:5342 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:5342 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2020:5342
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/4807 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2020 op het verzet van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, opposante, en uitspraak in de beroepszaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder. Procesverloop Eiser heeft bij brief van 26 oktober 2019 beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om inzage op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna:

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBNHO:2020:5342 · Rechtbank Noord-Holland: Daarnaast kan de brief van eiser van 27 augustus 2019 niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling waardoor niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 6:12, tweede lid, onder b van de Awb. De inhoud van deze brief is niet herleidbaar naar de oorspronkelijke aanvraag van het te nemen besluit. Evenmin wordt opposante gemaand binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit te nemen (zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 5 december 2012, ECLI:RVS:2012:BY5083). Verder is in eisers brief van 27 augustus 2019 niet duidelijk verwoord dat hij een beslissing verlangd en dat bij het uitblijven daarvan een dwangsom wordt geëist.

Keywords

AI generated
illegible pleading insufficiently substantiated submissions uttering a forged document deception regarding identity insufficiently substantiated grievance misleading the judicial authorities

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:4682
201402074/1/A3. Datum uitspraak: 24 december 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2. het college van burgemeester en wethouders van Delft, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2014 in zaak nr. 13/8033 in het geding tussen: [appellant sub 1] en het college. Procesverloop Bij besluit van 26 maart 2013 heeft het college vastgesteld dat het jegens [appellant sub 1] geen dwangsommen is verschuldigd. Bij besluit van 28 augustus 2013 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2014:2717
201307283/1/A3. Datum uitspraak: 23 juli 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2013 in zaak nr. 13/1728 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij uitspraak van 17 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] bij brief van 1 maart 2013 ingestelde beroep wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:RVS:2020:291
201905484/1/A2. Datum uitspraak: 29 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Bilthoven, gemeente De Bilt, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 juni 2019 in zaak nr. 18/4577 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van De Bilt. Procesverloop [appellant] heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op de verzoeken van 20 juni 2018. Bij uitspraak van 25 juni 2019 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om feitelijke handelingen te verrichten.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/4807 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2020 op het verzet van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, opposante, en uitspraak in de beroepszaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder. Procesverloop Eiser heeft bij brief van 26 oktober 2019 beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om inzage op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna:

AVG) van 24 juli 2019. Bij besluit van 20 november 2019 heeft opposante alsnog op het verzoek van eiser beslist. Bij uitspraak van 7 februari 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem het beroep gegrond verklaard, bepaald dat opposante aan eiser een dwangsom heeft verbeurd van € 1.442,- en opposante opgedragen het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden. Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2020. Eiser is verschenen. Partijen zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen 1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.

2. In deze verzetzaak beoordeelt de verzetrechter in de eerste plaats of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is. Aan de verdere inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak toe als het verzet gegrond is.

3. Opposante voert, kort samengevat, het volgende aan. In de uitspraak van deze rechtbank van 7 februari 2020 wordt niet ingegaan op het betoog van opposante van 13 november 2019 dat eiser zich schuldig maakt aan misbruik van recht. Eiser heeft de aan hem toekomende bevoegdheid van inzagerecht op grond van de AVG misbruikt om een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen te incasseren. Eiser reageert in het geheel niet op verzoeken van opposante die het mogelijk zouden maken om zijn verzoek inhoudelijk te kunnen behandelen. Indien het eiser was te doen om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens bij verweerder dan had hij een kopie overgelegd van een identificatiemiddel waardoor verweerder het verzoek inhoudelijk kon behandelen en aan eiser een overzicht kon verstrekken.

Daarnaast kan de brief van eiser van 27 augustus 2019 niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling waardoor niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 6:12, tweede lid, onder b van de Awb. De inhoud van deze brief is niet herleidbaar naar de oorspronkelijke aanvraag van het te nemen besluit. Evenmin wordt opposante gemaand binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit te nemen (zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 5 december 2012, ECLI:RVS:2012:BY5083). Verder is in eisers brief van 27 augustus 2019 niet duidelijk verwoord dat hij een beslissing verlangd en dat bij het uitblijven daarvan een dwangsom wordt geëist.

Het verzoek in de brief om “hierin voortvarend te werk gaan” is te onbepaald. Een enkele verwijzing naar “mijn brief van 24 juli 2019” geeft opposante onvoldoende duidelijkheid welke aanvraag is gedaan en welke beslissing wordt verlangd. De brief van eiser van 27 augustus 2019 kan niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling waardoor niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 6:12, tweede lid, onder b van de Awb.

4. Eiser voert daarentegen het volgende aan. Van misbruik van recht is geen sprake. Opposante heeft in haar verweerschrift van 11 november 2019 de grond ten aanzien van de ingebrekestelling niet aangevoerd. Door het ontbreken van die grond in het verweerschrift is eisers standpunt dat er sprake was van een geldige ingebrekestelling onweersproken gebleven. Subsidiair voert eiser aan dat uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat een belangrijk uitganspunt bij het formuleren van de dwangsomregeling laagdrempeligheid voor de burger is geweest. De vormvrijheid van de ingebrekestelling wordt in de Memorie van Toelichting benadrukt, Kamerstukken II 2004/2005, 29 934, pagina 3). Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4682 voldoet mijn brief van 15 februari 2019 aan de drie eisen die aan een ingebrekestelling worden gesteld.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser een beroepschrift heeft ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 24 juli 2019. Tussen partijen is niet in geschil dat opposante het verzoek van eiser terecht heeft aangemerkt als een verzoek om inzage van hem betreffende persoonsgegevens op grond van de AVG en dat opposante, gelet op artikel 12, derde lid, van de AVG, in beginsel binnen een maand na ontvangst van het verzoek van opposant had moeten beslissen. Vast staat dat de beslistermijn van een maand is verstreken aangezien opposante bij besluit van 20 november2019 op het verzoek van eiser heeft beslist. Eiser mocht opposante dan ook in gebreke stellen.

6. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of eiser opposante met de brief van 27 augustus 2019 in gebreke heeft gesteld. 6.1 In de uitspraak van 24 december 2014 van de Afdeling waar eiser naar verwijst, is het volgende overwogen. Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen. 6.2 De rechtbank is met opposante van oordeel dat de ingebrekestelling in beginsel vormvrij is.

Wel worden aan een ingebrekestelling eisen gesteld. Deze eisen werden ook vóór de door opposant genoemde uitspraak al aan de ingebrekestelling gesteld, maar zijn in deze uitspraak verduidelijkt. 6.3. In de brief van 27 augustus 2019 heeft eiser het volgende vermeld: “Met dit schrijven verzoek ik u een besluit te nemen op mijn brief d.d. 24 juli 2019. Daar ik op het standpunt sta dat er niet tijdig is beslist verzoek ik u hierin voortvarend te werk te gaan.” 6.4 De rechtbank is van oordeel dat deze brief een herinnering betreft aan een lopend verzoek en de kennisgeving van de wens spoedig een besluit op dat verzoek te ontvangen.

Eiser vraagt opposante namelijk om voortvarend te werk te gaan. Uit de brief valt niet af te leiden dat eiser opposante daarmee heeft willen manen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit op het verzoek te nemen of dat aanspraak op een dwangsom zal worden gemaakt, indien dat besluit niet binnen een redelijke termijn wordt genomen (zie onder andere de uitspraken van de Afdeling van 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2717 en van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:291). De brief van 27 augustus 2019 is daarom niet aan te merken als ingebrekestelling.

Deze grond faalt. 6.5 Nu de brief van 27 augustus 2019 geen ingebrekestelling is en niet gebleken is van een andere brief waarmee opposante in gebreke is gesteld, heeft eiser niet voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, zoals bepaald in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb. Uit wat opposante heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, gegrond was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan.

Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan.

7. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55, tiende lid, van de Awb zal de rechtbank thans het beroep van eiser behandelen. 7.1 De rechtbank stelt vast dat eisers beroepsgronden exact dezelfde zijn als de gronden die hij in de verzetprocedure heeft aangevoerd. In dit verband verwijst de rechtbank naar de rechtsoverwegingen 6 tot en met 6.6. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk. 7.2 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet gegrond; verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs.

J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier. De beslissing is gedaan op 16 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen rechtsmiddel open. Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.