Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2017:4382 ECLI:NL:RBNHO:2017:4382 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2017:4382 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2017:4382
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht, Artikel 1:2 van de Awb, artikel 1:3 van de Awb, artikel 8:1 van de Awb; ECLI:NL:RBNHO:2017:4382 · Rechtbank Noord-Holland: In artikel 224 van de Gemeentewet is opgenomen dat ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, een toeristenbelasting kan worden geheven. Voorts is in dat artikel opgenomen dat degene die gelegenheid biedt tot verblijf bevoegd is de belasting als zodanig te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

Keywords

AI generated
user fee parking fee transit charge register entry fee fee determination motor vehicle tax

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht
Volgens artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen nadat hij bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit.
Artikel 1:2 van de Awb
Artikel 1:2 van de Awb omschrijft de belanghebbende als degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken en onder een besluit wordt op grond van artikel 1:3 van de Awb verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
artikel 1:3 van de Awb
Artikel 1:2 van de Awb omschrijft de belanghebbende als degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken en onder een besluit wordt op grond van artikel 1:3 van de Awb verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
artikel 8:1 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2000:AA6508
Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Ter zake van parkeren door belanghebbende met een personenauto op 19 augustus 1995 is een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Alphen aan den Rijn (hierna: de gemeente) opgelegd ten bedrage van f 66,50. Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift tegen deze aanslag is door de Chef van de afdeling financiën van de gemeente Alphen aan den Rijn (hierna: de Chef) wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHSHE:2016:10
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 14/00807 Uitspraak op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk , hierna: de Heffingsambtenaar, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 4 juli 2014, kenmerk AWB 13/360, in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, en de Heffingsambtenaar, betreffende de hierna te vermelden belastingaanslagen. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Met dagtekening 31 augustus 2011 heeft de Heffingsambtenaar een voorlopige aanslag in de forensenbelasting voor het jaar 2011 opgelegd aan [A] B.V. (hierna: [A] ) naar een belastingbedrag van € 22.194 (hierna: de voorlopige aanslag). 1.2.
ECLI:NL:GHARL:2016:670
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.122.209/01 (zaaknummer rechtbank [woonplaats] -Lelystad 182722 / HZ ZA 11-286) arrest van 2 februari 2016 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. S.J. Velsink, kantoorhoudend te Zwolle, tegen [geïntimeerde] , h.o.d.n. [naam bedrijf] , wonende te [woonplaats] en zaakdoende te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Noord-Holland Zittingsplaats Haarlem zaaknummer: HAA 16/5329 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2017 in de zaak tussen [X] , te [Z] , eiseres(gemachtigde: mr. [A] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Waterland, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft tegen de haar in rekening gebrachte dagtoeristenbelasting bezwaar ingediend. Dit bezwaar is door verweerder bij besluit van 23 november 2016 niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft daartegen met dagtekening 28 november 2016 beroep bij de rechtbank ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting een pleitnota overgelegd. Deze is in afschrift aan verweerder verstrekt. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2017. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. van Griethuijsen. Ter zitting heeft eiseres een uitdraai van internet overgelegd met betrekking tot het parkeerbeleid in Marken. Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft op 27 oktober 2016 de gemeente Marken bezocht. De auto waarmee eiseres samen met twee anderen reisde werd geparkeerd op het parkeerterrein aan de Kruisbaakweg op Marken (het parkeerterrein).

Ter plekke heeft eiseres, via een betaalautomaat, een bedrag van € 5,65 voldaan. Dit bedrag bestaat uit de som van € 4,00 voor de verschuldigde parkeerbelasting en driemaal € 0,55 voor de dagtoeristenbelasting. Ter zake van deze betaling heeft eiseres een betaalbewijs ontvangen.

2. Eiseres meent dat ten onrechte betaling van dagtoeristenbelasting van haar is gevorderd en heeft een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres volgens hem niet de belastingplichtige is voor de heffing van dagtoeristenbelasting en als gevolg daarvan ook niet kan worden aangemerkt als belanghebbende.

3. Met ingang van 15 december is de Verordening op de heffing en invordering van de dagtoeristenbelasting 2013 ingetrokken. Geschil 4. In geschil is of verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verder stelt eiseres dat zij ten onrechte niet is gehoord. Beoordeling van het geschil 5. Volgens artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen nadat hij bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit. Artikel 1:2 van de Awb omschrijft de belanghebbende als degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken en onder een besluit wordt op grond van artikel 1:3 van de Awb verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Op grond van artikel 26a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), kan in afwijking van artikel 8:1 van de Awb het beroep slechts worden ingesteld door (a) de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd; (b) de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden, of (c) degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt.

6. In artikel 224 van de Gemeentewet is opgenomen dat ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, een toeristenbelasting kan worden geheven. Voorts is in dat artikel opgenomen dat degene die gelegenheid biedt tot verblijf bevoegd is de belasting als zodanig te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

7. Op grond van de Verordening op de heffing en invordering van dagtoeristenbelasting 2013 (de Verordening) wordt een belasting geheven ter zake van het houden van dagverblijf zonder overnachten op Marken. De Verordening, voor zover van belang, luidt: “Artikel 3 Belastbaar feit Ter zake van het houden van verblijf op Marken door (…) personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, wordt onder de naam dagtoeristenbelasting ter zake van dagverblijf een directe belasting geheven. Artikel 4 Belastingplicht (…) 2.

Belastingplichtig is degene die door middel van het tegen vergoeding beschikbaar stellen van een parkeerplaats voor een motorvoertuig, de inzittende(n) respectievelijk gebruiker(s) van dat motorvoertuig gelegenheid biedt tot het houden van verblijf als bedoeld in artikel 3. (…) 5. De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene, ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt. (…) Artikel 9 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag of door middel van een mondelinge of schriftelijke gedagtekende kennisgeving, onder dat laatste ook te verstaan nota, bon of ander schriftuur.

Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

3. De belasting moet ingeval van kennisgeving als bedoeld in artikel 9 worden betaald op het moment van het doen respectievelijk uitreiken van de kennisgeving.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat het belastbaar feit ter zake waarvan op grond van de Verordening dagtoeristenbelasting is verschuldigd zich heeft voorgedaan. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de Verordening de exploitant van het parkeerterrein als belastingplichtige voor de dagtoeristenbelasting moet worden aangemerkt. Ingevolge de Verordening wordt aan hem dan ook de aanslag dagtoeristenbelasting opgelegd.

9. Uit het voorgaande volgt dat gelet op artikel 26a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Awr, de exploitant van het parkeerterrein de belanghebbende bij de aanslag dagtoeristenbelasting is. Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat eiseres niet de belanghebbende is ter zake van de aan de exploitant van het parkeerterrein opgelegde aanslag dagtoeristenbelasting. Dat de exploitant gebruik heeft gemaakt van zijn recht om de door hem verschuldigde parkeerbelasting op eiseres te verhalen brengt niet mee dat eiseres daarmee ook als belanghebbende moet worden aangemerkt.

Dat verweerder de exploitant is van het parkeerterrein en dus in feite zichzelf heeft aangewezen als belastingplichtige, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank gaat eiseres verder ten onrechte uit van de veronderstelling dat het onder 1 genoemde betaalbewijs een kennisgeving van de aanslag is als bedoeld in artikel 9 van de Verordening en om die reden zij belanghebbende is. Het is enkel een bewijs van betaling van het voor het parkeren verschuldigde bedrag en creëert dus geen rechtsingang voor eiseres.

10. De verwijzing van eiseres naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6508, maakt dit oordeel niet anders. Die zaak betrof immers de rechtspositie van de feitelijke parkeerder van een personenauto ter zake van een aan de houder van die auto opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting wegens het niet voldoen van de parkeerbelasting door de feitelijk parkeerder. In dit geval heeft de belastingplichtige exploitant van het parkeerterrein enkel gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om de dagtoeristenbelasting te verhalen op eiseres. Dit betekent echter niet dat eiseres daartegen een bestuursrechtelijke procedure kan voeren. De door eiseres aangehaalde uitspraken van Gerechtshof Den Bosch van 7 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:10 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:670, betreffen ook andere situaties. Voor zover eiseres een processuele leemte ervaart omdat zij niet kan ageren tegen het verhalen van de dagtoeristenbelasting, wijst de rechtbank eiseres op de mogelijkheid een civiele procedure aan te spannen.

11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Proceskosten 12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2017. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.