Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2019:1986 ECLI:NL:RBNHO:2019:1986 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2019:1986 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2019:1986
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 18/1951 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2019 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiseres (gemachtigde: B. Schoenmaker), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.308. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2019:1986 · Rechtbank Noord-Holland: Ingevolge artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt onder ondernemer verstaan de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Onder onderneming moet worden verstaan een duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van arbeid en veelal kapitaal deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk winst te behalen. Bij de beoordeling of sprake is van een onderneming moet onder meer worden gelet op de duurzaamheid en de omvang van de verrichte werkzaamheden, de beschikbare tijd, de winstverwachting, het debiteuren- en ondernemersrisico, de omvang van de bruto-inkomsten, de omvang van de investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.

Keywords

AI generated
gainful employment employed spouse compensable branch of activity unpaid work adequate earning capacity bogus self-employment

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2015:454
Contractant 2 verleent ondersteunende productiewerkzaamheden ten behoeve van de producties van [F] Producties; zijnde[diverse acts] en de theatervoorstellingen.
ECLI:NL:HR:1992:ZC5085
HR 16 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5085).
ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1828
GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk P 08/00324 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van - de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht Gerbrandystraat, de inspecteur, tegen de uitspraak in de zaak met kenmerknummer AWB 07/2951 van de rechtbank Haarlem van 11 februari 2008 in het geding tussen - X, wonende te P, belanghebbende, gemachtigde B. Schoenmaker, en - de inspecteur. 1. Ontstaan en loop van het geding De inspecteur heeft met dagtekening 6 mei 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.079. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 11 april 2007, de navorderingsaanslag gehandhaafd. Bij uitspraak van 11 februari 2008 (AWB 07/2951), verzonden op 15 februari 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag vernietigd. Tegen bovenstaande uitspraak van de rechtbank heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 26 maart 2008, bij het Hof ingekomen op 27 maart 2008, en aangevuld bij brief van 8 mei 2008. De gemachtigde heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2.Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende – in hoger beroep niet alsnog weersproken - feiten vastgesteld (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de inspecteur als verweerder): 2.1. Eiseres, musicus van beroep, heeft over het jaar 2002 op 5 januari 2004 aangifte IB/PVV gedaan naar het hieronder vermelde inkomen. De aangifte is ingediend en verzorgd door belastingadvieskantoor B. Schoenmaker en bevat voor zover van belang de volgende gegevens. Winst uit onderneming € 2.744 Zelfstandigenaftrek € 8.187 -/- Loon uit dienstbetrekking € 439 Ingehouden loonheffing € 26 Opbrengst overige werkzaamheden € 0 Te verrekenen loonheffing die onder de artiesten of beroepssportersregeling vielen € 1.347 Huurwaarde eigen woning € 1.009 Betaalde rente en kosten € 6.837 Toegerekend saldo van inkomsten en aftrekposten € 1.136 -/- ------------- Inkomen uit werk en woning € 2.047 Persoonsgebonden aftrek € 155 ------------- Belastbaar inkomen uit werk en woning € 1.892 In de bijlage bij de aangifte over 2002 is de volgende specificatie van de winstberekening gevoegd: Loonheffing, zie “inkomsten niet uit dienstbetrekking” Muziek Lycea te P € 10.439 € 1.347 Dwarsfluitlessen € 1.435 Optredens ` € 350 ------------- Omzet totaal € 12.224 2.2. Verweerder heeft overeenkomstig de ingediende aangifte IB/PVV met dagtekening 26 maart 2005 de aanslag IB/PVV over 2002 opgelegd. 2.3. In mei 2005 deelt gemachtigde van eiseres mede aan een behandelend ambtenaar dat hij in een vergelijkbaar geval bij een andere belastingplichtige eerst achteraf, als de verhouding tussen de verschillende inkomsten duidelijk is, een keuze maakt of sprake is van winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden. Als de behandelend ambtenaar de aangifte IB/PVV over 2003 van eiseres dient te beoordelen, besluit deze naar aanleiding van de eerdere mededeling van gemachtigde de aangifte IB/PVV aan een meer gedetailleerd onderzoek te onderwerpen. 2.4. Met dagtekening 27 oktober 2005 wordt de aanslag IB/PVV over 2003 opgelegd. Verweerder heeft daarbij de geclaimde zelfstandigenaftrek gecorrigeerd. 2.5. Naar aanleiding van een ingediend bezwaar tegen de aanslag IB/PVV over het jaar 2003, heeft verweerder op 19 januari 2006 een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften IB/PVV over de jaren 2001, 2002 en 2003. Met dagtekening 21 april 2006 is een rapport uitgebracht. 2.6. Tijdens het onderzoek komt naar voren dat eiseres tot 1 september 2002 op basis van een jaarcontract in dienstbetrekking werkzaam is geweest bij Stichting Muzieklycea te P. Vanaf 1 september 2002 is zij daar voor onbepaalde tijd in dienst getreden. Naast dit dienstverband geeft eiseres privéles dwarsfluit aan particulieren en treedt zij incidenteel op. De werving van leerlingen voor particuliere lessen vindt plaats door mond op mond reclame en door berichten die bij de muziekschool worden opgehangen. De particuliere lessen worden bij eiseres thuis of in gehuurde ruimte gegeven. In verband met de geboorte van het kind van eiseres in december 2004 worden sindsdien geen lessen meer thuis gegeven. 2.7. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft eiseres een achteraf opgemaakte urenlijst verstrekt, waarin een specificatie van haar werkzaamheden is opgenomen. Volgens de urenlijst bedraagt het totaal aantal uren in 2002 1.457. In de urenlijst is geen onderscheid gemaakt tussen de uren besteed aan de onderneming en de uren besteed aan de dienstbetrekking. 2.8. Tijdens de controle heeft eiseres haar agenda’s ter inzage verstrekt. 2.9. De controlerend ambtenaar heeft op basis van zijn bevindingen geconcludeerd dat eiseres in de jaren 2001, 2002 en 2003 niet aan het urencriterium heeft voldaan. 2.10. Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek heeft verweerder met dagtekening 6 mei 2006 de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. Gemachtigde heeft op 29 mei 2006 gereageerd op het rapport boekenonderzoek en tevens bezwaar aangetekend tegen de navorderingsaanslag. 2.11. Op 23 en 30 januari 2007 heeft de behandelend ambtenaar telefonisch overleg gevoerd met gemachtigde en daarbij een compromis aangeboden. Gemachtigde heeft het compromis niet aanvaard. 2.12. Bij brief van 16 februari 2007 heeft de behandelend ambtenaar verzocht om agenda’s en overige primaire bescheiden met betrekking tot de urenverantwoording over 2001 en 2002. 2.13. Bij brief van 20 februari 2007 heeft gemachtigde aangegeven dat de navorderingsaanslag ten onrechte was opgelegd aangezien een nieuw feit ontbreekt en overigens de gevraagde gegevens al eerder zijn overgelegd. 2.14. Bij brief van 1 maart 2007 heeft de behandelend ambtenaar wederom verzocht om de gevraagde gegevens als vermeld onder 2.14. Bij brief van 10 april 2007 heeft gemachtigde gereageerd en een kopie van de urenlijsten 2001 en 2002 verstrekt. 2.2. Het Hof voegt daaraan nog toe: 2.2.1. In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 van belanghebbende is onder vraag 10d “Te verrekenen Nederlandse loonheffing over inkomsten die onder de artiesten- of beroepssportersregeling vielen” € 1.347 vermeld. 3. Geschil in hoger beroep Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, of -voor het geval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord- de inspecteur voor de navorderingsaanslag beschikt over het daarvoor benodigde nieuwe feit, of, bij afwezigheid van een nieuw feit, de navordering toch mogelijk is in verband met kwade trouw van de zijde van belanghebbende Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of belanghebbende in 2002 voldeed aan de eisen die de wet stelt aan toepassing van de zelfstandigenaftrek. Daarbij is niet in geschil dat belanghebbende voor wat betreft haar dwarsfluitlessen en optredens in het onderhavige jaar een onderneming dreef. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende tenminste 1225 uren besteedde aan het feitelijk drijven van haar onderneming. 4.1.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inkomsten genoten uit de dienstbetrekking bij de Stichting Muzieklycea te P moeten worden gerekend tot de winst uit onderneming en dientengevolge de aan deze dienstbetrekking bestede uren meetellen voor voornoemd urencriterium. 4.1.2. Voor het aldus aanmerken van loon uit dienstbetrekking als winst uit onderneming is vereist dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking en de werkzaamheden verricht als ondernemer en bovendien dat de werkzaamheden in dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen. De activiteiten die belanghebbende als ondernemer verricht vertonen naar het oordeel van het Hof niet een zodanig nauwe samenhang met haar werkzaamheden als docent in dienstbetrekking, en evenmin zijn de activiteiten als ondernemer dermate overheersend, dat de uren gewerkt in loondienst moeten worden geacht als onderdeel van de onderneming daarin te zijn opgegaan. Ten aanzien van dit laatste is van belang dat de genoten looninkomsten beduidend meer bedragen dan de ondernemingswinst. Voorts kan uit de door belanghebbende overgelegde urenstaten niet worden afgeleid welke uren zijn besteed aan de dienstbetrekking en welke uren aan de onderneming. In dit licht kan niet worden gesproken van werkzaamheden die in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen, noch in financiële zin, noch in de zin van tijdsbesteding per week. Een en ander leidt tot de conclusie dat de inkomsten uit de dienstbetrekking bij de Stichting Muzieklycea te P geen winst uit onderneming vormen en dientengevolge de uren die belanghebbende in deze dienstbetrekking heeft gewerkt buiten beschouwing gelaten dienen te worden bij de vaststelling van de uren welke besteed zijn aan het feitelijk drijven van de onderneming. 4.1.3. Tussen partijen is niet geschil dat indien de uren die belanghebbende heeft besteed aan haar dienstbetrekking bij de Stichting Muzieklycea te P niet meetellen voor het uren-criterium alsdan niet wordt voldaan aan dit urencriterium. Hieruit volgt dat belanghebbende geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek. 4.2. Dan moet de vraag worden beantwoord of de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag beschikte over het zogenaamde nieuwe feit dat voor navordering vereist is. 4.2.1. Het Hof stelt voorop dat de inspecteur in beginsel erop mag vertrouwen dat het voorwerp van belastingheffing in de aangifte op een juiste wijze is verantwoord. Dit uitgangspunt geldt in het bijzonder met betrekking tot aangiften die op het eerste gezicht een verzorgde indruk maken en zijn begeleid door een professionele gemachtigde. Aan deze voorwaarde beantwoordt de namens belanghebbende gedane aangifte. Niettemin kan ook een op het eerste gezicht verzorgde aangifte informatie bevatten die de inspecteur bij een behoorlijke vervulling van zijn aanslagregelende taak redelijkerwijs ertoe zou hebben moeten brengen daarover vragen te stellen. In de onderhavige situatie dient beoordeeld te worden of de inspecteur een ambtelijk verzuim beging door geen onderzoek in te stellen naar de juistheid van de aftrekpost "zelfstandigenaftrek", mede gelet op het onder de onder vraag 10d van de aangifte opnemen van € 1.347 aan te verrekenen Nederlandse loonheffing terwijl er geen bijbehorende inkomsten uit de artiesten- of beroepssportersregeling bij deze vraag worden verantwoord en hetzelfde bedrag wordt verantwoord in de bij de aangifte van belanghebbende gevoegde winstberekening maar dan in relatie tot de als netto omzet verantwoorde ‘Muzieklycea P’. 4.2.2. Het Hof acht deze vermeldingen op zichzelf en beoordeeld in samenhang met de aangifte in haar geheel niet zodanig kwestieus dat de inspecteur in het kader van de aanslagregeling een onderzoek naar die posten had behoren in te stellen. Het als omzet opnemen van inkomsten uit muzieklycea is op zichzelf niet zodanig ongewoon te achten dat de inspecteur reeds op grond van de vermelding elders in de aangifte van ‘te verrekenen Nederlandse loonheffing over inkomsten die onder de artiesten- of beroepssportersregeling’ een onderzoek had moeten verrichten. Het Hof neemt daarbij in aanmerking de toelichting door gemachtigde op zijn wijze van invullen van het aangiftebiljet, en de reactie daarop van de inspecteur. Gemachtigde heeft verklaard in zijn adviespraktijk veel cliënten te hebben die in vergelijkbare omstandigheden verkeren. In deze aangiften worden door hem eveneens in de bijgevoegde jaarrekeningen omzet uit onderneming verantwoord, waarbij de ingehouden loonheffing op overeenkomstige wijze onder vraag 10d van het biljet wordt vermeld. De inspecteur heeft daarop ter zitting verklaard, bekend te zijn met deze wijze van invullen van het aangiftebiljet. In geval van artiesten die losse optredens hebben waarvan de opbrengst door hen terecht als omzet uit onderneming wordt aangemerkt maar (desondanks) bij wetsfictie loonheffing plaatsvindt, is deze wijze van verwerking niet ongebruikelijk. In het onderhavige geval was dan ook bij de aanslagregeling geen aanleiding voor een nader onderzoek. Eerst bij het boekenonderzoek bleek dat niet bij wetsfictie bij belanghebbende loonheffing was ingehouden, maar op grond van een vast dienstverband, en dat de inkomsten van het muzieklyceum ten onrechte zijn aangemerkt als omzet uit onderneming. Door bij de aanslagregeling naar de litigieuze posten geen onderzoek in te stellen heeft de inspecteur dan ook geen ambtelijk verzuim begaan. Na de vaststelling van de definitieve aanslag vormde het door de controlemedewerker uitgevoerde onderzoek en de uitkomst daarvan voor de inspecteur het nieuwe feit dat de navordering rechtvaardigde. Nu sprake is van een nieuw feit kan buiten beschouwing blijven of er sprake was van kwade trouw van de zijde van belanghebbende. 4.3. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaren. 5. Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6. Beslissing Het Hof : - vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en - verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, A.M.J.G. van Amsterdam en M.J. Hamer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands als griffier. De beslissing is op 14 mei 2009 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:HR:1989:ZC4179
Aanslag en bezwaar. Aan belanghebbende is voor het jaar 1982 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 43.354,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is gehandhaafd. Geding voor het Hof. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft als tussen partijen vaststaande aangemerkt: ‘’Belanghebbende, geboren in 1940, is sedert 1966 werkzaam als advocaat [A], kantoorhoudende onder meer te [Q] en [R] (hierna wel te noemen: het kantoor), zijnde een maatschap waarvan de vennoten zijn [B] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C], gevestigd te [Q] (hierna te noemen: [C]); [B] is directeur-grootaandeelhouder van [C]. Belanghebbende verricht zijn werkzaamheden als advocaat in een rechtsverhouding tot [C].
ECLI:NL:HR:2000:AA5142
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 79.592,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 73.342,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 18/1951 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2019 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiseres (gemachtigde: B. Schoenmaker), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.308. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2019 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.F. Mamman en mr. drs. B.J.E. Lodder. Overwegingen Feiten 1. Eiseres was in de periode 5 december 2008 tot en met 28 februari 2014 woonachtig in Amsterdam.

Sindsdien woont zij in Berlijn, Duitsland. Zij is in 2013 werkzaam geweest als actrice.

2. Eiseres heeft in 2013 een arbeidsovereenkomst gesloten met [A TONEELGROEP] . In die overeenkomst wordt gesproken over ‘werkgever’ en ‘werknemer’ en van ‘in dienst treden’. Tevens is vermeld dat eiseres recht heeft op een bruto salaris per maand, 8% vakantietoeslag, dat de CAO Nederlands Theater en de CAO Stichting Sociaal Fonds Theater van toepassing zijn en dat eiseres verplicht is direct aan werkgever te melden als zij voor andere opdrachtgevers werkzaamheden wil verrichten.

3. Eiseres heeft op 13 september 2012 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, namelijk tot 25 september 2013 gesloten met [A BEDRIJF] . In die overeenkomst wordt gesproken over ‘werkgever’ en ‘werknemer’ en van ‘in dienst treden’. Tevens is vermeld dat eiseres recht heeft op een bruto salaris per maand, 8% vakantietoeslag en dat de CAO Nederlands Theater van toepassing is.

4. Eiseres heeft op 22 juli 2013 een acteursovereenkomst voor bepaalde tijd, namelijk van 1 mei 2013 tot en met 31 oktober 2013 gesloten voor in beginsel zeven draaidagen met [B BEDRIJF] B.V. In die overeenkomst is een vaste vergoeding overeengekomen en wordt elk mogelijk intellectueel eigendomsrecht door eiseres overgedragen aan de opdrachtgever, en komt eiseres overeen de aanwijzingen van de regisseur of diens plaatsvervanger op te volgen. De inkomsten van [B BEDRIJF] B.V. zijn verloond door Stichting [A STICHTING] .

5. Eiseres heeft een acteursovereenkomst van opdracht gesloten met [C BEDRIJF] B.V. voor de draaiperiode van 10 tot 22 juli 2013. In die overeenkomst is een vaste vergoeding overeengekomen, wordt elk mogelijk intellectueel eigendomsrecht door eiseres overgedragen aan de opdrachtgever. De inkomsten van [C BEDRIJF] B.V. zijn verloond door Stichting [A STICHTING] .

6. Eiseres heeft een Darsteller-Vertrag gesloten met [D BEDRIJF] GmbH voor de periode 29 mei tot en met 21 juni 2013. In die overeenkomst is een vaste vergoeding overeengekomen voor zeven draaidagen en een vast bedrag per extra draaidag. Op de uitbetaling aan eiseres zijn Lohnsteuer en Duitse sociale verzekeringspremies ingehouden.

7. Eiseres heeft een Filmdarsteller-Vertrag gesloten met [E BEDRIJF] mbH voor de periode 11 augustus tot en met 21 augustus 2013. Op de uitbetaling aan eiseres zijn Lohnsteuer en Duitse sociale verzekeringspremies ingehouden.

8. Eiseres heeft haar aangiften IB/PVV 2005 en 2006 ingediend, rekening houdend met ondernemerschap en zelfstandigenaftrek. Op 15 april 2009 is een brief van de gemachtigde van eiseres bij verweerder binnengekomen met een toelichting op deze aangiften. In deze brief wordt – voor zover hier van belang – het volgende vermeld: “Client treedt op als artiest in een vrij beroep. De inkomsten als artiest worden voornamelijk genoten, op grond van artikel 5, 5a en 35 t/m 35e wet op de loonbelasting 2002. Dat houdt in dat per dag een loonberekening gemaakt wordt voor de optredende artiest. (…) De optredens als artiest vinden plaats voor verschillende opdrachtgevers. (…) In BNB 1981/105 wordt beslist dat dienstbetrekkingen (zowel de gewone dienstbetrekking, maar zeker de dienstbetrekking van een artiest, vallende onder 5, 5a en 35 t/m 35e wet op de loonbelasting 2002) in het kader van een onderneming vervuld kunnen worden.

Client heeft duidelijk gekozen voor een onderneming, of beter gezegd een vrij beroep als artiest (artikel 3.4, 3.5, 3.6 wet op de inkomstenbelasting). (…) Van wezenlijk belang dat alle dienstbetrekkingen vervuld zijn als artiest en daarmee binnen het kader van een onderneming op grond van BNB 1981/105.” De aanslagen IB/PVV 2005 en 2006 zijn overeenkomstig de ingediende aangiften vastgesteld.

9. De specificatie van de in 2005 door eiseres ontvangen inkomsten die als winst uit onderneming in de aangifte IB/PVV 2005 zijn verantwoord, is als volgt: inkomsten loonheffing [A THEATER] Jeugdwerktheaterplaats 311 [NAAM 1] 1.579 [NAAM 2] 622 214 466 [A STICHTING] 3.326 1.145 Stg. [B STICHTING] 350 10. De specificatie van de in 2006 door eiseres ontvangen inkomsten die als winst uit onderneming in de aangifte IB/PVV 2006 zijn verantwoord, is als volgt: inkomsten loonheffing [NAAM 2] BV 473 162 [A OMROEP] 1.000 [F BEDRIJF] BV 2.090 714 Stg. [D STICHTING] 1.666 372 [A STICHTING] 3.326 1.145 Stg. [C STICHTING] 728 161 11. De aanslagen IB/PVV 2007 tot en met 2009, rekening houdend met ondernemerschap en zelfstandigenaftrek, zijn automatisch afgedaan en conform de door eiseres ingediende aangiften vastgesteld.

12. De aanslag IB/PVV 2010 is, rekening houdend met ondernemerschap en zelfstandigenaftrek, na ingediend bezwaar, vastgesteld conform de door eiseres ingediende aangifte. Het bezwaar betrof een bijtelling van inkomsten uit loondienst uit Duitsland door verweerder, terwijl dit inkomen reeds was vermeld in de aangifte (onder de winst uit onderneming).

13. De aanslagen IB/PVV 2011 en 2012, rekening houdend met ondernemerschap en zelfstandigenaftrek, zijn automatisch afgedaan en conform de door eiseres ingediende aangiften vastgesteld. Geschil 14. In geschil is de kwalificatie van de inkomensbestanddelen verkregen uit de door eiseres gesloten overeenkomsten zoals vermeld in de onderdelen 2 tot en met 7 hiervoor. Meer in het bijzonder is in geschil of deze inkomsten zijn aan te merken als winst uit onderneming.

15. Eiseres stelt dat de inkomsten uit haar arbeidsrelaties in 2013 aangemerkt dienen te worden als winst uit onderneming. Volgens eiseres is er geen sprake van gezag. Als dat niet ten aanzien van alle arbeidsrelaties het geval is, kunnen de inkomsten uit dienstbetrekking worden geabsorbeerd door de winst uit onderneming. Mocht dit niet het geval zijn, dan dient de aanslag te worden verminderd conform de ingediende aangifte op grond van het vertrouwensbeginsel dan wel het gelijkheidsbeginsel.

16. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag IB/PVV 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.264 en toepassing van de ondernemersaftrek.

17. Verweerder stelt dat wat betreft de inkomsten genoten van [A TONEELGROEP] , [A BEDRIJF] , [D BEDRIJF] GmbH en [E BEDRIJF] mbH sprake is van loon uit dienstbetrekking, en wat betreft de via Stichting [A STICHTING] verloonde inkomsten van resultaat uit overige werkzaamheden. Voorts stelt verweerder dat eiseres geen geslaagd beroep op het vertrouwens- of het gelijkheidsbeginsel kan doen.

18. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

19. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Winst uit onderneming 20. Artikel 2.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), bevat een rangorderegeling waarin is bepaald dat een voordeel dat op grond van meerdere artikelen als belastbaar inkomen kan worden aangemerkt, dit voordeel uitsluitend op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf wordt aangemerkt als bestanddeel van het belastbare inkomen. De belastbare winst is opgenomen in afdeling 3.2, het belastbare loon is opgenomen in afdeling 3.3 en het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden in afdeling 3.4. Dit betekent dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of sprake is van winst uit onderneming (vgl. Gerechtshof Amsterdam 19 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:454).

21. Ingevolge artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt onder ondernemer verstaan de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Onder onderneming moet worden verstaan een duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van arbeid en veelal kapitaal deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk winst te behalen. Bij de beoordeling of sprake is van een onderneming moet onder meer worden gelet op de duurzaamheid en de omvang van de verrichte werkzaamheden, de beschikbare tijd, de winstverwachting, het debiteuren- en ondernemersrisico, de omvang van de bruto-inkomsten, de omvang van de investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.

22. Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt onder onderneming mede verstaan het zelfstandig uitgeoefende beroep. Daarvan is sprake als de belastingplichtige de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening verricht en daarbij ondernemersrisico loopt. De aanwezigheid van een organisatie van kapitaal en arbeid is hiervoor niet vereist (vgl. HR 16 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5085).

23. Op eiseres rust de last om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een door haar gedreven onderneming zoals hiervoor is omschreven.

24. Eiseres voert in dat verband aan dat een actrice een vrij beroep uitoefent en artistiek onafhankelijk is, dat er geen sprake is van een gezagsverhouding, en verder dat de sinds 2005 door haar uitgevoerde werkzaamheden in loondienst geabsorbeerd worden door de winst uit onderneming. Een en ander wordt door verweerder betwist.

25. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aan haar bewijslast heeft voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de inkomsten van [A TONEELGROEP] , [A BEDRIJF] , [D BEDRIJF] GmbH en [E BEDRIJF] mbH op zichzelf bezien loon uit dienstbetrekking en geen winst uit onderneming vormen. Gelet op de beperkte omvang van de werkzaamheden die eiseres heeft verricht voor [B BEDRIJF] B.V. en [C BEDRIJF] B.V., zowel afzonderlijk als gezamenlijk bezien, de daarmee gegeneerde inkomsten en het feit dat eiseres zich, wat betreft de werkzaamheden voor [B BEDRIJF] B.V., diende te houden aan aanwijzingen die door of namens de opdrachtgever werden gegeven, kunnen de inkomsten uit deze activiteiten als zodanig naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekwalificeerd als winst uit onderneming. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat de hiermee gegenereerde inkomsten moeten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.

26. Voor het in aanmerking nemen van loon uit dienstbetrekking in het kader van winst uit onderneming is vereist dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de werkzaamheden verricht in de dienstbetrekking en de werkzaamheden verricht als ondernemer en bovendien dat de werkzaamheden in de dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen (vgl. Gerechtshof Amsterdam 14 mei 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1828).

27. Uit onderdeel 27 hiervoor blijkt dat voor de door eiseres voorgestane absorptie sprake is van cumulatieve vereisten, te weten nauwe samenhang tussen de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking en als ondernemer alsmede dat de werkzaamheden in dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats dienen in te nemen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, aangezien eiseres in het onderhavige jaar naar het oordeel van de rechtbank in het geheel geen ondernemingsactiviteiten heeft bedreven. Voor zover eiseres deze stelling inneemt, kan deze niet slagen.

Het gelijk wat betreft het primaire geschilpunt is dan ook aan verweerder. Vertrouwensbeginsel 28. Eiseres heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel recht heeft op de kwalificatie van de betreffende inkomsten als winst uit onderneming en op de door haar gevraagde zelfstandigenaftrek. Bij brief van 11 augustus 2008, opnieuw ingezonden op 14 april 2009, heeft zij, onder het geven van een uitgebreide toelichting, verweerder verzocht om de aanslagen vast te stellen conform de aangiften IB/PVV 2005 en 2006, waarin de inkomsten zijn aangemerkt als winst uit onderneming en zelfstandigenaftrek is geclaimd.

Verweerder heeft vervolgens de aanslagen conform de aangiften IB/PVV 2005 en 2006 vastgesteld. Verder zijn de aanslagen IB/PVV 2007 tot en met 2012 vastgesteld conform de ingediende aangiften, waarin eiseres ook winst uit onderneming had aangegeven. Hierdoor is volgens eiseres sprake geweest van (de indruk van) een bewuste standpuntbepaling door de Belastingdienst waaraan zij het vertrouwen kan ontlenen dat de in het onderhavige jaar genoten inkomsten eveneens zullen worden gerekend tot de winst uit onderneming en dat zij op grond daarvan ook recht heeft op de door haar gevraagde zelfstandigenaftrek.

29. Verweerder heeft betwist dat bij eiseres het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat de in het onderhavige jaar genoten inkomsten tot de winst uit onderneming kunnen worden gerekend en dat zij om die reden ook recht heeft op de door haar geclaimde zelfstandigenaftrek. Van een bewuste standpuntbepaling dat werkzaamheden die worden verricht op grond van een arbeidsovereenkomst kunnen worden aangemerkt als winst uit onderneming, is volgens verweerder nimmer sprake geweest. Aan eiseres is hieromtrent nimmer enige toezegging gedaan. Eiseres kan volgens verweerder aan het gedurende een aantal jaren volgen van de door haar ingediende aangiften en het honoreren van het door haar gemaakte bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2010 evenmin de indruk hebben ontleend van een bewuste standpuntbepaling door verweerder.

De ingediende aangiften IB/PVV 2007 tot en met 2009 en 2011 en 2012 zijn geautomatiseerd afgedaan en zonder inhoudelijke toetsing gevolgd. Het bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV 2010 is zonder nader onderzoek of nadere correspondentie toegewezen. De brief van de gemachtigde van eiseres, ingekomen op 15 april 2009, bevatte geen specifieke informatie over de contractuele voorwaarden waaronder eiseres haar werkzaamheden in die jaren heeft verricht. In die jaren, 2005 en 2006, en ook de daarop volgende jaren heeft eiseres bovendien gewerkt voor andere opdrachtgevers dan in 2013.

Verweerder heeft betwist dat eiseres met die opdrachtgevers vergelijkbare arbeidsovereenkomsten heeft gesloten. Maar ook als hiervan wel sprake is geweest, kan eiseres niet de indruk hebben gehad van een bewuste standpuntbepaling van verweerder over de fiscale kwalificatie van de arbeidsovereenkomsten zoals zij die in het onderhavige jaar heeft gesloten. Eiseres heeft in eerdere jaren immers geen arbeidsovereenkomsten of een uitdrukkelijk standpunt hierover ter beoordeling aan hem voorgelegd, zo stelt verweerder.

30. Over de vraag of eiseres feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die bij haar de indruk hebben kunnen wekken van een bewuste standpuntbepaling in de in onderdeel 29 bedoelde zin, oordeelt de rechtbank als volgt. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in onder meer zijn arrest van 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, is voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld meer vereist dan de enkele omstandigheid dat verweerder gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd.

De Hoge Raad heeft hieromtrent het volgende overwogen in genoemd arrest: “Afgezien van het geval dat de gedragslijn berust op een toezegging waarvan de belastingplichtige mocht menen dat zij ook voor het onderhavige jaar zou gelden, is voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van – voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen – omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. (…) Omstandigheden als vorenbedoeld kunnen onder meer zijn gelegen in de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde had gesteld, in de vaststelling van een aanslag na raadpleging van bewijsstukken, na gehouden besprekingen of gevoerde correspondentie, dan wel in overeenstemming met eerder verstrekte, voor de toen op te leggen aanslag van belang zijnde inlichtingen, of in de tegemoetkoming aan een bezwaar betreffende dezelfde zich onveranderd voordoende aangelegenheid.” 31.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat verweerder expliciet het standpunt heeft ingenomen (c.q. de toezegging heeft gedaan) dat werkzaamheden die worden verricht op grond van arbeidsovereenkomsten zoals die voor het onderhavige jaar door eiseres gesloten, kunnen worden aangemerkt als winst uit onderneming, dan wel zonder nadere toetsing aan het absorptiecriterium tot de winst uit onderneming kunnen worden gerekend. De door eiseres overgelegde bewijsstukken (waaronder de door de gemachtigde gevoerde correspondentie met verweerder inzake andere belastingplichtigen) bieden hiervoor geen aanknopingspunt.

32. Over de vraag of eiseres feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die bij haar de indruk hebben kunnen wekken van een bewuste standpuntbepaling door verweerder, oordeelt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat zij de voor het onderhavige geschil van belang zijnde aangelegenheid – of de verrichte werkzaamheden op basis van arbeidsovereenkomsten zoals zij die in het onderhavige jaar is overeengekomen met [A TONEELGROEP] , [A BEDRIJF] , [D BEDRIJF] GmbH en [E BEDRIJF] mbH kunnen worden gekwalificeerd als (of zonder meer kunnen worden gerekend tot de) winst uit onderneming – uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld.

Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de ingediende aangiften IB/PVV 2007 tot en met 2009 en de aangiften IB/PVV 2011 en 2012 zonder nader onderzoek of correspondentie zijn gevolgd. In deze aangiften is weliswaar gespecificeerd voor welke opdrachtgevers werkzaamheden zijn verricht en is daarover het standpunt ingenomen dat de verkregen inkomsten moeten worden gekwalificeerd als winst uit onderneming, maar nadere informatie over de aard van de met deze opdrachtgevers gesloten overeenkomsten ontbreekt in deze aangiften. Ook indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat de overeenkomsten met een of meer opdrachtgevers in die jaren vergelijkbaar zijn geweest met de in 2013 door eiseres gesloten arbeidsovereenkomsten – verweerder heeft dit betwist –, is de rechtbank van oordeel dat eiseres de voor het onderhavige jaar van belang zijnde aangelegenheid (de fiscale kwalificatie van de verrichte werkzaamheden op basis van arbeidsovereenkomsten gelijk aan of vergelijkbaar met die met [A TONEELGROEP] , [A BEDRIJF] , [D BEDRIJF] GmbH en [E BEDRIJF] mbH) in haar aangiften IB/PVV 2007 tot en met 2009 en 2011 en 2012 niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld.

Aan de enkele omstandigheid dat verweerder de ingediende aangiften heeft gevolgd, kan belanghebbende dan niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de in 2013 door haar ontvangen inkomsten als winst uit onderneming zouden worden aangemerkt.

33. Ten aanzien van de aanslagen IB/PVV 2005, 2006 en 2010 komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel. Eiseres heeft tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat zij in haar (herziene) aangiften 2005 en 2006 en de daarover door haar gemachtigde verzonden brief, bij verweerder ingekomen op 14 april 2009, dan wel het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2010, uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld dat werkzaamheden verricht op basis van een arbeidsovereenkomsten gelijk aan of vergelijkbaar met die met [A TONEELGROEP] , [A BEDRIJF] , [D BEDRIJF] GmbH en [E BEDRIJF] mbH op zichzelf bezien dan wel in samenhang met haar overige activiteiten dienen te worden aangemerkt als winst uit onderneming.

De betreffende arbeidsovereenkomsten in die jaren zijn door eiseres ook niet aan verweerder overlegd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Gelijkheidsbeginsel 34. Eiseres heeft tevens het standpunt ingenomen dat zij op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op kwalificatie van de inkomsten als winst uit onderneming en toepassing van de zelfstandigenaftrek.

35. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij een groot aantal bijlagen overgelegd die betrekking hebben op andere cliënten van de gemachtigde. Eiseres heeft gesteld dat haar gemachtigde vanaf 1995 voor honderden acteurs, actrices en musici heeft verzocht om eerder opgelegde aanslagen IB/PVV alsnog te verlagen in verband met te verlenen ondernemersaftrek. In die gevallen ging het volgens eiseres om acteurs/actrices (of musici) met loondienstverbanden, waarbij hetzij de gezagsverhouding zou ontbreken, hetzij sprake is van absorptie van looninkomsten in de winst uit onderneming.

36. Eiseres heeft gesteld dat in vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven als gevolg van niet gepubliceerd beleid of een oogmerk van begunstiging door verweerder, en verwijst daartoe naar de door haar ingebrachte stukken, waaruit aannemelijk zou worden dat in vergelijkbare gevallen met dat van eiseres de inkomsten als winst uit onderneming zijn aangemerkt en de zelfstandigenaftrek is verleend. Voor zover geen sprake is geweest van beleid, is in de meerderheid van de met haar vergelijkbare gevallen volgens eiseres een juiste wetstoepassing achterwege gebleven.

37. Verweerder heeft dit standpunt van eiseres betwist. Hij heeft het standpunt ingenomen dat er geen sprake is geweest van begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging en dat eiseres met de door haar overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat een of meer van de door haar genoemde belastingplichtigen in vergelijkbare omstandigheden verkeerde(n) als eiseres. Voor zover al sprake is geweest van kwalificatie van vergelijkbare activiteiten als winst uit onderneming bij andere belastingplichtigen, is sprake geweest van een fout.

38. De rechtbank oordeelt als volgt. Met de door haar overlegde gegevens heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van beleid of een oogmerk van begunstiging. Indien een belastingplichtige een beroep doet op de zogenoemde meerderheidsregel, dient zij in de eerste plaats feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat in minstens twee gevallen die feitelijk en rechtens met haar geval vergelijkbaar zijn (en die vallen binnen het ambtsgebied van verweerder) een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, alvorens het op de weg ligt van verweerder om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat geen sprake is van beleid en de relevante groep groter is en dat in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen de wet juist is toegepast (vgl. HR 15 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5142, r.o. 3.4 en 3.7 en HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006: AY9489, r.o. 3.3.2).

39. Eiseres heeft met de door haar overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk gemaakt dat een of meer van de door haar genoemde belastingplichtigen feitelijk en rechtens in vergelijkbare omstandigheden verkeerde(n) als zij zelf, laat staan dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat bij een of meer van deze belastingplichtigen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. De door eiseres overgelegde bewijsstukken zijn daarvoor te globaal van aard; van geen van de door eiseres genoemde belastingplichtigen zijn concrete gegevens overgelegd waaruit volgt dat zij werkzaamheden hebben verricht op grond van vergelijkbare contractuele afspraken als die van eiseres en dat de door hen genoten inkomsten desondanks door verweerder zijn aangemerkt als winst uit onderneming, zonder dat is voldaan aan de daaraan te stellen voorwaarden (zoals het op de juiste wijze toepassen van het absorptiecriterium).

Van de door eiseres als meest vergelijkbare gevallen genoemde belastingplichtigen Berkenhagen en Plukaard valt eerstgenoemde niet onder het ambtsgebied van verweerder, en heeft laatstgenoemde, blijkens de overgelegde gegevens, geheel andere opdrachtgevers gehad dan eiseres. Het standpunt van eiseres dat zij voor het door haar te leveren bewijs kan volstaan met de algemene stelling dat zij over dezelfde groepskenmerken beschikt als de belastingplichtigen waarvan zij stukken heeft overgelegd, te weten acteur/actrice waarvan de looninkomsten onder de winst uit onderneming vallen, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Op deze gronden dient het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel te worden verworpen. Slotsom 40. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 41. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Brits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.