Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2017:7721 ECLI:NL:RBNHO:2017:7721 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2017:7721 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2017:7721
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2017:7721 · Rechtbank Noord-Holland: In een telefoongesprek tussen partijen heeft eiser een compromisvoorstel gedaan inhoudende het akkoord met het opleggen van een navorderingsaanslag, mits er geen heffingsrente in rekening zou worden gebracht en mits alsnog artikel 4.12a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zou worden toegepast. Ook wordt een beroep gedaan op het overgangsrecht dat gold tot 31 december 2014, zoals neergelegd in het besluit van 17 september 2014, BLKB 2014/1321M.

Keywords

AI generated
undeclared assets tax fraud investigation disinheritance of an insolvent heir tax succession misappropriation of withholding tax tax shifting

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2016:5738
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 15/7017 Uitspraak van 21 juli 2016 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen de erven van [erflaatster], domicilie kiezende te Helmond, belanghebbenden, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbenden een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2010 opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer].H.07), berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 262.162 (hierna: de navorderingsaanslag) alsmede bij beschikking een bedrag van € 8.644 heffingsrente in rekening gebracht. 1.2.
ECLI:NL:GHDHA:2016:371
Anders dan de casus die speelde in de door de echtgenoot aangehaalde uitspraak van het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:371) was in dit geval geen sprake van één enkel signaal dat blijkbaar reeds voldoende was voor het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag.
ECLI:NL:HR:2015:1515
12 juni 2015 nr. 14/04015 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2014, nr. 12/00506, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Arnhem (nr. AWB 11/385) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:1997:AA2235
Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 76.422,--. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 126.422,--, met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde belasting, welke verhoging bij besluit van de Inspecteur tot op 50 percent is kwijtgescholden. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft bij ambtshalve genomen beschikking de navorderingsaanslag verminderd met het bedrag van de resterende verhoging. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 124.472,-- zonder verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2003:AF4151
Navorderingsaanslag, beschikkingen, bezwaar en geding voor het Hof Ten name van X (hierna: erflater) is over het jaar 1990 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van ƒ 1.271.456 met een verhoging van de nagevorderde belasting van 100 percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding heeft verleend tot op 25 percent. Aan heffingsrente is ƒ 169.266 in rekening gebracht. De navorderingsaanslag, de beschikking inzake de verhoging en de beschikking inzake de heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Erflater is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2006:AU2004
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 6.699.072, waarvan een bedrag van ƒ 6.409.000 belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 6.679.040 waarvan ƒ 6.409.000 belast naar een tarief van 20%. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem zaaknummer: HAA 16/4724 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 augustus 2017 in de zaak tussen [X] , te [Z] , eisers (gemachtigde: drs. R.K. Zoethout), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op naam van mevrouw [A] (erflaatster) voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd. Eisers hebben daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2017 te Haarlem. Namens eisers is verschenen [B] , bijgestaan door zijn gemachtigde drs. R.K. Zoethout. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Lodder en mr. K. Soekhlal. Overwegingen Feiten 1. Erflaatster is geboren op [A DATUM] en overleden op [B DATUM] . Zij was in algehele gemeenschap gehuwd met [B] (de echtgenoot en/of eiser). Erflaatster heeft haar echtgenoot tot erfgenaam benoemd.

2. Tot de gemeenschap van goederen behoorden alle aandelen in [A BEDRIJF] B.V. (de BV). De BV heeft als doel ‘het uitoefenen van het beroep van accountant-administratieconsulent met inachtneming van alle daarop van toepassing zijnde regels; het deelnemen in, het voeren van beheer over, het financieren van andere ondernemingen en vennootschappen.’ Het aantal werknemers per einde boekjaar 2010 bedraag 0 (2009:1). De BV beheert de pensioenaanspraak van de echtgenoot. De akte van oprichting van de BV werd notarieel gepasseerd op 27 maart 1997. De verkrijgingsprijs van de aandelen is € 18.000.

3. Aan de echtgenoot is voor het belastingjaar 2010 een specifiek aangiftebiljet inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) in verband met overlijden uitgereikt, een zogenoemd F-biljet. Tevens is om een aangifte erfbelasting verzocht. De echtgenoot heeft op 28 maart 2011 namens erflaatster een regulier aangiftebiljet ingediend. In die aangifte is geen inkomen aangegeven en is de rubriek “het gehele jaar gehuwd J” aangekruist en is tevens aangegeven dat sprake is van een aanmerkelijk belang. De echtgenoot heeft op diezelfde datum ook zijn eigen aangifte ib/pvv over 2010 ingediend waarin hij de rubriek “het gehele jaar gehuwd J” heeft aangekruist en waarin hij heeft aangegeven dat sprake is van een aanmerkelijk belang.

4. De aanslag ib/pvv ten name van eiseres is op 21 september 2011 vastgesteld en berekend naar een verzamelinkomen van nihil.

5. Verweerder heeft eiser op 10 februari 2015 vragen gesteld over het niet aangeven van winst uit aanmerkelijk belang in verband met een (fictieve) vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen ten gevolge van het overlijden van erflaatster.

6. Daarop heeft eiser op 23 maart 2015 gereageerd. In die reactie is opgenomen, voor zover van belang: “(…) Op het moment van overlijden van zijn echtgenote dreef cliënt vanuit [A BEDRIJF] B.V. een onderneming. De omzet die cliënt uit de onderneming genereerde was in de periode dat mevrouw leed aan kanker gedaald omdat cliënt genoodzaakt was zich intensief bezig te houden met de verzorging van mevrouw, maar in die periode inclusief het hier relevante moment van overlijden van mevrouw had cliënt de intentie en wil om de onderneming te blijven drijven.

De bv voldeed hierbij aan de criteria die gelden voor ondernemerschap, te weten: er is sprake van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, die deelneemt aan het economische verkeer, en die winst beoogt, of waarbij winst redelijkerwijs valt te verwachten. Bovendien worden privaatrechtelijke rechtspersonen zoals de bv bij fictie geacht met hun gehele vermogen een onderneming te drijven. Op grond van artikel 4.17a lid 1 Wet IB 2001 is hier dus geen sprake van een fictieve vervreemding in de zin van artikel 4.16 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001 en heeft cliënt gemeend dit niet te hoeven aangeven in de aangifte inkomstenbelasting van zijn echtgenote.(…)” 7.

Op 16 april 2015 heeft verweerder zijn voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag ib/pvv over 2010 ten name van erflaatster aan eiser kenbaar gemaakt. Eiser heeft daarop gereageerd en onder meer gesteld dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikt dat navordering rechtvaardigt.

8. In een telefoongesprek tussen partijen heeft eiser een compromisvoorstel gedaan inhoudende het akkoord met het opleggen van een navorderingsaanslag, mits er geen heffingsrente in rekening zou worden gebracht en mits alsnog artikel 4.12a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zou worden toegepast. Ook wordt een beroep gedaan op het overgangsrecht dat gold tot 31 december 2014, zoals neergelegd in het besluit van 17 september 2014, BLKB 2014/1321M.

9. Verweerder heeft dit compromisvoorstel afgewezen omdat een dergelijke afspraak in strijd zou zijn met de wet. Met dagtekening 22 augustus 2015 is de navorderingsaanslag opgelegd, berekend naar een inkomen uit aanmerkelijk belang, tevens verzamelinkomen, van € 128.343. Dit is het vervreemdingsvoordeel uitgaande van een verkrijgingsprijs van € 9.000 en een overdrachtsprijs van € 137.343. Geschil 10. In geschil is of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en zo ja, of recht op doorschuiving ex artikel 4.17a. eerste lid, van de Wet IB 2001 bestaat en/of alsnog een verzoek ex artikel 4.12a van de Wet IB 2001 kan worden gedaan.

Beoordeling van het geschil Nieuw feit 11. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet rijksbelastingen (Awr) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gebleven of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.

12. Volgens vaste rechtspraak (vergelijk onder meer de uitspraak van 21 juli 2016 van de rechtbank Zeeland-West Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2016:5738) mag de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag in beginsel uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. De Hoge Raad spreekt ook van ‘een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid’. Met andere woorden, de inspecteur is alleen dan verplicht de aangifte op een punt nader te onderzoeken wanneer het onwaarschijnlijk is dat de aangifte op dit punt juist is.

13. In het onderhavige geval mocht de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank uitgaan van de juistheid van de aangifte ib/pvv over 2010 nu de aangifte een verzorgde indruk maakte en de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid openliet juist te zijn. Gelet op de aard en de hoogte van de inkomsten zoals vermeld in de aangifte en het feit dat de echtgenoot heeft verklaard dat hij de aangifte stellig en zonder voorbehoud heeft ingevuld, behoefde verweerder na normale zorgvuldige kennisneming van de aangifte geen nadere gegevens en informatie in te winnen alvorens de primitieve aanslag vast te stellen.

14. Anders dan de casus die speelde in de door de echtgenoot aangehaalde uitspraak van het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:371) was in dit geval geen sprake van één enkel signaal dat blijkbaar reeds voldoende was voor het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag. Verweerder heeft immers vragen gesteld over de inhoud van de aangifte ib/pvv over 2010 en er is ook overigens meermalen gecorrespondeerd voordat hij de navorderingsaanslag heeft vastgesteld.

15. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de inspecteur toch op de hoogte was van het overlijden van erflaatster, overweegt de rechtbank als volgt. Voor de inspecteur bestaat niet de verplichting tot het raadplegen van al dan niet op zijn eenheid aanwezige dossiers die zijn aangelegd voor de echtgenoot of voor andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen welke voor het regelen van bedoelde aanslag van belang zijn (vgl. HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515, BNB 2015/166). Het gaat in het algemeen te ver om de eis te stellen dat verweerder, bij de regeling van de aanslag ib/pvv over het jaar van overlijden van een erflaatster, het dossier voor de aanslag erfbelasting of de aangifte van de echtgenoot moet raadplegen.

Derhalve is het niet-raadplegen van het dossier aangaande de aanslag erfbelasting of de aangifte van de echtgenoot hem niet als een ambtelijk verzuim aan te rekenen. In dit verband merkt de rechtbank ook nog op dat de kennis van de inspecteur die de aangifte erfbelasting van erflaatster heeft geregeld, niet wordt toegerekend aan de inspecteur die de aanslag ib/pvv over 2010 van erflaatster regelt. Voor het antwoord op de vraag of een nieuw feit aanwezig is, is slechts van belang of de inspecteur of een persoon voor wiens handelen hij verantwoordelijk is met dat feit bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn (vgl. HR 29 augustus 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2235, BNB 1998/108 en HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4151, BNB 2004/62).

Doorschuiving ex artikel 4.17a van de Wet IB 2001 16. Nu sprake is van een nieuw feit dat de navorderingsaanslag rechtvaardigt ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of recht bestaat op toepassing van de doorschuifregeling van artikel 4.17a van de Wet IB 2001.

17. Aangezien de aandelen in de BV deel uitmaakten van de huwelijksgoederengemeenschap tussen erflaatster en haar echtgenoot, was erflaatster voor de onverdeelde helft van de aandelen aanmerkelijkbelanghouder (vgl. HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2004, BNB 2007/15). Ten gevolge van het overlijden van erflaatster was sprake van een fictieve vervreemding van haar helft van de aandelen op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001. Op grond van artikel 4.19, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt het vervreemdingsvoordeel gesteld op het verschil tussen de overdrachtsprijs en de verkrijgingsprijs van de aandelen. Daarbij wordt de overdrachtsprijs op grond van artikel 4.22, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaald op de waarde in het economische verkeer.

18. Ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, van de Wet IB 2001 is evenwel geen sprake van een vervreemding voor het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben. Ter zitting heeft de echtgenoot het nadere standpunt ingenomen dat er geen sprake is van het drijven van een onderneming, zodat de vraag of een beroep kan worden gedaan op artikel 4.17a, eerste lid, van de Wet IB 2001 geen behandeling behoeft. Verzoek artikel 4.12a van de Wet IB 2001 19. Ingeval aandelen of winstbewijzen krachtens erfrecht zijn verkregen en ter zake van die overgang bij de erflater (m/v) inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, worden binnen 24 maanden na het overlijden van de erflater genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen op verzoek, in afwijking van artikel 4.12 Wet IB 2001, niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend voor zover deze voordelen niet uitgaan boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen en voor zover deze voordelen worden afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen of winstbewijzen.

Voor de toepassing van de eerste volzin blijft inkomen uit aanmerkelijk belang dat bij de erflater ingevolge artikel 2.8 van de Wet IB 2001 als te conserveren inkomen is aangemerkt en waarvoor ten tijde van het genieten van de reguliere voordelen nog uitstel van betaling loopt, buiten beschouwing.

20. Voornoemd artikel wordt toegepast op verzoek van de erfgenamen van erflaatster en ziet op dividenduitkeringen die de erfgenamen genieten. Gelet op het feit dat deze bepaling betrekking heeft op de aangiften van de erfgenamen in plaats van de aangifte van erflaatster kan de toepassing van deze bepaling in deze procedure niet aan de orde komen. Heffingsrente 21. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de berekende heffingsrente. Ook overigens is niet gebleken dat de rente ten onrechte of in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van de Awr in rekening is gebracht.

22. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Gooijer, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. A.A. Fase, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2017. griffier voorzitter De voorzitter is verhinderd de uitspraak te tekenen. In zijn plaats tekent de oudste rechter. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.