Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2019:3129 ECLI:NL:RBNHO:2019:3129 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2019:3129 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2019:3129
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaanstad Zaaknr./rolnr.: 7217246 \ CV EXPL 18-4478 Uitspraakdatum: 28 maart 2019 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] wonende te [woonplaats] eiser, verder te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. R.J. van Wolferen tegen de besloten vennootschap Flamma Brandwerende Applicaties B.V. gevestigd te Wormerveer gedaagde, verder te noemen: Flamma gemachtigde: mr. P. Wieringa 1Het procesverloop 1.1. [eiser] heeft bij dagvaarding van 12 september 2018 een vordering tegen Flamma ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek; ECLI:NL:RBNHO:2019:3129 · Rechtbank Noord-Holland: Het gaat in deze zaak om de vraag of Flamma moet worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 3.586,54 netto. 5.2. De beëindigingsovereenkomst tussen partijen van 30 april 2018 is een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Partijen hebben een geschil over de vraag hoe die overeenkomst moet worden uitgelegd, met name waar het gaat om artikel 13 en artikel 14 van de beëindigingsovereenkomst. 5.3. Bij de uitleg van een bepaling van een schriftelijke overeenkomst gaat het niet alleen om de zuiver taalkundige uitleg van die bepaling.

Keywords

AI generated
subcontractor payment lump-sum compensation unpaid remuneration reduction of salary contractor remuneration currency in which remuneration paid

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek
De beëindigingsovereenkomst tussen partijen van 30 april 2018 is een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1981:AG4158
13 maart 1981 Nr. 11.647 De Hoge Raad der Nederlanden, in de zaak nr. 11.647 van [eiser 1] , wonende te [woonplaats] , en [eiser 2] , wonende te [woonplaats] , eisers tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 november 1979, beiden kosteloos procederende ingevolge een beschikking van de Hoge Raad van 3 april 1980 en vertegenwoordigd door Mr. J. van Schellen, advocaat bij de Hoge Raad, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Haviltex B.V., gevestigd te Mol (België), verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr.
ECLI:NL:HR:2013:BY8101
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
ECLI:NL:HR:2004:AO1427
voor recht te verklaren dat het pensioenfonds niet het spaartegoed zoals opgebouwd krachtens de AOV-regeling mag korten op het pensioen; het pensioenfonds te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 137,65 verschuldigd voor elke maand vanaf 1 december 1999 tot 31 maart 2006, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede van een bedrag van ƒ 500,-- verschuldigd als buitengerechtelijke incassokosten. Het pensioenfonds heeft de vorderingen bestreden. De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 mei 2001 de vorderingen afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Maastricht. Bij vonnis van 4 april 2002 heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter van 2 mei 2001 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [verweerder] grotendeels toegewezen. Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2007:BA4909
Het geding in feitelijke instanties [Eiseressen] heeft bij exploten van 17 juli 2001 en 23 juli 2001 [verweerders] gedagvaard voor de rechtbank te Zwolle en gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat art.
ECLI:NL:HR:2007:AZ3178
Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Meyer Europe - heeft bij exploot van 25 maart 1999 verweerster in cassatie - verder te noemen: PontMeyer - gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem. Na wijziging van eis heeft Meyer Europe gevorderd: i. PontMeyer te veroordelen tot betaling van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting voor het boekjaar 1997/1998 ten bedrage van ƒ 3.433.356,--, te vermeerderen met de wettelijke rente; ii. te verklaren voor recht dat PontMeyer aansprakelijk is voor verschuldigde vennootschapsbelasting op grond van nog te verwachten (definitieve) aanslagen vennootschapsbelasting betrekking hebbende op de periode tot en met 31 maart 1998.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaanstad Zaaknr./rolnr.: 7217246 \ CV EXPL 18-4478 Uitspraakdatum: 28 maart 2019 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] wonende te [woonplaats] eiser, verder te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. R.J. van Wolferen tegen de besloten vennootschap Flamma Brandwerende Applicaties B.V. gevestigd te Wormerveer gedaagde, verder te noemen: Flamma gemachtigde: mr. P. Wieringa 1Het procesverloop 1.1. [eiser] heeft bij dagvaarding van 12 september 2018 een vordering tegen Flamma ingesteld.

Flamma heeft schriftelijk geantwoord. 1.2. Op 27 februari 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft Flamma bij brieven van 20 februari 2019 en 21 februari 2019 nadere stukken ingediend. 2De feiten 2.1. [eiser] is bij Flamma in dienst getreden op 1 april 2014. 2.2. Flamma heeft naar aanleiding van beslag op het loon van [eiser] in 2016 verschillende betalingen gedaan aan SNS-Bank. 2.3. Partijen zijn op 30 april 2018 een beëindigingsovereenkomst aangegaan, waarbij zij de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden hebben beëindigd per 1 juli 2018.

Die vaststellingsovereenkomst is opgesteld door de toenmalige advocaat van Flamma. Bij de besprekingen daarover werd ook [eiser] bijgestaan door een advocaat. 2.4. Artikel 13 van die beëindigingsovereenkomst luidt als volgt: “Deze overeenkomst bevat alle afspraken die partijen in het kader van het einde van de arbeidsovereenkomst hebben gemaakt en vervangt alle eventueel eerder gemaakte afspraken ter zake. Wijzigingen van deze overeenkomst zijn alleen geldig indien schriftelijk overeengekomen”. 2.5. In artikel 14 van de beëindigingsovereenkomst staat, voor zover hier van belang:

“Na uitvoering van de op basis van de in deze overeenkomst gemaakt afspraken, hebben partijen ter zake niets meer van elkaar te vorderen en verlenen zij elkaar finale kwijting over en weer. Deze overeenkomst heeft tot doel alle mogelijke geschillen, zowel voorzienbaar als onvoorzienbaar, op te lossen”. 2.6. Op de eindafrekening in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft Flamma een bedrag van € 3.586,54 netto ingehouden, met als omschrijving: “Betaald aan derden voldaan”. 3De vordering 3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter Flamma veroordeelt tot betaling van € 3.586,54 netto en € 483,54 aan buitengerechtelijke kosten. 3.2. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Flamma op de eindafrekening ten onrechte door verrekening een bedrag van € 3.586,54 netto heeft ingehouden, omdat in de vaststellingsovereenkomst tussen partijen finale kwijting is opgenomen en er geen voorbehoud of afspraak is gemaakt ten aanzien van het door Flamma verrekende bedrag. 4Het verweer 4.1.

Flamma betwist de vordering. Flamma voert aan – samengevat – dat zij terecht op de eindafrekening een bedrag van € 3.586,54 netto heeft ingehouden. 4.2. Flamma wijst erop dat het bedrag van € 3.586,54 door haar in 2016 aan de SNS-Bank is betaald, deels via beslag op het loon van [eiser] , en dat dit bedrag ziet op een schuld van [eiser] aan de SNS-Bank en daarmee samenhangende kosten. Gelet daarop is het volgens Flamma redelijk dat zij dit bedrag in mindering heeft gebracht op de eindafrekening. Flamma meent dat de tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst daaraan niet in de weg staat, omdat de daarin genoemde finale kwijting alleen ziet op het einde van de arbeidsovereenkomst en een verrekening van het bedrag van € 3.586,54 daarbij niet is uitgesloten. 5De beoordeling 5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of Flamma moet worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 3.586,54 netto. 5.2. De beëindigingsovereenkomst tussen partijen van 30 april 2018 is een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Partijen hebben een geschil over de vraag hoe die overeenkomst moet worden uitgelegd, met name waar het gaat om artikel 13 en artikel 14 van de beëindigingsovereenkomst. 5.3. Bij de uitleg van een bepaling van een schriftelijke overeenkomst gaat het niet alleen om de zuiver taalkundige uitleg van die bepaling.

Beslissend is de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie: Hoge Raad, 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex) en Hoge Raad, 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 (Lundiform/Mexx)). Dat geldt ook voor een vaststellingsovereenkomst als hier aan de orde. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken en speelt mede een rol wat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, zij het dat in praktisch opzicht wel vaak van groot belang is wat de taalkundige betekenis is van de bewoordingen van de bepaling in een schriftelijke overeenkomst (zie:

Hoge Raad, 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427 (DSM Chemie)). Verder komt bij de uitleg betekenis toe aan de aard van de overeenkomst, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan, de vraag of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden, en de overige bepalingen ervan (zie: Hoge Raad, 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4909 (L’Orage/Uni-Invest) en Hoge Raad, 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178 (Meyer Europe/Pontmeyer)). 5.4. Naar het oordeel van de kantonrechter is de tekst van artikel 13 en artikel 14 van de beëindigingsovereenkomst van 30 april 2018 luid en duidelijk.

Partijen willen blijkens die tekst alles omvattende afspraken maken in het kader van het einde van de arbeidsovereenkomst, zij willen alle eventueel eerder gemaakte afspraken vervangen, en zij beogen te regelen dat partijen na uitvoering van die afspraken niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Daaraan is nog eens expliciet toegevoegd dat de beëindigingsovereenkomst tot doel heeft alle mogelijke geschillen tussen partijen, zowel voorzienbaar als onvoorzienbaar, op te lossen. Daaruit volgt dat partijen ook hebben beoogd om de door Flamma gestelde verrekening van het bedrag van € 3.586,54 netto uit te sluiten.

Anders dan Flamma kennelijk stelt, ziet een dergelijke verrekening mede op het einde van de arbeidsovereenkomst en de afwikkeling daarvan, zoals ook blijkt uit het feit dat die verrekening is ingehouden op de eindafrekening. Die verrekening moet verder worden aangemerkt als een mogelijk geschil, voorzienbaar of onvoorzienbaar, dat partijen nu juist beoogden op te lossen door de beëindigingsovereenkomst. 5.5. Er is geen enkele aanwijzing dat partijen, in afwijking van de duidelijke tekst en strekking van de beëindigingsovereenkomst, de mogelijkheid zouden hebben willen openlaten dat Flamma door middel van verrekening op de eindafrekening nog het bedrag van € 3.586,54 netto in mindering zou kunnen of mogen brengen.

Er is niet gebleken van verklaringen of gedragingen van partijen waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] ondanks de inhoud en strekking van de beëindigingsovereenkomst moest of kon begrijpen dat Flamma nog een beroep op die verrekening zou (willen) doen, en evenmin dat Flamma er gerechtvaardigd van uit mocht uitgaan dat [eiser] dit begreep of behoorde te begrijpen. 5.6. Er is temeer reden om doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de tekst en strekking van de beëindigingsovereenkomst, omdat beide partijen bij de totstandkoming daarvan werden bijgestaan door een advocaat, en de beëindigingsovereenkomst is opgesteld door de toenmalige advocaat van Flamma.

Het ligt dan voor de hand dat die advocaat, indien Flamma een voorbehoud wenste te maken ten aanzien van de verrekening van het bedrag van € 3.586,54 netto, of die verrekening buiten de finale kwijting had willen houden, daarvan melding had gemaakt en daarvoor een voorbehoud had opgenomen in de beëindigingsovereenkomst. Flamma heeft op de zitting verklaard dat haar toenmalige advocaat al vóór het aangaan van de beëindigingsovereenkomst op de hoogte was van de wens van Flamma tot verrekening van het bedrag van € 3.586,54 netto, dat Flamma dat ook wilde opnemen in de beëindigingsovereenkomst, maar dat dit niettemin achterwege is gebleven.

Dat komt voor rekening en risico van Flamma, in die zin dat zij nu gebonden is aan artikel 13 en artikel 14 van de beëindigingsovereenkomst en de daarin opgenomen finale kwijting, en niet alsnog een beroep kan doen op verrekening. 5.7. Uit het voorgaande volgt dat er ook geen grond is om te oordelen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] een beroep doet op de beëindigingsovereenkomst. 5.8. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal toewijzen en Flamma zal veroordelen tot betaling van het bedrag van € 3.586,54 netto.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar, omdat Flamma te laat heeft betaald en in verzuim is. De in dit kader gevorderde dwangsom wordt afgewezen, omdat volgens artikel 611a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen dwangsom kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom. 5.9. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten wordt eveneens toegewezen, omdat de vordering op dit punt niet is betwist. De gevorderde rente over die kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] deze kosten heeft betaald. 5.10.

De proceskosten komen voor rekening van Flamma, omdat zij ongelijk krijgt. [eiser] procedeert op basis van een toevoeging, zodat er geen kosten van de dagvaarding worden toegekend. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de explootkosten namelijk niet mogelijk. De gevorderde rente over de in aanmerking komende proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. Flamma wordt ook veroordeeld tot betaling van € 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt.

6De beslissing

De kantonrechter: 6.1. veroordeelt Flamma tot betaling aan [eiser] van een bedrag € 3.586,54 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2018 tot aan de dag van de gehele betaling; 6.2. veroordeelt Flamma tot betaling aan [eiser] van € 483,54 aan buitengerechtelijke kosten; 6.3. veroordeelt Flamma tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op: griffierecht € 79,00 salaris gemachtigde € 480,00 , vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, en veroordeelt Flamma tot betaling van € 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt; 6.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 6.5. wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. [eiser] en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter