Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2017:3175 ECLI:NL:RBNHO:2017:3175 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2017:3175 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2017:3175
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2017:3175 · Rechtbank Noord-Holland: Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil 11. Artikel 2.14 van de Wet IB 2001 bevat een rangorderegeling waarin is bepaald dat een voordeel dat op grond van meerdere artikelen als belastbaar inkomen kan worden aangemerkt, dit voordeel uitsluitend op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf wordt aangemerkt als bestanddeel van het belastbare inkomen. De belastbare winst is opgenomen in afdeling 3.2 en het belastbare loon is opgenomen in afdeling 3.3. Dit betekent dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of sprake is van winst uit onderneming (vgl. Gerechtshof Amsterdam 19 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:454).

Keywords

AI generated
income from self-employment bogus self-employment tax on profits of self-employment trade tax adjustment undeclared gainful employment misappropriation of salary deductions

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2015:454
Contractant 2 verleent ondersteunende productiewerkzaamheden ten behoeve van de producties van [F] Producties; zijnde[diverse acts] en de theatervoorstellingen.
ECLI:NL:HR:1992:ZC5085
Hoge Raad 16 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5085).
ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1828
GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk P 08/00324 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van - de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht Gerbrandystraat, de inspecteur, tegen de uitspraak in de zaak met kenmerknummer AWB 07/2951 van de rechtbank Haarlem van 11 februari 2008 in het geding tussen - X, wonende te P, belanghebbende, gemachtigde B. Schoenmaker, en - de inspecteur. 1. Ontstaan en loop van het geding De inspecteur heeft met dagtekening 6 mei 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.079. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 11 april 2007, de navorderingsaanslag gehandhaafd. Bij uitspraak van 11 februari 2008 (AWB 07/2951), verzonden op 15 februari 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag vernietigd. Tegen bovenstaande uitspraak van de rechtbank heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 26 maart 2008, bij het Hof ingekomen op 27 maart 2008, en aangevuld bij brief van 8 mei 2008. De gemachtigde heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2.Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende – in hoger beroep niet alsnog weersproken - feiten vastgesteld (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de inspecteur als verweerder): 2.1. Eiseres, musicus van beroep, heeft over het jaar 2002 op 5 januari 2004 aangifte IB/PVV gedaan naar het hieronder vermelde inkomen. De aangifte is ingediend en verzorgd door belastingadvieskantoor B. Schoenmaker en bevat voor zover van belang de volgende gegevens. Winst uit onderneming € 2.744 Zelfstandigenaftrek € 8.187 -/- Loon uit dienstbetrekking € 439 Ingehouden loonheffing € 26 Opbrengst overige werkzaamheden € 0 Te verrekenen loonheffing die onder de artiesten of beroepssportersregeling vielen € 1.347 Huurwaarde eigen woning € 1.009 Betaalde rente en kosten € 6.837 Toegerekend saldo van inkomsten en aftrekposten € 1.136 -/- ------------- Inkomen uit werk en woning € 2.047 Persoonsgebonden aftrek € 155 ------------- Belastbaar inkomen uit werk en woning € 1.892 In de bijlage bij de aangifte over 2002 is de volgende specificatie van de winstberekening gevoegd: Loonheffing, zie “inkomsten niet uit dienstbetrekking” Muziek Lycea te P € 10.439 € 1.347 Dwarsfluitlessen € 1.435 Optredens ` € 350 ------------- Omzet totaal € 12.224 2.2. Verweerder heeft overeenkomstig de ingediende aangifte IB/PVV met dagtekening 26 maart 2005 de aanslag IB/PVV over 2002 opgelegd. 2.3. In mei 2005 deelt gemachtigde van eiseres mede aan een behandelend ambtenaar dat hij in een vergelijkbaar geval bij een andere belastingplichtige eerst achteraf, als de verhouding tussen de verschillende inkomsten duidelijk is, een keuze maakt of sprake is van winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden. Als de behandelend ambtenaar de aangifte IB/PVV over 2003 van eiseres dient te beoordelen, besluit deze naar aanleiding van de eerdere mededeling van gemachtigde de aangifte IB/PVV aan een meer gedetailleerd onderzoek te onderwerpen. 2.4. Met dagtekening 27 oktober 2005 wordt de aanslag IB/PVV over 2003 opgelegd. Verweerder heeft daarbij de geclaimde zelfstandigenaftrek gecorrigeerd. 2.5. Naar aanleiding van een ingediend bezwaar tegen de aanslag IB/PVV over het jaar 2003, heeft verweerder op 19 januari 2006 een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften IB/PVV over de jaren 2001, 2002 en 2003. Met dagtekening 21 april 2006 is een rapport uitgebracht. 2.6. Tijdens het onderzoek komt naar voren dat eiseres tot 1 september 2002 op basis van een jaarcontract in dienstbetrekking werkzaam is geweest bij Stichting Muzieklycea te P. Vanaf 1 september 2002 is zij daar voor onbepaalde tijd in dienst getreden. Naast dit dienstverband geeft eiseres privéles dwarsfluit aan particulieren en treedt zij incidenteel op. De werving van leerlingen voor particuliere lessen vindt plaats door mond op mond reclame en door berichten die bij de muziekschool worden opgehangen. De particuliere lessen worden bij eiseres thuis of in gehuurde ruimte gegeven. In verband met de geboorte van het kind van eiseres in december 2004 worden sindsdien geen lessen meer thuis gegeven. 2.7. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft eiseres een achteraf opgemaakte urenlijst verstrekt, waarin een specificatie van haar werkzaamheden is opgenomen. Volgens de urenlijst bedraagt het totaal aantal uren in 2002 1.457. In de urenlijst is geen onderscheid gemaakt tussen de uren besteed aan de onderneming en de uren besteed aan de dienstbetrekking. 2.8. Tijdens de controle heeft eiseres haar agenda’s ter inzage verstrekt. 2.9. De controlerend ambtenaar heeft op basis van zijn bevindingen geconcludeerd dat eiseres in de jaren 2001, 2002 en 2003 niet aan het urencriterium heeft voldaan. 2.10. Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek heeft verweerder met dagtekening 6 mei 2006 de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. Gemachtigde heeft op 29 mei 2006 gereageerd op het rapport boekenonderzoek en tevens bezwaar aangetekend tegen de navorderingsaanslag. 2.11. Op 23 en 30 januari 2007 heeft de behandelend ambtenaar telefonisch overleg gevoerd met gemachtigde en daarbij een compromis aangeboden. Gemachtigde heeft het compromis niet aanvaard. 2.12. Bij brief van 16 februari 2007 heeft de behandelend ambtenaar verzocht om agenda’s en overige primaire bescheiden met betrekking tot de urenverantwoording over 2001 en 2002. 2.13. Bij brief van 20 februari 2007 heeft gemachtigde aangegeven dat de navorderingsaanslag ten onrechte was opgelegd aangezien een nieuw feit ontbreekt en overigens de gevraagde gegevens al eerder zijn overgelegd. 2.14. Bij brief van 1 maart 2007 heeft de behandelend ambtenaar wederom verzocht om de gevraagde gegevens als vermeld onder 2.14. Bij brief van 10 april 2007 heeft gemachtigde gereageerd en een kopie van de urenlijsten 2001 en 2002 verstrekt. 2.2. Het Hof voegt daaraan nog toe: 2.2.1. In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 van belanghebbende is onder vraag 10d “Te verrekenen Nederlandse loonheffing over inkomsten die onder de artiesten- of beroepssportersregeling vielen” € 1.347 vermeld. 3. Geschil in hoger beroep Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, of -voor het geval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord- de inspecteur voor de navorderingsaanslag beschikt over het daarvoor benodigde nieuwe feit, of, bij afwezigheid van een nieuw feit, de navordering toch mogelijk is in verband met kwade trouw van de zijde van belanghebbende Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of belanghebbende in 2002 voldeed aan de eisen die de wet stelt aan toepassing van de zelfstandigenaftrek. Daarbij is niet in geschil dat belanghebbende voor wat betreft haar dwarsfluitlessen en optredens in het onderhavige jaar een onderneming dreef. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende tenminste 1225 uren besteedde aan het feitelijk drijven van haar onderneming. 4.1.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inkomsten genoten uit de dienstbetrekking bij de Stichting Muzieklycea te P moeten worden gerekend tot de winst uit onderneming en dientengevolge de aan deze dienstbetrekking bestede uren meetellen voor voornoemd urencriterium. 4.1.2. Voor het aldus aanmerken van loon uit dienstbetrekking als winst uit onderneming is vereist dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking en de werkzaamheden verricht als ondernemer en bovendien dat de werkzaamheden in dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen. De activiteiten die belanghebbende als ondernemer verricht vertonen naar het oordeel van het Hof niet een zodanig nauwe samenhang met haar werkzaamheden als docent in dienstbetrekking, en evenmin zijn de activiteiten als ondernemer dermate overheersend, dat de uren gewerkt in loondienst moeten worden geacht als onderdeel van de onderneming daarin te zijn opgegaan. Ten aanzien van dit laatste is van belang dat de genoten looninkomsten beduidend meer bedragen dan de ondernemingswinst. Voorts kan uit de door belanghebbende overgelegde urenstaten niet worden afgeleid welke uren zijn besteed aan de dienstbetrekking en welke uren aan de onderneming. In dit licht kan niet worden gesproken van werkzaamheden die in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen, noch in financiële zin, noch in de zin van tijdsbesteding per week. Een en ander leidt tot de conclusie dat de inkomsten uit de dienstbetrekking bij de Stichting Muzieklycea te P geen winst uit onderneming vormen en dientengevolge de uren die belanghebbende in deze dienstbetrekking heeft gewerkt buiten beschouwing gelaten dienen te worden bij de vaststelling van de uren welke besteed zijn aan het feitelijk drijven van de onderneming. 4.1.3. Tussen partijen is niet geschil dat indien de uren die belanghebbende heeft besteed aan haar dienstbetrekking bij de Stichting Muzieklycea te P niet meetellen voor het uren-criterium alsdan niet wordt voldaan aan dit urencriterium. Hieruit volgt dat belanghebbende geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek. 4.2. Dan moet de vraag worden beantwoord of de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag beschikte over het zogenaamde nieuwe feit dat voor navordering vereist is. 4.2.1. Het Hof stelt voorop dat de inspecteur in beginsel erop mag vertrouwen dat het voorwerp van belastingheffing in de aangifte op een juiste wijze is verantwoord. Dit uitgangspunt geldt in het bijzonder met betrekking tot aangiften die op het eerste gezicht een verzorgde indruk maken en zijn begeleid door een professionele gemachtigde. Aan deze voorwaarde beantwoordt de namens belanghebbende gedane aangifte. Niettemin kan ook een op het eerste gezicht verzorgde aangifte informatie bevatten die de inspecteur bij een behoorlijke vervulling van zijn aanslagregelende taak redelijkerwijs ertoe zou hebben moeten brengen daarover vragen te stellen. In de onderhavige situatie dient beoordeeld te worden of de inspecteur een ambtelijk verzuim beging door geen onderzoek in te stellen naar de juistheid van de aftrekpost "zelfstandigenaftrek", mede gelet op het onder de onder vraag 10d van de aangifte opnemen van € 1.347 aan te verrekenen Nederlandse loonheffing terwijl er geen bijbehorende inkomsten uit de artiesten- of beroepssportersregeling bij deze vraag worden verantwoord en hetzelfde bedrag wordt verantwoord in de bij de aangifte van belanghebbende gevoegde winstberekening maar dan in relatie tot de als netto omzet verantwoorde ‘Muzieklycea P’. 4.2.2. Het Hof acht deze vermeldingen op zichzelf en beoordeeld in samenhang met de aangifte in haar geheel niet zodanig kwestieus dat de inspecteur in het kader van de aanslagregeling een onderzoek naar die posten had behoren in te stellen. Het als omzet opnemen van inkomsten uit muzieklycea is op zichzelf niet zodanig ongewoon te achten dat de inspecteur reeds op grond van de vermelding elders in de aangifte van ‘te verrekenen Nederlandse loonheffing over inkomsten die onder de artiesten- of beroepssportersregeling’ een onderzoek had moeten verrichten. Het Hof neemt daarbij in aanmerking de toelichting door gemachtigde op zijn wijze van invullen van het aangiftebiljet, en de reactie daarop van de inspecteur. Gemachtigde heeft verklaard in zijn adviespraktijk veel cliënten te hebben die in vergelijkbare omstandigheden verkeren. In deze aangiften worden door hem eveneens in de bijgevoegde jaarrekeningen omzet uit onderneming verantwoord, waarbij de ingehouden loonheffing op overeenkomstige wijze onder vraag 10d van het biljet wordt vermeld. De inspecteur heeft daarop ter zitting verklaard, bekend te zijn met deze wijze van invullen van het aangiftebiljet. In geval van artiesten die losse optredens hebben waarvan de opbrengst door hen terecht als omzet uit onderneming wordt aangemerkt maar (desondanks) bij wetsfictie loonheffing plaatsvindt, is deze wijze van verwerking niet ongebruikelijk. In het onderhavige geval was dan ook bij de aanslagregeling geen aanleiding voor een nader onderzoek. Eerst bij het boekenonderzoek bleek dat niet bij wetsfictie bij belanghebbende loonheffing was ingehouden, maar op grond van een vast dienstverband, en dat de inkomsten van het muzieklyceum ten onrechte zijn aangemerkt als omzet uit onderneming. Door bij de aanslagregeling naar de litigieuze posten geen onderzoek in te stellen heeft de inspecteur dan ook geen ambtelijk verzuim begaan. Na de vaststelling van de definitieve aanslag vormde het door de controlemedewerker uitgevoerde onderzoek en de uitkomst daarvan voor de inspecteur het nieuwe feit dat de navordering rechtvaardigde. Nu sprake is van een nieuw feit kan buiten beschouwing blijven of er sprake was van kwade trouw van de zijde van belanghebbende. 4.3. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaren. 5. Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6. Beslissing Het Hof : - vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en - verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, A.M.J.G. van Amsterdam en M.J. Hamer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands als griffier. De beslissing is op 14 mei 2009 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem zaaknummer: HAA 16/3148 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2017 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiser (gemachtigde: B. Schoenmaker), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag (aanslagnummer: 1714.36.258.H.36.01) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.215. Tevens is bij beschikking € 335 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2017 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Soekhlal en mr. W.Y. Ip. Overwegingen Feiten 1. Eiser speelt trombone. Hij is in het onderhavige jaar in dienstbetrekking bij de Stichting [A] (hierna: [A] ). Daarnaast geniet hij inkomsten van Stichting [B] (hierna: [B] ) en behaalt hij omzet buiten dienstbetrekkingen.

2. Eiser heeft in 2013 de volgende inkomsten ontvangen: [B] , van 1 januari tot en met 31 augustus, € 10.685; [A] , van 1 januari tot en met 31 december, € 73.192; Omzet buiten dienstbetrekkingen voor een bedrag van € 9.008.

3. In een brief van 18 oktober 2012 van [B] aan eiser staat dat eiser wordt benoemd in de functie van docent 2. Aan eiser wordt een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden conform artikel D-5 van de cao-hbo. In de bijgevoegde arbeidsovereenkomst tussen eiser (in de overeenkomst aangeduid als “werknemer”) en [B] (in de overeenkomst aangeduid als “werkgever”) staat, voor zover van belang, het volgende: “Werknemer is met ingang van 1 november 2012 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam bij werkgever, in de functie van docent 2 met standplaats [plaats] .

Werkgever is conform artikel C-3 lid 3 van de cao-hbo bevoegd tot wijziging van standplaats en uitbreiding/vermindering van het aantal standplaatsen. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel D-4 in samenhang met artikel D-5 lid 1 sub a van de cao-hbo. De arbeidsovereenkomst is geldig tot 1 november 2013 en eindigt van rechtswege. Partijen hanteren voor zover noodzakelijk een opzegtermijn op basis van artikel Q-2, lid 3 van de cao-hbo. De overeengekomen betrekkingsomvang is vastgesteld op 0,2 fte normbetrekking.

Bij indiensttreding is het salaris vastgesteld binnen de functieschaal 11 conform de cao-hbo en bedraagt € 852,09 bruto per maand. Het salaris wordt per kalendermaand uitbetaald, in de maand mei verhoogd met de vakantie-uitkering en in de maand december verhoogd met de structurele eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel H-1 van de cao-hbo. De uitkering op grond van artikel T-4 lid 2 van de cao-hbo vindt maandelijks plaats. Werknemer kan, met inachtneming van hoofdstuk G van de cao-hbo, worden verplicht werkzaamheden in de avonduren en/of op zaterdag te verrichten.

De vakantieaanspraak van werknemer wordt berekend met inachtneming van hoofdstuk J van de cao-hbo. Werkgever en werknemer nemen bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst de bepalingen terzake zoals opgenomen in de cao-hbo in acht. Werkgever sluit voor werknemer een pensioenverzekering af bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Overige bepalingen Op deze arbeidsovereenkomst zijn de ten tijde van ondertekening vigerende cao-hbo en zijn rechtsopvolgers van toepassing, inclusief alle aanvullingen en wijzigingen die deze cao ondergaat. Op deze overeenkomst zijn eveneens van toepassing de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Hoger Beroepsonderwijs (BWRHBO) en de Ziekte- en Arbeidsongeschiktheidsregeling Hoger Beroepsonderwijs (ZAHBO) en rechtsopvolgers, inclusief alle aanvullingen en wijzigingen die deze ondergaan.

Zo ook de reglementen, regelingen en richtlijnen die gelden binnen [B] Hogescholen of die tijdens de looptijd van deze overeenkomst in werking treden en in voldoende mate zijn gecommuniceerd, zoals onder andere het Verzuim- en Re-integratieprotocol, het Reglement Huisregels en Ordemaatregelen, de Integriteitcode, het Privacyreglement personeel en de Gedragscode ICT voor medewerkers. Werknemer kan van deze reglementen kennis nemen via het intranet van [B] Hogescholen, waartoe werknemer toegang heeft.” 4. In een brief van 29 oktober 2013 van [B] aan eiser staat dat eiser wordt benoemd in de functie van docent 2.

Aan eiser wordt een arbeidsovereenkomst aangeboden. De arbeidsovereenkomst tussen eiser en [B] is gelijkluidend aan bovenvermelde arbeidsovereenkomst, geldt van 1 november 2013 tot en met 31 oktober 2014 en eindigt van rechtswege. Daarin is aanvullend het volgende bepaald: “In tegenstelling tot de [B] Reiskostenregeling bedraagt de vergoeding voor reiskosten woon-werkverkeer € 78,97 per maand, gebaseerd op 1 reisdag per week(wijzigingen als gevolg van gewijzigde fiscale- of andere regelgeving zijn voorbehouden). In het kader van onderwijskwaliteit eist werkgever van haar onderwijsgevende medewerkers dat zij in het bezit zijn van de [B] Basiskwalificatie Onderwijs.

Medewerker verplicht zich de opleiding [B] Basiskwalificatie Onderwijs te volgen, welke wordt afgesloten met een assessment.” 5. Eiser heeft een aangifte IB/PVV 2013 ingediend. Hierbij heeft eiser de inkomsten van [B] en de overige omzet aangemerkt als winst uit onderneming. Na aftrek van kosten en toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve bedraagt de winst voor ondernemersaftrek € 7.980. De zelfstandigenaftrek bedraagt volgens de aangifte € 7.280 en de MKB-winstvrijstelling bedraagt € 98 (14% van (€ 7.980 -/- € 7.280)). De aangegeven belastbare winst bedraagt dus € 602.

De inkomsten van [A] zijn aangemerkt uit loon uit dienstbetrekking voor een bedrag van € 73.192. Het totale – in de aangifte IB/PVV 2013 verantwoorde – inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek bedraagt aldus € 73.794.

6. Met dagtekening 9 december 2015 heeft verweerder aan eiser de aanslag IB/PVV over het jaar 2013 opgelegd met inachtneming van een bedrag aan inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van € 80.055. Het inkomen uit werk en woning na toepassing van de persoonsgebonden aftrek bedraagt € 72.215. In de aanslag is rekening gehouden met de volgende correcties: Bij: Correctie zelfstandigenaftrek € 7.280 Af: Correctie MKB-winstvrijstelling 14% maal € 7.280 € 1.019 Totaalbedrag van de afwijkingen € 6.261 Geschil 7. In geschil is of de inkomsten van [B] kwalificeren als winst uit onderneming in de zin van afdeling 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001).

8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de inkomsten van [B] dienen te worden aangemerkt als winst uit onderneming. Eiser heeft ter zitting zijn standpunt, inhoudende dat de inkomsten van [B] dienen te worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden, ingetrokken. Tevens heeft hij aangegeven dat de inkomensafhankelijke combinatiekorting niet meer in geschil is. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag.

9. Verweerder stelt dat de inkomsten van [B] moeten worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking. Daarnaast stelt verweerder dat de aanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld, omdat de kosten in aftrek zijn toegestaan. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil 11. Artikel 2.14 van de Wet IB 2001 bevat een rangorderegeling waarin is bepaald dat een voordeel dat op grond van meerdere artikelen als belastbaar inkomen kan worden aangemerkt, dit voordeel uitsluitend op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf wordt aangemerkt als bestanddeel van het belastbare inkomen. De belastbare winst is opgenomen in afdeling 3.2 en het belastbare loon is opgenomen in afdeling 3.3. Dit betekent dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of sprake is van winst uit onderneming (vgl. Gerechtshof Amsterdam 19 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:454).

12. Ingevolge artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt onder ondernemer verstaan de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Onder onderneming moet worden verstaan een duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van arbeid en veelal kapitaal deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk winst te behalen. Bij de beoordeling of sprake is van een onderneming moet onder meer worden gelet op de duurzaamheid en de omvang van de verrichte werkzaamheden, de beschikbare tijd, de winstverwachting, het debiteuren- en ondernemersrisico, de omvang van de bruto-inkomsten, de omvang van de investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.

13. Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt onder onderneming mede verstaan het zelfstandig uitgeoefende beroep. Daarvan is sprake als de belastingplichtige de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening verricht en daarbij ondernemersrisico loopt. De aanwezigheid van een organisatie van kapitaal en arbeid is hiervoor niet vereist (vgl. Hoge Raad 16 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5085).

14. Op eiser rust de last om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een door hem gedreven onderneming zoals hiervoor is omschreven.

15. Eiser heeft het volgende aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van winst uit onderneming: Eiser leidt zelfstandig de trombone klas. De trombone is een bij-instrument. Aan het begin van het collegejaar worden audities gehouden en hij beoordeelt welke student hij tot zijn klas toelaat. Hij bepaalt onder meer wat de studenten doen, welke materialen ze gebruiken en hij geeft op deze wijze het traject vorm. Hij bepaalt of de studenten slagen. Eiser beoordeelt zelfstandig de voortgang van de lessen. Er is geen doorlopend werkgeversgezag. Eiser heeft aangegeven dat hij niet ziek is geweest in de periode dat hij les gaf.

16. Verweerder betwist de stelling van eiser dat sprake is van winst uit onderneming en stelt daartoe het volgende: Eiser heeft een verantwoordelijkheid richting de Examencommissie van de betreffende hogeschool en derhalve is sprake van een gezagsverhouding. Als sprake is van ziekte, dan zal voor eiser een vervanger moeten worden geregeld.

17. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. De rechtsverhouding tussen eiser en [B] dient op grond van de in 2012 en 2013 gesloten arbeidsovereenkomsten als dienstbetrekking te worden gekwalificeerd, aangezien sprake is van loon, arbeid en gezag. Immers, voor de werkzaamheden betreffende [B] zijn overeenkomsten gesloten die naar inhoud en strekking een dienstbetrekking betreffen (zie hiervoor onder 3 en 4). Volgens de overeenkomsten wordt eiser bij [B] werkzaam in de functie van docent. Uit de overeenkomst blijkt verder dat sprake is van een salaris op basis van een functieschaal, een opzegtermijn, een pensioenverzekering bij het ABP, een vakantietoeslag, een vergoeding voor reiskosten, alsmede toepasselijke cao-bepalingen.

Nu de werkzaamheden tegen een vooraf overeengekomen vergoeding worden verricht, loopt eiser in zoverre geen ondernemersrisico. De tijdelijke aard van die overeenkomst maakt dat niet anders. Dat heeft ook te gelden voor het risico dat geen nieuwe overeenkomsten worden gesloten. Dit is geen risico dat voldoende is voor het aannemen van ondernemersrisico en hangt als zodanig niet samen met de arbeidsverhouding met [B] . De kans dat [B] de overeengekomen vergoeding niet (volledig) uitbetaalt leidt evenmin tot het aannemen van ondernemersrisico. De overige risico’s waarop eiser zich beroept, brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel.

18. Met betrekking tot de aanwezigheid van een gezagsverhouding oordeelt de rechtbank als volgt. Eiser had op grond van zijn overeenkomst met [B] diverse verplichtingen die hij moest nakomen. Eiser heeft namelijk onder meer een verantwoording richting [B] (waaronder de Examencommissie), aangezien hij ten aanzien van [B] zal moeten verantwoorden of een student het examen voldoende heeft afgesloten. Blijkens de overeenkomst is verweerder bevoegd tot wijziging van standplaats en uitbreiding/vermindering van het aantal standplaatsen en is eiser in het kader van onderwijskwaliteit verplicht een opleiding te volgen en deze af te sluiten met een assessment.

Voorts kan eiser worden verplicht werkzaamheden in de avonduren en/of op zaterdag te verrichten en valt hij blijkens de overeenkomst onder diverse reglementen, regelingen en richtlijnen die gelden binnen [B] Hogescholen. Eiser heeft tevens ter zitting verklaard dat hij niet iets anders doet dan de andere docenten. De rechtbank is op basis van dit een en ander van oordeel dat sprake is van een gezagsverhouding tussen eiser en [B] . Dat eiser als docent een grote mate van vrijheid toekomt bij de invulling van zijn werkzaamheden, betekent niet dat een gezagsverhouding ontbreekt.

19. Gelet op het hiervoor overwogene vormen de inkomsten van [B] op zichzelf bezien loon uit dienstbetrekking en geen winst uit onderneming.

20. Voor het in aanmerking nemen van loon uit dienstbetrekking in het kader van winst uit onderneming is vereist dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de werkzaamheden verricht in de dienstbetrekking en de werkzaamheden verricht als ondernemer en bovendien dat de werkzaamheden in de dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen (vgl. Gerechtshof Amsterdam 14 mei 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1828).

21. Uit onderdeel 20 hiervoor blijkt dat sprake is van cumulatieve vereisten, te weten samenhang tussen de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking en als ondernemer alsmede dat de werkzaamheden in dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats dienen in te nemen. In onderhavige casus bedragen de inkomsten van [A] ten opzichte van het totale inkomen 78,8%, de inkomsten van [B] ten opzichte van het totale inkomen 11,5% en de overige omzet ten opzichte van het totale inkomen 9,7%. Als de inkomsten van [B] worden vergeleken met de overige omzet, dan bedragen de inkomsten van [B] 54,3% en de overige omzet 45,7%. De dienstbetrekking bij [B] betreft een deeltijdbetrekking van 0,2 fte. Dit een en ander in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat de werkzaamheden voor [B] niet een ondergeschikte plaats innemen in het geheel van de ondernemersactiviteiten van eiser. Voor zover eiser deze stelling inneemt, kan deze niet slagen. Bij deze uitkomst is niet in geschil dat eiser geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek.

22. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. K.M.E. de Moor, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.