Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2018:3580 ECLI:NL:RBNHO:2018:3580 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2018:3580 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2018:3580
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Alkmaar Enkelvoudige raadkamer Registratienummer: 18.001756 Parketnummer: [parketnummer] Uitspraakdatum: 23 april 2018 Beschikking (art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden) 1Ontstaan en loop van de procedure Op 27 februari 2108 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een bezwaarschrift van [veroordeelde] , veroordeelde, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , domicilie kiezende te 7400 AT, Deventer, postbus 797, ten kantore van mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 EVRM; ECLI:NL:RBNHO:2018:3580 · Rechtbank Noord-Holland: De officier van justitie verwijst daartoe naar eerdere uitspraken van respectievelijk de rechtbank Den Haag en Rotterdam (ECLI:NL:RBDHA:2017:3237 en ECLI:NL:RBROT:2017:10037). 3Beoordeling Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA materiaal van 11 januari 2018 is gegrond op artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet), waarbij als grondslag heeft gediend het vonnis van veroordeelde voornoemd op 27 juni 2017 ter zake van artikel 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Veroordeelde heeft op 21 februari 2018 door afname van wangslijmvlies celmateriaal afgestaan ten behoeve van DNA-onderzoek.

Keywords

AI generated
forensic DNA evidence evasion of a blood test extensive criminal record declaration of false identity forensic age determination identity documents

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 EVRM
Ingevolge artikel 8 EVRM heeft belanghebbende het (grond)wettelijke recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2013:9946
RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/480199-09 RK: 12/8081 BESCHIKKING op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) van: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972, wonende op het adres [adres, te plaats], te dezer zake woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadsman, mr. T.H.L. Kneepkens, [adres, te plaats], verder te noemen veroordeelde. Procesgang Het bezwaarschrift is op 3 december 2012 bij akte ter griffie van deze rechtbank ingediend. De rechtbank heeft op 17 januari 2013 de raadsman van veroordeelde, mr.
ECLI:NL:RBAMS:2014:9582
RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/520086-09 RK: 13/6886 BESCHIKKING op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) van: [veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedag] 1966, wonend op het adres [adres, te plaats], te dezen woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw, mr. W.A. Monster, [adres, te plaats], verder te noemen veroordeelde. Procesgang Het bezwaarschrift is op 22 oktober 2013 bij akte ter griffie van deze rechtbank ingediend. De rechtbank heeft op 23 mei 2014 de raadsvrouw van veroordeelde en de officier van justitie in besloten raadkamer gehoord.
ECLI:NL:RBDHA:2017:3237
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Parketnummer: 09/820176-14 Kenmerk RK: 16/4868 Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van: [veroordeelde], geboren op 10 [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Afghanistan), adres: [adres], te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van advocaat mr. R.A.J. Verploegh, Buitenhof 24, 2513 AG te Den Haag, tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
ECLI:NL:RBROT:2017:10037
Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/006880-15 Raadkamernummer: 16/2923 Beslissing op het bezwaarschrift van ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de wet), ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 23 september 2016, van: [naam veroordeelde] , veroordeelde, geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] , te dezer zake domicilie kiezende te (2511 CL) Den Haag, lange Poten 9, ten kantore van zijn raadsman mr. G.L. Gijsberts. Het bezwaarschrift op 23 maart 2017 door de raadkamer achter gesloten deuren behandeld.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Alkmaar Enkelvoudige raadkamer Registratienummer: 18.001756 Parketnummer: [parketnummer] Uitspraakdatum: 23 april 2018 Beschikking (art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden) 1Ontstaan en loop van de procedure Op 27 februari 2108 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een bezwaarschrift van [veroordeelde] , veroordeelde, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , domicilie kiezende te 7400 AT, Deventer, postbus 797, ten kantore van mr.

J. Vlug, advocaat. Het bezwaarschrift is gericht tegen het nader bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, ten behoeve waarvan op bevel van de officier van justitie te Haarlem van 11 januari 2018 op 21 februari 2018 bij veroordeelde celmateriaal is afgenomen. Op 9 april 2018 is dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld. Voor veroordeelde is verschenen mr. Vlug, voornoemd. Veroordeelde is niet verschenen. Tevens was aanwezig de officier van justitie, mr. P. van Lennep. 2Standpunten De raadsman heeft ter aanvulling van het bezwaarschrift aangevoerd dat de misdrijven waarvoor zijn cliënt is veroordeeld zich niet lenen voor opsporing door middel van DNA.

De raadsman verwijst hiertoe naar de in de parlementaire geschiedenis van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden genoemde uitzonderingen. De raadsman verzoekt het bezwaarschrift gegrond te verklaren conform eerder gedane uitspraken (ECLI:NL:RBAMS:2013:9946 en ECLI:NL:RBAMS:2014:9582). De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard nu er van uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek geen sprake is en er altijd situaties bestaan waarbij DNA van belang kan zijn.

De officier van justitie verwijst daartoe naar eerdere uitspraken van respectievelijk de rechtbank Den Haag en Rotterdam (ECLI:NL:RBDHA:2017:3237 en ECLI:NL:RBROT:2017:10037). 3Beoordeling Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA materiaal van 11 januari 2018 is gegrond op artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet), waarbij als grondslag heeft gediend het vonnis van veroordeelde voornoemd op 27 juni 2017 ter zake van artikel 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Veroordeelde heeft op 21 februari 2018 door afname van wangslijmvlies celmateriaal afgestaan ten behoeve van DNA-onderzoek.

Het bezwaarschrift dat veroordeelde heeft ingediend tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel is tijdig ingediend. Ingevolge artikel 8 EVRM heeft belanghebbende het (grond)wettelijke recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat alleen dan inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam kan worden gemaakt, indien zulks bij of krachtens wet is voorzien. Nu artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in het afnemen van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek voorziet, is er geen sprake van schending van artikel 8 EVRM.

In op 13 mei 2008 gewezen arresten stelt de Hoge Raad voorop dat tekst, alsmede doel en strekking van de Wet als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich één van de in het eerste lid genoemde - en beperkt uit te leggen - uitzonderingen voordoet. De rechtbank dient derhalve, op grond van artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet, te beoordelen of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

Ten aanzien van deze uitzonderingsgronden geldt, dat in de aard van de ten laste van veroordeelde bewezen verklaarde misdrijven van 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht (valsheid in geschrift en witwassen) aanknopingspunten zijn te vinden voor de verzochte uitzondering. Het misdrijf valsheid in geschrift is immers expliciet genoemd door de wetgever als voorbeeld van zo een uitzondering (TK 2002-2003, 28685, nr. 3, p.

10) en ook schuldheling is als voorbeeld genoemd (TK 2002-2003, 26685, nr. 5, p. 14). Over de gestelde bijzondere omstandigheden kan worden vastgesteld dat klager ten tijde van het plegen van de strafbare feiten een geheel blanco strafblad had. De feiten zijn gepleegd in 2010 en nadien is klager niet meer met politie of justitie in aanraking gekomen. Daarom kan aangenomen worden dat het hier om een eenmalig incident gaat. Ten slotte is een bijzondere omstandigheid dat klager inmiddels [leeftijd] jaar is. Op grond van al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat DNA-onderzoek niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Daarom wordt als volgt beslist. 4 4. Beslissing De rechtbank: - verklaart het bezwaarschrift gegrond; - beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde terstond wordt vernietigd.

5Samenstelling enkelvoudige kamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door: mr. L.J. Saarloos, rechter, in tegenwoordigheid van M. Dambrink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2018.