Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2018:1282 ECLI:NL:RBNHO:2018:1282 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2018:1282 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2018:1282
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Mutaties zijn niet op de juiste datum geboekt. - Opnamen uit de kas Amsterdam ten behoeve van de kas Utrecht zijn niet op de juiste datum in de financiële administratie geboekt. - Contante inkopen en uitgaven zijn niet op de juiste datum in de financiële administratie geboekt. - Kasmutaties hebben wel de juiste datum, maar zijn in het kasjournaal op een eerdere of latere datum opgenomen, waardoor het kassaldo niet juist is.

Legislator headnote

AI generated

artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBNHO:2018:1282 · Rechtbank Noord-Holland: A: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 een aantal, vervalste inkoopbonnen, waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; C: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 het registerboek 2011, zoals bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, waarin onder meer telkens in strijd met de waarheid is opgenomen vervalste inkoopbonnen als bedoeld onder A, zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.” Geschil 19.

Keywords

AI generated
tax assessment procedure supplementary tax assessment procedure misappropriation of withholding tax fee collection taxpayer burden of proof loss offset

Cited Legislation

AI generated
artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2015:219
Eiser is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:219) veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 200 uren.
ECLI:NL:GHAMS:2017:3871
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000348-15 datum uitspraak: 11 augustus 2017 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-656359-11 tegen [verdachten] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, adres: [adres 3] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2016, 20 april 2016, 14 juli 2017, 17 juli 2017, 21 juli 2017, 4 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1:hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009, in de gemeente Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen een deel van de bedrijfsadministratie, althans een financiële administratie/boekhouding ten name van eenmanszaak [bedrijf] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt, ondermeer: A: in de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009 tweeëntwintig (22) (12 en 10), althans een aantal, vervalste inkoopbonnen (zaaksdossier D), waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; B: in de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 december 2009 kasjournalen die in strijd met de waarheid de post(en) lening(en) en familie bevatten, teneinde het ontbrekende (negatieve) kassaldo aan te vullen (paragraaf 7 zaaksdossier B); zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 2:[v.o.f.] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen een deel van de bedrijfsadministratie, althans een financiële administratie/boekhouding ten name van [v.o.f.] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [v.o.f.] telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt, ondermeer: A: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 achttien (18), althans een aantal, vervalste inkoopbonnen (zaaksdossier D), waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; B: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 kasjournalen die in strijd met de waarheid de post(en) lening(en) en familie bevatten, teneinde het ontbrekende (negatieve) kassaldo aan te vullen (paragraaf 7 zaaksdossier B); C: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 het registerboek 2011, zoals bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, waarin onder meer telkens in strijd met de waarheid is opgenomen vervalste inkoopbonnen als bedoeld onder A en/of in strijd met de waarheid inkopen niet zijn vermeld (paragraaf 6 zaaksdossier B), zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedragingen; 3:hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2011, in de gemeente Amsterdam en/of Uithoorn en/of Amstelveen, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten, - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van verdachte en/of in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 4] te Amsterdam, woningen [adres 5] te Uithoorn en/of [adres 3] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening bij [B.V.] , de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel heeft hij, verdachte, verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten boven genoemde voorwerp(en), was of wie die bovenomschreven voorwerp (en) voorhanden had, en/of (telkens) (een) voorwerp(en), te weten - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van verdachte en/of in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 4] te Amsterdam, woningen [adres 5] te Uithoorn en/of [adres 3] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening bij [B.V.] , heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten bovengenoemde voorwerpen gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat/die bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; 4:[v.o.f.] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011, in ieder geval op of omstreeks 20 september 2011, in de gemeente Amsterdam en/of Uithoorn en/of Amstelveen, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben [v.o.f.] en/of haar mededader(s) (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten, - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van [v.o.f.] in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 4] te Amsterdam, woningen [adres 5] te Uithoorn en/of [adres 3] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [v.o.f.] bij [B.V.] , de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel heeft zij, verdachte, verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten bovengenoemde voorwerpen, was of wie die bovenomschreven voorwerp (en) voorhanden had, en/of (telkens) (een) voorwerp(en), te weten - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van [v.o.f.] in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 4] te Amsterdam, woningen [adres 5] te Uithoorn en/of [adres 3] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [v.o.f.] bij [B.V.] , heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten bovengenoemde voorwerpen gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl [v.o.f.] en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat/die bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven gedraging(en). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep weliswaar zijdelings een opmerking gemaakt over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar is daar in zijn pleidooi verder niet meer op teruggekomen. De raadsman heeft in hoger beroep ook overigens niet onderbouwd waarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden, zodat dit ‘verweer’ geen bespreking behoeft. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feiten 2 A en B, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Inleiding De eenmanszaak met de handelsnaam “ [bedrijf] ” wordt sinds 1992 gedreven voor rekening en risico van [verdachten] , de verdachte. Het bedrijf is sinds 1997 gevestigd aan de [adres 2] in Amsterdam. Zijn broer [broer] werkte bij [bedrijf] . Op 29 december 2009 wordt de eenmanszaak gestaakt en worden de activiteiten voortgezet in een vennootschap onder firma met de naam [v.o.f.] De vennoten zijn [verdachten] , zijn echtgenote [echtgenote] , [broer] en diens echtgenote [echtgenote broer] . De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de in- en verkoop van edelmetalen, munten en (gebruikte) sieraden. Er zijn twee vestigingen; naast de eerdergenoemde vestiging aan de [adres 2] is ook een vestiging geopend aan de [adres 4] te Amsterdam. Daarnaast worden sieraden ook via internet te koop aangeboden. [broer] beheert het filiaal aan de [adres 4] , waar alleen inkoop van goederen plaatsvindt. Hij is bevoegd om zelfstandig te bepalen welke prijs hij biedt. Hij is de enige die de inkoopbonnen van beide vestigingen in het aankoopregister als bedoeld in artikel 437 Wetboek van Strafrecht (Sr) inschrijft. De overige drie vennoten werken in het filiaal aan de [adres 2] . [verdachten] heeft de meeste zeggenschap binnen de vennootschap. Men overlegt bijna alles met hem, hij gaat over het geld en onderhoudt het contact met de boekhouder. De beide echtgenotes verrichten de dagelijkse werkzaamheden in de winkel en met betrekking tot de website. In het vervolg van dit arrest zullen de verdachte en de gelijktijdig terechtstaande verdachte [broer] ook wel alleen met hun voornaam worden aangeduid. De verdachte [v.o.f.] zal worden aangeduid als [v.o.f.] dan wel als de vof. Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde Het onder 1 ten laste gelegde feit houdt – kort samengevat – in dat de verdachte al dan niet tezamen met anderen de bedrijfsadministratie van eenmanszaak [bedrijf] valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van: A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’. Het hof is van oordeel – zoals door de advocaat-generaal gevorderd en door de verdediging bepleit – dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte onder 1 A en B is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt. 1A) Valse/vervalste inkoopbonnen Uit het dossier en de door [verdachten] en [broer] afgelegde verklaringen bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep volgt dat [broer] , ook al in de periode toen hij nog geen vennoot was van de vof maar nog werkzaam bij de eenmanszaak [bedrijf] van [verdachten] , het filiaal aan de [adres 4] heeft gerund en dat zijn werkzaamheden in de loop der jaren dezelfde zijn gebleven. Het leeuwendeel van de inkopen vond aan de [adres 4] plaats en de bonnen zijn vrijwel allemaal uitgeschreven door [broer] , die ook zelfstandig het register van de inkopen bijhield. Ten aanzien van [verdachten] blijkt niet van gedragingen die hem tot medepleger van het valselijk opmaken van inkoopbonnen maken. 1B) Kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’ In de ten laste gelegde periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009 zijn geen kasjournalen aangetroffen. Ook anderszins is geen bewijs aangetroffen dat tot een bewezenverklaring voor deze periode kan leiden. Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde Het onder 2 ten laste gelegde feit houdt – kort samengevat – in dat [v.o.f.] de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van: A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’; C) registerboek 2011:  met daarin opgenomen valse inkoopbonnen;  zonder vermelding van inkopen, en dat de verdachte daaraan feitelijk leiding zou hebben gegeven. 2A) Valse/vervalste inkoopbonnen De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat bewezen kan worden verklaard dat [broer] inkoopbonnen vervalste en dat uit de inkoopbon van het Louis Vuitton horloge, die is opgemaakt door [verdachten] en waarop een veel te hoog bedrag wordt vermeld, kan worden afgeleid dat [verdachten] niet onbekend was met het opmaken van valse inkoopbonnen door [broer] . Volgens de advocaat-generaal was het binnen het bedrijf kennelijk gewoon op inkoopbonnen een onjuiste inkoopprijs te vermelden. De advocaat-generaal vordert op basis daarvan en op basis van de positie die [verdachten] in het bedrijf in nam tot het veroordelen van [verdachten] voor het feitelijk leidinggeven aan het valselijk opmaken van inkoopbonnen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Ten aanzien van de inkoopbonnen is hiervoor reeds overwogen dat [broer] het filiaal aan de [adres 4] runde, waar het leeuwendeel van de inkopen plaatsvond. De inkoopbonnen zijn vrijwel allemaal uitgeschreven door [broer] en hij hield het register van de inkopen bij. [broer] is bij gelijktijdig uitgesproken arrest van 11 augustus 2017 van dit hof veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het vervalsen van inkoopbonnen en het registerboek 2011 van [v.o.f.] . Het dossier bevat echter geen aanwijzingen - in verband met de inkoopbon van het Louis Vuitton horloge wordt verwezen naar de volgende alinea - dat [verdachten] zelf inkoopbonnen heeft vervalst. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat [verdachten] wist dat [broer] inkoopbonnen vervalste en ook overigens blijkt ten aanzien van [verdachten] niet van gedragingen die hem tot medepleger van het valselijk opmaken van inkoopbonnen maken. Dat geldt ook voor de aankoop van genoemd Louis Vuitton horloge. Over dit horloge heeft [verdachten] verklaard - naar de kern samengevat - dat hij dit horloge heeft ingekocht, maar dat hij toen hij begon te twijfelen over de echtheid ervan het verder als een privéaankoop heeft aangemerkt. De door hem opgemaakte inkoopbon is (dan ook) niet in de administratie van [v.o.f.] opgenomen (hetgeen ook blijkt uit het ontbreken van het vinkje dat de boekhouder bij het inboeken op de bonnen zet). Het hof is verder van oordeel dat ten aanzien van voornoemde inkoopbon niet gesproken kan worden van het ophogen van het bedrag, aangezien duidelijk waarneembaar is dat er een punt staat voor de nul en er dus € 5.500.0 staat, zodat het bedrag van € 5.500,- op de inkoopbon staat. Het hof spreekt de verdachte vrij van het onder 2A tenlastegelegde. 2B) Kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’ Volgens de advocaat-generaal berusten de in de kasjournalen opgenomen posten ‘leningen’ en ‘familie’ niet op daadwerkelijke contante kasstortingen, maar dienen zij slechts om de kasjournalen administratief sluitend te maken en om daarmee zogenoemde negatieve kassen te verhullen. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst de advocaat-generaal onder meer op het feit dat het feitelijke kassaldo op 20 september 2011 - de datum van de doorzoekingen - € 244.197 niet aansloot bij het saldo zoals vermeld in het kasjournaal. Overeenkomstig het kasjournaal zou het kassaldo op 31 augustus 2011 slechts € 5.038 bedragen. Daarnaast heeft de advocaat-generaal er op gewezen dat op 14 oktober 2010 van de vennoten een bedrag zou zijn geleend van € 260.000 waarvan op 31 augustus 2011 nog een (rest)schuld open stond van € 200.000 terwijl het privé-vermogen daartoe (volstrekt) ontoereikend was omdat er geen sprake was van een erfenis of een investeringsproject in Bulgarije waaruit deze lening had kunnen voortkomen, aldus de advocaat-generaal. De verdediging heeft aangevoerd dat (er) daadwerkelijk sprake is geweest van privé-leningen van de vennoten aan de vof vanuit een eerder ontvangen erfenis en een investeringsproject in Bulgarije. Aansluiting administratieve en fysieke kas Het hof is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de fysieke (zakelijke) kas niet aansluit bij het administratieve (zakelijke) kassaldo. Daarvoor is er een te groot tijdsverloop tussen de in het dossier voor de vergelijking gehanteerde twee verschillende peildata, zijnde 31 augustus 2011 voor het saldo van de administratieve kas (€ 5.038) en 20 september 2011 voor de aanwezige contante gelden (€ 244.197). In een onderneming met zeer omvangrijke contante geldstromen - waarvan naar het oordeel van het hof sprake is bij de vof - kan een verschil van drie weken in de peildatum leiden tot een aanzienlijk verschil in het kassaldo. Het hof wijst ter onderbouwing van de omvang van de kasmutaties bij [v.o.f.] - ter illustratie - naar de contante opname op 8 september 2011 van de zakelijke rekening van een bedrag van € 70.000. Verder werd in de onderneming (blijkens het kasjournaal over de maand augustus 2011) maandelijks voor honderdduizenden euro’s contant ingekocht (Bev. Fin 030 p. 07 340). Het hof stelt voorts vast dat uit het overzicht van het verloop van de lening van privé aan de vof (Bev. Fin 031, p. 07 0383) blijkt dat er niet alleen regelmatig bedragen vanuit privé in de zakelijke kas werden gestort, maar ook dat er zeer regelmatig aflossingen op de leningen plaatsvonden waardoor het door de vof verschuldigde bedrag sterk wisselde. Leningen werden daarbij veelal binnen een periode van twee á drie maanden weer uit de kas (grotendeels) afgelost. Zo was op 31 juli 2011 de schuld geheel afgelost. Nu in het proces-verbaal door de verbalisanten geen aansluiting is gezocht tussen het administratieve kassaldo per 31 augustus 2011, de daarop volgende contante inkomsten en -uitgaven in de periode tot en met 20 september 2011 en het op 20 september 2011 in de kas aangetroffen geldbedrag valt naar het oordeel van het hof niet vast te stellen dat het administratieve kassaldo niet aansluit bij de werkelijk aanwezige kasgelden. Daarbij komt nog dat vrijwel al het geld dat is aangetroffen bij de twee vestigingen en in de kluizen door de verbalisanten tot de zakelijke kas is gerekend. Het toerekenen van aangetroffen gelden aan de zakelijke kas vergroot het gepretendeerde verschil tussen administratieve en fysieke zakelijke kas. Die toerekening is echter nauwelijks voorzien van enige onderbouwing en is arbitrair te noemen. Als voorbeeld kan daarbij worden genoemd het toerekenen van het geld uit de kluizen aan de zakelijke kas. Erfenis Ten aanzien van de erfenis overweegt het hof als volgt. [verdachten] heeft al in zijn eerste verhoor op de dag van de inval en [broer] in zijn tweede verhoor, de dag na de inval, over uit erfenis ontvangen geldbedragen verklaard. De verklaringen van de verdachten worden onderbouwd door het fiscaal verantwoorden van een plotselinge toename van het privé-vermogen van de verdachten. Uit het dossier blijkt dat [verdachten] in zijn belastingaangifte over 2007 melding heeft gemaakt van een toename van zijn box 3 vermogen met ongeveer € 160.000 (PV bevindingen informatie Belastingdienst opgenomen als bijlage bij PV zaaksdossier B, na p. 281). Ook [broer] en zijn partner [echtgenote broer] geven in hetzelfde jaar een gezamenlijke vermogenstoename op van ongeveer € 160.000. Op grond van de verklaringen van de verdachten (vanaf het eerste begin) en de gegevens van de Belastingdienst is het hof van oordeel dat het aannemelijk is dat de verdachten over voldoende vermogen, voortgekomen uit een erfenis, nog afgezien van eventuele gelden uit een project in Bulgarije, hebben kunnen beschikken om bedoelde leningen aan de vof ter beschikking hebben kunnen stellen. Het hof acht op grond van bovenstaande niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachten] de kasjournalen valselijk heeft opgemaakt door daarin fictieve posten ‘leningen’ en ‘familie’ op te nemen. Getuigenverzoek ten aanzien van erfenis en Bulgarije-project Tijdens de zitting van 6 april 2016 is door de verdediging, in verband met de gestelde ontvangen erfenis en de investering in het zogenaamde Bulgarije-project, verzocht getuigen te horen. Het hof heeft ter terechtzitting van 20 april 2016 overwogen dat op voornoemde verzoeken wordt beslist bij (tussen)arrest. Gelet op het feit dat [verdachten] van hetgeen onder 2 onder B ten laste is gelegd wordt vrijgesproken, wijst het hof het verzoek tot het horen van de getuigen af, nu de verdediging geen belang heeft bij het horen van de getuigen. 2C) Registerboek 2011 Het hof stelt vast dat [broer] de enige was die de inkoopbonnen van beide vestigingen in het inkoopregister als bedoeld in artikel 437 Sr inschreef. Gelet hierop en op het feit dat [verdachten] wordt vrijgesproken van het feitelijk leidinggeven aan het vervalsen van inkoopbonnen, kan niet worden bewezen verklaard dat [verdachten] feitelijk leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken van het registerboek 2011 en hij zal hier dan ook voor worden vrijgesproken. Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat [verdachten] hiervan moet worden vrijgesproken. Vrijspraak van het onder 3 en 4 ten laste gelegde Reikwijdte tenlastelegging De onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten houden - naar de kern genomen - in dat [verdachten] al dan niet tezamen met anderen diverse nader omschreven voorwerpen heeft witgewassen (feit 3) en (feit 4) dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het witwassen van diverse voorwerpen door [v.o.f.] . De rechtbank heeft overwogen dat de tenlastelegging aldus moet worden uitgelegd dat de verkrijging van gestolen goederen het gronddelict voor het witwasverwijt vormt en dat de tenlastelegging niet mede omvat eventueel gepleegde fiscale delicten. De rechtbank overwoog in dat kader: 3.1.3. Het oordeel van de rechtbank In reactie op het preliminaire verweer heeft de officier van justitie uiteengezet dat - samengevat - de verkrijging van gestolen goederen het gronddelict vormt waarop de witwasbeschuldiging is gebaseerd. Doordat dit op grote schaal gebeurde, de ingekochte goederen niet individualiseerbaar werden bewaard en de administratie zeer gebrekkig was, heeft vermenging plaatsgevonden waardoor de gehele voorraad is aangetast. De rechtbank overweegt dat het weliswaar het uitgangspunt is bij witwaszaken dat het gronddelict niet hoeft te worden gespecificeerd in de tenlastelegging, maar dat in dit specifieke geval het gronddelict moet worden begrepen zoals door de officier van justitie ter terechtzitting is verwoord. Het onderliggende dossier is ook overeenkomstig het door de officier van justitie ingenomen standpunt ingericht. Van enig onderzoek door het Openbaar Ministerie dat gericht is op eventueel gepleegde fiscale delicten is niet gebleken. (…) Zij (hof: de rechtbank) zal de officier van justitie wel houden aan het kader dat zij ter terechtzitting in haar reactie op het preliminaire verweer heeft geschetst. Dit heeft tot consequentie dat de mogelijkheid van een fiscaal delict als gronddelict bij de beoordeling van de vraag of sprake is van witwassen buiten beschouwing wordt gelaten.” Het hof constateert dat tegen dit oordeel van de rechtbank in appel geen grief is gericht, zodat ook het hof dit als uitgangspunt neemt. Standpunt advocaat-generaal In de kern wordt de verdachten door de advocaat-generaal verweten dat zij een loopje hebben genomen met de van hen te vergen waakzaamheid en registratieverplichtingen in relatie tot het opkopen van tweedehands juwelen (aldus de advocaat-generaal in zijn requisitoir, op pagina 1). Ten gevolge van dit handelen zijn in de juwelierszaak van de verdachten grote hoeveelheden van misdrijf (diefstal, overval) afkomstige sieraden terechtgekomen. Door hun manier van handelen hebben de verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij van misdrijf afkomstige goederen inkochten. De advocaat-generaal komt in zijn requisitoir met betrekking tot feit 4 tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht: “het in de periode 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 door [v.o.f.] maken van een gewoonte van het voorhanden hebben van een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten andere edelmetalen en edelstenen, en van het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [v.o.f.] bij [B.V.] , terwijl [v.o.f.] wist dat deze voorwerpen van misdrijf afkomstig waren, aan welke gedraging de verdachte leiding heeft gegeven.” Ter onderbouwing van deze conclusie wijst de advocaat-generaal in zijn requisitoir onder 32 op door [verdachten] op 8 augustus 2011 bij [B.V.] aangeboden gouden voorwerpen (vier ringen en een armband) die op basis van inscripties aantoonbaar van misdrijf afkomstig bleken te zijn en waarvan aangifte van inbraak is gedaan op respectievelijk 2 augustus 2011, 4 juli 2011, 1 juli 2011 en 20 juni 2011. Opmerkelijk is, aldus de advocaat-generaal dat deze voorwerpen kort tot zeer kort na de verschillende inbraken door [v.o.f.] ter omsmelting bij [B.V.] werden aangeboden. Daarnaast wijst de advocaat-generaal onder 33 op het door [v.o.f.] op 24 april 2010 aankopen van twee gestolen ringen en een gestolen armband, ingekocht als sloopgoud maar later verkocht aan [koper 1] , waarna onder 34 onder a. tot en met s. gestolen voorwerpen worden opgesomd die, aldus de advocaat-generaal, in ieder geval zijn witgewassen. De advocaat-generaal merkt in dit verband in zijn requisitoir op (onder 30) dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat men in het juweliersbedrijf bij het inkopen van voorwerpen bedacht moet zijn op het aanbieden van gestolen voorwerpen en maatregelen moest treffen om te voorkomen dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig waren. Deze zorgplichten liggen niet alleen ten grondslag aan de helings- en witwasbepalingen, maar ook aan de registerverplichting van art. 437 Sr, de algemeen gangbare witwastypologieën en de meldingsplichten betreffende ongebruikelijke transacties. Voor een bedrijf als [v.o.f.] brengen deze zorgplichten mee dat aangekochte goederen deugdelijk moeten worden geregistreerd, dat de identiteit van verkopende partijen goed moet worden vastgelegd, dat bij het aanbieden van bijzondere objecten vragen moeten worden gesteld over de herkomst en dat eventueel wordt gevraagd naar aankoopbewijzen en echtheidscertificaten (bijvoorbeeld bij de aankoop van bijzonder horloges). Binnen [v.o.f.] zijn evenwel structureel de minimaal denkbare maatregelen veronachtzaamd om inkoop van besmette waar te voorkomen: er werden geen vragen gesteld over de herkomst van voorwerpen, minimale onderzoeksplichten in relatie tot de persoon van de verkoper of aangeboden voorwerpen werden niet in acht genomen, gegevens van verkopers werden niet deugdelijk vastgelegd, bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers, werden niet vastgelegd, aankopen werden niet geregistreerd en de voorraadadministratie was gebrekkig. Uit deze omstandigheden moet worden afgeleid dat binnen de vof een praktijk bestond waarin structureel welbewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig bleken te zijn. Het voor witwassen door de vof vereiste (voorwaardelijk) opzet kan wettig en overtuigend worden bewezen, aldus de advocaat-generaal. Standpunt verdediging In zijn appelschriftuur stelt [verdachten] dat de rechtbank ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen van feit 4. [verdachten] heeft naar voren gebracht dat door of namens hem vanaf het eerste verhoor is aangegeven dat zijn wijze van handel drijven niet afweek van wat in de branche gebruikelijk was, dat hij zich hield aan de aanwijzingen van de politie op dat punt en dat hij alles deed wat redelijkerwijs in zijn macht lag om de inkoop van gestolen sieraden tegen te gaan. De rechtbank liet in haar vonnis - aldus [verdachten] - na te motiveren dat en waarom de wijze waarop hij zijn handel inrichtte in zodanige mate afweek van de wijze waarop in de branche gebruikelijker wijze gehandeld wordt dat zijn handelwijze als laakbaar bestempeld kan worden en veroordeling van de verdachte dient te volgen. Bij pleidooi wordt door de verdachte(n) ontkend dat er te weinig maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat gestolen sieraden werden ingekocht. Gesteld wordt dat de verdachten zich aan alle voorschriften hebben gehouden die in de branche gebruikelijk zijn. Het is bij deze vorm van handel nu eenmaal onmogelijk om met 100% zekerheid te weten of je te maken hebt met een bonafide of een malafide klant. Dat er af en toe van diefstal afkomstige goederen doorheen glippen is onderdeel van het risico van het vak. Uit onderzoek is ook niet gebleken dat er structureel en op grote schaal van diefstal afkomstige goederen werden ingekocht (pag. 1 pleitaantekeningen van [broer] , welke pleitaantekeningen in de procedure van [verdachten] en de vof als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd). Ter onderbouwing hiervan wordt, kort samengevat, aangevoerd dat altijd om een legitimatie werd gevraagd, dat het legitimatienummer en de naam van de verkoper werden genoteerd op de bon, waarna de verkoper op de bon dan nog zijn handtekening diende te zetten, dat het register - zij het rudimentair - wel degelijk werd bijgehouden aan de hand van de bonnen, dat [broer] naar de politie is geweest om te vragen hoe het register in te vullen, dat hij altijd conform deze instructies is blijven werken, dat de verdachten van de politie nimmer te horen hebben gekregen dat het register te summier of te gebrekkig was, dat het verwijt dat er geen vragen worden gesteld de praktijk van alledag miskent, dat het ronduit naïef is te veronderstellen dat een klant die te kwader trouw is niet een standaard gelikt antwoord klaar zou hebben, dat de eis een kopie van de legitimatie te maken bij iedere aankoop nergens is terug te vinden en ook in strijd zou zijn met de regels Wet bescherming persoonsgegevens, en dat het handelen in strijd met artikel 437bis lid 1 Sr hoogstens een overtreding oplevert maar op zich nog geen aanwijzing vormt voor heling c.q. witwassen, waarna geciteerd wordt uit het eerste politieverhoor van [broer] : Als ik zie dat een junk een restant van een sieraad heeft dan geef ik er een paar euro voor, maar als de junk een mooie ring inlevert dan waag ik mij daar niet aan. Misschien komt de eigenaar of is hij gestolen. (…) Ik mag niet discrimineren op uiterlijk daarom is iedereen bij mij welkom. Ik kijk wel naar zijn gedrag. Is hij agressief of druk dan hoef ik hem niet als klant. (…) pag. 11 e.v. van voornoemde pleitaantekeningen). Daarnaast is het verweer gevoerd voor negen van de negentien door de advocaat-generaal specifiek genoemde voorwerpen dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat ze überhaupt van diefstal afkomstig zijn (pag. 22 van die pleitaantekeningen). Het hof overweegt als volgt. Het dossier bevat geen bewijs dat de bij de verdachten aangetroffen sieraden afkomstig zijn van door de verdachten zelf begane diefstallen of overvallen. Daarvoor is de enkele omstandigheid dat gestolen voorwerpen bij hen zijn aangetroffen, ontoereikend. Het gaat in deze strafzaak om de vraag of de verdachten van de (particuliere) verkopers voldoende gegevens hebben opgevraagd; hebben zij hen voldoende aan de tand gevoeld over de door die verkopers te koop aangeboden sieraden en hebben zij dit op een juiste wijze geregistreerd, waarbij de vraag opgeworpen kan worden of de omstandigheid dat de verdachten het door hen ingekochte goud voor 90 tot 95% lieten omsmelten mogelijk van belang is voor het antwoord op de hiervoor gestelde vragen in die zin dat dit zou leiden tot een minder vergaande onderzoeks- c.q. registratieplicht. Deze laatste vraag dient naar het oordeel van het hof negatief te worden beantwoord. Immers, wat men doet met aangekochte spullen doet niet af aan de vraag of men op het moment van de aankoop te goeder trouw was. Dat het voor de interne c.q. externe boekhouding hoogstwaarschijnlijk niet uitmaakt, maakt dat niet anders. Vooropgesteld wordt dat het hof zich geheel kan vinden in de overweging van de rechtbank dat de verdachten werkzaam zijn in een gevoelige branche en dat het algemeen bekend is dat sieraden en edelmetalen doelwitten zijn voor criminelen en dat deze vervolgens verzilverd worden. Van opkopers in deze branche mag inderdaad waakzaamheid worden verwacht. Geconstateerd wordt (echter) dat met betrekking tot (alle) door de advocaat-generaal genoemde specifieke voorwerpen omtrent de wijze van verkrijging, de gang van zaken rond de inkoop, niets bekend is, dat geldt ook voor of en zo ja wat er door de verdachten is gevraagd aan c.q. gezegd is door de verkopers. Derhalve kan (reeds) met betrekking tot die specifieke voorwerpen niet op individuele basis, per afzonderlijke transactie, worden getoetst of de verdachten inderdaad een loopje hebben genomen met de waakzaamheid en registratieverplichtingen en aldus bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij van misdrijf afkomstige voorwerpen hebben ingekocht. De advocaat-generaal baseert zijn conclusie dat die door hem in zijn requisitoir genoemde voorwerpen zijn witgewassen op de stelling dat binnen [v.o.f.] structureel de minimaal denkbare maatregelen veronachtzaamd zijn om inkoop van besmette waar te voorkomen: er werden geen vragen gesteld over de herkomst van voorwerpen, minimale onderzoeksplichten in relatie tot de persoon van de verkoper of aangeboden voorwerpen werden niet in acht genomen, gegevens van verkopers werden niet deugdelijk vastgelegd, bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers, werden niet vastgelegd, aankopen werden niet geregistreerd en de voorraadadministratie was gebrekkig. Hierdoor aanvaardden de verdachten bewust de aanmerkelijke kans (voorwaardelijk opzet) dat zij gestolen voorwerpen inkochten. De vraag is echter of op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden - op basis van bewijsmiddelen - en met voorbijgaan aan hetgeen door de verdachten is verklaard deze vergaande conclusies kunnen worden getrokken. Aan de hand van de inkoopbonnen en de verklaringen die zich in het dossier bevinden kan worden vastgesteld dat de verdachte(n) op de inkoopbonnen (van sieraden) noteerden de datum van inkoop, de naam van de verkoper, het nummer dat op zijn of haar identiteitsbewijs stond, de inkooprijs van het sieraad alsmede een zeer summiere omschrijving van het ingekochte goed (bijv. gekocht gouden horloge Omega, dossier pag. 05 0632, gekocht gouden armband 18ct, dossier pag. 05 0633, gekocht gouden ketting, ringen speld zilveren kettingen, dossier pag. 05 0635) evenwel zonder vermelding van de eventuele bijzonderheden van het sieraad. Ook diende de verkoper zijn handtekening te plaatsen op de inkoopbon. Gedurende een week werd vervolgens het ingekochte goed samen met de inkoopbon in een apart zakje bewaard, waarna de sieraden in de reguliere bedrijfsvoorraad werden opgenomen en los van het bonnetje werden bewaard. Dat de verdachten structureel minimale onderzoekplichten in relatie tot de persoon van de verkoper niet in acht hebben genomen kan - gelet op het voorgaande - dan ook niet worden aangenomen. Evenmin kan gezegd worden dat gegevens met betrekking tot de persoon van de verkoper structureel niet deugdelijk werden vastgelegd. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de verdachten structureel minimale onderzoekplichten met betrekking tot de aangeboden voorwerpen niet in acht hebben genomen, welk verwijt in twee onderdelen uiteenvalt te weten ten eerste het niet, althans onvoldoende vragen naar de herkomst van de voorwerpen en ten tweede het niet deugdelijk vastleggen van bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers. Voor zover de verdachten het verwijt wordt gemaakt - kort samengevat - dat zij aan de (particuliere) verkopers niet hebben gevraagd hoe zij aan de voorwerpen kwamen wordt overwogen dat deze conclusie niet zonder meer uit hun verklaringen kan worden opgemaakt, zie in dit verband het hiervoor opgenomen citaat uit de verklaring van [broer] , alsmede het hierna op te nemen citaat uit de verklaring van [verdachten] . Overigens valt niet aan te nemen dat verkopers die met gestolen spullen komen, verteld zouden hebben hoe de vork (echt) in de steel zat, en rijst de vraag of de verdachte aan de hand van de verzonnen antwoorden zonder meer had moeten begrijpen dat hij werd voorgelogen. [verdachten] heeft bij de rechter-commissaris (gehoord als getuige en verdachte) op 17 september 2013 onder meer verklaard: “U vraagt mij welke maatregelen ik tot en met 2011 nam om te voorkomen dat ik sieraden inkoop die van misdrijf afkomstig zijn. Ik vroeg aan de verkoper zich te identificeren en ik schreef zijn naam en de nummer van zijn identiteitsbewijs in het registratieboek. Als ik een splinternieuw voorwerp kreeg aangeboden, bijvoorbeeld met een labeltje eraan, stelde ik nadere vragen. Ik kocht geen sieraden van kinderen. Ik hield mij ruimschots aan de voorgeschreven bewaartermijn: ik dacht dat ik ingekochte sieraden een week moest bewaren en na mijn aanhouding hoorde ik dat de bewaartermijn maar drie dagen was. Verder kan ik niet voorkomen dat mij iets wordt verkocht wat gestolen is. Niemand gaat dat toegeven. Als je zoveel jaren klanten ziet langskomen en alle verhalen hoort, merk je dat mensen op allerlei manieren aan sieraden komen: door erfenissen, stukgelopen relaties en wat niet al. Inscripties zeggen dan ook niet zoveel en gaven mij geen reden om vragen te stellen. Ik kan niet aan iemands uiterlijk zien of hij eerlijk is of niet. In de loop van de tijd heb ik wel een paar cliënten verbannen van wie ik de zaak niet vertrouwde. Expliciete informatie over de concrete gang van zaken bij het doen van inkopen door de verdachten bevindt zich niet dan wel nauwelijks in het dossier, in elk geval onvoldoende om te kunnen spreken van het structureel in dit opzicht niet voldoen aan onderzoekplichten naar de herkomst van de voorwerpen. Dit laatste geldt naar het oordeel van het hof ook voor de tweede te beantwoorden vraag, te weten of ervan kan worden uitgegaan dat de verdachten structureel bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers niet hebben vastgelegd waaruit moet worden afgeleid dat binnen de vof een praktijk bestond waarin structureel welbewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig bleken te zijn. Bovendien is in eerste aanleg door de officier van justitie in een brief van 20 december 2011, afstand genomen van eerdere berichtgeving dat er bij de [v.o.f.] op grote schaal sprake zou zijn van heling. In dit verband wordt (nog) van belang geacht dat (ook) in art. 437 lid 1 onder a Sr deze conclusie niet getrokken wordt. Tenslotte is in het dossier en requisitoir met bewijsmiddelen noch feiten van algemene bekendheid, onderbouwd hoe een gebrekkige registratie van de goederen na aankoop, zou hebben geleid tot het aanbieden en aankopen van (meer) gestolen goederen. Met betrekking tot hetgeen (overigens) nog door de advocaat-generaal is aangevoerd wordt overwogen dat dit evenmin kan leiden tot de vergaande conclusies die de advocaat-generaal daaraan wil verbinden. Het hof acht niet bewezen dat de verdachten (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het verwerven van voorwerpen van criminele herkomst. Ten overvloede merkt het hof op dat bij die stand van zaken ook heling niet het grondmisdrijf voor een veroordeling voor witwassen (als een ‘eigen misdrijf’) kan vormen. Het vorenstaande brengt mee dat - onder verwijzing naar hetgeen hierna nog met betrekking tot het onder feit 3 ten laste gelegde feit wordt overwogen - naar het oordeel van het hof bij gebreke van voldoende wettig bewijs niet tot een veroordeling kan worden gekomen ter zake van hetgeen onder feit 3 en 4 is tenlastegelegd. Aanvullende overweging met betrekking tot Louis Vuitton horloge De rechtbank heeft het derde tenlastegelegde feit bewezen verklaard voor wat betreft een Louis Vuitton horloge dat zich in de bankkluis van [verdachten] bevond. In het vonnis van de rechtbank zijn de navolgende passages gewijd aan feit 3 (pag. 20/21): “In de privé kluis bij de Rabobank van [verdachten] is bij de doorzoeking op 21 september 2011 een horloge van het merk Louis Vuitton, type P1950 Platinum, nummer 18Q1027 aangetroffen. Dit horloge heeft [koper 2] in augustus 2008 in een café voor € 50,- gekocht van een onverzorgd uitziende Engelse man. Daarna is hij ermee naar de juwelierszaak van [verdachten] gegaan en heeft hij het horloge verkocht. [verdachten] heeft het horloge zelf ingekocht. Van dit type horloge zijn er wereldwijd 20 gemaakt. Dit specifieke horloge blijkt te zijn gestolen in juli 2008 tijdens het transport van het hoofdkantoor van Louis Vuitton in Parijs naar de winkel in de [adres 7] in Amsterdam. De verkoopprijs was € 50.000,-. De rechtbank overweegt het volgende. Op de inkoopbon die betrekking heeft op voornoemd horloge en een ander horloge, staat een bedrag van € 55.000,- vermeld. Zowel [verdachten] als [koper 2] hebben verklaard dat dat niet juist kan zijn. Volgens Vasili moet het € 5.500,- zijn en [koper 2] verklaart dat hij € 1.500,- heeft gekregen. [verdachten] heeft verklaard dat hij dit horloge als privé-aankoop heeft gedaan. De rechtbank gaat in die verklaring mee. Deze verklaring wordt namelijk door andere bewijsmiddelen ondersteund in die zin dat de inkoopbon, die achter in de zaak in een kast is aangetroffen, niet in het registerboek is opgenomen en dat er geen “vinkje” op staat, hetgeen betekent dat de boekhouder de bon niet in de administratie van het bedrijf heeft verwerkt. [verdachten] had moeten weten hoe bijzonder dit horloge was. Desalniettemin heeft hij het voor een zeer laag bedrag (het is hierbij om het even of dat €1.500,- o f €5.500,- is) ingekocht. Gelet op de normale gang van zaken bij de inkoop gaat de rechtbank er van uit dat hij ook in dit geval geen vragen aan de verkoper heeft gesteld. Vasili heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel dacht dat het horloge nep was en dat hij daarom de camerabeelden waarop [koper 2] te zien is, heeft bewaard. Alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat [verdachten] op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit voorwerp van misdrijf afkomstig was. Ondanks dat, heeft hij het horloge toch ingekocht. Vervolgens heeft hij het naar de bank gebracht en sindsdien in zijn privékluis aldaar bewaard. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot een bewezenverklaring van , kort gezegd, het verwerven en het voorhanden hebben van dit uit misdrijf afkomstige horloge. (…) “. De advocaat-generaal komt in zijn requisitoir met betrekking tot dit feit tot de conclusie dat het wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij merkt op dat op grond van het zeldzame karakter van het horloge, de reële waarde ervan in het handelsverkeer, de omstandigheden waaronder de verdachte het heeft aangekocht en de voor het horloge betaalde prijs de verdachte minstens welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het horloge van misdrijf afkomstig was. De rechtbank heeft het verwerven en voorhanden hebben van dit horloge terecht als strafbaar witwassen aangemerkt, aldus de advocaat-generaal in zijn requisitoir. Bij pleidooi in hoger beroep heeft de verdediging, naast de eerder weergeven verweren met betrekking tot het inkoopproces, meer specifiek met betrekking tot feit 3 nog twee verweren aangevoerd. Allereerst wordt betwist dat het in beslag genomen horloge is gestolen, in welk verband erop wordt gewezen dat vaststaat dat horloge nummer 18 ooit is gestolen, maar dat zowel de beslaglijst als het proces-verbaal van inbeslagname serienummer 13 vermeldt. Van horloge nummer 13 staat niet vast dat het ooit is gestolen. Zonder fysiek kennis te nemen van het horloge dat zich in het beslag bevindt, kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat het betreffende horloge gestolen is en dus dient Vasili, aldus de verdediging, te worden vrijgesproken. Kort samengevat wordt daarnaast naar voren gebracht dat op de pakbon een waarde van € 18.500 staat en dat [taxateur] het taxeert voor € 15.000 zodat de door de verdachte betaalde prijs van € 5.500 helemaal nog niet zo gek is. Met betrekking tot het Louis Vuitton horloge wordt door het hof het navolgende overwogen. In het dossier zit een ondertekende inkoopbon d.d. 7 augustus 2008 (dossier pagina 03 0347) waarop het navolgende is vermeld: “(…) NM6BHR727 M. [koper 2] 2 stk gouden horloge gekocht Jaeger Le Coutre 18k, Louis Vuitton p.t. € 5.500.0”. [koper 2] heeft hierover verklaard dat zijn paraaf op deze bon staat en dat hij zich moest legitimeren, omdat - aldus [koper 2] - [v.o.f.] niet inkoopt zonder paspoort (dossier pagina’s 03 0528/03 0536). De inkoopbon - die is niet gevonden tussen de reguliere stapels bonnen maar lag tussen lege dozen en certificaten achter in de winkel in de [adres 2] - is niet verwerkt in de administratie (dossier pagina 03 0318). Het horloge bevond zich in de privékluis van [verdachten] . Vasili heeft verklaard dat het een privé aankoop betrof (dossier pagina 03 0319), dat hij aan [koper 2] € 5.500 heeft betaald, maar dat hij na de aanschaf ging twijfelen over de echtheid van het horloge. [koper 2] heeft verklaard dat hij € 1.500 heeft ontvangen van de verdachte, maar dat het - kort samengevat - om een ander horloge ging. De heer [taxateur] heeft in zijn taxatierapport van 4 november 2011 het horloge getaxeerd op € 15.000 (dossier pagina 05 1211). Het hof acht aannemelijk dat [koper 2] het Louis Vuitton horloge aan [verdachten] heeft verkocht voor € 5.500, nu [koper 2] heeft verklaard dat het zijn paraaf is die op de inkoopbon staat en dat hij zich moest legitimeren. Niets wijst erop dat eerst € 1.500 op de bon zou hebben gestaan, dan wel dat [koper 2] een ander horloge heeft verkocht dan wel dat hij niet wist wat hij ondertekende. Het hof acht de verklaring van [koper 2] ongeloofwaardig. Voorts wordt van belang geacht dat [koper 2] weliswaar heeft verklaard dat hij het horloge voor € 50 had gekocht in een kroeg van een onverzorgde man die gebrekkig Nederlands sprak met een Engels accent, maar dat uit het dossier niet blijkt dat [verdachten] hierover is geïnformeerd door [koper 2] . Het hof is overigens van oordeel - zoals hiervoor in verband met het onder 2 ten laste gelegde feit reeds is overwogen - dat ten aanzien van voornoemde inkoopbon niet gesproken kan worden van het ophogen van het bedrag, aangezien duidelijk waarneembaar is dat er een punt staat voor de nul en er dus € 5.500.0 staat, zodat het bedrag van € 5.500 op de inkoopbon staat. Voorts wordt overwogen dat in het licht van de door [taxateur] verrichte taxatie niet gezegd kan worden dat de verdachte - tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is opgemerkt - het horloge voor een zeer laag bedrag heeft ingekocht, (nog daargelaten dat het een inkoper natuurlijk vrij staat voor een zo laag mogelijke prijs in te kopen) zodat niet reeds op basis van de door [verdachten] betaalde inkoopprijs gezegd kan worden dat de verdachte op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit voorwerp van misdrijf afkomstig is. Ook is er geen sprake van een verkoper wiens identiteit niet meer te achterhalen valt en evenmin van een bijzondere verkoopplaats. Een vraag die gesteld zou kunnen worden is: “Is het aankopen van dit horloge zonder dat [koper 2] beschikte over een certificaat dan wel inkoopbon (wel) voldoende om op te baseren dat de verdachte op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit voorwerp van misdrijf afkomstig is”, nu het hier ook nog gaat om een ook voor [verdachten] als zodanig herkenbaar zeer bijzonder horloge. Voornoemde vraag wordt ontkennend beantwoord. Een inkoper is (vanzelfsprekend) vrij alleen dan tot inkoop over te gaan indien de verkoper beschikt over echtheidscertificaten - en dit zal waarschijnlijk voor de verkoper ook wel leiden tot een hogere opbrengst - maar dat dit in de branche waarin [verdachten] werkzaam is gebruikelijk zou zijn is niet gebleken. Omstandigheden die hadden moeten meebrengen dat van [verdachten] had mogen worden verwacht dat hij op het moment van de aankoop om dit soort officiële papieren had moeten vragen zijn gesteld noch gebleken. Dit laatste geldt ook voor zover [verdachten] het verwijt wordt gemaakt dat hij aan [koper 2] niet zou hebben gevraagd hoe hij aan het horloge kwam. Niet alleen is hierover tijdens de verhoren geen vraag gesteld, ook lijkt niet aannemelijk dat [koper 2] dan verteld zou hebben hoe de vork (echt) in de steel zat, dan wel dat Vasili aan de hand van de verzonnen antwoorden van [koper 2] zonder meer had moeten begrijpen dat hij werd voorgelogen. Het hof komt op grond van dit alles tot het oordeel - als reeds overwogen - dat hetgeen [verdachten] onder feit 3) is tenlastegelegd ten aanzien van het Louis Vuitton horloge niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten overvloede wordt er nog op gewezen dat in het licht van het eerste in verband met feit 3) gevoerde verweer het nog maar zeer de vraag is of op basis van het dossier en het behandelde ter terechtzitting er zonder meer vanuit had kunnen worden gegaan dat er gesproken had kunnen worden van een van misdrijf afkomstig goed (serienummer 13 of 18). Deze vraag behoeft echter gezien hetgeen hiervoor is overwogen geen beantwoording meer, maar had niet kunnen worden beantwoord zonder fysieke kennisname van het in beslag genomen Louis Vuitton horloge. De vraag hoe het handelen van de verdachte fiscaal moet worden geduid (omdat er wel een aankoopbon is opgemaakt maar [verdachten] op enig moment heeft besloten de aankoop niet binnen de onderneming te laten plaatsvinden maar in plaats daarvan door hem zelf in privé, zodat hij daarmee mogelijk de onderneming een winst heeft laten ontgaan) kan (gelet op hetgeen in dit verband is opgemerkt onder feit 4 met betrekking tot mogelijke fiscale verwijten) buiten beschouwing blijven. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. S. Clement en mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2017. mrs. P. Greve en A.M. van Amsterdam zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen ========================================================================= […]
ECLI:NL:GHAMS:2017:3872
afdeling strafrecht parketnummer: 23-003463-15 datum uitspraak: 11 augustus 2017 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-657207-11 tegen [verdachte] , gevestigd op het adres [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2016, 20 april 2016, 14 juli 2017, 17 juli 2017, 21 juli 2017, 4 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1:[verdachte] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen een deel van de bedrijfsadministratie, althans een financiële administratie/boekhouding ten name van [verdachte] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [verdachte] telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt, ondermeer: A: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 achttien (18), althans een aantal, vervalste inkoopbonnen (zaaksdossier D), waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; B: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 kasjournalen die in strijd met de waarheid de post(en) lening(en) en familie bevatten, teneinde het ontbrekende (negatieve) kassaldo aan te vullen (paragraaf 7 zaaksdossier B); C: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 het registerboek 2011, zoals bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, waarin onder meer telkens in strijd met de waarheid is opgenomen vervalste inkoopbonnen als bedoeld onder A en/of in strijd met de waarheid inkopen niet zijn vermeld (paragraaf 6 zaaksdossier B), zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 2:[verdachte] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011, in ieder geval op of omstreeks 20 september 2011, in de gemeente Amsterdam en/of Uithoorn en/of Amstelveen, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben [verdachte] en/of haar mededader(s) (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten, - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van [verdachte] in de [adres 2] te Amsterdam en/of de Nieuwezijds Voorburgwal 248 te Amsterdam, woningen [adres 3] te Uithoorn en/of [adres 4] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [verdachte] bij [B.V.] , de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel heeft zij, verdachte, verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten bovengenoemde voorwerp(en) was of wie die bovenomschreven voorwerp (en) voorhanden had, en/of (telkens) (een) voorwerp(en), te weten - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van [verdachte] in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 1] te Amsterdam, woningen [adres 3] te Uithoorn en/of [adres 4] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [verdachte] bij [B.V.] , heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten bovengenoemde voorwerpen gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl [verdachte] en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat/die bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep weliswaar zijdelings een opmerking gemaakt over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar is daar in zijn pleidooi verder niet meer op teruggekomen. De raadsman heeft in hoger beroep ook overigens niet onderbouwd waarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden, zodat dit ‘verweer’ geen bespreking behoeft. Inleiding De eenmanszaak met de handelsnaam “ [handelsnaam] ” wordt sinds 1992 gedreven voor rekening en risico van [eigenaar] . Het bedrijf is sinds 1997 gevestigd aan de [adres 2] in Amsterdam. [broer eigenaar] werkte voor [handelsnaam] . Op 29 december 2009 wordt de eenmanszaak gestaakt en worden de activiteiten voortgezet in een vennootschap onder firma met de naam [verdachte] . De vennoten zijn [eigenaar] , zijn echtgenote [vrouw eigenaar] , [broer eigenaar] en diens echtgenote [vrouw broer eigenaar] . De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de in- en verkoop van edelmetalen, munten en (gebruikte) sieraden. Er zijn twee vestigingen; naast de eerdergenoemde vestiging aan de [adres 2] is ook een vestiging geopend aan de [adres 1] te Amsterdam. Daarnaast worden sieraden via internet te koop aangeboden. [broer eigenaar] beheert het filiaal aan de [adres 1] , waar alleen inkoop van goederen plaatsvindt. Hij is bevoegd zelfstandig te bepalen welke prijs hij biedt. Hij is de enige die de inkoopbonnen van beide vestigingen in het aankoopregister als bedoeld in artikel 437 Wetboek van Strafrecht (Sr) inschrijft. De overige drie vennoten werken in het filiaal aan de [adres 2] . [eigenaar] heeft de meeste zeggenschap binnen de vennootschap. Men overlegt bijna alles met hem, hij gaat over het geld en onderhoudt het contact met de boekhouder. De beide echtgenotes verrichten de dagelijkse werkzaamheden in de winkel en met betrekking tot de website. In het vervolg van dit arrest zal de verdachte mede aangeduid worden als [verdachte] , maar ook als de vof en zullen de gelijktijdig terechtstaande verdachten [eigenaar] en [broer eigenaar] ook wel alleen met hun voornaam worden aangeduid. Bespreking van de gevoerde verweren ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde Het onder 1 ten laste gelegde feit houdt – kort samengevat – in dat de verdachte al dan niet tezamen met anderen de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van: A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’; C) registerboek 2011:  met daarin opgenomen valse inkoopbonnen;  zonder vermelding van inkopen. 1A) Valse/vervalste inkoopbonnen Door de onderneming [verdachte] (waar [broer eigenaar] medevennoot is) worden edelmetalen, munten en (gebruikte) sierraden ingekocht van particulieren. Het grootste gedeelte van de inkopen (90% tot 95%) is zogeheten ‘sloopgoud’ dat wordt aangeboden aan afnemer [B.V.] (hierna: [B.V.] ) die het omsmelt tot baren goud en zilver. Ter zake van deze inkopen van particulieren maakt [verdachte] , een inkoopbon op (waarvan aan de klant een kopie wordt uitgereikt) die de basis vormt van de inkoopadministratie van de onderneming. Op de bon wordt onder andere de naam van de verkoper vermeld, het nummer van zijn identiteitsbewijs, een korte omschrijving van de inkoop en het betaalde bedrag, waarna de verkoper de bon voorziet van zijn handtekening. Aan de vof wordt ten laste gelegd (onder feit 1, letter A) het vervalsen van 18 inkoopbonnen gedurende de periode 29 december 2009 tot en met 20 september 2011. De vof wordt verweten dat het in een aantal gevallen, na afronding van de inkoop en het vertrek van de klant, het bedrag op de inkoopbon heeft verhoogd. Het betreft dan steeds (bij de tenlastegelegde bonnen) een inkoop van een bonafide klant (die niet bij justitie bekend is, geen antecedenten heeft). Deze inkoop wordt (cijfermatig) verhoogd met het bedrag van een andere inkoop van een niet-bonafide klant. Uitgaande van deze hypothese van verbalisant [verbalisant] (zaaksdossier B, paragraaf 6) wordt uiteindelijk niet het inkoopbedrag van de niet-bonafide klant buiten de administratie gehouden, maar (alleen) zijn persoonsgegevens (het niet-vermelden van welke specifieke goederen zijn ingekocht bespreekt het hof onder feit 1, onderdeel C). Het bedrag van deze inkoop staat niet op enige bon (omdat die niet is opgemaakt) maar is cijfermatig verwerkt in de wel opgemaakte bon van een bonafide klant. Aldus blijft de niet-bonafide klant buiten beeld, maar wordt het aan hem betaalde bedrag wel (cijfermatig) in de financiële administratie verwerkt. Door het verhogen van het inkoopbedrag van de bonafide inkoop met het bedrag van de te maskeren inkoop (die voor het overige dus niet is vastgelegd) wordt op jaarbasis het bedrag van de inkopen (en de inkoopwaarde omzet, en daarmee de winst) correct vastgelegd. Het doel daarvan is, dat daarmee de (omvang van de) leveringen aan [B.V.] kunnen worden verklaard en onderbouwd (Relaas financieel onderzoek valsheid in geschrifte en witwassen in de bedrijfsvoering van [verdachte] , p. 1.0262). Als voorbeeld van deze handelwijze kan dienen, de inkoop van klant [klant 1] die op 17 september 2011 ‘sloopgoud’ verkoopt voor een bedrag van € 1.502,-. Een kopie van de door [klant 1] ontvangen en door hem bewaarde bon bevindt zich in het dossier (p. 3.0180). In het dossier bevindt zich een kopie van de in de administratie van de vof opgenomen bon (p. 3.0179) die identiek is aan eerstgenoemde bon met uitzondering van het inkoopbedrag dat tot € 4.502,- is opgehoogd. [klant 1] bevestigt het lagere bedrag in zijn verklaring (zakelijk weergegeven): “Ik dacht € 1.508,- te hebben ontvangen. Ik heb het bonnetje thuis liggen, dat bonnetje kunt u van mij krijgen”. [broer eigenaar] , als zijnde feitelijk leidinggever voor wat betreft in elk geval dit deel van de werkzaamheden binnen de vof, erkent dat hij het bedrag heeft opgehoogd, en heeft dienaangaande verklaard dat het een automatische verschrijving was die hij achteraf niet meer goed kan verklaren. Het hof is van oordeel dat de vof de (in de administratie opgenomen) inkoopbon bewust heeft vervalst. Zijn (ter zitting herhaalde) verklaring dat hij nadat hij op de bon de datum (terecht) heeft gecorrigeerd, hij ‘automatisch’ ook het inkoopbedrag naar boven heeft aangepast, zonder daar bij na te denken, acht het hof ongeloofwaardig. Daarvoor is het aanpassen, zijnde het handmatig wijzigen van een ‘1’ in een ‘4’ op de bon een te doelbewuste handeling die moeilijk als een ‘automatische verschrijving’ kan worden uitgevoerd/aangemerkt. Van [klant 1] is overigens de enige klant, door de politie gehoord, die zijn bon heeft bewaard en overgelegd. Desondanks acht het hof, mede gelet op de verklaring van [klant 1] en de door hem overgelegde bon, aannemelijk dat de vof de bonnen ter zake van de navolgende inkopen op overeenkomstige wijze heeft vervalst door achteraf de inkoopbedragen te verhogen. Het hof acht daarbij van belang dat de desbetreffende klanten stellig hebben verklaard dat zij een substantieel lager bedrag hebben ontvangen dan op de bon vermeld. Zo verklaart [klant 2] dat hij een gouden armband heeft verkocht voor € 714 terwijl op de inkoopbon een bedrag van € 2.714 staat en de getuige verklaart (als hij voornoemd bedrag verneemt van de verbalisant) dat dit absoluut onjuist is. Het betreft de volgende bonnen, met de datum van de inkoop, de naam van de klant en het op de factuur vermelde (opgehoogde) bedrag: [verdachte] , 13 bonnen 18 januari 2010, [klant 3] , € 1.907,- 13 januari 2010, [klant 4] , € 1.673,- 30 januari 2010, [klant 5] , € 1.052,- 30 juni 2010, [klant 6] , € 1.266,- 16 juli 2010, [klant 9] , € 1.282,- 16 april 2011, [klant 7] , € 1.608,- 19 april 2011, [klant 8] , € 1.605,- 14 mei 2011, [klant 10] , € 2.624,- 12 augustus 2011, [klant 11] € 5.200,- 25 augustus 2011, [klant 12] , € 1.793,- 9 september 2011, [klant 2] , 2.714,- 13 september 2011, [klant 13] , € 4.075,- 16 september 2011, [klant 14] , € 3.244,- In de tenlastelegging worden 18 bonnen genoemd die in het requisitoir in eerste aanleg (p. 14) worden gespecificeerd (zie ook dossier p. 5.0626 ev, 5.0302 ev en 5.1638 ev). In hoger beroep komt de klant [klant 15] te vervallen (requisitoir in hoger beroep, p. 3). Het hof heeft vervolgens nog de bon ter zake van de aankoop van [klant 16] , buiten beschouwing gelaten, aangezien deze klant niet zelfstandig een bedrag (om en nabij) heeft genoemd. Het hof heeft voorts, naar aanleiding van de opmerkingen van [broer eigenaar] zoals opgenomen in de bijlage bij de pleitnota die in de zaak van de vof als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, buiten beschouwing gelaten de bonnen die zijn uitgeschreven aan [klant 17] en [klant 18] / [klant 19] . Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de vof in de onderhavige periode, in totaal 13 bonnen heeft vervalst. Met het vervalsen van de bonnen en het in de administratie (doen) opnemen van deze valse bonnen heeft de vof de bedrijfsadministratie, althans de financiële administratie valselijk opgemaakt. 1B) Kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’ Volgens de advocaat-generaal berusten de in de kasjournalen opgenomen posten ‘leningen’ en ‘familie’ niet op daadwerkelijke contante kasstortingen, maar dienen zij slechts om de kasjournalen administratief sluitend te maken en om daarmee zogenoemde negatieve kassen te verhullen. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst de advocaat-generaal onder meer op het feit dat het feitelijke kassaldo op 20 september 2011 - de datum van de doorzoekingen - € 244.197 niet aansloot bij het saldo zoals vermeld in het kasjournaal. Overeenkomstig het kasjournaal zou het kassaldo op 31 augustus 2011 slechts € 5.038 bedragen. Daarnaast heeft de advocaat-generaal er op gewezen dat op 14 oktober 2010 van de vennoten een bedrag zou zijn geleend van € 260.000 waarvan op 31 augustus 2011 nog een (rest)schuld open stond van € 200.000 terwijl het privé-vermogen daartoe (volstrekt) ontoereikend was omdat er geen sprake was van een erfenis of een investeringsproject in Bulgarije waaruit deze lening had kunnen voortkomen, aldus de advocaat-generaal. De verdediging heeft aangevoerd dat (er) daadwerkelijk sprake is geweest van privé-leningen van de vennoten aan de vof vanuit een eerder ontvangen erfenis en een investeringsproject in Bulgarije. Aansluiting administratieve en fysieke kas Het hof is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de fysieke (zakelijke) kas niet aansluit bij het administratieve (zakelijke) kassaldo. Daarvoor is er een te groot tijdsverloop tussen de in het dossier voor de vergelijking gehanteerde twee verschillende peildata, zijnde 31 augustus 2011 voor het saldo van de administratieve kas (€ 5.038) en 20 september 2011 voor de aanwezige contante gelden (€ 244.197). In een onderneming met zeer omvangrijke contante geldstromen - waarvan naar het oordeel van het hof sprake is bij de vof - kan een verschil van drie weken in de peildatum leiden tot een aanzienlijk verschil in het kassaldo. Het hof wijst ter onderbouwing van de omvang van de kasmutaties bij [verdachte] - ter illustratie - naar de contante opname op 8 september 2011 van de zakelijke rekening van een bedrag van € 70.000. Verder werd in de onderneming (blijkens het kasjournaal over de maand augustus 2011) maandelijks voor honderdduizenden euro’s contant ingekocht (Bev. Fin 030 p. 07 340). Het hof stelt voorts vast dat uit het overzicht van het verloop van de lening van privé aan de vof (Bev. Fin 031, p. 07 0383) blijkt dat er niet alleen regelmatig bedragen vanuit privé in de zakelijke kas werden gestort, maar ook dat er zeer regelmatig aflossingen op de leningen plaatsvonden waardoor het door de vof verschuldigde bedrag sterk wisselde. Leningen werden daarbij veelal binnen een periode van twee á drie maanden weer uit de kas (grotendeels) afgelost. Zo was op 31 juli 2011 de schuld geheel afgelost. Nu in het proces-verbaal door de verbalisanten geen aansluiting is gezocht tussen het administratieve kassaldo per 31 augustus 2011, de daarop volgende contante inkomsten en -uitgaven in de periode tot en met 20 september 2011 en het op 20 september 2011 in de kas aangetroffen geldbedrag valt naar het oordeel van het hof niet vast te stellen dat het administratieve kassaldo niet aansluit bij de werkelijk aanwezige kasgelden. Daarbij komt nog dat vrijwel al het geld dat is aangetroffen bij de twee vestigingen en in de kluizen door de verbalisanten tot de zakelijke kas is gerekend. Het toerekenen van aangetroffen gelden aan de zakelijke kas vergroot het gepretendeerde verschil tussen administratieve en fysieke zakelijke kas. Die toerekening is echter nauwelijks voorzien van enige onderbouwing en is arbitrair te noemen. Als voorbeeld kan daarbij worden genoemd het toerekenen van het geld uit de kluizen aan de zakelijke kas. Erfenis Ten aanzien van de erfenis overweegt het hof als volgt. [eigenaar] heeft al in zijn eerste verhoor op de dag van de inval en [broer eigenaar] in zijn tweede verhoor, de dag na de inval, over uit erfenis ontvangen geldbedragen verklaard. De verklaringen van de verdachten worden onderbouwd door het fiscaal verantwoorden van een plotselinge toename van het privé-vermogen van de verdachten. Uit het dossier blijkt dat [eigenaar] in zijn belastingaangifte over 2007 melding heeft gemaakt van een toename van zijn box 3 vermogen met ongeveer € 160.000 (PV bevindingen informatie Belastingdienst opgenomen als bijlage bij PV zaaksdossier B, na p. 281). Ook [broer eigenaar] en zijn partner [vrouw broer eigenaar] geven in hetzelfde jaar een gezamenlijke vermogenstoename op van ongeveer € 160.000. Op grond van de verklaringen van de verdachten (vanaf het eerste begin) en de gegevens van de Belastingdienst is het hof van oordeel dat het aannemelijk is dat de verdachten over voldoende vermogen, voortgekomen uit een erfenis, nog afgezien van eventuele gelden uit een project in Bulgarije, hebben kunnen beschikken om bedoelde leningen aan de vof ter beschikking hebben kunnen stellen. Het hof acht op grond van bovenstaande niet wettig en overtuigend bewezen dat de vof de kasjournalen valselijk heeft opgemaakt door daarin fictieve posten ‘leningen’ en ‘familie’ op te nemen. Getuigenverzoek ten aanzien van erfenis en Bulgarije-project Tijdens de zitting van 6 april 2016 is door de verdediging, in verband met de gestelde ontvangen erfenis en de investering in het zogenaamde Bulgarije-project, verzocht getuigen te horen. Het hof heeft ter terechtzitting van 20 april 2016 overwogen dat op voornoemde verzoeken wordt beslist bij (tussen)arrest. Gelet op het feit dat de vof van hetgeen onder 1 onder B ten laste is gelegd wordt vrijgesproken, wijst het hof het verzoek tot het horen van de getuigen af, nu de verdediging geen belang heeft bij het horen van de getuigen. 1C) Registerboek 2011 De vof wordt verweten dat hij in de periode 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt door het daartoe behorende register valselijk op te maken door er (het hof begrijpt: de gegevens zoals vermeld op) valse inkoopbonnen in op te nemen en/of bepaalde inkopen er in het geheel niet in op te nemen. Op grond van artikel 437 Sr is de vof verplicht tot het bijhouden van een register waarin alle inkopen worden vastgelegd. Naar het oordeel van het hof maakt het register deel uit van de bedrijfsadministratie als bedoeld in de tenlastelegging, nu er aantekening in wordt gemaakt van activiteiten die het bedrijf betreffen en die het bedrijf gehouden is vast te leggen. In dit register dient te worden opgenomen (onder meer) de naam van de verkoper, de omschrijving van de ingekochte goederen en de betaalde prijs (Besluit van 6 januari 1992, ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Met het verplicht stellen van deze registratie wordt beoogd heling tegen te gaan, omdat het daarmee voor dieven moeilijker wordt gestolen goederen te verkopen. Bij verkoop aan ondernemers als [verdachte] wordt immers de verkoop vastgelegd in het register, samen met de identiteit van de verkoper, zodat in voorkomende gevallen (als wordt vastgesteld dat het de verkoop van een gestolen goed betreft) deze verkoper getraceerd kan worden hetgeen dit verkoopkanaal voor een dief (veel) minder aantrekkelijk maakt. Zoals hiervóór reeds vastgesteld heeft de vof in de onderhavige periode valse bonnen opgemaakt (in de zin, dat de betaalde en op de bon vermelde prijs achteraf is opgehoogd). Deze onjuiste (opgehoogde) inkoopbedragen zijn door de vof vastgelegd in het register. Het hof is dan ook van oordeel dat de vof ten aanzien van het opnemen van (gegevens zoals vermeld op) deze vervalste bonnen het register (in zoverre) valselijk heeft opgemaakt. De vof wordt tevens verweten (het tweede gedeelte van letter C) dat hij het register onvolledig heeft bijgehouden omdat hij (in strijd met de waarheid) inkopen niet heeft vermeld. Het hof acht dat onderdeel niet bewezen, en overweegt daartoe als volgt. Ten aanzien van het niet volledig bijhouden van het register verwijst de advocaat-generaal (requisitoir, p. 8) naar een drietal (gestolen) horloges die niet terug zijn te vinden in het register, naar observaties op 13 en 26 april 2011, en naar beelden van de bewakingscamera buiten en in de vestiging op de [adres 1] . Bij de observaties op 13 en 26 april 2011 is door de politie vastgesteld dat op enig moment twee personen de vestiging op de [adres 1] zijn binnengegaan en met geld het pand weer hebben verlaten. Deze vaststelling is onvoldoende om te kunnen concluderen dat deze personen (ook) iets hebben verkocht waarvan een vastlegging in de administratie had moeten worden gemaakt. De beelden van de bewakingscamera in de vestiging op de [adres 1] zijn gemaakt op 19 en 20 september 2011 en daarmee kort vóór de doorzoeking. Het hof acht aannemelijk dat [broer eigenaar] , die in ander verband heeft verklaard dat hij eerst de dag na de aankopen het register (met alle inkoopbonnen van de voorgaande werkdag) bijwerkte, door de doorzoeking niet meer in de gelegenheid is geweest deze inkopen te verwerken hetgeen de omissies verklaart. Ten aanzien van de drie horloges, overweegt het hof als volgt. Het horloge omschreven Omega Seamaster is aangetroffen op het privéadres van [broer eigenaar] . Niet kan worden vastgesteld dat het tot de bedrijfsvoorraad behoort van [verdachte] . Alsdan kan de vof niet worden verweten dat zij, middels haar feitelijk leidinggevende [broer eigenaar] , dit horloge niet heeft ingeschreven in het register. De overige twee horloges (Cartier Chronoscap 21, kastnummer 2424 en Ebel mini bicolor kastnummer 51609290 E1157111) zijn aangetroffen in de vitrine van de vestiging in de [adres 2] , zodat aannemelijk is dat zij tot de bedrijfsvoorraad behoren van [verdachte] . Uit de locatie waarop de beide horloges zijn aangetroffen, niet apart bewaard in een zakje met bonnetje zoals aankopen de eerste week worden bewaard, maar al in de winkelvitrine, leidt het hof af dat de horloges niet op 19 of 20 september zijn ingekocht, zodat hetgeen hiervoor is opgemerkt ten aanzien van de registraties op die dagen voor deze twee horloges niet geldt. Beide horloges zijn niet terug te vinden in het register: maar dat is ofwel omdat ze in het geheel niet zijn opgenomen in het register; ofwel omdat ze wel zijn opgenomen maar onvoldoende gespecificeerd vanwege een te algemene of te vage omschrijving (als ‘horloge’ zonder specificatie). Dat laatste is niet in de tenlastelegging opgenomen. In de tenlastelegging is slechts opgenomen, het (in het geheel) niet opnemen van inkopen. Nu niet kan worden uitgesloten dat de horloges wel zijn opgenomen maar met een te onduidelijke omschrijving, hetgeen wel strafbaar, maar niet tenlastegelegd is, dient de vof van dit feit te worden vrijgesproken. Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde Reikwijdte tenlastelegging Het onder 2 tenlastegelegde feit houdt - naar de kern genomen - in dat de vof al dan niet tezamen met anderen diverse nader omschreven voorwerpen heeft witgewassen. De rechtbank heeft overwogen dat de tenlastelegging aldus moet worden uitgelegd dat de verkrijging van gestolen goederen het gronddelict voor het witwasverwijt vormt en dat de tenlastelegging niet mede omvat eventueel gepleegde fiscale delicten. De rechtbank overwoog in dat kader: 3.1.3. Het oordeel van de rechtbank In reactie op het preliminaire verweer heeft de officier van justitie uiteengezet dat - samengevat - de verkrijging van gestolen goederen het gronddelict vormt waarop de witwasbeschuldiging is gebaseerd. Doordat dit op grote schaal gebeurde, de ingekochte goederen niet individualiseerbaar werden bewaard en de administratie zeer gebrekkig was, heeft vermenging plaatsgevonden waardoor de gehele voorraad is aangetast. De rechtbank overweegt dat het weliswaar het uitgangspunt is bij witwaszaken dat het gronddelict niet hoeft te worden gespecificeerd in de tenlastelegging, maar dat in dit specifieke geval het gronddelict moet worden begrepen zoals door de officier van justitie ter terechtzitting is verwoord. Het onderliggende dossier is ook overeenkomstig het door de officier van justitie ingenomen standpunt ingericht. Van enig onderzoek door het Openbaar Ministerie dat gericht is op eventueel gepleegde fiscale delicten is niet gebleken. (…) Zij (hof: de rechtbank) zal de officier van justitie wel houden aan het kader dat zij ter terechtzitting in haar reactie op het preliminaire verweer heeft geschetst. Dit heeft tot consequentie dat de mogelijkheid van een fiscaal delict als gronddelict bij de beoordeling van de vraag of sprake is van witwassen buiten beschouwing wordt gelaten.” Het hof constateert dat tegen dit oordeel van de rechtbank in appel geen grief is gericht, zodat ook het hof dit als uitgangspunt neemt. Standpunt advocaat-generaal In de kern wordt de verdachten door de advocaat-generaal verweten dat zij een loopje hebben genomen met de van hen te vergen waakzaamheid en registratieverplichtingen in relatie tot het opkopen van tweedehands juwelen (aldus de advocaat-generaal in zijn requisitoir, op pagina 1). Ten gevolge van dit handelen zijn in de juwelierszaak van de verdachten grote hoeveelheden van misdrijf (diefstal, overval) afkomstige sieraden terechtgekomen. Door hun manier van handelen hebben de verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij van misdrijf afkomstige goederen inkochten. De advocaat-generaal komt in zijn requisitoir tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht: “het in de periode 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 maken van een gewoonte van het voorhanden hebben van een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten andere edelmetalen en edelstenen, en van het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [verdachte] bij [B.V.] , terwijl [verdachte] wist dat deze voorwerpen van misdrijf afkomstig waren.” Ter onderbouwing van deze conclusie wijst de advocaat-generaal in zijn requisitoir onder 32 op door [eigenaar] op 8 augustus 2011 bij [B.V.] aangeboden gouden voorwerpen (vier ringen en een armband) die op basis van inscripties aantoonbaar van misdrijf afkomstig bleken te zijn en waarvan aangifte van inbraak is gedaan op respectievelijk 2 augustus 2011, 4 juli 2011, 1 juli 2011 en 20 juni 2011. Opmerkelijk is, aldus de advocaat-generaal dat deze voorwerpen kort tot zeer kort na de verschillende inbraken door [verdachte] ter omsmelting bij [B.V.] werden aangeboden. Daarnaast wijst de advocaat-generaal onder 33 op het door [verdachte] op 24 april 2010 aankopen van twee gestolen ringen en een gestolen armband, ingekocht als sloopgoud maar later verkocht aan [klant 20] , waarna onder 34 onder a. tot en met s. gestolen voorwerpen worden opgesomd die, aldus de advocaat-generaal, in ieder geval zijn witgewassen. De advocaat-generaal merkt in dit verband in zijn requisitoir op (onder 30) dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat men in het juweliersbedrijf bij het inkopen van voorwerpen bedacht moet zijn op het aanbieden van gestolen voorwerpen en maatregelen moest treffen om te voorkomen dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig waren. Deze zorgplichten liggen niet alleen ten grondslag aan de helings- en witwasbepalingen, maar ook aan de registerverplichting van art. 437 Sr, de algemeen gangbare witwastypologieën en de meldingsplichten betreffende ongebruikelijke transacties. Voor een bedrijf als [verdachte] brengen deze zorgplichten mee dat aangekochte goederen deugdelijk moeten worden geregistreerd, dat de identiteit van verkopende partijen goed moet worden vastgelegd, dat bij het aanbieden van bijzondere objecten vragen moeten worden gesteld over de herkomst en dat eventueel wordt gevraagd naar aankoopbewijzen en echtheidscertificaten (bijvoorbeeld bij de aankoop van bijzonder horloges). Binnen [verdachte] zijn evenwel structureel de minimaal denkbare maatregelen veronachtzaamd om inkoop van besmette waar te voorkomen: er werden geen vragen gesteld over de herkomst van voorwerpen, minimale onderzoeksplichten in relatie tot de persoon van de verkoper of aangeboden voorwerpen werden niet in acht genomen, gegevens van verkopers werden niet deugdelijk vastgelegd, bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers, werden niet vastgelegd, aankopen werden niet geregistreerd en de voorraadadministratie was gebrekkig. Uit deze omstandigheden moet worden afgeleid dat binnen de vof een praktijk bestond waarin structureel welbewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig bleken te zijn. Het voor witwassen door de vof vereiste (voorwaardelijk) opzet kan wettig en overtuigend worden bewezen, aldus de advocaat-generaal. Standpunt verdediging In zijn appelschriftuur stelt de vof dat de rechtbank ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen van feit 2. De vof heeft naar voren gebracht dat door of namens [eigenaar] vanaf het eerste verhoor is aangegeven dat zijn wijze van handel drijven niet afweek van wat in de branche gebruikelijk was, dat hij zich hield aan de aanwijzingen van de politie op dat punt en dat hij alles deed wat redelijkerwijs in zijn macht lag om de inkoop van gestolen sieraden tegen te gaan. De rechtbank liet in haar vonnis - aldus [broer eigenaar] - na te motiveren dat en waarom de wijze waarop hij zijn handel inrichtte in zodanige mate afweek van de wijze waarop in de branche gebruikelijker wijze gehandeld wordt dat zijn handelwijze als laakbaar bestempeld kan worden en veroordeling van de verdachte dient te volgen. Bij pleidooi wordt door de verdachte(n) ontkend dat er te weinig maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat gestolen sieraden werden ingekocht. Gesteld wordt dat de verdachten zich aan alle voorschriften hebben gehouden die in de branche gebruikelijk zijn. Het is bij deze vorm van handel nu eenmaal onmogelijk om met 100% zekerheid te weten of je te maken hebt met een bonafide of een malafide klant. Dat er af en toe van diefstal afkomstige goederen doorheen glippen is onderdeel van het risico van het vak. Uit onderzoek is ook niet gebleken dat er structureel en op grote schaal van diefstal afkomstige goederen werden ingekocht. (pag. 1 pleitaantekeningen van [broer eigenaar] , welke pleitaantekeningen in de procedure van [eigenaar] en de vof als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd). Ter onderbouwing hiervan wordt, kort samengevat, aangevoerd dat altijd om een legitimatie werd gevraagd, dat het legitimatienummer en de naam van de verkoper werden genoteerd op de bon, waarna de verkoper op de bon dan nog zijn handtekening diende te zetten, dat het register - zij het rudimentair - wel degelijk werd bijgehouden aan de hand van de bonnen, dat [broer eigenaar] naar de politie is geweest om te vragen hoe het register in te vullen, dat hij altijd conform deze instructies is blijven werken, dat de verdachten van de politie nimmer te horen hebben gekregen dat het register te summier of te gebrekkig was, dat het verwijt dat er geen vragen worden gesteld de praktijk van alledag miskent, dat het ronduit naïef is te veronderstellen dat een klant die te kwader trouw is niet een standaard gelikt antwoord klaar zou hebben, dat de eis een kopie van de legitimatie te maken bij iedere aankoop nergens is terug te vinden en ook in strijd zou zijn met de regels Wet bescherming persoonsgegevens, en dat het handelen in strijd met artikel 437bis lid 1 Sr hoogstens een overtreding oplevert maar op zich nog geen aanwijzing vormt voor heling c.q. witwassen, waarna geciteerd wordt uit het eerste politieverhoor van [broer eigenaar] : Als ik zie dat een junk een restant van een sieraad heeft dan geef ik er een paar euro voor, maar als de junk een mooie ring inlevert dan waag ik mij daar niet aan. Misschien komt de eigenaar of is hij gestolen. (…) Ik mag niet discrimineren op uiterlijk daarom is iedereen bij mij welkom. Ik kijk wel naar zijn gedrag. Is hij agressief of druk dan hoef ik hem niet als klant. (…) pag. 11 e.v. van voornoemde pleitaantekeningen). Daarnaast is het verweer gevoerd voor negen van de negentien door de advocaat-generaal specifiek genoemde voorwerpen dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat ze überhaupt van diefstal afkomstig zijn (pag. 22 van die pleitaantekeningen). Het hof overweegt als volgt. Het dossier bevat geen bewijs dat de bij de verdachten aangetroffen sieraden afkomstig zijn van door de verdachten zelf begane diefstallen of overvallen. Daarvoor is de enkele omstandigheid dat gestolen voorwerpen bij hen zijn aangetroffen, ontoereikend. Het gaat in deze strafzaak om de vraag of de verdachten van de (particuliere) verkopers voldoende gegevens hebben opgevraagd; hebben zij hen voldoende aan de tand gevoeld over de door die verkopers te koop aangeboden sieraden en hebben zij dit op een juiste wijze geregistreerd, waarbij de vraag opgeworpen kan worden of de omstandigheid dat de verdachten het door hen ingekochte goud voor 90 tot 95% lieten omsmelten mogelijk van belang is voor het antwoord op de hiervoor gestelde vragen in die zin dat dit zou leiden tot een minder vergaande onderzoeks- c.q. registratieplicht. Deze laatste vraag dient naar het oordeel van het hof negatief te worden beantwoord. Immers, wat men doet met aangekochte spullen doet niet af aan de vraag of men op het moment van de aankoop te goeder trouw was. Dat het voor de interne c.q. externe boekhouding hoogstwaarschijnlijk niet uitmaakt, maakt dat niet anders. Vooropgesteld wordt dat het hof zich geheel kan vinden in de overweging van de rechtbank dat de verdachten werkzaam zijn in een gevoelige branche en dat het algemeen bekend is dat sieraden en edelmetalen doelwitten zijn voor criminelen en dat deze vervolgens verzilverd worden. Van opkopers in deze branche mag inderdaad waakzaamheid worden verwacht. Geconstateerd wordt (echter) dat met betrekking tot (alle) door de advocaat-generaal genoemde specifieke voorwerpen omtrent de wijze van verkrijging, de gang van zaken rond de inkoop, niets bekend is, dat geldt ook voor of en zo ja wat er door de verdachten is gevraagd aan c.q. gezegd is door de verkopers. Derhalve kan (reeds) met betrekking tot die specifieke voorwerpen niet op individuele basis, per afzonderlijke transactie, worden getoetst of de verdachten inderdaad een loopje hebben genomen met de waakzaamheid en registratieverplichtingen en aldus bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij van misdrijf afkomstige voorwerpen hebben ingekocht. De advocaat-generaal baseert zijn conclusie dat die door hem in zijn requisitoir genoemde voorwerpen zijn witgewassen op de stelling dat binnen [verdachte] structureel de minimaal denkbare maatregelen veronachtzaamd zijn om inkoop van besmette waar te voorkomen: er werden geen vragen gesteld over de herkomst van voorwerpen, minimale onderzoeksplichten in relatie tot de persoon van de verkoper of aangeboden voorwerpen werden niet in acht genomen, gegevens van verkopers werden niet deugdelijk vastgelegd, bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers, werden niet vastgelegd, aankopen werden niet geregistreerd en de voorraadadministratie was gebrekkig. Hierdoor aanvaardden de verdachten bewust de aanmerkelijke kans (voorwaardelijk opzet) dat zij gestolen voorwerpen inkochten. De vraag is echter of op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden - op basis van bewijsmiddelen - en met voorbijgaan aan hetgeen door de verdachten is verklaard deze vergaande conclusies kunnen worden getrokken. Aan de hand van de inkoopbonnen en de verklaringen die zich in het dossier bevinden kan worden vastgesteld dat de verdachte(n) op de inkoopbonnen (van sieraden) noteerden de datum van inkoop, de naam van de verkoper, het nummer dat op zijn of haar identiteitsbewijs stond, de inkooprijs van het sieraad alsmede een zeer summiere omschrijving van het ingekochte goed (bijv. gekocht gouden horloge Omega, dossier pag. 05 0632, gekocht gouden armband 18ct, dossier pag. 05 0633, gekocht gouden ketting, ringen speld zilveren kettingen, dossier pag. 05 0635) evenwel zonder vermelding van de eventuele bijzonderheden van het sieraad. Ook diende de verkoper zijn handtekening te plaatsen op de inkoopbon. Gedurende een week werd vervolgens het ingekochte goed samen met de inkoopbon in een apart zakje bewaard, waarna de sieraden in de reguliere bedrijfsvoorraad werden opgenomen en los van het bonnetje werden bewaard. Dat de verdachten structureel minimale onderzoekplichten in relatie tot de persoon van de verkoper niet in acht hebben genomen kan - gelet op het voorgaande - dan ook niet worden aangenomen. Evenmin kan gezegd worden dat gegevens met betrekking tot de persoon van de verkoper structureel niet deugdelijk werden vastgelegd. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de verdachten structureel minimale onderzoekplichten met betrekking tot de aangeboden voorwerpen niet in acht hebben genomen, welk verwijt in twee onderdelen uiteenvalt te weten ten eerste het niet, althans onvoldoende vragen naar de herkomst van de voorwerpen en ten tweede het niet deugdelijk vastleggen van bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers. Voor zover de verdachten het verwijt wordt gemaakt - kort samengevat - dat zij aan de (particuliere) verkopers niet hebben gevraagd hoe zij aan de voorwerpen kwamen wordt overwogen dat deze conclusie niet zonder meer uit hun verklaringen kan worden opgemaakt, zie in dit verband het hiervoor opgenomen citaat uit de verklaring van [broer eigenaar] , alsmede het hierna op te nemen citaat uit de verklaring van [eigenaar] . Overigens valt niet aan te nemen dat verkopers die met gestolen spullen komen, verteld zouden hebben hoe de vork (echt) in de steel zat, en rijst de vraag of de verdachte aan de hand van de verzonnen antwoorden zonder meer had moeten begrijpen dat hij werd voorgelogen. [eigenaar] heeft bij de rechter-commissaris (gehoord als getuige en verdachte) op 17 september 2013 onder meer verklaard: “U vraagt mij welke maatregelen ik tot en met 2011 nam om te voorkomen dat ik sieraden inkoop die van misdrijf afkomstig zijn. Ik vroeg aan de verkoper zich te identificeren en ik schreef zijn naam en de nummer van zijn identiteitsbewijs in het registratieboek. Als ik een splinternieuw voorwerp kreeg aangeboden, bijvoorbeeld met een labeltje eraan, stelde ik nadere vragen. Ik kocht geen sieraden van kinderen. Ik hield mij ruimschots aan de voorgeschreven bewaartermijn: ik dacht dat ik ingekochte sieraden een week moest bewaren en na mijn aanhouding hoorde ik dat de bewaartermijn maar drie dagen was. Verder kan ik niet voorkomen dat mij iets wordt verkocht wat gestolen is. Niemand gaat dat toegeven. Als je zoveel jaren klanten ziet langskomen en alle verhalen hoort, merk je dat mensen op allerlei manieren aan sieraden komen: door erfenissen, stukgelopen relaties en wat niet al. Inscripties zeggen dan ook niet zoveel en gaven mij geen reden om vragen te stellen. Ik kan niet aan iemands uiterlijk zien of hij eerlijk is of niet. In de loop van de tijd heb ik wel een paar cliënten verbannen van wie ik de zaak niet vertrouwde. Expliciete informatie over de concrete gang van zaken bij het doen van inkopen door de verdachten bevindt zich niet dan wel nauwelijks in het dossier, in elk geval onvoldoende om te kunnen spreken van het structureel in dit opzicht niet voldoen aan onderzoekplichten naar de herkomst van de voorwerpen. Dit laatste geldt naar het oordeel van het hof ook voor de tweede te beantwoorden vraag, te weten of ervan kan worden uitgegaan dat de verdachten structureel bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers niet hebben vastgelegd waaruit moet worden afgeleid dat binnen de vof een praktijk bestond waarin structureel welbewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig bleken te zijn. Bovendien is in eerste aanleg door de officier van justitie in een brief van 20 december 2011, afstand genomen van eerdere berichtgeving dat er bij de firma [verdachte] op grote schaal sprake zou zijn van heling. In dit verband wordt (nog) van belang geacht dat (ook) in art. 437 lid 1 onder a Sr deze conclusie niet getrokken wordt. Tenslotte is in het dossier en requisitoir met bewijsmiddelen noch feiten van algemene bekendheid, onderbouwd hoe een gebrekkige registratie van de goederen na aankoop, zou hebben geleid tot het aanbieden en aankopen van (meer) gestolen goederen. Met betrekking tot hetgeen (overigens) nog door de advocaat-generaal is aangevoerd wordt overwogen dat dit evenmin kan leiden tot de vergaande conclusies die de advocaat-generaal daaraan wil verbinden. Het hof acht niet bewezen dat de verdachten (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het verwerven van voorwerpen van criminele herkomst. Ten overvloede merkt het hof op dat bij die stand van zaken ook heling niet het grondmisdrijf voor een veroordeling voor witwassen (als een ‘eigen misdrijf’) kan vormen. Het vorenstaande brengt mee dat naar het oordeel van het hof bij gebreke van voldoende wettig bewijs niet tot een veroordeling kan worden gekomen ter zake van hetgeen onder feit 2 is tenlastegelegd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1:[verdachte] in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente Amsterdam, een deel van de bedrijfsadministratie, ten name van [verdachte] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [verdachte] toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt: A: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 een aantal, vervalste inkoopbonnen, waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; C: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 het registerboek 2011, zoals bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, waarin onder meer telkens in strijd met de waarheid is opgenomen vervalste inkoopbonnen als bedoeld onder A, zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 60.000,-, waarvan € 30.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd de voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde, oplegging van de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen bedrijfsvoorraad juwelen, edelmetalen, munten, edelstenen en het gewicht op de gewichtsrekening bij [B.V.] Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door het vervalsen van inkoopbonnen en het laten opnemen van de valse bonnen in de bedrijfsadministratie. De verdachte heeft hierdoor het vertrouwen dat de maatschappij in schriftelijke stukken moet kunnen stellen geschaad. Het hof overweegt in het kader van de strafoplegging voorts dat bij de doorzoeking op de bedrijfsadressen op 20 september 2011 (vrijwel) de gehele voorraad in beslag is genomen. Het hof is van oordeel, zoals hierna wordt overwogen, dat het beslag voor het overgrote deel kan worden opgeheven. Dit volgt (eerst) uit de eerder gewezen vonnissen alsmede de arresten die heden in de zaken van de vof en haar medeverdachten worden gewezen. Niet geconcludeerd kan worden dat op 20 september 2011 niet in redelijkheid tot in beslagname kon worden overgegaan. Echter, het is de vraag of daarbij de gehele bedrijfsvoorraad in beslag had moeten worden genomen. En belangrijker of – gelet op de onderzoeksresultaten volgend op inbeslagname – niet al eerder had moeten worden overgegaan tot gedeeltelijke vrijval. Daarbij past de opmerking dat een duidelijk overzicht ontbreekt (zoals ook deugdelijke beslaglijsten ontbreken). Dat klemt te meer omdat door dit beslag de facto de bedrijfsactiviteiten stil kwamen te liggen tot op de dag van vandaag. De verdachte heeft - zoals [broer eigenaar] ter zitting nader heeft toegelicht – haar werkzaamheden niet of slechts op zeer bescheiden schaal kunnen voortzetten. De daartoe benodigde materialen en onderdelen ontbraken, vanwege het beslag, terwijl van (vrijwel de meeste van) deze materialen en onderdelen gesteld noch gebleken is dat deze van diefstal afkomstig zijn. Het hof verwijst in dit verband naar de brief van de officier van justitie van 20 december 2011, waarin zij afstand heeft genomen van eerdere berichtgeving dat er bij de [verdachte] op grote schaal sprake zou zijn van heling. In beginsel acht het hof een geldboete van € 10.000, waarvan € 5.000 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren voor de onderhavige feiten passend en geboden. In aanmerking genomen dat de strafvervolging van de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is echter een vermindering van die straf op zijn plaats. Het hof gaat daarbij uit van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna twee jaren. Het hof komt, al het vorenstaande afwegende, tot het oordeel dat thans kan worden volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 10.000, met een proeftijd van twee jaren. Verbeurdverklaring Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de officier van justitie aan de beslaglijst toegevoegd (maar niet in beslag genomen) een geldbedrag van € 239.158,57 en de gewichtsrekening bij [B.V.] (gelijk aan een bedrag van ongeveer € 200.000). De advocaat-generaal heeft van het geldbedrag op de gewichtsrekening bij [B.V.] ook de verbeurdverklaring gevorderd. Gelet op de beslissingen van het hof in deze strafzaak en de strafzaken tegen de medeverdachten, wijst het hof de vordering tot verbeurdverklaring af. Beslag Tijdens de doorzoekingen op 20 september 2011 op de bedrijfsadressen van [verdachte] (aan de [adres 2] en de [adres 1] ) en op de privéadressen van [eigenaar] en [broer eigenaar] is een groot aantal goederen in beslag genomen. Het hof verwijst daarbij naar p. 25 van het vonnis en de daarbij gevoegde zeer globale beslaglijst. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat: het geldbedrag US$ 4.900 (nr. 17 van de beslaglijst) terug moet naar [broer eigenaar] ; het geldbedrag € 4.500 (nr. 19) terug moet naar [eigenaar] ; de voorwerpen genoemd onder de nrs 22 tot en met 63 terug moeten naar de vof. Goederen bewaren ten behoeve van rechthebbenden uit nr. 21 op de beslaglijst, tachtig kratten Het hof gelast voorts de bewaring van de tien op p. 25 van het vonnis genoemde horloges (onderdeel uitmakend van de hierna te noemen kratten), ten behoeve van de rechthebbende. Van de eerstgenoemde negen horloges staat vast dat ze zijn gestolen (vonnis p. 20). Het hof merkt in dat verband op de verdachten hebben verklaard (pleitnota p. 32) afstand te doen van voorwerpen die in beslag zijn genomen en waarop derden terecht een claim hebben gelegd. Het hof merkt voorts op dat het op p. 25 van het vonnis laatstgenoemde horloge (nummer PG.01.04 proces-verbaal Dossier C, zaaksdossier 3, deelonderzoek 9, p. 46 – dossier p. 01 0197) het bij [eigenaar] in beslag genomen Louis Vuitton horloge betreft (en dus niet aan de vof toebehoort). Het hof heeft in het gelijktijdig gewezen arrest in de strafzaak tegen [eigenaar] opgemerkt dat het nog maar zeer de vraag is of op basis van het dossier en het behandelde ter terechtzitting er zonder meer vanuit kan worden gegaan dat het van misdrijf afkomstig is (mede gelet op de onduidelijkheid over het serienummer 13 dan wel 18). Gelet op deze onduidelijkheid gelast het hof ook de bewaring van dit horloge ten behoeve van de rechthebbende. Wat resteert aan in beslag genomen goederen, zijn de op de beslaglijst onder nr. 21 genoemde 80 (tachtig) kratten. Van de ongeveer 50.000 voorwerpen zijn ruim 1.000 sieraden apart genomen en geregistreerd. Het betreft bijzonder waardevolle dan wel (aan de hand van inscripties) herkenbare sieraden. Deze sieraden zijn gefotografeerd, van een uniek nummer voorzien, en op de website www.depolitiezoekt.nl gezet (proces-verbaal Dossier C, zaaksdossier 3, deelonderzoek 3 ‘Herkenning sieraden uit mediaberichten’ p. 01 0152 ev). Op p. 35 tot en met 40 van het deelonderzoek wordt een overzicht gegeven van de zestien meldingen naar aanleiding van de ruim 1.000 op de website opgenomen voorwerpen en het gelijktijdig uitgegeven persbericht. [eigenaar] heeft echter ten aanzien van alle in deelonderzoek 3 genoemde voorwerpen betwist dat het om gestolen voorwerpen gaat, dan wel dat de beschrijving van het gestolen goed in de aangifte overeenkomt met de omschrijving die door de politie op www.depolitiezoekt.nl is gezet. Deze betwisting is door het openbaar ministerie niet weersproken. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat niet reeds dit enkele niet weerspreken meebrengt dat deze goederen terug moeten naar de verdachten. Ten aanzien van deze goederen opgenomen in genoemde zestien meldingen zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten en ten aanzien van de overige op die site geplaatste goederen dient het beslag te komen te vervallen. Van de op p. 14 van het proces-verbaal (dossier p. 01 0165) genoemde drie ringen en armband begrijpt het hof dat deze sieraden door [verdachte] op 8 augustus 2011 zijn aangeboden aan [B.V.] ter verwerking. Het betreft gestolen sieraden. Echter, nu deze vier sieraden – blijkens het process-verbaal - weer terug zijn gegaan naar [B.V.] vallen ze naar het hof begrijpt niet onder het beslag en kunnen ze verder hier onbesproken blijven. Op p. 41 van het proces-verbaal (dossier p. 01 0192) wordt melding gemaakt van een horloge van het merk Frederique Constant met serienummer FC-303MC3P5 dat bij een woninginbraak is gestolen, en daarna bij de vof is aangetroffen en in beslag is genomen. Ten aanzien van dit horloge gelast het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende. Overige voorwerpen uit de 80 kratten bewaren t.b.v. rechthebbende verdachte en/of haar vennoten Van de overige in het proces-verbaal genoemde deelonderzoeken 4, 5, 6, 7 en 8 komt het hof, met de rechtbank (vonnis p. 21) tot het oordeel dat deze voorwerpen niet individualiseerbaar zijn en reeds daarom niet is vast te stellen dat ze van diefstal afkomstig zijn. Voor de overige zich in de kratten bevindende voorwerpen, overweegt het hof als volgt. Omdat het hof (net zo min als de rechtbank) kan vaststellen welke voorwerpen aan de vof dan wel de toenmalige vennoten (zijnde de medeverdachten [eigenaar] en [broer eigenaar] en hun echtgenoten) in privé toebehoren (mede omdat de voorwerpen op verschillende bedrijfsadressen en privé adressen in beslag zijn genomen), gelast het hof bewaring van alle, niet ten behoeve van andere rechthebbenden bewaarde voorwerpen, ten behoeve van de vof en haar vier toenmalige vennoten. Dat geldt ook voor de zich in de kratten bevindende baren goud en/of zilver en voor zover daar beslag op ligt op de gewichtsrekening bij [B.V.] (gelijk aan een bedrag van ongeveer € 200.000). Het is aan de vof en haar toenmalige vier vennoten om (in goed onderling overleg, en anders middels een gerechtelijke procedure) onderling een toedeling te maken. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000,00 (tienduizend euro). Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: -nr. 22 t/m 63 van de beslaglijst; Gelast de teruggave aan [broer eigenaar] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: Het geldbedrag van US$ 4.900 (nr. 17 van de beslaglijst). Gelast de teruggave aan [eigenaar] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: Het geldbedrag van € 4.500,- (nummer 19 van de beslaglijst). Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:: de tien op p. 25 van het vonnis van de rechtbank genoemde horloges; de voorwerpen genoemd in de zestien melding, te vinden op p. 35 tot en met 40 van het proces-verbaal Dossier C, zaaksdossier 3, deelonderzoek 3 ‘Herkenning sieraden uit mediaberichten’ p. 01 0152 ev; het horloge Frederique Constant (nr. FC-303MC3P5, p. 41 van het proces-verbaal). Gelast de bewaring ten behoeve van de verdachte en haar vier toenmalige vennoten, als de rechthebbenden van de overige, hiervóór niet genoemde, voorwerpen die zijn opgenomen in de beslag genomen 80 kratten aan sieraden (nr. 21 van de beslaglijst). Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. S. Clement en mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2017. Mrs P. Greve en A.M. van Amsterdam zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
ECLI:NL:HR:2005:AO9006
Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 284.594, waarvan ƒ 225.000 belast naar het tarief van artikel 57a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 410.465, waarvan ƒ 225.000 belast naar het tarief van artikel 57a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, met een verhoging van de nagevorderde belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag een kwijtschelding heeft verleend van vijftig percent, waardoor een verhoging van ƒ 35.698 resteerde.
ECLI:NL:HR:2014:540
21 maart 2014 nr. 12/04057 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatsecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s‑Gravenhage van 18 juli 2012, nr. BK-09/00382 tot en met BK-09/00399, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1992, 1993 en 1995 tot en met 2002 opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de over de jaren 1993 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2013:BX6666
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is over het jaar 1997 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 15/5034 tot en met HAA 15/5046 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 februari 2018 in de zaken tussen [X] , wonende te [Z] , eiser (gemachtigde: mr. M.H.W.N. Lammers), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 december 2011 voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 661.957. (HAA 15/5034) Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 december 2011 voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, naar een bijdrage-inkomen van € 30.015. (HAA 15/5035) Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 28 december 2011 voor het jaar 2006 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 44.075. (HAA 15/5036) Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 december 2012 voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 579.168 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.593. (HAA 15/5037) Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 december 2012 voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 30.623. (HAA 15/5038) Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 december 2012 voor het jaar 2007 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 106.246. (HAA 15/5039) Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 10 december 2013 voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 608.177 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.196. (HAA 15/5040) Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 10 december 2013 voor het jaar 2008 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 111.619. (HAA 15/5041) Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 21 november 2014 voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 366.581, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.413, alsmede bij beschikking een boete van € 71.438. (HAA 15/5042) Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 21 november 2014 voor het jaar 2009 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 38.393 en bij beschikking een vergrijpboete van € 12.791. (HAA 15/5046) Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 21 november 2014 voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 215.821 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.711, alsmede bij beschikking een boete van € 39.720. (HAA 15/5043) Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 21 november 2014 voor het jaar 2011 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 328.215 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.282, alsmede bij beschikking een boete van € 54.054. (HAA 15/5044) Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 21 november 2014 voor het jaar 2011 een aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 29.821. (HAA 15/5045) Verweerder heeft op 12 oktober 2015 de uitspraken op de bezwaren ter zake van de jaren 2006, 2007 en 2008 gemotiveerd en een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 732 voor het indienen van een bezwaarschrift en het verschijnen op een hoorzitting (2 x € 244 x 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2015 de navorderingsaanslag ib/pvv 2006 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 217.356. De navorderingsaanslag Zvw 2006 is gehandhaafd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2015 de naheffingsaanslag omzetbelasting 2006 verminderd tot € 12.483. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2015 de navorderingsaanslag ib/pvv 2007 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 150.934 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.593.

De navorderingsaanslag Zvw 2007 is gehandhaafd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2015 de naheffingsaanslag omzetbelasting 2007 verminderd tot € 89.263. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2015 de navorderingsaanslag ib/pvv 2008 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 285.275 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.196. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2015 de naheffingsaanslag omzetbelasting 2008 verminderd tot € 58.574. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 oktober 2015 de navorderingsaanslag ib/pvv 2009 alsmede de bijbehorende boetebeschikking gehandhaafd, de naheffingsaanslag omzetbelasting 2009 alsmede de boetebeschikking gehandhaafd, de navorderingsaanslag ib/pvv 2010 alsmede de bijbehorende boetebeschikking gehandhaafd, de aanslag ib/pvv 2011 alsmede de bijbehorende boetebeschikking gehandhaafd en de aanslag Zvw 2011 gehandhaafd.

Eiser heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld, door de rechtbank ontvangen op 9 november 2015. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 23 november 2017 nadere stukken van eiser ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2017 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [A] . Tevens zijn verschenen [B] , [C] en [D] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.D. Koolen en [H] . Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld de beroepen van [B] (HAA 15/5047 tot en met 15/5049), [C] (HAA 15/5050 tot en met 15/5052), [D] (HAA 15/5053 tot en met 15/5055) en van [A BEDRIJF] (HAA 15/5033).

Overwegingen Feiten 1. Eiser heeft tot 29 december 2009 een eenmanszaak gedreven onder de naam ‘ [B BEDRIJF] ’. De onderneming was gevestigd aan de [A ADRES] en een tweede filiaal aan de [B ADRES] . Met ingang van 29 december 2009 is de rechtsvorm gewijzigd in een vennootschap onder firma handelend onder de naam ‘ [C BEDRIJF] ’ (hierna: de VOF). De firmanten zijn eiser, zijn echtgenote [B] , [C] en [D] . Boekhoudkundig is de VOF verder gegaan met de cijfers van de eenmanszaak. De onderneming van eiser en van de VOF worden hierna ook kortweg aangeduid als [C BEDRIJF] .

De ondernemingsactiviteit bestaat uit de inkoop, verkoop en reparatie van sieraden en in- en verkoop en bewerking van edele metalen. In het filiaal aan de [B ADRES] vindt alleen inkoop plaats.

2. Op 28 maart 2011 is een politieonderzoek naar de bedrijfsvoering van [C BEDRIJF] gestart, onder de naam [A ONDERZOEK] . Op 15 december 2011 heeft de officier van justitie toestemming gegeven om informatie uit het strafrechtelijk onderzoek ten behoeve van fiscale doeleinden te gebruiken.

3. Op 10 december 2013 is verweerder een boekenonderzoek gestart zowel bij eiser als bij de VOF. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften ib/pvv 2006 tot en met 2011 en de aangiften omzetbelasting 2006 tot en met 2009 van eiser en de aangiften omzetbelasting 2010 en 2011 van de VOF. Als basis van het boekenonderzoek heeft de inbeslaggenomen financiële administratie van eiser gediend. De informatie van het strafrechtelijk onderzoek [A ONDERZOEK] is ter aanvulling gebruikt. De controlerapporten zijn gedagtekend 30 oktober 2014. Gebreken in de inkoopadministratie 4.

In het controlerapport en het proces-verbaal financieel politieonderzoek met dagtekening 26 april 2012 wordt vastgesteld dat de inkopen: a. summier of niet juist op de inkoopbon omschreven zijn. Er komen omschrijvingen voor als “gouden ring met steen” of “sloopgoud”, waardoor controle achteraf nagenoeg onmogelijk is. Dit is bevestigd door [C] . b. niet of niet volledig in de administratie zijn opgenomen. De uitgeschreven bon wordt niet in de administratie opgenomen of er wordt in het geheel geen inkoopbon uitgeschreven. Bij meerdere observaties is gezien dat tenminste 3 klanten iets verkochten zonder daarvoor een bon te ontvangen.

Op beveiligingsbeelden van 19 en 20 september 2011 van het filiaal [B ADRES] is te zien dat 41 personen naar binnen gaan en ongeveer 30 zijn aan te merken als klant. Van de groep van 30 klanten is van 11 personen vast te stellen dat zij iets hebben verkocht. Uit het onderzoek bleken 6 van de 11 inkopen terug te vinden te zijn in de administratie van eiser. Uit de onderzochte camerabeelden van 17 september 2011 van het filiaal [A ADRES] blijkt dat er 3 klanten waren die iets verkochten, waarvan 1 klant geen bon heeft ontvangen. Deze inkoop en alle andere inkopen zonder het uitschrijven van een bon voor de klant, zijn niet geregistreerd in het doorlopende register.

Dit blijkt uit het politieonderzoek en sluit aan bij de werkwijze van [C BEDRIJF] dat [C] aan de hand van de inkoopbonnen de inkoop in het register vastlegt. c. niet voor het juiste bedrag in de administratie zijn opgenomen. Uit het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat inbrengers van goud, zilver en sieraden die een verklaring hebben afgelegd, minder hebben ontvangen dan het het bedrag dat op de inkoopbon staat. Na vertrek van de klant (met de doorslag van de inkoopbon) is het bedrag op de inkoopbon verhoogd. De getraceerde inbrengers hebben in 2004 en de jaren 2006-2011 minder ontvangen dan het bedrag dat op de inkoopbon is vermeld. d. niet zijn geleverd door de op de bon vermelde verkopers.

Tijdens het politieonderzoek heeft de politie van een onbekend aantal inkoopbonnen de inbrenger gevonden. Hiervan blijken in 2010 één en in 2011 tien inkopen niet te hebben plaatsgevonden. Gebreken in de verkoopadministratie 5. Uit een derdenonderzoek dat is gehouden bij [D BEDRIJF] Edelmetaal (hierna: [D BEDRIJF] ) is gebleken voor welke bedragen aan goud en edelmetalen in de bestreden jaren aan [D BEDRIJF] is verkocht. Voorts is bekend hoeveel edelmetaal bij [D BEDRIJF] is opgehaald. [D BEDRIJF] is een bedrijf dat via chemische processen, aangeleverd (sloop)goud splitst in zuiver goud en andere zuivere metalen.

Op de overzichten van [D BEDRIJF] staat per aanlevering de exacte hoeveelheid van elk metaal met de geldwaarde vermeld. Betalingen vinden uitsluitend per bank plaats. In beide controlerapporten is een analyse gegeven van opbrengstverantwoording per belastingjaar met behulp van de verkopen van sloopgoud aan [D BEDRIJF] . In de rapporten is voorts per belastingjaar geconcludeerd dat omzet met betrekking tot het bij [D BEDRIJF] fysiek opgehaalde goud niet is verantwoord. 2006 6. Volgens de verlies- en winstrekening 2006 bedraagt de omzet € 586.270 exclusief omzetbelasting.

Uit de facturen van [D BEDRIJF] blijkt dat eiser voor € 507.546 exclusief omzetbelasting aan [D BEDRIJF] heeft verkocht. Voor de verkopen in de winkel en via de webshop resteert € 78.724. In 2006 is volgens het kasjournaal voor een bedrag van € 23.247 (exclusief omzetbelasting) verkocht. Volgens het grootboek bank is er voor een bedrag van € 55.685 (exclusief omzetbelasting) verkocht. In 2006 bedragen de kas- en bankverkopen in totaal € 78.932 (exclusief omzetbelasting). Het hoogst ontvangen bedrag is per kas € 782,50 en per bank € 1.117.

Daarnaast wordt door [C BEDRIJF] fysiek edelmetaal meegenomen bij [D BEDRIJF] . Het betreft door [C BEDRIJF] aangeleverde metalen die door [D BEDRIJF] gezuiverd zijn. Vanaf 2006 tot en met september 2011 is ruim 41 kg goud bij [D BEDRIJF] opgehaald. Er is geen verkoop van goud geadministreerd. De politie heeft 17 baren goud met een gezamenlijk gewicht van 11,5 kg aangetroffen en in beslag genomen. Voor zover de opgehaalde metalen niet in de voorraad van [C BEDRIJF] zijn aangetroffen zijn deze metalen volgens het rapport verkocht c.q. naar het privévermogen overgebracht.

Het betreft in 2006 heeft 6 baren van 1 kilogram à € 14.500. Gelet op de hoogte van de ontvangen bedragen ter zake van de verkoop van goederen (€ 782,50 en € 1.117) is volgens het rapport niet aannemelijk dat de verkoop van de baren goud in het kas en/of bankjournaal is verantwoord als verkopen. 2007 7. Volgens de verlies- en winstrekening 2007 bedraagt de omzet € 463.448 exclusief omzetbelasting. Uit de facturen van [D BEDRIJF] blijkt dat eiser voor € 350.864 exclusief omzetbelasting aan [D BEDRIJF] heeft verkocht. Voor de verkopen in de winkel en via de webshop resteert € 112.584.

In 2007 is volgens het kas journaal voor een bedrag van € 31.191 (exclusief omzetbelasting) verkocht. Volgens het grootboek bank is er voor een bedrag van € 68.810 (exclusief omzetbelasting) verkocht. In 2007 bedragen de kas- en bankverkopen in totaal € 100.001 (exclusief omzetbelasting). Het hoogst ontvangen bedrag is per kas € 630 en per bank € 2.000. Daarnaast wordt door [C BEDRIJF] fysiek edelmetaal meegenomen bij [D BEDRIJF] . Het betreft door [C BEDRIJF] aangeleverde metalen die door [D BEDRIJF] gezuiverd zijn. Vanaf 2006 tot en met september 2011 is ruim 41 kilogram goud bij [D BEDRIJF] opgehaald.

Er is geen verkoop van goud geadministreerd. De politie heeft 17 baren goud met een gezamenlijk gewicht van 11,5 kilogram aangetroffen en in beslag genomen. Voor zover de opgehaalde metalen niet in de voorraad van [C BEDRIJF] zijn aangetroffen, zijn deze metalen volgens de rapporten verkocht c.q. naar het privévermogen overgebracht. Het betreft in 2007 6 baren goud van 1 kilogram en 287,964 gram grenailles à € 15.500 per kilogram. Gelet op de hoogte van de ontvangen bedragen ter zake van de verkoop van goederen (€ 630 en € 2000) is volgens de rapporten niet aannemelijk dat de verkoop van de baren goud in het kas en/of bankjournaal is verantwoord als verkopen. 2008 8.

Volgens de verlies- en winstrekening 2008 bedraagt de omzet € 661.684 exclusief omzetbelasting. Uit de facturen van [D BEDRIJF] blijkt dat eiser voor € 572.878 exclusief omzetbelasting aan [D BEDRIJF] heeft verkocht. Voor de verkopen in de winkel en via de webshop resteert € 88.806. In 2008 is volgens het kasjournaal voor een bedrag van € 13.945 (exclusief omzetbelasting) verkocht. Volgens het grootboek bank is er voor een bedrag van € 77.441 (exclusief omzetbelasting) verkocht. In 2008 bedragen de kas- en bankverkopen in totaal € 91.386 (exclusief omzetbelasting).

Het hoogst ontvangen bedrag is per kas € 395 en per bank € 1.595. Daarnaast wordt door [C BEDRIJF] fysiek edelmetaal meegenomen bij [D BEDRIJF] . Het betreft door [C BEDRIJF] aangeleverde metalen die door [D BEDRIJF] gezuiverd zijn. Vanaf 2006 tot en met september 2011 is ruim 41 kilogram goud bij [D BEDRIJF] opgehaald. Er is geen verkoop van goud geadministreerd. De politie heeft 17 baren goud met een gezamenlijk gewicht van 11,5 kilogram aangetroffen en in beslag genomen. Voor zover de opgehaalde metalen niet in de voorraad van [C BEDRIJF] zijn aangetroffen zijn deze metalen volgens de rapporten verkocht c.q. naar het privévermogen overgebracht.

Het betreft in 2008 4.300 gram grenailles à € 18.000 per kilogram. Gelet op de hoogte van de ontvangen bedragen ter zake van de verkoop van goederen (€ 395 en € 1.595) is volgens de rapporten niet aannemelijk dat de verkoop van de baren goud in het kas en/of bankjournaal is verantwoord als verkopen. De grenailles wegen 1 gram per stuk. In 2008 is volgens het rapport op 19 september 2008 expliciet de verkoop van goud ad € 5.184 verantwoord. Dit komt overeen met ongeveer 300 gram (op 7 augustus 2008 opgehaald bij [D BEDRIJF] ). 2009 9. Volgens de verlies- en winstrekening 2009 bedraagt de omzet € 764.309 exclusief omzetbelasting.

Uit de facturen van [D BEDRIJF] blijkt dat eiser voor € 713.070 exclusief omzetbelasting aan [D BEDRIJF] heeft verkocht. Voor de verkopen in de winkel en via de webshop resteert € 51.239 (exclusief omzetbelasting). In 2009 is volgens het kasjournaal voor een bedrag van € 16.673 (exclusief omzetbelasting) verkocht. Volgens het grootboek bank is er voor een bedrag van € 55.930 (exclusief omzetbelasting) verkocht. In 2009 bedragen de kas- en bankverkopen in totaal € 72.603 (exclusief omzetbelasting). Het verschil tussen de omzet volgens de verlies en winstrekening € 764.309 minus de omzet volgens [D BEDRIJF] van € 713.070, zijnde € 51.239 (exclusief omzetbelasting, en totale kas- en bankverkopen van € 72.603 bedraagt € 21.364 (exclusief omzetbelasting).

Dit verschil van € 21.364 komt doordat een factuur van [D BEDRIJF] van 12 november 2009 niet in de omzet is verantwoord. Het hoogst ontvangen bedrag is per kas € 650 en per bank € 697,50. Daarnaast wordt door [C BEDRIJF] fysiek edelmetaal meegenomen bij [D BEDRIJF] . Het betreft door [C BEDRIJF] aangeleverde metalen die door [D BEDRIJF] gezuiverd zijn. Vanaf 2006 tot en met september 2011 is ruim 41 kilogram goud bij [D BEDRIJF] opgehaald. Er is geen verkoop van goud geadministreerd. De politie heeft 17 baren goud met een gezamenlijk gewicht van 11,5 kilogram aangetroffen en in beslag genomen.

Voor zover de opgehaalde metalen niet in de voorraad van [C BEDRIJF] zijn aangetroffen zijn deze metalen volgens het rapport verkocht c.q. naar het privévermogen overgebracht. Het betreft in 2009 10 baren goud van 1 kilogram met een waarde van € 20.800 per kilogram. Gelet op de hoogte van de ontvangen bedragen ter zake van de verkoop van goederen (€ 650 en € 697,50) is volgens de rapporten niet aannemelijk dat de verkoop van de baren goud in het kas en/of bankjournaal is verantwoord als verkopen. 2010 10. Volgens de verlies-en winstrekening 2010 bedraagt de omzet € 1.182.965 exclusief omzetbelasting.

Uit de facturen van [D BEDRIJF] blijkt dat eiser voor € 1.077.141 exclusief omzetbelasting aan [D BEDRIJF] heeft verkocht. Voor de verkopen in de winkel en via de webshop resteert € 105.823 (exclusief omzetbelasting). In 2010 is volgens het kasjournaal voor een bedrag van € 39.217 (exclusief omzetbelasting) verkocht. Volgens het grootboek bank is er voor een bedrag van € 65.278 (exclusief omzetbelasting) verkocht. In 2010 bedragen de kas- en bankverkopen in totaal € 104.495 (exclusief omzetbelasting). Het hoogst ontvangen bedrag is per kas € 13.600 en per bank € 1.405.

Daarnaast wordt door [C BEDRIJF] fysiek edelmetaal meegenomen bij [D BEDRIJF] . Het betreft door [C BEDRIJF] aangeleverde metalen die door [D BEDRIJF] gezuiverd zijn. Vanaf 2006 tot en met september 2011 is ruim 41 kilogram goud bij [D BEDRIJF] opgehaald. Er is geen verkoop van goud geadministreerd. De politie heeft 17 baren goud met een gezamenlijk gewicht van 11,5 kilogram aangetroffen en in beslag genomen. Voor zover de opgehaalde metalen niet in de voorraad van [C BEDRIJF] zijn aangetroffen zijn deze metalen volgens het rapport verkocht c.q. naar het privévermogen overgebracht.

Het betreft in 2010 6 baren zuiver goud van 1 kilogram met een waarde van € 20.800 per kilogram. Gelet op de hoogte van de ontvangen bedragen ter zake van de verkoop van goederen (€ 13.600 en € 1.405) is volgens het rapport niet aannemelijk dat de verkoop van de baren goud in het kas en/of bankjournaal is verantwoord als verkopen. 2011 11. Volgens de verlies-en winstrekening 2011 bedraagt de omzet € 1.453.877 exclusief omzetbelasting. Uit de facturen van [D BEDRIJF] blijkt dat eiser voor € 1.291.427 exclusief omzetbelasting aan [D BEDRIJF] heeft verkocht.

Voor de verkopen in de winkel en via de webshop resteert € 162.450 (exclusief omzetbelasting). In 2011 is volgens het kasjournaal voor een bedrag van € 21.837 (exclusief omzetbelasting) verkocht. Volgens het grootboek bank is er voor een bedrag van € 138.449 (exclusief omzetbelasting) verkocht. In 2011 bedragen de kas- en bankverkopen in totaal € 160.286 (exclusief omzetbelasting). Het hoogst ontvangen bedrag is per kas € 1.761 en per bank € 2.000. Daarnaast wordt door [C BEDRIJF] fysiek edelmetaal meegenomen bij [D BEDRIJF] . Het betreft door [C BEDRIJF] aangeleverde metalen die door [D BEDRIJF] gezuiverd zijn.

Vanaf 2006 tot en met september 2011 is ruim 41 kilogram goud bij [D BEDRIJF] opgehaald. Er is geen verkoop van goud geadministreerd. De politie heeft 17 baren goud met een gezamenlijk gewicht van 11,5 kilogram aangetroffen en in beslag genomen. Voor zover de opgehaalde metalen niet in de voorraad van [C BEDRIJF] zijn aangetroffen zijn deze metalen volgens het rapport verkocht c.q. naar het privévermogen overgebracht. Het betreft in 2011 9 baren zuiver goud van 1 kilogram met een waarde van € 28.000 per kilogram. Gelet op de hoogte van de ontvangen bedragen ter zake van de verkoop van goederen (€ 1.761 en € 2.000) is volgens het rapport niet aannemelijk dat de verkoop van de baren goud in het kas en/of bankjournaal is verantwoord als verkopen.

De gevoerde kasadministratie 12. De volgende gebreken zijn in het controlerapport geconstateerd wat betreft de jaren 2006 tot en met 2009:

1. Mutaties zijn niet op de juiste datum geboekt. - Opnamen uit de kas Amsterdam ten behoeve van de kas Utrecht zijn niet op de juiste datum in de financiële administratie geboekt. - Contante inkopen en uitgaven zijn niet op de juiste datum in de financiële administratie geboekt. - Kasmutaties hebben wel de juiste datum, maar zijn in het kasjournaal op een eerdere of latere datum opgenomen, waardoor het kassaldo niet juist is.

2. Mutaties zijn niet of onjuist geboekt. - Contante opnamen van de bank zijn wel in het bankboek verantwoord maar niet in het kasjournaal, hierdoor is het kassaldo niet juist. - Leveringen van goud aan de firma [D BEDRIJF] zijn ten onrechte als contante ontvangsten geboekt in het kasjournaal. - Kosten die in rekening worden gebracht door de firma [D BEDRIJF] worden verrekend met de ontvangsten met betrekking tot de levering goud aan [D BEDRIJF] . Deze kosten zijn in een aantal gevallen ten onrechte als contante betalingen in het kasjournaal verwerkt, hierdoor is het kasjournaal onjuist.

13. De volgende gebreken zijn in het controlerapport geconstateerd ten aanzien van 2010 en 2011:

1. Mutaties zijn niet op de juiste datum geboekt. - Contanten inkopen en uitgaven zijn niet op de juiste datum in de financiële administratie geboekt. - De inkopen van september 2011 van in totaal € 203.256,30 zijn als één uitgave op 30 november 2011 geboekt. - Contante stortingen/opnames uit bank of giro zijn niet op de juiste datum in de financiële administratie geboekt. - Kasmutaties hebben wel de juiste datum, maar zijn in het kasjournaal op een eerdere of latere datum opgenomen, waardoor het kassaldo niet juist is.

2. Mutaties zijn niet of onjuist geboekt. - In het kasjournaal geboekt als contante opname uit bank, maar uit het bankafschrift blijkt dat het en overboeking betreft naar een andere bankrekening, hierdoor is het kassaldo niet juist. - In het kasjournaal geboekt als contante opname uit bank, maar deze opnamen komen niet op de bankafschriften voor. - Een diefstal van € 20.000 op 26 januari 2011 is niet verantwoord in het kasjournaal, waardoor het kassaldo niet juist is.

14. Na verwerking van alle kasmutaties op de juiste datum en verbetering van alle fouten in de administratie, ontstaan volgens de rapporten in de jaren 2007 tot en met 2011 op verschillende data negatieve kassen. Een negatieve kas betekent dat er meer contant geld aanwezig is dan in de kasadministratie is verantwoord.

15. In de controlerapporten is geconcludeerd dat de kasadministratie zoals deze is opgenomen in de financiële administratie over 2006 tot en met 2011, als onvolledig en onjuist moet worden aangemerkt. Eiser heeft een kasadministratie gevoerd die niet voldoet aan de eisen van het bedrijf. In een onderneming zoals die van eiser (waarbij een groot deel van de transacties per kas wordt verricht) vormt de kasadministratie een centraal, ondeelbaar en onmisbaar deel van de administratie. De kasadministratie kan volgens de rapporten niet dienen als grondslag voor de heffing van belastingen.

Voorraadadministratie 16.1. Eiser inventariseert één keer per jaar de voorraad (winkel, internetvoorraad, sloopgoud) en geeft dit als één bedrag door aan de boekhouder, die dat bedrag in de balans opneemt. 16.2. Het bedrijf [E BEDRIJF] ( [E BEDRIJF] ) heeft in opdracht van de Politie Amsterdam-Amstelland inbeslaggenomen voorwerpen per september 2011 op kostprijs getaxeerd op € 2.813.385. De taxatie is neergelegd in een rapport van 4 november 2011. Samen met het saldo van de gewichtsrekening aangehouden bij [D BEDRIJF] Edelmetaal van € 200.000 is de fysieke voorraad per 20 september 2011 op een bedrag van € 3.013.385 gewaardeerd.

Volgens de jaarrekening is de eindvoorraad op 31 december 2011 € 844.131. 16.3. In het kader van het onderzoek [A ONDERZOEK] heeft het Bureau Ontnemingswetgeving OM (BOOM) een onderzoek uitgevoerd waarbij is onderzocht in hoeverre de door eiser ingebrachte bezwaren tegen de door [E BEDRIJF] uitgevoerde taxaties van invloed zijn op het verschil in voorraadwaardering. In het rapport van 18 februari 2013 wordt geconcludeerd: “Wanneer door ons met de door [X] voorgestelde correcties rekening wordt gehouden, resteert nog steeds een verschil tussen de fysieke getaxeerde voorraad en de administratieve (berekende) voorraad van in totaal € 1.712.363.

Verklaringen voor dit verschil zouden kunnen zijn: • een onvolledige/onjuiste verantwoorde hoeveelheid ingekochte goederen; • onvolledig/onjuist verantwoorde inkoopbedragen; een combinatie van beide. Door de onvolkomenheden in de administratieve vastleggingen is de werkelijke oorzaak van dit verschil door ons niet meer te achterhalen.” 16.4. Eiser heeft een “Rapportage inzake administratie en voorraadwaardering [C BEDRIJF] ” overgelegd, opgemaakt op 17 november 2014 door [E] van [F BEDRIJF] B.V. In dit rapport staat – voor zover hier van belang – het volgende:

“(…) Gelet op bovenstaande zijn wij gekomen tot de navolgende opdrachtformulering: [F BEDRIJF] zal de door u in uw e-mail van 13 juni 2014 gestelde vragen beantwoorden. Deze vragen zijn samengevat:

1. Voldoet de administratie van [C BEDRIJF] , zoals gevoerd door de boekhouder de heer [F] , aan de daaraan te stellen eisen? en 2. Is het juist, zoals het Openbaar Ministerie stelt, dat er geen uitspraak kunnen worden gedaan over de waarde van de voorraad van [C BEDRIJF] op basis van de administratie van [C BEDRIJF] ? Ter beantwoording van deze vragen zal [F BEDRIJF] een onderzoekuitvoeren, eventueel aangevuld met aanvullend onderzoek. naar het door het OM uitgevoerde onderzoek inclusief de in het proces-verbaal opgenomen taxatierapport en rapportage van BOOM, en zal hierbij, door u ter beschikking gestelde en zelfstandig verkregen, aanvullende informatie betrekken.

Over de bevindingen van haar onderzoek zal [F BEDRIJF] rapporteren. Deze rapportage bevat de uitkomsten van onze werkzaamheden. 3 Samenvatting bevindingen. De bevindingen van het uitgevoerde onderzoek zijn uitgebreid beschreven in hoofdstuk 7 van deze rapportage. Samengevat zijn de conclusies op basis van dit onderzoek: • ten aanzien van de eerste onderzoeksvraag: Conclusie ten aanzien van de administratie. De administratie van [C BEDRIJF] voldoet in de onderzochte jaren aan daaraan wettelijk en bedrijfseconomisch te stellen eisen. Voor zover kon worden vastgesteld heeft de boekhouder de heer [F] , de brondocumenten op een juiste manier verwerkt in de administratie van [C BEDRIJF] .

• ten aanzien van de tweede onderzoeksvraag: Conclusie ten aanzien van de waarde bepalingen voorraad. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn wij van mening dat het proces-verbaal [A ONDERZOEK] Witwassen van 25 mei 2012, noch de aanvulling daarop van 1 februari 2013, het Taxatierapport [E BEDRIJF] en de rapportage BOOM niet als basis kunnen dienen voor een aanvaardbare benadering van de voorraad [C BEDRIJF] per september 2011. Gezien de vele onvolkomenheden van de diverse rapportages kunnen zij zeker niet dienen als onderbouwing van de stelling, zoals geuit in het proces-verbaal [A ONDERZOEK] Witwassen en de aanvulling daarop, dat [C BEDRIJF] middels zijn administratie zou hebben witgewassen en de onderneming zou zijn gebruikt om de opbrengsten van illegale inkopen een legale herkomst te geven.

Indien men daartoe de moeite had willen nemen, hetgeen wel zeer arbeidsintensief zou zijn geweest, had men aan de hand van de beschikbare administratie [C BEDRIJF] (ondermeer de inkoop- en verkoopbonnen), de facturen (overzichten) [D BEDRIJF] , het inkoopregister en de website, eventueel met de kennis en hulp van de boekhouder de heer [F] en de heer [X] , de omvang van de voorraad per september 2011 kunnen berekenen/reconstrueren en met behulp van de, op de inkoopbonnen vermelde, historische inkoopprijzen en de algemeen bekende historische prijzen van edelmetalen, edelstenen en andere goederen, de waarde van de voorraad kunnen bepalen.

Nogmaals dit aan de hand van de beschikbare administratie [C BEDRIJF] (ondermeer de inkoop- en verkoopbonnen), de facturen en facturen (overzichten) [D BEDRIJF] , het inkoopregister, de website en algemeen beschikbare historische informatie (bijvoorbeeld via internet). (...)” 16.5. Verweerder heeft een “Schriftelijke opinie over de rapportage van een accountant” overgelegd, opgemaakt door drs. [G] , waarin een schriftelijke opinie wordt gegeven over de door eiser overgelegde rapportage van [E] . In dit onderzoek heeft [G] tevens de controlerapporten van [H] inzake eiser en de VOF betrokken.

In het rapport is onder meer het volgende opgenomen: “(…) 4.2. De slotsom ten aanzien van de administratie (eerste onderzoeksvraag) is: -De conclusie van de heer R. ter Haar ten aanzien van het feit dat de administratie zou voldoen aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten, is naar mijn mening zelfstandig gezien van weinig toegevoegde waarde. [H] heeft in zijn rapportage naar mijn opinie meer dan voldoende onderbouwd dat vanuit fiscaal perspectief de administratie niet aan de wettelijke vereisten voldoet van artikel 52 AWR ten aanzien van de administratie- en bewaarplicht. 4.3 De slotsom ten aanzien van de voorraad (tweede onderzoeksvraag) is: -Gelet op hetgeen over de voorraad in zijn rapportage onder punt 7.2 is verwoord, namelijk dat het proces-verbaal [A ONDERZOEK] Witwassen van 25 mei 2012, noch de aanvulling daarop van 1 februari 2013, het Taxatierapport [E BEDRIJF] en de rapportage BOOM niet als basis kunnen dienen voor een aanvaarbare benadering van de voorraad [C BEDRIJF] per september 2011, kan ik de heer [E] volgen. -De voorraad is in [C BEDRIJF] V.O.F. - overigens net als de kasadministratie- een essentieel onderdeel van de bedrijfsvoering van de onderneming, hierover bestaat geen twijfel.

De heer [E] merkt in dat kader op dat, indien men daartoe de moeite had willen nemen, hetgeen wel zeer arbeidsintensief zou zijn geweest, eventueel met de kennis en hulp van de boekhouder de heer [F] en de heer [X] , de omvang van de voorraad per september 2011 had kunnen berekenen/reconstrueren en de waarde van de voorraad had kunnen bepalen. -Het voorbehoud dat de heer [E] verbindt aan zijn conclusie omtrent de voorraad heeft gevolgen. Feitelijk impliceert dit voorbehoud dat niet is voldaan aan artikel 52 lid 6 AWR. Immers, de voorraadadministratie is niet zodanig ingericht en gevoerd en de gegevensdragers niet zodanig bewaard dat controle daarvan binnen een redelijke termijn mogelijk was. -Afgaande op de bevindingen en conclusies van [H] , die zich grotendeels gebaseerd heeft op eigen onderzoek en zich niet uitsluitend heeft gebaseerd op de gegevens afkomstig uit het proces verbaal [A ONDERZOEK] , is ook duidelijk dat vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de voorraadbepaling. -Immers, uit de bij “ [C BEDRIJF] ” geadministreerde voorraadhoogte en de daarbij behorende waarde blijkt bijvoorbeeld het verloop van het bij [D BEDRIJF] opgehaalde goud niet, omdat dit niet administratief is vastgelegd.

Waardoor volgens [H] administratief de nodige kilo’s goud ontbreken in de (voorraad)administratie.” 17. Eiser is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:219) veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 200 uren. Het Gerechtshof Amsterdam heeft eiser bij arrest van 11 augustus 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:3871) integraal vrijgesproken. In het arrest van het Gerechtshof Amsterdam is onder meer overwogen: “Erfenis Ten aanzien van de erfenis overweegt het hof als volgt. [X] heeft al in zijn eerste verhoor op de dag van de inval en [C] in zijn tweede verhoor, de dag na de inval, over uit erfenis ontvangen geldbedragen verklaard.

De verklaringen van de verdachten worden onderbouwd door het fiscaal verantwoorden van een plotselinge toename van het privévermogen van de verdachten. Uit het dossier blijkt dat [X] in zijn belastingaangifte over 2007 melding heeft gemaakt van een toename van zijn box 3 vermogen met ongeveer € 160.000 (PV bevindingen informatie Belastingdienst opgenomen als bijlage bij PV zaaksdossier B, na p. 281). Ook [C] en zijn partner [D] geven in hetzelfde jaar een gezamenlijke vermogenstoename op van ongeveer € 160.000. Op grond van de verklaringen van de verdachten (vanaf het eerste begin) en de gegevens van de Belastingdienst is het hof van oordeel dat het aannemelijk is dat de verdachten over voldoende vermogen, voortgekomen uit een erfenis, nog afgezien van eventuele gelden uit een project in Bulgarije, hebben kunnen beschikken om bedoelde leningen aan de vof ter beschikking hebben kunnen stellen.” 18.

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 augustus 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:3872) de VOF veroordeeld tot een geldboete van € 10.000 voorwaardelijk wegens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. De bewezenverklaring luidt: “ Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1: [C BEDRIJF] v.o.f. in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente Amsterdam, een deel van de bedrijfsadministratie, ten name van [C BEDRIJF] v.o.f. - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [C BEDRIJF] v.o.f. toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt:

A: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 een aantal, vervalste inkoopbonnen, waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; C: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 het registerboek 2011, zoals bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, waarin onder meer telkens in strijd met de waarheid is opgenomen vervalste inkoopbonnen als bedoeld onder A, zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.” Geschil 19.

In geschil is of verweerder beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Verder is in geschil of de opgelegde belastingaanslagen en boetebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

20. Eiser stelt in de eerste plaats dat een nieuw feit ontbreekt, zodat verweerder niet gerechtigd was om na te vorderen. Voorts meent hij dat de gebreken in de administratie niet dermate ernstig zijn, dat deze dient te worden verworpen. Daartoe voert eiser aan dat de 11 inkoopfacturen waarmee zou zijn geknoeid, slechts voor 0,98% deel uitmaken van het totale aantal inkoopfacturen. Omdat de boekhouder soms facturen pas enkele maanden later ontving, liet het systeem niet toe deze uitgaven eerder te boeken. De in de kluis aangetroffen baren goud zijn wel verantwoord in de voorraadwaardering en daarmee opgenomen in de administratie.

Het bij [D BEDRIJF] opgehaalde goud is gebruikt voor de recycleservice; het sloopgoud is in de administratie opgenomen in de voorraad en de tegenwaarde is in baren goud aan cliënten gegeven. Voor voorraad is het niet relevant of sprake is van sloopgoud of baren zuiver goud. Alle in beslag genomen goeden zijn tegen de historische inkoopprijs in de voorraad opgenomen. Het door verweerder berekende netto privé is niet gestoeld op daadwerkelijk bestaande gegevens. Voorts is er geen rekening gehouden met de onttrekkingen. De theoretische omzetberekening is niet met feiten onderbouwd en de schatting is dan ook niet redelijk te noemen.

Verweerder maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat de ingekochte goederen zijn verkocht of aan het ondernemingsvermogen zijn onttrokken. Verweerder heeft niet voldaan aan zijn bewijslast ten aanzien van de opgelegde boetes. Tot slot vordert eiser immateriële schadevergoeding.

21. Verweerder stelt dat de bevindingen in het boekenonderzoek, uitgevoerd op basis van het signaal van de officier van justitie, als nieuw feit kwalificeren. Daarnaast is sprake van kwade trouw aan de zijde van eiser. Verweerder beroept zich op verzwaring en omkering van de bewijslast nu eiser niet de vereiste aangiftes heeft gedaan; eiser heeft bewust relatief en absoluut aanzienlijke bedragen verzwegen. Daartoe voert verweerder aan dat eiser heeft geknoeid met de inkoopadministratie, de bruto winstmarges sterk afwijken van hetgeen eiser zelf heeft verklaard als marge te hanteren, een grote hoeveelheid staven zuiver goud ontbreekt, er geen voorraadadministratie is bijgehouden en in alle in geding zijnde jaren sprake is van een negatief dan wel zeer laag netto privé. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

22. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Nieuw feit 23.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) geldt als hoofdregel dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. De tweede volzin van dit artikellid bevat – voor zover hier van belang – een uitzondering op die hoofdregel, inhoudende dat een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering kan opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. 23.2.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De officier van justitie heeft op 15 december 2011 verweerder toestemming verleend voor het gebruik van de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek ten behoeve van fiscale doeleinden. Deze toestemming is verleend na de dagtekening van de aan eiser opgelegde primitieve aanslagen, waarvan de laatste is opgelegd op 2 september 2011 (de aanslag ib/pvv 2010). Naar het oordeel van de rechtbank betreft de met toestemming van de officier van justitie op 15 december 2011 vrijgegeven informatie - en de bevindingen van het naar aanleiding van deze informatie uitgevoerde boekenonderzoek - geen informatie die verweerder daarvoor ten tijde en in het kader van het opleggen van de primitieve aanslagen aan eiser bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.

De door de officier van justitie vrijgegeven informatie en de bevindingen van het boekenonderzoek leveren een nieuw feit op als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de AWR en een grond voor navordering, voor de jaren 2006 tot en met 2010. Het beroep op het ontbreken van een nieuw feit faalt derhalve. De vraag of sprake is van kwade trouw van eiser, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking. Omkering en verzwaring bewijslast 24.1. Op grond van artikel 27e van de AWR is, kort gezegd, de bewijslast omgekeerd en verzwaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking, als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de AWR.

Vaststaat dat verweerder ten aanzien van eiser voor de onderhavige jaren geen informatiebeschikking heeft genomen. Dat betekent dat omkering en verzwaring van de bewijslast met toepassing van artikel 27e, eerste lid, van de AWR wegens het niet voldoen aan de administratie- en de bewaarplicht, niet aan de orde kan zijn. 24.2. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.

Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.

Voorts geldt dat per aangifte (voor ieder tijdvak) moet worden beoordeeld of de vereiste aangifte is gedaan.

25. De rechtbank stelt op basis van de gegevens in de controlerapporten vast dat de administratie van de onderneming meerdere formele gebreken bevat. Echter, nu omkering en verzwaring van de bewijslast op de grond dat de administratie van eiser moet worden verworpen niet aan de orde is, spelen deze gebreken geen rol bij de beantwoording van de vraag of eiser over de in geding zijnde jaren de vereiste aangiftes heeft gedaan. Bepalend is of sprake is van materiële gebreken die leiden tot de conclusie dat in de aangiftes een bedrag aan omzet is verzwegen ten gevolge waarvan de nageheven en de nagevorderde belasting absoluut en relatief gezien aanzienlijk is.

26. De rechtbank overweegt dat het betoog van verweerder is gebaseerd op een vermoeden dat omzet niet is aangegeven. Dit vermoeden berust op de in de controlerapporten geconstateerde gebreken. Dienaangaande acht de rechtbank het volgende van belang.

27. Verweerder gaat ervan uit dat de baren goud die zijn opgehaald bij [D BEDRIJF] niet in de voorraadadministratie zijn opgenomen. Eiser heeft evenwel verklaard dat de bij [D BEDRIJF] opgehaalde baren zuiver goud werden gebruikt voor de recycleservice en zodoende ook in de voorraadadministratie zijn opgenomen, waarbij geen onderscheid werd gemaakt tussen voorraad sloopgoud en voorraad zuiver goud. Ter zake van deze diensten werden facturen uitgereikt en de ermee gepaard gaande omzet is in de grootboekrekening verwerkt, aldus eiser. Eiser heeft deze stelling onderbouwd met facturen die zich in het dossier bevinden. Verweerder heeft deze verklaring van eiser niet dan wel onvoldoende weersproken. De rechtbank acht dit een aannemelijke verklaring op grond waarvan in elk geval niet de conclusie kan worden getrokken dat door de wijze van voorraadadministratie omzet buiten de boeken is gehouden.

28. Verweerder beroept zich op de aanwezigheid van een negatief netto privé in een aantal jaren. Nog daargelaten dat ook in de berekening van verweerder niet in alle jaren geen sprake is van een negatief netto privé, acht de rechtbank niet inzichtelijk geworden hoe verweerder tot deze bedragen is gekomen. In ieder geval is niet duidelijk gemaakt op welke wijze de ontvangen erfenis en de onttrekkingen in de berekeningen van verweerder zijn verwerkt. Van de zijde van eiser is een – niet op voorhand te verwerpen – alternatieve vermogensopstelling ingebracht. Van de kant van verweerder is hiertegen onvoldoende ingebracht. Ter zitting heeft eiser verklaard dat de leningen vanuit privé in de grootboekrekeningen van het kasboek zijn verwerkt.

29. Ook beroept verweerder zich op het feit dat regelmatig sprake was van een negatieve kas, hetgeen verweerder baseert op een reconstructie van het kasboek. De rechtbank acht deze berekening, welke niet is overgelegd en door eiser gemotiveerd is weersproken, onvoldoende voor de conclusie dat meerdere jaren sprake is geweest van een negatieve kas. Dat de boekingen niet chronologisch zijn verwerkt, is weliswaar formeel onjuist, maar die enkele omstandigheid betekent nog niet dat niet alle omzet op enigerlei wijze is verwerkt, laat staan dat zij betekent dat zulks is gedaan met het doel omzet te verzwijgen.

30. Verweerder verwijst in zijn berekeningen bij herhaling naar een verklaring van eiser afgelegd bij de politie, inhoudende dat op de verkopen een brutowinstpercentage van 100% werd behaald. Deze verklaring is echter door eiser reeds in zijn verklaring bij de rechter-commissaris genuanceerd in die zin dat alleen wat betreft de winkelverkopen sprake was van een marge van 100% en dat op de overige verkopen een marge van maximaal 30% werd behaald.

31. Verweerder wijst op het verschil tussen de waarde van de voorraad in de administratie van eiser op het moment van de inbeslagname in september 2011 en de vastgestelde waardes in het rapport van [E BEDRIJF] en de BOOM-rapportage. De rechtbank is echter van oordeel dat aan de taxatie van [E BEDRIJF] en de BOOM-rapportage geen fiscale betekenis kan worden toegekend, aangezien eiser de voorraad waardeerde naar historische kostprijs, welke wijze van voorraadwaardering niet in strijd is met goed koopmansgebruik.

32. Verweerder wijst op observaties waaruit zou blijken dat niet altijd een inkoopbon werd uitgeschreven. De rechtbank onderschrijft het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 11 augustus 2017 dat in elk geval ten aanzien van de camerabeelden van 19 en 20 september 2011 de omissies zijn verklaard gelet op het feit dat de verwerking van de bonnen later plaatsvond, hetgeen als gevolg van de inval bij eiser niet meer mogelijk is geweest.

33. Verweerder is blijkens de controlerapporten ervan uitgegaan dat sloopgoud geen margegoed is en heeft op die grond gecorrigeerd wegens het ten onrechte dan wel onjuist toepassen van de margeregeling. Verweerder is hier van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Sloopgoud dient immers wel als een margegoed te worden aangemerkt (Kamerstukken II, 1994-1995, nr. 23 952, nr. 3, p. 7). De in dit verband aangebrachte correcties zijn derhalve onjuist.

34. Op grond van al het vorenoverwoge is de rechtbank van oordeel dat het vermoeden van verweerder dat omzet niet zou zijn aangegeven en dat onjuiste aangiftes zijn gedaan, door eiser is ontzenuwd. Dat betekent dat niet kan worden gezegd dat de vereiste aangiftes niet zijn gedaan. Omkering en verzwaring van de bewijslast is derhalve niet aan de orde.

35. Het voorgaande laat onverlet dat een correctie op de aangegeven inkomens respectievelijk omzet in de in geding zijnde jaren, die voortvloeit uit de correctie van de herrekende winst respectievelijk omzet, mogelijk is indien volgens de gewone regels van bewijslast(verdeling) verweerder aannemelijk maakt dat de door eiser aangegeven winst respectievelijk omzet in deze jaren te laag is.

36. Gelet op de door eiser aangevoerde, onvoldoende door verweerder weersproken, feiten en omstandigheden aangaande de wijze van voorraadwaardering, de recycleservice (waarmee inzicht is gegeven in de administratieve verwerking van de bij [D BEDRIJF] opgehaalde goudstaven), de brutowinstpercentages, de kasadministratie en de camerabeelden, alsmede de door eiser overgelegde tegenberekening van de vermogensopstelling, waarbij geen sprake is van een negatief netto privé in enig jaar, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet erin is geslaagd te bewijzen dat eiser de winst respectievelijk de omzet in de onderhavige jaren te laag heeft aangegeven.

Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de voor deze jaren vastgestelde winst- respectievelijk omzetcorrecties, die hebben geleid tot de onderhavige belastingaanslagen, niet aannemelijk heeft gemaakt. Gelet hierop zijn de navorderings- en naheffingsaanslagen ten onrechte opgelegd en dienen deze te worden vernietigd. De definitieve aanslag ib/pvv voor het jaar 2011 dient te worden verminderd ter zake van de door verweerder berekende winstcorrectie. Het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2011 dient aldus te worden vastgesteld op het aangegeven bedrag van € 68.338.

Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor 2011 blijft gelijk.

37. De definitieve aanslag Zvw voor het jaar 2011 dient te worden gehandhaafd. Het beroep dienaangaande is ongegrond. Boetes 38. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de winst- en omzetcorrecties komen te vervallen. Daardoor ontvalt de grondslag voor de bij de diverse belastingaanslagen bij beschikking vastgestelde boeten, nu deze (uitsluitend) zijn opgelegd ter zake van deze winst- en omzetcorrecties. De boetebeschikkingen moeten daarom worden vernietigd. Immateriëleschadevergoeding 39.1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het (gemotiveerde) bezwaarschrift ontvangt.

Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. 39.2. De gezamenlijk behandelde zaken hebben (en hadden in bezwaar) in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk de juistheid van de correcties op basis van de gevoerde administratie. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel, in dit geval vanaf de ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift, ingekomen bij verweerder op 5 januari 2012 (vgl. HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540).

Dit betrof het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting 2006. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 28 oktober 2015. Op 28 februari 2018 wordt uitspraak gedaan door de rechtbank. Er is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met in totaal vier jaren en twee maanden (50 maanden). Uitgaande van een vergoeding van € 500 per half jaar termijnoverschrijding en met afronding naar boven heeft eiser recht op een bedrag aan immateriëleschadevergoeding van € 4.500 (9 maal € 500). 39.3. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, nr. 11/04270 (ECLI:NL:HR:2013:BX6666) en 9 augustus 2013, nr. 12/06009 (ECLI:NL:HR:2013:199) is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. 39.4.

Verweerder heeft aangevoerd dat alle bezwaarschriften pro forma zijn ingediend en motivering pas heeft plaatsgevonden bij brief van 26 februari 2015. Gelet op de aard en omvang van de fiscale problematiek meent verweerder dat hij de redelijke termijn niet heeft overschreden. 39.5. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de omvang van de zaak, die een langere termijn rechtvaardigen. Dat de motivering later is ingediend, is het gevolg van het feit dat het voor eiser pas mogelijk was het bezwaar te motiveren na ontvangst van de controlerapporten.

Van de totale overschrijding van 50 maanden dient een periode van 40 maanden aan verweerder te worden toegerekend en een periode van 10 maanden aan de rechtbank. Verweerder dient daarom van de schadevergoeding 40/50e deel te betalen (€ 3.600) en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) 10/50e deel (€ 900). Proceskosten 40. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken, waarbij naar het oordeel van de rechtbank sprake is van onderlinge samenhang tussen de beroepen van eiser met de beroepen van de VOF en die van de overige firmanten [B] , [C] en [D] .

Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.503 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501, een wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaken, en een factor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken). De rechtbank zal de proceskostenveroordeling voor deze samenhangende zaken aan de VOF en aan elk van de firmanten ieder voor een vijfde gedeelte toekennen. Voor de kosten van bezwaar heeft verweerder reeds een vergoeding aan eiser toegekend.

Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep inzake de aanslag Zvw 2011 ongegrond; - verklaart de overige beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar die zien op de heffing ib/pvv voor de jaren 2006 tot en met 2011, op de heffing Zvw voor de jaren 2006 en 2007 en de heffing omzetbelasting voor de jaren 2006 tot en met 2009, behoudens voor zover daarbij is beslist op het verzoek om kostenvergoeding; - vernietigt de naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009; - vernietigt de navorderingsaanslagen ib/pvv voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 en de navorderingsaanslagen Zvw voor de jaren 2006 en 2007; - vermindert de aanslag ib/pvv 2011 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.338 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.282; - vernietigt de boetebeschikkingen; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 300,60; veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 900; veroordeelt verweerder tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 3.600, en - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, en mr. S.K.A. Efstratiades en mr. R. van Scharrenburg, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2018. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.