Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2020:3779 ECLI:NL:RBNHO:2020:3779 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:3779 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2020:3779
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/963 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2020 in de zaak tussen [X] , te [Z] , eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft op 8 januari 2020 digitaal tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 18 november 2019 beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:7 van de Awb, artikel 6:11 van de Awb; ECLI:NL:RBNHO:2020:3779 · Rechtbank Noord-Holland: Vast staat dat verweerder het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 18 november 2019 door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 30 december 2019.

Keywords

AI generated
late filing statutory deadlines electronic service of documents unjustified procedural delay electronic signature time of filing

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
artikel 6:7 van de Awb
Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken.
artikel 6:11 van de Awb
Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/963 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2020 in de zaak tussen [X] , te [Z] , eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft op 8 januari 2020 digitaal tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 18 november 2019 beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

3. Vast staat dat verweerder het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 18 november 2019 door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 30 december 2019.

4. Eiseres heeft het beroepschrift digitaal ingediend op 8 januari 2020. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend. Eiseres stelt dat zij op 5 januari 2020 heeft geprobeerd het beroepschrift digitaal in te dienen en dat dit door de foutmeldingen die zij kreeg niet is gelukt. Verder stelt zij dat zij op 6 januari 2020 contact heeft gehad met een medewerker van de rechtbank over de foutmeldingen. Eiseres onderbouwt dit met bewijsstukken.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van wat eiseres heeft aangevoerd kan geen verschoonbare termijnoverschrijding worden aangenomen. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres om binnen de termijn van zes weken beroep in te stellen en dat eiseres dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico. De omstandigheid dat het eiseres niet is gelukt om op 5 januari 2020 beroep in te stellen maakt dit niet anders. De termijn voor het instellen van beroep was namelijk reeds op 30 december 2019 verstreken. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is dus geen sprake.

6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 25 mei 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.