Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2017:1781 ECLI:NL:RBNHO:2017:1781 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2017:1781 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2017:1781
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 15/4004 uitspraak van de meervoudige kamer van 9 maart 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: drs. M.L. Hassell), en het college van burgemeester en wethouders van Hoorn, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 31 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Bij besluit van 22 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2017:1781 · Rechtbank Noord-Holland: In de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 27 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1839, ECLI:NL:RVS:2016:1840 en ECLI:NL:RVS:2016:1841) heeft de Afdeling overwogen dat Hassell en zijn cliënt misbruik hebben gemaakt van de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen. Hoewel in deze zaak sprake is van een andere cliënt van Hassell en ook het verzoek niet gelijkluidend is, ziet de rechtbank zich ook in dit geval - ambtshalve - gesteld voor de vraag of eiser in zijn beroep kan worden ontvangen.

Keywords

AI generated
requests for information inadequate constitutional complaint requesting state application to an administrative authority request for protection status insufficiently substantiated submissions

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:1839
201506538/1/A3. Datum uitspraak: 27 juli 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 juli 2015 in zaak nr. 15/501 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Zutphen. Procesverloop Bij besluit van 8 oktober 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ingewilligd. Bij besluit van 18 december 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2016:1840
appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2.
ECLI:NL:RVS:2016:1841
201508665/1/A3. Datum uitspraak: 27 juli 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 oktober 2015 in zaak nr. 15/975 in het geding tussen: [wederpartij] en het college. Procesverloop Bij besluit van 30 september 2014 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ingewilligd. Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2014:4129
201311752/1/A3. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013 in zaak nr. 13/4146 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de minister een door [appellante] ingediend verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan haar opgelegde verkeersboete, geweigerd te behandelen. [appellante] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:RVS:2014:4135
201400648/1/A3. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2013 in zaken nrs. 13/2157, 13/3989, 13/4152, 13/4319, 13/4374, 13/5429 en 13/5827 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop [appellant] heeft bij de rechtbank zeven beroepen ingesteld. Één beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan [appellant] opgelegde verkeersboete.
ECLI:NL:RVS:2015:426
201309592/1/A3 en 201309596/1/A3.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 15/4004 uitspraak van de meervoudige kamer van 9 maart 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: drs. M.L. Hassell), en het college van burgemeester en wethouders van Hoorn, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 31 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Bij besluit van 22 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder voorafgaande kennisgeving daarvan aan de rechtbank, niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde M. Klarenbeek. Overwegingen 1. Bij brief van 22 februari 2014 heeft eiser verweerder met een beroep op de Wob verzocht om openbaarmaking van Wob-verzoeken die verweerder in 2014 ten aanzien van milieuvergunningen in het algemeen en het toepassen van de Wet Bibob en het Bibobbeleid heeft ontvangen.

Het gaat daarbij om openbaarmaking van het verzoek om openbaarmaking van documenten en het primair besluit op het verzoek om documenten (zonder bijlagen). Tevens heeft eiser verweerder verzocht om openbaarmaking van Wob-verzoeken die betrekking hebben op bijstandsgerechtigden in het algemeen en de toepassing van het prostitutiebeleid in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 en voor zover de informatie bij verweerder berust.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser ingewilligd en de gevraagde stukken openbaar gemaakt, met dien verstande dat persoonsgegevens zijn geanonimiseerd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van misbruik van recht.

3. In de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 27 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1839, ECLI:NL:RVS:2016:1840 en ECLI:NL:RVS:2016:1841) heeft de Afdeling overwogen dat Hassell en zijn cliënt misbruik hebben gemaakt van de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen. Hoewel in deze zaak sprake is van een andere cliënt van Hassell en ook het verzoek niet gelijkluidend is, ziet de rechtbank zich ook in dit geval - ambtshalve - gesteld voor de vraag of eiser in zijn beroep kan worden ontvangen.

4. Onder verwijzing naar inmiddels vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst. Ze bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

5. Onder verdere verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:426) laat artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek behoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. 6.1 In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat dat geen rechtsregel een indiener van een Wob-verzoek ertoe verplicht reeds bij het indienen van een verzoek de doelstellingen van dat verzoek in geuren en kleuren uit de doeken te doen.

De rechtbank stelt vast dat eiser, ook nadat hij zich daartoe in het bestreden besluit door verweerder kennelijk wel uitgenodigd voelde, (ook) in zijn beroepschrift geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de achtergrond van het door hem ingediende Wob-verzoek. De vraag naar de achtergrond van het verzoek is ook hier relevant, temeer nu het door eiser ingediende Wob-verzoek verzoeken bevat van zeer uiteenlopende aard, welke ook niet direct met elkaar is verband zijn te brengen. Het verzoek is daarbij ook vaag opgesteld. Onduidelijk is wat precies wordt bedoeld met ‘wob-verzoeken ten aanzien van milieuvergunningen in het algemeen en het toepassen van de Wet Bibob en Bibobbeleid’ en ‘wob-verzoeken die betrekking hebben op bijstandsgerechtigden in het algemeen en de toepassing van het prostitutiebeleid’.

Een dergelijke ruime en vage formulering maakt het op het verzoek te nemen besluit naar het oordeel van de rechtbank extra vatbaar voor discussie in een bezwaarprocedure. 6.2 De rechtbank overweegt dat verweerder zich vanaf de ontvangst van het veelomvattende en vaag geformuleerde verzoek bereidwillig heeft opgesteld, in die zin dat het door eiser ingediende verzoek is ingewilligd en dat de door hem gevraagde informatie derhalve, voor zover aanwezig, openbaar is gemaakt, met dien verstande dat persoonsgegevens zijn geanonimiseerd. Verweerder heeft eiser uitgenodigd de documenten te komen inzien alvorens hem kopieën te verstrekken om te voorkomen dat eiser onnodige kosten voor het maken van kopieën moet maken.

Eiser heeft geen contact opgenomen met verweerder ter verkrijging van de door hem blijkens zijn verzoek gewenste informatie. In plaats daarvan heeft eiser een bezwaarschrift ingediend, waarin is gesteld dat verweerder de documenten niet in de door hem gewenste vorm heeft verstrekt en waarin eiser verweerder heeft verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat indien eiser contact met hem had opgenomen om mee te delen dat hij geen gebruik wenste te maken van de mogelijkheid om de documenten eerst te komen inzien, alle documenten direct in kopie aan hem zouden zijn verstrekt.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat eiser tot op heden nog geen enkel initiatief heeft genomen ter verkrijging van de stukken waarin de door hem gevraagde informatie is neergelegd. De rechtbank stelt vast dat ook het beroepschrift niet ziet op het verkrijgen van de gevraagde informatie, maar dat daarin alleen is gereageerd op het door verweerder subsidiair in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat sprake is van misbruik van recht.

7. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat het eiser niet lijkt te gaan om het verkrijgen van de gevraagde informatie, maar louter om het incasseren van proceskosten ten laste van de overheid. De rechtbank is van oordeel dat aldus de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Er is misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt ook voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dat beroep niet los kan worden gezien van het doel waarvoor de Wob is gebruikt. Deze handelwijze moet aan eiser worden toegerekend, aangezien Hassell de handelingen namens hem heeft verricht en hij hem daartoe heeft gemachtigd.

8. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, en mr. M.P. de Valk en mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.