Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2020:4185 ECLI:NL:RBNHO:2020:4185 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:4185 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2020:4185
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/2635 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2020 in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. [naam] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten omgevingsvergunning te verlenen voor het maken van een uitweg op het adres [adres] te [woonplaats] . Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:4185 · Rechtbank Noord-Holland: Om belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te zijn bij de omgevingsvergunning, dient verzoeker een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hen in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Echter, als een betrokkene daarvan geen gevolgen van enige betekenis ondervindt, is hij toch geen belanghebbende (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737).

Keywords

AI generated
precautionary expropriation exploitation of distress direct claim against the insurer exposure to danger waiver of realisation triggering event for pre-emption

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/2635 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2020 in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. [naam] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten omgevingsvergunning te verlenen voor het maken van een uitweg op het adres [adres] te [woonplaats] . Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. In een reactie van 12 mei 2020 op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoekster, gelet op de afstand van haar woning tot de uitrit waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het in bezwaar bestreden besluit.

3. Om belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te zijn bij de omgevingsvergunning, dient verzoeker een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hen in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Echter, als een betrokkene daarvan geen gevolgen van enige betekenis ondervindt, is hij toch geen belanghebbende (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737).

Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

4. Nu vaststaat dat verzoekster woonachtig is op een afstand van ruim een kilometer tot de uitrit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt en zij daarop vanaf haar perceel ook geen zicht heeft, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat verzoekster van het bestreden besluit geen feitelijke gevolgen ondervindt zodat zij niet als belanghebbende bij het besluit kan worden aangemerkt. Dat verzoekster door het voeren van procedures de handelwijze van – in dit geval – verweerder wil nagaan en aan de orde wenst te stellen, maakt dit niet anders. Omdat aldus de verwachting is dat door verweerder, zoals overigens ook door hem is aangekondigd, het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk zal worden verklaaard, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.