Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2017:5174 ECLI:NL:RBNHO:2017:5174 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2017:5174 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2017:5174
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummers: HAA 17/2014 en 17/2015 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2017 in de zaken tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. W. Visser), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, verweerder (gemachtigde: mr. J.B. van Doorn en mr. A.H. van Soest). Tevens heeft aan het geding deelgenomen [derde partij] (derde-partij). Procesverloop Op 26 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [derde partij] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening ten behoeve van het verlengen van een dakterras op een aanbouw op het perceel [perceel] .

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBNHO:2017:5174 · Rechtbank Noord-Holland: De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG3410) en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:3605), waarin ook is geoordeeld dat geen sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter omdat er slechts zeer beperkt zicht is op het perceel dan wel de woning van een derde. 5.3 De voorzieningenrechter is er bovendien voorshands niet van overtuigd dat kan worden uitgesloten dat het bepaalde in artikel 50, tweede lid, van boek 5 van het BW in dit geval van toepassing is, terwijl indien van toepassing dan geen sprake is van een privaatrechtelijke belemmering.

Keywords

AI generated
setback distance right to privacy party wall co-ownership right of access in property boundary of real property restricted right of inspection

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht
De voorzieningenrechter zal daarom het beroep met toepassing van het bepaalde in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht ongegrond verklaren en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:1274
201504842/1/A1. Datum uitspraak: 11 mei 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], [appellant B] en de vereniging Vereniging van Eigenaren [locatie 2] en [locatie 3] (hierna: de VvE), wonend onderscheidenlijk gevestigd te Utrecht, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 12 mei 2015 in zaken nrs. 14/6623 en 15/1101 in het geding tussen: [appellant A], [appellant B] en de VvE en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Procesverloop Bij besluit van 18 september 2014 heeft het college aan [belanghebbende A] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en het in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van gronden voor het realiseren van een dakterras aan de achterzijde van de woning aan de [locatie 1] te Utrecht.
ECLI:NL:RVS:2008:BG3410
Procesverloop Bij besluit van 30 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waterland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een aanbouw aan de zijgevel van de woning op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Bij besluit van 11 juni 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 februari 2008, verzonden op 22 februari 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RBAMS:2015:3605
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 14/4029 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2015 in de zaak tussen [naam], te Amsterdam, eiser, (gemachtigde: mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummers: HAA 17/2014 en 17/2015 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2017 in de zaken tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. W. Visser), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, verweerder (gemachtigde: mr. J.B. van Doorn en mr. A.H. van Soest). Tevens heeft aan het geding deelgenomen [derde partij] (derde-partij). Procesverloop Op 26 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [derde partij] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening ten behoeve van het verlengen van een dakterras op een aanbouw op het perceel [perceel] .

Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Dit bezwaar verweerder bij besluit van 17 maart 2017 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 12 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter besloten om het bestreden besluit bij wijze van ordemaatregel te schorsen totdat uitspraak is gedaan op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 juni 2017 op zitting behandeld.

Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens derde-partij is verschenen [naam] . Overwegingen 1. Niet in geschil is dat ter plaatse het bestemmingsplan Den Burg geldt en dat het dakterras ingevolge artikel 3 van de planregels maximaal 3 meter mag bedragen, gemeten van de achtergevel. Evenmin is in geschil dat het op het dakterras te plaatsen hekwerk als begrenzing van het dakterras op de aanbouw op meer dan drie meter van de achtergevel is gesitueerd en dat daarom een omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Verweerder heeft deze vergunning verleend omdat er, ondanks dat het dakterras op minder dan 2 meter van de erfgrens van verzoekster is gesitueerd, geen sprake zou zijn van een evident privaatrechtelijke belemmering, omdat aan de achterzijde van het dakterras slechts zicht is op de steeg en niet op de tuin van verzoekster.

2. Verzoekster heeft aan het beroep en verzoek ten grondslag gelegd dat het dakterras zoals is vergund aan de achterzijde direct grenst aan haar perceel, en dat dit zonder meer een evident privaatrechtelijke belemmering oplevert, waarbij voor een belangenafweging geen plaats is.

3. Artikel 50, eerste lid, van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt als volgt: Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven. In het tweede lid is bepaald dat de nabuur zich niet kan verzetten tegen de aanwezigheid van zodanige openingen of werken, indien zijn erf een openbare weg of een openbaar water is, indien zich tussen de erven openbare wegen of openbare wateren bevinden of indien het uitzicht niet verder reikt dan tot een binnen twee meter van de opening of het werk zich bevindende muur. Uit dezen hoofde geoorloofde openingen of werken blijven geoorloofd, ook nadat de erven hun openbare bestemming hebben verloren of de muur is gesloopt.

4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt, dat voor het oordeel dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2:12 van de Wabo slechts aanleiding bestaat wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, aldus de Afdeling in de uitspraak van 11 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1274). 5.1 Vast staat dat het vergunde dakterras direct aan de verre kant van de achtergevel grenst aan het perceel van verzoekster en mogelijkheid biedt tot uitzicht daarop, hetgeen gelet op het bepaalde in artikel 5:50, eerste lid, van boek 5 van het BW, een privaatrechtelijke belemmering oplevert.

Ter zitting is komen vast te staan dat dit uitzicht beperkt blijft tot slechts een klein deel van het perceel, te weten dat deel, door partijen aangeduid als steeg, dat vanaf de openbare weg toegang biedt tot de (rest van de) tuin van verzoekster. Tevens is ter zitting komen vast te staan dat er vanaf het dakterras verder geen enkel rechtstreeks zicht is op de (rest van de) tuin en/of de woning van verzoekster. 5.2 De voorzieningenrechter is gelet hierop van oordeel dat, hoewel het dakterras van waar zicht bestaat op het perceel van eiseres zich binnen twee meter van de erfgrens bevindt, onder deze omstandigheden geen sprake is van rechtstreeks zicht dat een privaatrechtelijke belemmering oplevert met een evident karakter.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG3410) en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:3605), waarin ook is geoordeeld dat geen sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter omdat er slechts zeer beperkt zicht is op het perceel dan wel de woning van een derde. 5.3 De voorzieningenrechter is er bovendien voorshands niet van overtuigd dat kan worden uitgesloten dat het bepaalde in artikel 50, tweede lid, van boek 5 van het BW in dit geval van toepassing is, terwijl indien van toepassing dan geen sprake is van een privaatrechtelijke belemmering.

6. De voorzieningenrechter ziet daarom geen grond om te oordelen dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter.

7. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter daarom geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

8. De voorzieningenrechter zal daarom het beroep met toepassing van het bepaalde in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht ongegrond verklaren en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.

9. Bij deze beslissing bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2017. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.