Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2020:2323 ECLI:NL:RBNHO:2020:2323 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:2323 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2020:2323
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/3347 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2020 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , te Zaandam, eisers (gemachtigde: mr. A.A. Bouwman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder (gemachtigden: I. Ockers en mr. P. Koenhen). Procesverloop Bij e-mail van 10 december 2018 heeft verweerder eisers verzoek om kwijtschelding van de vordering(en) die verweerder op hem heeft afgewezen. Bij besluit van 12 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:84 van de Awb; ECLI:NL:RBNHO:2020:2323 · Rechtbank Noord-Holland: Ingevolge artikel 58 van de Wwb (tekst tot 1 januari 2013) kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. Het gaat daarbij - naar de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever - om een discretionaire bevoegdheid van het college. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3647) ligt de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering daarin besloten, dus om het restant van de schuld kwijt te schelden.

Keywords

AI generated
financial hardship external debt capacity to incur bill liability over-indebtedness tax debts obligation to pay

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:84 van de Awb
Er is voorts geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van de Beleidsregels af had moeten wijken.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:1637
14/1326 WWB, 14/5319 WWB Datum uitspraak: 19 mei 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 24 februari 2014, 13/3103 (aangevallen uitspraak I) en 29 augustus 2014, 13/3803 (aangevallen uitspraak II) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Zaandstad (college) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2017:241
16719 PW Datum uitspraak: 24 januari 2017 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 december 2015, 15/2910 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J. Ruijs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen.
ECLI:NL:CRVB:2010:BO3647
08/1253 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2008, 06/5761 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 2 november 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N.E.L. Rijnders, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/3347 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2020 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , te Zaandam, eisers (gemachtigde: mr. A.A. Bouwman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder (gemachtigden: I. Ockers en mr. P. Koenhen). Procesverloop Bij e-mail van 10 december 2018 heeft verweerder eisers verzoek om kwijtschelding van de vordering(en) die verweerder op hem heeft afgewezen. Bij besluit van 12 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1.1. Eiseres ontving vanaf 2 juni 2003 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm van een alleenstaande ouder. Bij besluit van 11 januari 2006 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres herzien en een bedrag van € 36.020,51 bruto teruggevorderd.

Dit in verband met het niet melden van het voeren van een gezamenlijke huishouding met eiser. Dit besluit heeft na bezwaar en beroep stand gehouden. 1.2. Eisers ontvingen voorts vanaf 15 mei 2006 bijstand naar de norm voor gehuwden ingevolgde de Wet werk en bijstand (Wwb). Bij besluit van 18 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2013, is de bijstand van eisers ingetrokken met ingang van 15 mei 2006 in verband met het niet melden van vermogen in het buitenland. Bij besluit van 21 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 juli 2013 heeft verweerder de kosten van bijstand over de periode van 15 mei 2006 tot en met 30 september 2012 tot een bedrag van € 106.932,86 van eisers teruggevorderd.

De hiertegen ingestelde beroepen zijn door deze rechtbank bij uitspraken van 24 februari 2014 en 29 augustus 2014 ongegrond verklaard. De CRvB heeft de intrekking en de terugvordering in stand gelaten bij uitspraak van 19 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1637). 1.3. Eisers hebben op enig moment weer recht op bijstand gekregen. Bij besluit van 23 juni 2014 is de bijstandsuitkering per 1 juni 2014 ingetrokken vanwege inkomsten hoger dan de bijstandsnorm. Een bedrag van € 1.632,18 aan over de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 mei 2014 te veel ontvangen bijstand is van eisers teruggevorderd. 1.4.

Nadien hebben eisers met tussenpozen recht op bijstand gehad. Er is met wisselende bedragen/inhoudingen vanaf 2016 door eisers afgelost op de oudste en nieuwste vordering. Uit het schuldenoverzicht van verweerder volgt dat respectievelijk € 6.654,78 en € 513,91 is afgelost. Op de tweede vordering is nog niets afgelost. In totaal is (nog) sprake van een schuld bij verweerder van € 137.383,69. 1.5. Op 17 oktober 2018 heeft eiser verweerder een e-mail gestuurd. Hierin heeft hij - samengevat - vermeld dat hij in verband met een vordering van de Belastingdienst niet bij verweerder kan aflossen.

Door eiser is aangegeven dat hij eerder een brief heeft gestuurd in verband met kwijtschelding van de schuld aan verweerder, maar dat verweerder deze niet zou hebben ontvangen. Hij wil daar graag met verweerder over praten. 1.6. Per e-mail van 10 december 2018 heeft een medewerker expert financiën van verweerder - samengevat - aan eiser laten weten dat de zaak is besproken en dat er gelet op de beleidsregels geen kwijtschelding kan worden verleend omdat de vordering is ontstaan door schending van de informatieplicht. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

2. Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding bij het bestreden besluit in stand gelaten. Sinds 2013 is verweerder verplicht om alle schulden in te vorderen die zijn ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting. Verweerder heeft altijd gebruik gemaakt van de bevoegdheid om fraudeschulden terug- en in te vorderen. Er is geen ander beleid waarin fraudeschulden werden kwijtgescholden. De beleidsregels gemeentelijke Werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2015 (de Beleidsregels) voorzien in de mogelijkheid voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van schulden.

Van kwijtschelding wordt, conform de verplichting vanuit de wet, afgezien als sprake is van een schending van de informatieplicht. Eiser heeft meermalen zijn inlichtingenverplichting bewust geschonden. Er is sprake van fraudevorderingen. Van de totale schuld is slechts een zeer gering deel afgelost. In 2012 is uit onderzoek gebleken dat eiser al jaren beschikte over een groot vermogen in het buitenland. Hieruit kan niet worden geconcludeerd dat eiser al jaren op minimumniveau leeft. Er zijn geen bijzondere omstandigheden om gedeeltelijk of geheel van terugvordering af te zien.

Er is dan ook terecht aan eiser geen kwijtschelding verleend.

3. Eisers hebben zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder op grond van artikel 58, zevende lid, van de PW, aanleiding had moeten zien om de oudste vordering, ontstaan in 2006, kwijt te schelden. Volgens eisers is er in het (destijds geldende) beleid onvoldoende rekening gehouden met omstandigheden die in de persoon van eisers zelf liggen. Dat maakt het beleid onverbindend. Als matiging of kwijtschelding is uitgesloten bij fraudeschulden omdat fraude niet mag lonen dan is dat onredelijk en strijdig met de door de wetgever geformuleerde uitgangspunten. Er kan niet worden kwijtgescholden zolang men meent dat er een mogelijkheid is tot terugbetalen. Eisers kunnen echter niet terugbetalen. Eisers verzoeken de rechtbank om de schuld die het besluit van 11 januari 2006 ten grondslag heeft als kwijtgescholden te beschouwen.

4. De rechtbank zal met partijen de e-mail van verweerder van 10 december 2018 aanmerken als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar van eisers is te laat ingediend, maar deze termijnoverschrijding is verschoonbaar nu een bezwaarclausule ontbrak. Verweerder heeft het bezwaar van eisers dan ook terecht inhoudelijk beoordeeld. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank als volgt.

5. De rechtbank stelt vast dat eisers hebben verzocht om kwijtschelding van de vordering die als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting door het niet melden van het voeren van een gezamenlijke huishouding bij besluit van 11 januari 2006 is ontstaan. Dit besluit staat in rechte vast.

6. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:241, volgt, onder verwijzing naar het overgangsrecht, dat de wijziging van artikel 58, eerste lid, (waarbij de verplichting tot terugvordering is ingevoerd) en de toevoeging van artikel 58, zevende en achtste lid, van de Wwb per 1 januari 2013, waarbij uitzonderingsmogelijkheden op het eerste lid zijn gecreëerd, niet van toepassing zijn op vorderingen die zijn ontstaan uiterlijk op de dag vóór de dag van inwerkingtreding van dit artikel (artikel XXV, zesde lid, in samenhang gelezen met artikel XIV onder G van de Wet aanscherping). De vordering is hier ontstaan met de toezending van het terugvorderingsbesluit van 11 januari 2006. Hieruit volgt dat verweerder niet verplicht was om ten onrechte gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen, maar dat hij daartoe bevoegd was.

7. Ingevolge artikel 58 van de Wwb (tekst tot 1 januari 2013) kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. Het gaat daarbij - naar de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever - om een discretionaire bevoegdheid van het college. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3647) ligt de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering daarin besloten, dus om het restant van de schuld kwijt te schelden.

8. Deze bevoegdheid van verweerder om geheel of gedeeltelijk van verder terug- en invordering af te zien is nader uitgewerkt in de Beleidsregels.

9. Verweerder heeft ten aanzien van deze bevoegdheid in het bestreden besluit verwezen naar artikel 8.1.1 van de Beleidsregels. Volgens dit artikel maakt verweerder in alle gevallen waarin hij op grond van de wetten bevoegd is om uitkeringsbesluiten te herzien of in te trekken, een uitkering terug te vorderen en teruggevorderde bedragen in te vorderen of door verrekening te innen, in volle omvang van deze bevoegdheden gebruik. In afwijking van het eerste lid kan verweerder geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering als dringende redenen dit rechtvaardigen, of indien en voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk een bijzondere grond voor matiging opleveren. Ingevolge artikel 8.1.5, tweede lid, wordt van kwijtschelding afgezien als de vordering is ontstaan door schending van de informatieplicht.

10. Vast staat dat de vordering is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting. Eisers voldoen dan ook niet aan de voorwaarden uit de Beleidsregels om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk. Verweerder heeft in overeenstemming hiermee gehandeld door het verzoek om kwijtschelding af te wijzen. Er is voorts geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van de Beleidsregels af had moeten wijken.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2020 door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, worden al deze uitspraken alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.