Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2019:5636 ECLI:NL:RBNHO:2019:5636 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2019:5636 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2019:5636
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/1911 uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juni 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Langedijk, verweerder (gemachtigde: R.J. Boes). Procesverloop Bij besluit van 2 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering herzien over de periode van 1 maart 2018 tot 1 april 2019. Bij besluit van 25 april 2019 heeft verweerder de uitkering opgeschort vanaf 19 april 2019.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2019:5636 · Rechtbank Noord-Holland: Verzoeker heeft tegen deze primaire besluiten bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft voorts op 6 mei 2019 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Keywords

AI generated
late objection to debt enforcement untimely restitution petition unpaid cost advance duty of provisional benefit payment repayment of public subsidies continued payment of benefits
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/1911 uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juni 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Langedijk, verweerder (gemachtigde: R.J. Boes). Procesverloop Bij besluit van 2 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering herzien over de periode van 1 maart 2018 tot 1 april 2019. Bij besluit van 25 april 2019 heeft verweerder de uitkering opgeschort vanaf 19 april 2019.

Verzoeker heeft tegen deze primaire besluiten bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft voorts op 6 mei 2019 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. De voorzieningenrechter stelt vast dat het (primaire) besluit waar het verzoek aan hangt ziet op herziening van verzoekers uitkering over de periode van 1 maart 2018 tot 1 april 2019. Op dit moment is nog geen besluit genomen over de financiële gevolgen van de herziening. Het gaat hier dus om een wijziging van een rechtstoestand over een periode in het verleden, die geen acute financiële noodsituatie veroorzaakt. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van spoedeisend belang. Voorshands kan immers niet worden beoordeeld of en in hoeverre er ruimte zou kunnen zijn voor toewijzing van een voorlopige voorziening.

3. Voor zover verzoeker met zijn verzoek heeft beoogd dat met het oog op de toekomstige maandelijkse verrekeningen rekening wordt gehouden met een extra maand respijt, overweegt de voorzieningenrechter dat dit aspect buiten de reikwijdte van dit geschil ligt. Eventuele toekomstige verrekeningen liggen hier niet ter beoordeling voor. In deze procedure kan het immers alleen gaan over (de herziening over) de periode 1 maart 2018 tot 1 april 2019.

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2019. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.