Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2020:2261 ECLI:NL:RBNHO:2020:2261 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2020:2261 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2020:2261
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/3322 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2020 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: [naam] ), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: J. de Haan). Procesverloop Bij besluit van 15 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder – voor zover hier van belang – de hoogte van de WAO-uitkering van eiseres met ingang van 29 april 2019 vastgesteld op een brutobedrag van € 1.320,44 per maand.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBNHO:2020:2261 · Rechtbank Noord-Holland: Overwegingen 1. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het gewijzigde besluit van 23 oktober 2019 een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep wordt daarom geacht mede te zijn gericht tegen het gewijzigde besluit. Nu gesteld noch gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit I, is het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk.

Keywords

AI generated
termination of benefits termination of mandate amendment of authorisation discontinuation of proceedings procedural objections outdated medical report

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank stelt vast dat verweerder met het gewijzigde besluit van 23 oktober 2019 een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/3322 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2020 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: [naam] ), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: J. de Haan). Procesverloop Bij besluit van 15 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder – voor zover hier van belang – de hoogte van de WAO-uitkering van eiseres met ingang van 29 april 2019 vastgesteld op een brutobedrag van € 1.320,44 per maand.

Bij besluit van 18 juni 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij gewijzigd besluit van 23 oktober 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de hoogte van de WAO-uitkering van eiseres met ingang van 29 april 2019 vastgesteld op een brutobedrag van € 1.364,66 per maand. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Eiseres is zonder haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen 1. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het gewijzigde besluit van 23 oktober 2019 een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep wordt daarom geacht mede te zijn gericht tegen het gewijzigde besluit. Nu gesteld noch gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit I, is het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk.

2. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij zich kan vinden in het nieuwe besluit, voor zover verweerder daarin de maand maart 2017 niet heeft aangepast. In geschil is alleen nog of verweerder bij de berekening van de hoogte van de WAO-uitkering rekening had moeten houden met het brutobedrag van € 3.000,- dat eiseres in maart 2017 van haar werkgever heeft ontvangen. Verweerder heeft dit niet gedaan, omdat dit bedrag een transitievergoeding betreft en deze niet staat aangemerkt als SV-loon.

3. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat verweerder dit bedrag ten onrechte niet heeft meegenomen in de berekening. Het bedrag betreft geen transitievergoeding, maar moet worden gezien als een tegemoetkoming in de kosten van eiseres, omdat eiseres zo vaak haar ziektedagen zelf heeft betaald.

4. Verweerder heeft hiertegen aangevoerd dat hij dient uit te gaan van de gegevens in de polis administratie en hierin staat het bedrag niet geregistreerd als SV-loon. Voor het geval de vroegere werkgever dit voor eiseres nog zou willen en kunnen herstellen, heeft verweerder eiseres gewezen op de mogelijkheid om daarna een verzoek tot herziening in te dienen.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het bedrag van € 3.000,- niet heeft meegenomen in de berekening van de hoogte van de WAO-uitkering. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat een ontslagvergoeding of transitievergoeding niet wordt meegenomen in de dagloonvaststelling, omdat geen sprake is van een beloning voor verrichte arbeid (zie ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5257 en ECLI:NL:CRVB:2018:2125). Voor zover het bedrag van € 3.000,- is aan te merken als een vergoeding voor de ziektedagen die eiseres zelf heeft betaald, kan dit ook niet gezien worden als beloning voor verrichte arbeid. Dit betekent dat het bedrag niet kan worden meegenomen in de dagloonvaststelling.

6. Het voorgaande betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank -verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk; -verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2020 door mr. L. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van I.M. Wijnker-Duiven, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.