Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2019:2744 ECLI:NL:RBNHO:2019:2744 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2019:2744 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2019:2744
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 18/1801 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2019 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiseres (gemachtigde: B. Schoenmaker), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.146. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente in rekening gebracht ten bedrage van € 279.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2019:2744 · Rechtbank Noord-Holland: Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt onder onderneming mede verstaan het zelfstandig uitgeoefende beroep. Daarvan is sprake als de belastingplichtige de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening verricht en daarbij ondernemersrisico loopt. De aanwezigheid van een organisatie van kapitaal en arbeid is hiervoor niet vereist (vgl. Hoge Raad 16 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5085).

Keywords

AI generated
taking up gainful employment remuneration of work unpaid work employed spouse employed gainful activity piecework

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2018:285
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 16/00379 30 januari 2018 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z], belanghebbende, gemachtigde: B.
ECLI:NL:GHAMS:2015:454
Contractant 2 verleent ondersteunende productiewerkzaamheden ten behoeve van de producties van [F] Producties; zijnde[diverse acts] en de theatervoorstellingen.
ECLI:NL:HR:1993:ZC5328
Hoge Raad 21 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5328).
ECLI:NL:HR:1992:ZC5085
Hoge Raad 16 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5085).
ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1828
GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk P 08/00324 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van - de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht Gerbrandystraat, de inspecteur, tegen de uitspraak in de zaak met kenmerknummer AWB 07/2951 van de rechtbank Haarlem van 11 februari 2008 in het geding tussen - X, wonende te P, belanghebbende, gemachtigde B. Schoenmaker, en - de inspecteur. 1. Ontstaan en loop van het geding De inspecteur heeft met dagtekening 6 mei 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.079. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 11 april 2007, de navorderingsaanslag gehandhaafd. Bij uitspraak van 11 februari 2008 (AWB 07/2951), verzonden op 15 februari 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag vernietigd. Tegen bovenstaande uitspraak van de rechtbank heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 26 maart 2008, bij het Hof ingekomen op 27 maart 2008, en aangevuld bij brief van 8 mei 2008. De gemachtigde heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2.Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende – in hoger beroep niet alsnog weersproken - feiten vastgesteld (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de inspecteur als verweerder): 2.1. Eiseres, musicus van beroep, heeft over het jaar 2002 op 5 januari 2004 aangifte IB/PVV gedaan naar het hieronder vermelde inkomen. De aangifte is ingediend en verzorgd door belastingadvieskantoor B. Schoenmaker en bevat voor zover van belang de volgende gegevens. Winst uit onderneming € 2.744 Zelfstandigenaftrek € 8.187 -/- Loon uit dienstbetrekking € 439 Ingehouden loonheffing € 26 Opbrengst overige werkzaamheden € 0 Te verrekenen loonheffing die onder de artiesten of beroepssportersregeling vielen € 1.347 Huurwaarde eigen woning € 1.009 Betaalde rente en kosten € 6.837 Toegerekend saldo van inkomsten en aftrekposten € 1.136 -/- ------------- Inkomen uit werk en woning € 2.047 Persoonsgebonden aftrek € 155 ------------- Belastbaar inkomen uit werk en woning € 1.892 In de bijlage bij de aangifte over 2002 is de volgende specificatie van de winstberekening gevoegd: Loonheffing, zie “inkomsten niet uit dienstbetrekking” Muziek Lycea te P € 10.439 € 1.347 Dwarsfluitlessen € 1.435 Optredens ` € 350 ------------- Omzet totaal € 12.224 2.2. Verweerder heeft overeenkomstig de ingediende aangifte IB/PVV met dagtekening 26 maart 2005 de aanslag IB/PVV over 2002 opgelegd. 2.3. In mei 2005 deelt gemachtigde van eiseres mede aan een behandelend ambtenaar dat hij in een vergelijkbaar geval bij een andere belastingplichtige eerst achteraf, als de verhouding tussen de verschillende inkomsten duidelijk is, een keuze maakt of sprake is van winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden. Als de behandelend ambtenaar de aangifte IB/PVV over 2003 van eiseres dient te beoordelen, besluit deze naar aanleiding van de eerdere mededeling van gemachtigde de aangifte IB/PVV aan een meer gedetailleerd onderzoek te onderwerpen. 2.4. Met dagtekening 27 oktober 2005 wordt de aanslag IB/PVV over 2003 opgelegd. Verweerder heeft daarbij de geclaimde zelfstandigenaftrek gecorrigeerd. 2.5. Naar aanleiding van een ingediend bezwaar tegen de aanslag IB/PVV over het jaar 2003, heeft verweerder op 19 januari 2006 een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften IB/PVV over de jaren 2001, 2002 en 2003. Met dagtekening 21 april 2006 is een rapport uitgebracht. 2.6. Tijdens het onderzoek komt naar voren dat eiseres tot 1 september 2002 op basis van een jaarcontract in dienstbetrekking werkzaam is geweest bij Stichting Muzieklycea te P. Vanaf 1 september 2002 is zij daar voor onbepaalde tijd in dienst getreden. Naast dit dienstverband geeft eiseres privéles dwarsfluit aan particulieren en treedt zij incidenteel op. De werving van leerlingen voor particuliere lessen vindt plaats door mond op mond reclame en door berichten die bij de muziekschool worden opgehangen. De particuliere lessen worden bij eiseres thuis of in gehuurde ruimte gegeven. In verband met de geboorte van het kind van eiseres in december 2004 worden sindsdien geen lessen meer thuis gegeven. 2.7. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft eiseres een achteraf opgemaakte urenlijst verstrekt, waarin een specificatie van haar werkzaamheden is opgenomen. Volgens de urenlijst bedraagt het totaal aantal uren in 2002 1.457. In de urenlijst is geen onderscheid gemaakt tussen de uren besteed aan de onderneming en de uren besteed aan de dienstbetrekking. 2.8. Tijdens de controle heeft eiseres haar agenda’s ter inzage verstrekt. 2.9. De controlerend ambtenaar heeft op basis van zijn bevindingen geconcludeerd dat eiseres in de jaren 2001, 2002 en 2003 niet aan het urencriterium heeft voldaan. 2.10. Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek heeft verweerder met dagtekening 6 mei 2006 de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. Gemachtigde heeft op 29 mei 2006 gereageerd op het rapport boekenonderzoek en tevens bezwaar aangetekend tegen de navorderingsaanslag. 2.11. Op 23 en 30 januari 2007 heeft de behandelend ambtenaar telefonisch overleg gevoerd met gemachtigde en daarbij een compromis aangeboden. Gemachtigde heeft het compromis niet aanvaard. 2.12. Bij brief van 16 februari 2007 heeft de behandelend ambtenaar verzocht om agenda’s en overige primaire bescheiden met betrekking tot de urenverantwoording over 2001 en 2002. 2.13. Bij brief van 20 februari 2007 heeft gemachtigde aangegeven dat de navorderingsaanslag ten onrechte was opgelegd aangezien een nieuw feit ontbreekt en overigens de gevraagde gegevens al eerder zijn overgelegd. 2.14. Bij brief van 1 maart 2007 heeft de behandelend ambtenaar wederom verzocht om de gevraagde gegevens als vermeld onder 2.14. Bij brief van 10 april 2007 heeft gemachtigde gereageerd en een kopie van de urenlijsten 2001 en 2002 verstrekt. 2.2. Het Hof voegt daaraan nog toe: 2.2.1. In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 van belanghebbende is onder vraag 10d “Te verrekenen Nederlandse loonheffing over inkomsten die onder de artiesten- of beroepssportersregeling vielen” € 1.347 vermeld. 3. Geschil in hoger beroep Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, of -voor het geval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord- de inspecteur voor de navorderingsaanslag beschikt over het daarvoor benodigde nieuwe feit, of, bij afwezigheid van een nieuw feit, de navordering toch mogelijk is in verband met kwade trouw van de zijde van belanghebbende Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of belanghebbende in 2002 voldeed aan de eisen die de wet stelt aan toepassing van de zelfstandigenaftrek. Daarbij is niet in geschil dat belanghebbende voor wat betreft haar dwarsfluitlessen en optredens in het onderhavige jaar een onderneming dreef. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende tenminste 1225 uren besteedde aan het feitelijk drijven van haar onderneming. 4.1.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inkomsten genoten uit de dienstbetrekking bij de Stichting Muzieklycea te P moeten worden gerekend tot de winst uit onderneming en dientengevolge de aan deze dienstbetrekking bestede uren meetellen voor voornoemd urencriterium. 4.1.2. Voor het aldus aanmerken van loon uit dienstbetrekking als winst uit onderneming is vereist dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking en de werkzaamheden verricht als ondernemer en bovendien dat de werkzaamheden in dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen. De activiteiten die belanghebbende als ondernemer verricht vertonen naar het oordeel van het Hof niet een zodanig nauwe samenhang met haar werkzaamheden als docent in dienstbetrekking, en evenmin zijn de activiteiten als ondernemer dermate overheersend, dat de uren gewerkt in loondienst moeten worden geacht als onderdeel van de onderneming daarin te zijn opgegaan. Ten aanzien van dit laatste is van belang dat de genoten looninkomsten beduidend meer bedragen dan de ondernemingswinst. Voorts kan uit de door belanghebbende overgelegde urenstaten niet worden afgeleid welke uren zijn besteed aan de dienstbetrekking en welke uren aan de onderneming. In dit licht kan niet worden gesproken van werkzaamheden die in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen, noch in financiële zin, noch in de zin van tijdsbesteding per week. Een en ander leidt tot de conclusie dat de inkomsten uit de dienstbetrekking bij de Stichting Muzieklycea te P geen winst uit onderneming vormen en dientengevolge de uren die belanghebbende in deze dienstbetrekking heeft gewerkt buiten beschouwing gelaten dienen te worden bij de vaststelling van de uren welke besteed zijn aan het feitelijk drijven van de onderneming. 4.1.3. Tussen partijen is niet geschil dat indien de uren die belanghebbende heeft besteed aan haar dienstbetrekking bij de Stichting Muzieklycea te P niet meetellen voor het uren-criterium alsdan niet wordt voldaan aan dit urencriterium. Hieruit volgt dat belanghebbende geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek. 4.2. Dan moet de vraag worden beantwoord of de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag beschikte over het zogenaamde nieuwe feit dat voor navordering vereist is. 4.2.1. Het Hof stelt voorop dat de inspecteur in beginsel erop mag vertrouwen dat het voorwerp van belastingheffing in de aangifte op een juiste wijze is verantwoord. Dit uitgangspunt geldt in het bijzonder met betrekking tot aangiften die op het eerste gezicht een verzorgde indruk maken en zijn begeleid door een professionele gemachtigde. Aan deze voorwaarde beantwoordt de namens belanghebbende gedane aangifte. Niettemin kan ook een op het eerste gezicht verzorgde aangifte informatie bevatten die de inspecteur bij een behoorlijke vervulling van zijn aanslagregelende taak redelijkerwijs ertoe zou hebben moeten brengen daarover vragen te stellen. In de onderhavige situatie dient beoordeeld te worden of de inspecteur een ambtelijk verzuim beging door geen onderzoek in te stellen naar de juistheid van de aftrekpost "zelfstandigenaftrek", mede gelet op het onder de onder vraag 10d van de aangifte opnemen van € 1.347 aan te verrekenen Nederlandse loonheffing terwijl er geen bijbehorende inkomsten uit de artiesten- of beroepssportersregeling bij deze vraag worden verantwoord en hetzelfde bedrag wordt verantwoord in de bij de aangifte van belanghebbende gevoegde winstberekening maar dan in relatie tot de als netto omzet verantwoorde ‘Muzieklycea P’. 4.2.2. Het Hof acht deze vermeldingen op zichzelf en beoordeeld in samenhang met de aangifte in haar geheel niet zodanig kwestieus dat de inspecteur in het kader van de aanslagregeling een onderzoek naar die posten had behoren in te stellen. Het als omzet opnemen van inkomsten uit muzieklycea is op zichzelf niet zodanig ongewoon te achten dat de inspecteur reeds op grond van de vermelding elders in de aangifte van ‘te verrekenen Nederlandse loonheffing over inkomsten die onder de artiesten- of beroepssportersregeling’ een onderzoek had moeten verrichten. Het Hof neemt daarbij in aanmerking de toelichting door gemachtigde op zijn wijze van invullen van het aangiftebiljet, en de reactie daarop van de inspecteur. Gemachtigde heeft verklaard in zijn adviespraktijk veel cliënten te hebben die in vergelijkbare omstandigheden verkeren. In deze aangiften worden door hem eveneens in de bijgevoegde jaarrekeningen omzet uit onderneming verantwoord, waarbij de ingehouden loonheffing op overeenkomstige wijze onder vraag 10d van het biljet wordt vermeld. De inspecteur heeft daarop ter zitting verklaard, bekend te zijn met deze wijze van invullen van het aangiftebiljet. In geval van artiesten die losse optredens hebben waarvan de opbrengst door hen terecht als omzet uit onderneming wordt aangemerkt maar (desondanks) bij wetsfictie loonheffing plaatsvindt, is deze wijze van verwerking niet ongebruikelijk. In het onderhavige geval was dan ook bij de aanslagregeling geen aanleiding voor een nader onderzoek. Eerst bij het boekenonderzoek bleek dat niet bij wetsfictie bij belanghebbende loonheffing was ingehouden, maar op grond van een vast dienstverband, en dat de inkomsten van het muzieklyceum ten onrechte zijn aangemerkt als omzet uit onderneming. Door bij de aanslagregeling naar de litigieuze posten geen onderzoek in te stellen heeft de inspecteur dan ook geen ambtelijk verzuim begaan. Na de vaststelling van de definitieve aanslag vormde het door de controlemedewerker uitgevoerde onderzoek en de uitkomst daarvan voor de inspecteur het nieuwe feit dat de navordering rechtvaardigde. Nu sprake is van een nieuw feit kan buiten beschouwing blijven of er sprake was van kwade trouw van de zijde van belanghebbende. 4.3. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaren. 5. Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6. Beslissing Het Hof : - vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en - verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, A.M.J.G. van Amsterdam en M.J. Hamer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands als griffier. De beslissing is op 14 mei 2009 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:HR:2000:AA5142
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 79.592,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 73.342,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 18/1801 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2019 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiseres (gemachtigde: B. Schoenmaker), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.146. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente in rekening gebracht ten bedrage van € 279.

Verweerder heeft voorts aan eiseres een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) opgelegd. Het bijdrage-inkomen is daarbij vastgesteld op € 0. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslagen en de beschikking gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2019 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, [A] en [B] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.F. Mamman en mr. drs. B.J.E. Lodder. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is woonachtig in Amsterdam. Zij is in 2014 werkzaam geweest als actrice. Eiseres heeft in 2014 de volgende inkomsten genoten: Wijze van verloning Loonheffing Loon De omroepvereniging [A OMROEP] Artiest € 270 € 744 Stichting [A STICHTING] Dienstbetrekking € 2.023 € 8.614 Stichting [B STICHTING] Dienstbetrekking € 1.045 € 5.596 Stichting [C STICHTING] Artiest € 3.332 € 9.192 Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen € 2 € -4 TOTAAL € 6.672 € 24.142 2.

Eiseres heeft met De omroepvereniging [A OMROEP] een overeenkomst tot opdracht gesloten. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “Aard van de opdracht: Acteur in de serie “(…)” Looptijd: van 01-07-14 tot en met 31-08-14 Omvang: minimaal 1 en maximaal 21 dagen, in overleg met eindredactie en/of productie Honorarium: € 186,- Bruto per dag (…) Artikel 2 Looptijd en tussentijdse beëindiging (…) 2.2. In aanvulling op artikel 15 Algemene Voorwaarden geldt dat de overeenkomst door een ieder der partijen tussentijds per brief kan worden beëindigd met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, zonder tot enige schadevergoeding gehouden te zijn.

Artikel 3 Uitvoering werkzaamheden 3.1. De ten behoeve van de [A OMROEP] te verlenen diensten zullen uitsluitend worden uitgevoerd door opdrachtnemer, tenzij de [A OMROEP] met (tijdelijke) vervanging vooraf schriftelijk heeft ingestemd. 3.2. De opdrachtnemer verleent de overeengekomen diensten op basis van zelfstandigheid in een volgorde en op een wijze die naar zijn/haar inzicht de meest wenselijke is. (…) Artikel 4 Aard van de overeenkomst en honorarium 4.1. Partijen zijn deze overeenkomst als zelfstandige partijen aangegaan en stellen uitdrukkelijk vast dat het karakter van de overeenkomst is, die van het verrichten van opdracht en niet van een arbeidsovereenkomst tussen de [A OMROEP] en Opdrachtnemer. 4.2.

Omdat Opdrachtnemer geen geldige VAR WUO/DGA kan overleggen zal de [A OMROEP] , onverminderd het hiervoor onder artikel 1 bepaalde honorarium, de noodzakelijke inhoudingen verrichten.” 3. Eiseres heeft arbeidsovereenkomsten gesloten met Stichting [A STICHTING] en Stichting [B STICHTING] waarin telkens wordt gesproken over ‘werkgever’ en ‘werknemer’ en van ‘in dienst treden’. In de twee overeenkomsten (voor bepaalde tijd) met Stichting [B STICHTING] is opgenomen dat eiseres recht heeft op vakantie- en verlofuren en dat de CAO Theater van toepassing is.

Eveneens is opgenomen dat eiseres zal worden aangemeld bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn en is een bepaling opgenomen over het maandelijkse brutoloon. In de overeenkomst (voor bepaalde tijd) met Stichting [A STICHTING] is opgenomen dat eiseres recht heeft op 8% vakantietoeslag en dat de CAO Nederlands Theater van toepassing is. Daarnaast is een bepaling opgenomen over het bruto maandsalaris.

4. Van de betalingen die eiseres heeft ontvangen van Stichting [C STICHTING] heeft zij specificaties overgelegd. Tevens heeft eiseres een urenspecificatie ten behoeve van de ondernemersaftrek overgelegd.

5. Namens eiseres heeft haar gemachtigde op 28 augustus 2015 aangifte IB/PVV 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.678. Het bedrag is als volgt opgebouwd: Winst voor ondernemersaftrek € 24.146 Af: Ondernemersaftrek € 9.403 -/- € 14.743 Af: MKB-winstvrijstelling € 2.065 -/- € 12.678 6. Met dagtekening 21 november 2016 heeft verweerder (de gemachtigde van) eiseres een brief gestuurd waarin hij heeft aangegeven af te zullen wijken van de ingediende aangifte. In de brief heeft verweerder aangegeven dat hij van mening is dat sprake is van loondienst en resultaat uit overige werkzaamheden in plaats van winst uit onderneming en dat eiseres derhalve niet in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek.

7. Met dagtekening 8 december 2016 zijn de onderhavige aanslagen opgelegd en is de beschikking belastingrente afgegeven.

8. Namens eiseres heeft haar gemachtigde hiertegen op 8 december 2016 bezwaar gemaakt.

9. Met dagtekening 12 februari 2018 heeft verweerder zijn voorgenomen beslissing op het bezwaarschrift aan eiseres gestuurd. Hieruit volgt dat verweerder voornemens is het bezwaar ongegrond te verklaren. Eiseres is in de gelegenheid hierop te reageren vóór 26 februari 2018. Van die gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

10. Met dagtekening 28 februari 2018 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard. Geschil 11. In geschil is de kwalificatie van de inkomensbestanddelen verkregen uit de door eiseres gesloten overeenkomsten. Meer in het bijzonder is in geschil of deze inkomsten zijn aan te merken als winst uit onderneming.

12. Eiseres stelt dat de inkomsten uit alle arbeidsrelaties aangemerkt dienen te worden als winst uit onderneming. Volgens eiseres oefent zij een zelfstandig beroep uit omdat bij de werkzaamheden haar persoonlijke kwaliteit voorop staat en dan geldt de definitie van ondernemer niet. Eiseres hoeft derhalve niet te voldoen aan de voorwaarden die gelden om aangemerkt te kunnen worden als ondernemer. Bij de aanwezigheid van een zelfstandig beroep is de aanwezigheid van kapitaal niet vereist en bovendien staat de afwezigheid van een debiteurenrisico het zelfstandig uitgeoefend beroep niet in de weg, aldus eiseres.

Als dat niet ten aanzien van alle arbeidsrelaties het geval is, stelt eiseres dat de inkomsten uit dienstbetrekking kunnen worden geabsorbeerd door de winst uit onderneming. Mocht dit niet het geval zijn, dan stelt eiseres dat de aanslag verminderd dient te worden conform de ingediende aangifte op grond van het gelijkheidsbeginsel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel is door eiseres ter zitting ingetrokken. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag IB/PVV 2014 en de beschikking belastingrente.

13. Verweerder stelt dat ten aanzien van Stichting [A STICHTING] sprake is van een dienstbetrekking. Verweerder wijst hiervoor op de bewoordingen in de arbeidsovereenkomst en op een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam (van 30 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:285) die de aanslag IB/PVV 2012 van eiseres betrof waaraan ook een arbeidsovereenkomst van Stichting [A STICHTING] ten grondslag lag. Verweerder stelt verder dat ook ten aanzien van Stichting [B STICHTING] , gelet op de bewoordingen in de arbeidsovereenkomst, sprake is van een dienstbetrekking.

De inkomsten die eiseres heeft verkregen van Stichting [A STICHTING] en Stichting [B STICHTING] dienen daarom aangemerkt te worden als loon, aldus verweerder. Ten aanzien van De omroepvereniging [A OMROEP] stelt verweerder zich op het standpunt dat sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden omdat de werkzaamheden tegen een vooraf overeengekomen vergoeding zijn verricht waardoor eiseres geen debiteurenrisico loopt en daarnaast dat sprake is van een (zeer) kortlopende opdracht en geringe brutobaten. Ook ten aanzien van de inkomsten die zijn verloond door Stichting [C STICHTING] stelt verweerder zich op het standpunt dat sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden omdat eiseres geen overeenkomsten van opdracht heeft overgelegd die zijn verloond door Stichting [C STICHTING] en de ontvangen inkomsten van Stichting [C STICHTING] via de artiestentabel zijn verloond.

Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres geen beroep toekomt op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

14. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Winst uit onderneming 15. Artikel 2.14 van de Wet IB 2001 bevat een rangorderegeling waarin is bepaald dat een voordeel dat op grond van meerdere artikelen als belastbaar inkomen kan worden aangemerkt, dit voordeel uitsluitend op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf wordt aangemerkt als bestanddeel van het belastbare inkomen. De belastbare winst is opgenomen in afdeling 3.2, het belastbare loon is opgenomen in afdeling 3.3 en het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden in afdeling 3.4. Dit betekent dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of sprake is van winst uit onderneming (vgl. Gerechtshof Amsterdam 19 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:454).

16. Ingevolge artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt onder ondernemer verstaan de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Onder onderneming moet worden verstaan een duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van arbeid en veelal kapitaal deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk winst te behalen. Bij de beoordeling of sprake is van een onderneming moet onder meer worden gelet op de duurzaamheid en de omvang van de verrichte werkzaamheden, de beschikbare tijd, de winstverwachting, het debiteuren- en ondernemersrisico, de omvang van de bruto-inkomsten, de omvang van de investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten (vgl. Hoge Raad 21 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5328).

17. Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt onder onderneming mede verstaan het zelfstandig uitgeoefende beroep. Daarvan is sprake als de belastingplichtige de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening verricht en daarbij ondernemersrisico loopt. De aanwezigheid van een organisatie van kapitaal en arbeid is hiervoor niet vereist (vgl. Hoge Raad 16 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5085).

18. Op eiseres rust de last om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een door haar gedreven onderneming zoals hiervoor is omschreven.

19. Eiseres voert in dat verband aan dat een actrice een vrij beroep uitoefent en dat zij als vrij beroepsbeoefenaar gekozen heeft voor een onderneming conform de artikelen 3.4, 3.5 en 3.6 van de Wet IB 2001. Eiseres stelt dat zij een zelfstandig beroep uitoefent waarbij haar persoonlijke kwaliteit prevaleert. Eiseres streeft er naar een inkomen te vergaren. Sommige betalingen blijven lang uit zodat sprake is van een debiteurenrisico omdat eiseres in dat geval genoodzaakt is tot een commerciële voorfinanciering. Bij het bestaan van een debiteurenrisico is niet van belang dat het risico zich daadwerkelijk gemanifesteerd heeft, aldus eiseres.

Overigens staat de afwezigheid van een debiteurenrisico het zelfstandig uitgeoefend beroep niet in de weg, aldus nog steeds eiseres. Voorts stelt eiseres dat bij een zelfstandig uitgeoefend beroep de aanwezigheid van kapitaal niet is vereist omdat een dergelijk beroep ook kan worden uitgeoefend zonder investering in materiele of immateriële activa. Ook is eiseres rechtstreeks verbonden om de opdrachtovereenkomsten uit te voeren. Al met al is sprake van een onderneming. Een en ander wordt door verweerder betwist.

20. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet in haar bewijslast is geslaagd. Tussen partijen is niet in geschil dat de inkomsten van Stichting [A STICHTING] en Stichting [B STICHTING] op zichzelf bezien loon uit dienstbetrekking en geen winst uit onderneming vormen. Ten aanzien van de werkzaamheden die eiseres heeft verricht voor De omroepvereniging [A OMROEP] is de rechtbank, gelet op de beperkte omvang van de werkzaamheden en de daarmee gegenereerde inkomsten, van oordeel dat de inkomsten uit deze activiteit, op zichzelf bezien, niet kwalificeren als winst uit onderneming.

Datzelfde heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden voor de door Stichting [C STICHTING] uitbetaalde bedragen. Nu eiseres ten aanzien daarvan niet de onderliggende overeenkomsten heeft overgelegd, is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van winst uit onderneming. In het licht van de over en weer ingenomen stellingen is de rechtbank van oordeel dat het inkomen uit de werkzaamheden voor De omroepvereniging [A OMROEP] en de door Stichting [C STICHTING] gedane betalingen, moeten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Absorptie 21.

Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de inkomsten uit dienstbetrekking kunnen worden geabsorbeerd door de winst uit onderneming. Voor het in aanmerking nemen van loon uit dienstbetrekking in het kader van winst uit onderneming is vereist dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de werkzaamheden verricht in de dienstbetrekking en de werkzaamheden verricht als ondernemer en bovendien dat de werkzaamheden in de dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen (vgl. Gerechtshof Amsterdam 14 mei 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1828).

22. Uit het voorgaande blijkt dat voor de door eiseres voorgestane absorptie sprake is van cumulatieve vereisten, te weten nauwe samenhang tussen de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking en als ondernemer alsmede dat de werkzaamheden in dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats dienen in te nemen. Daarvan is het onderhavige geval geen sprake, aangezien eiseres in het onderhavige jaar naar het oordeel van de rechtbank in het geheel geen ondernemingsactiviteiten heeft bedreven. Voor zover eiseres deze stelling inneemt, kan deze niet slagen. Gelijkheidsbeginsel 23. Eiseres heeft verder het standpunt ingenomen dat zij op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op kwalificatie van de inkomsten als winst uit onderneming en toepassing van de zelfstandigenaftrek.

24. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij een groot aantal bijlagen overgelegd die betrekking hebben op andere cliënten van haar gemachtigde. Eiseres heeft gesteld dat haar gemachtigde vanaf 1995 voor honderden acteurs, actrices en musici heeft verzocht om eerder opgelegde aanslagen IB/PVV alsnog te verlagen in verband met te verlenen ondernemersaftrek. In die gevallen ging het volgens eiseres om acteurs/actrices (of musici) met loondienstverbanden, waarbij hetzij de gezagsverhouding zou ontbreken, hetzij sprake was van absorptie van looninkomsten in de winst uit onderneming.

25. Eiseres heeft gesteld dat in vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven als gevolg van niet gepubliceerd beleid of een oogmerk van begunstiging door verweerder. Eiseres verwijst daartoe naar de door haar ingebrachte stukken waaruit aannemelijk zou worden dat in vergelijkbare gevallen met die van eiseres de inkomsten als winst uit onderneming zijn aangemerkt en de zelfstandigenaftrek is verleend. Voor zover geen sprake is geweest van beleid, is in de meerderheid van de met haar vergelijkbare gevallen volgens eiseres een juiste wetstoepassing achterwege gebleven.

26. Verweerder heeft dit standpunt van eiseres betwist. Hij heeft het standpunt ingenomen dat er geen sprake is geweest van een begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging en dat eiseres met de door haar overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat een of meer van de door haar genoemde belastingplichtigen in vergelijkbare omstandigheden verkeerde(n) als eiseres. Voor zover al sprake is geweest van kwalificatie van vergelijkbare activiteiten als winst uit onderneming bij andere belastingplichtigen, is sprake geweest van een fout.

27. De rechtbank oordeelt als volgt. Met de door haar overgelegde gegevens heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van beleid of een oogmerk van begunstiging. Indien een belastingplichtige een beroep doet op de zogenoemde meerderheidsregel, dient zij in de eerste plaats feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat in minstens twee gevallen die feitelijk en rechtens met haar geval vergelijkbaar zijn (en die vallen binnen het ambtsgebied van verweerder) een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, alvorens het op de weg ligt van verweerder om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat geen sprake is van beleid en de relevante groep groter is en dat in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen de wet juist is toegepast (vgl. Hoge Raad 15 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5142 en Hoge Raad 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9489).

28. Eiseres heeft met de door haar overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk gemaakt dat een of meer van de door haar genoemde belastingplichtigen feitelijk en rechtens in vergelijkbare omstandigheden verkeerde(n) als zij zelf, laat staan dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat bij een of meer van deze belastingplichtigen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. De door eiseres overgelegde bewijsstukken zijn daarvoor te globaal van aard; van geen van de door eiseres genoemde belastingplichtigen zijn concrete gegevens overgelegd waaruit volgt dat zij werkzaamheden hebben verricht op grond van vergelijkbare contractuele afspraken als die van eiseres en dat de door hen genoten inkomsten desondanks door verweerder zijn aangemerkt als winst uit onderneming, zonder dat is voldaan aan de daaraan te stellen voorwaarden (zoals het op de juiste wijze toepassen van het absorptiecriterium).

De door eiseres in een van haar nadere stukken (ontvangen door de rechtbank op 8 februari 2019) specifiek genoemde cliënten van haar gemachtigde hebben, blijkens de overgelegde stukken, geheel andere opdrachtgevers gehad dan eiseres. Het standpunt van eiseres dat zij voor het door haar te leveren bewijs kan volstaan met de algemene stelling dat zij over dezelfde groepskenmerken beschikt als de belastingplichtigen waarvan zij stukken heeft overgelegd, te weten acteur/actrice waarvan de looninkomsten onder winst uit onderneming vallen, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Op deze gronden dient het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel te worden verworpen. Slotsom 29. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 30. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Brits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2019. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.