Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2017:11492 ECLI:NL:RBNHO:2017:11492 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2017:11492 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2017:11492
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 15/1069 en HAA 15/1070 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2017 in de zaken tussen [X] , wonende te [Z] , eiser, gemachtigde: drs. H.F.A.M. Weijnen, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. 15/1070 Procesverloop Verweerder heeft de verzoeken van eiser om ambtshalve vermindering van de aan hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) over de jaren 2010 en 2011 afgewezen op 8 juli 2014. Verweerder heeft na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraken op bezwaar gedagtekend 3 januari 2015 de aanslagen ambtshalve verminderd tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.268 (2010) respectievelijk een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.506 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.886 (2011).

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:11 van de Awb; ECLI:NL:RBNHO:2017:11492 · Rechtbank Noord-Holland: Artikel 9.6 van de Wet IB 2001, houdt - voor zover van belang - het volgende in: “1. Een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag geschiedt uitsluitend op de voet van dit artikel.

Keywords

AI generated
inspection fee assessment of costs taxpayer burden of proof inspection contract obligation to quantify claims verification by the contracting authority

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.
artikel 6:11 van de Awb
Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2002:AE0462
Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1996 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd.
ECLI:NL:HR:2016:347
4 maart 2016 Nr. 15/03126 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juni 2015, nr. 14/01065, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. AWB LEE 13/3052) betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in het recht van successie ter zake van een verkrijging uit de nalatenschap van [A] . De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHAMS:2016:3374
GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk 15/00849 11 augustus 2016 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 15/1603 van de rechtbank Noord- Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, (V.D.R.M. van Schijndel en mr. J.H. van Wier). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 29 april 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) voor het jaar 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.137 opgelegd. 1.2. Bij uitspraak van 11 maart 2015 heeft de inspecteur het bezwaar hiertegen afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld. Bij uitspraak van 4 november 2015 heeft de rechtbank als volgt op het beroep beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “De rechtbank: - verklaart het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 11 maart 2015 gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - verklaart het bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering ongegrond; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.” 1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 december 2015. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Belanghebbende is verschenen en namens de inspecteur, Van Schijndel en Van Wier voornoemd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Nu de uitspraak van de rechtbank geen afzonderlijke vaststelling van de feiten bevat, stelt het Hof de feiten als volgt vast: 2.2. Belanghebbende is sinds 1 november 2004 in dienst bij de Stichting [Y] . In het jaar 2012 geniet belanghebbende uit deze dienstbetrekking een loon ten bedrage van € 20.137. 2.3. In zijn aangifte IB 2012 heeft belanghebbende een post ‘aftrek scholingsuitgaven’ opgevoerd ten bedrage van € 3.000. Deze post is door belanghebbende als volgt cijfermatig onderbouwd: Volkskrant € 281,90 NRC € 326,00 Financieel Dagblad € 300,00 Weekbladen € 300,00 Boeken € 1200,00 Tijdschrift voor arbeidsvraagstukken € 110,00 Tijdschrift voor arbeid en participatie/zeggenschap € 36,00 Facta sociaal wetenschappelijk magazine € 200,00 Magazines politieke partijen € 80,00 Deviant € 22,65 Beroepsmatige kosten telefoon € 300,00 -------------------- Totaal € 2989,90 2.4. De inspecteur heeft de aftrek ter zake scholingsuitgaven afgewezen en de aanslag IB 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.137. 3Geschil in hoger beroep 3.1. Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor aftrek ter zake (gestelde) scholingsuitgaven in de zin van artikel 6.27 Wet IB 2001. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal. 4Het oordeel van de rechtbank 4.1. De rechtbank heeft - voor zover in hoger beroep relevant - het volgende overwogen: “12. Partijen zijn eensluidend van oordeel dat in het bezwaarschrift mede een verzoek om ambtshalve vermindering besloten ligt, welk verzoek moet worden geacht te zijn afgewezen in de uitspraak van 11 maart 2015. Tegen deze afwijzing stond bezwaar open op de voet van artikel 9.6, derde lid, van de Wet IB 2001. Eiser heeft in plaats van bezwaar evenwel (tijdig) beroep ingesteld op 8 april 2015. Op verzoek van eiser ter zitting en met instemming van verweerder zal de rechtbank evenwel – met toepassing van artikel 7:1a van de Awb – het beroep in behandeling nemen, waarbij de bezwaarfase wordt overgeslagen. 13. Ingevolge artikel 9.6, eerste lid, van de Wet IB 2001 in samenhang gelezen met artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, vermindert de inspecteur een onjuiste belastingaanslag ambtshalve zodra hem is gebleken dat de belastingaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Dit houdt in dat de belastingplichtige moet doen blijken – dat wil zeggen overtuigend aantonen – dat de belastingaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld. In het geval van eiser betekent dit dat hij overtuigend moet aantonen dat hij in het onderhavige jaar recht had op scholingsaftrek. 14. In artikel 6.27, eerste lid van de Wet IB 2001 is het volgende bepaald: “Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.” 15. Eiser heeft over de door hem geclaimde scholingsaftrek aangevoerd dat hij in het kader van de WSW een leertraject volgt waarbij hij onder begeleiding en toezicht aanvullende werkervaring opdoet bij Stichting [Y] . Zijn werkzaamheden waren (mede) gericht op een duurzame herintreding op de arbeidsmarkt, waarbij hij zijn eigen werkplek heeft gecreëerd. Werken in het kader van de WSW is werken onder toezicht / begeleiding van een jobcoach/werkbegeleider. Er is sprake van een leertraject, namelijk het opdoen van werkervaring en het onder toezicht kennis verwerven. Het is hierbij noodzakelijk om de ontwikkelingen op zijn werkterrein door middel van aanvullende studie te volgen. In dit kader maakt hij scholingskosten, welke hij in aftrek op zijn inkomen wenst te brengen, aldus nog steeds eiser. Eiser baseert zijn standpunt in het bijzonder nog op de bijlage bij het aangiftebiljet ib/pvv 2012. 16. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken dat in deze zaak sprake is van aftrekbare scholingsuitgaven. Eiser volgt in het onderhavige jaar geen concrete studie of opleiding voor een beroep. De werkzaamheden binnen dienstverband voor de Stichting [Y] zelf zijn niet als zodanig aan te merken. De omstandigheid dat eiser voor zijn werk voor de Stichting [Y] beroepsmatig ontwikkelingen op zijn werkterrein bijhoudt, is niet aan te merken als het volgen van een opleiding of studie in de zin van artikel 6.27, eerste lid van de Wet IB 2001. Bij het volgen van een opleiding of studie in de zin van genoemd artikel is in ieder geval nodig dat het verwerven van de kennis onder enige begeleiding of toezicht van een derde plaatsvindt. In dit kader is zelfstudie en het bijhouden van vakliteratuur onvoldoende (vgl. HR 25 januari 2008, nr. 41927, ECLI:NL:HR:2008:BC2601). De door eiser opgevoerde kosten kunnen dan ook niet worden aangemerkt als aftrekbare scholingsuitgaven. Verweerder heeft deze kosten derhalve terecht niet in aftrek toegelaten. 17. Gelet op hetgeen onder 11 is overwogen, zal het beroep voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar gegrond worden verklaard. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten gesteld. Voor zover het beroep gericht is tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering, is het ongegrond.” 5Beoordeling van het geschil Opmerking vooraf 5.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 29 april 2014 een (definitieve) aanslag IB 2012 opgelegd, waarna belanghebbende bij brief van 1 december 2014, gelijktijdig met zijn bezwaar hiertegen, heeft verzocht om ambtshalve vermindering van die aanslag. Dit verzoek is voorts door de inspecteur afgewezen bij beslissing van 11 maart 2015. Het Hof begrijpt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen, aldus dat deze uitspraak met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet op het rechtstreeks beroep van belanghebbende tegen de afwijzende beslissing op zijn verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag IB 2012. De rechtbank heeft het beroep, aldus verstaan, terecht als een ontvankelijk beroep in behandeling genomen. Bewijslastverdeling bij ambtshalve vermindering van aanslag IB 5.2. Op grond van artikel 9.6, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001 kan een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve worden verminderd. Die vermindering geschiedt, volgens de letter van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling van de Wet IB 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling), zodra de inspecteur is gebleken (cursivering: Hof) dat de belastingaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld en mits geen van de uitzonderingen genoemd in onderdeel a tot en met e van voormeld artikel 45aa zich voordoet. Artikel 45aa is met ingang van 2010 in de Uitvoeringsregeling opgenomen (Regeling van 17 december 2009, nr. DB2009/735M, Stcrt. 2009, 20549, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 23 december 2010, nr. DB2010/281M, Stcrt. 2010, 21111). De zinsnede ‘zodra de inspecteur is gebleken’ zoals opgenomen in de aanhef van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling wordt in de toelichting op het wijzigingsbesluit van 23 december 2010 als volgt toegelicht: “(…) Voor de goede orde wordt opgemerkt dat met de toegevoegde zinsnede ‘zodra de inspecteur is gebleken’ zowel wordt gedoeld op de situatie dat belastingplichtige informatie heeft aangedragen als op de situatie dat de Belastingdienst zelf op welke manier dan ook een onjuistheid op het spoor is gekomen. (…)” (zie de toelichting op het Besluit van 23 december 2010, nr. DB2010/281M, Stcrt. 2010, nr. 21111, blz. 41-42). 5.3. Het Hof overweegt dat uit de tekst van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling, in samenhang met het hiervoor opgenomen citaat uit de toelichting op die bepaling, niet (zoals de rechtbank wel heeft geoordeeld) volgt dat sprake is een verzwaarde bewijslast voor de belastingplichtige in de zin dat hij overtuigend dient aan te tonen dat de belastingaanslag te hoog is vastgesteld. Het Hof kent, zo er al onduidelijkheid is ter zake van de interpretatie van voormelde bepaling (in het bijzonder van de bedoelde zinsnede van voormeld artikel 45aa), waarde toe aan de totstandkomingsgeschiedenis omdat hieruit volgt dat de zinsnede ‘zodra de inspecteur is gebleken’ van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling gaat over de wijze waarop de inspecteur de bewuste informatie (die hem heeft doen besluiten tot het ambtshalve verminderen van de belastingaanslag in kwestie) heeft bereikt. Dit kan zijn op aandragen van de belastingplichtige of door een eigen onderzoek van de inspecteur c.q. de Belastingdienst, aldus de toelichting. Aan de term ‘gebleken’ dient dan ook niet de door de rechtbank voorgestane bewijslastverdeling te worden gekoppeld. Het Hof zal bij de navolgende beoordeling de ‘normale’ bewijslastverdeling als uitgangspunt nemen. Dit betekent dat gelet op het feit dat belanghebbende zich op een aftrekpost beroept en de inspecteur die post heeft betwist, belanghebbende feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken op grond waarvan hij recht heeft op aftrek van scholingsuitgaven. Recht op aftrek van scholingsuitgaven? 5.4. Op grond van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 worden als scholingsuitgaven aangemerkt de uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Tijdens de parlementaire behandeling (Memorie van Toelichting) van de totstandkoming van deze bepaling zijn doel en strekking als volgt toegelicht (TK 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 260-261): "Met de term ‘met het oog op het verwerven van inkomen uit arbeid en woning’ wordt beoogd aan te geven dat het doel van de opleiding bepalend is voor de aftrekbaarheid van de scholingsuitgaven. Het geobjectiveerde doel van het volgen van de opleiding of studie moet zijn hetzij het verbeteren van de financieel-economische positie van de belastingplichtige, hetzij het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het verwerven of behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid. Uitgaven voor een opleiding of studie die wordt gevolgd als hobby of uit persoonlijke interesse, kunnen dus niet als scholingsuitgaven in aanmerking komen, evenmin als dergelijke uitgaven in een te ver verwijderd verband staan met het verwerven van inkomen uit werk en woning." Per 1 januari 2013 is artikel 6.27 van de Wet IB 2001 gewijzigd. Uit de parlementaire behandeling (Memorie van Toelichting) van de wijzigingsbepaling blijkt dat die wijziging enkel tot doel heeft het type uitgaven te limiteren (TK 2012/13, 33 402, nr. 3, blz. 24). De doelstelling van de regeling is daarbij ongewijzigd gebleven. 5.5. Gelet op deze wetsgeschiedenis staat de wetgever (bij de invoering van artikel 6.27 van de Wet IB 2001) een ruimere aftrekmogelijkheid voor dan volgt uit de (beperkte) uitleg die de Hoge Raad destijds heeft gegeven aan artikel 46, lid 1, letter c, van de Wet IB 1964, te weten het door de belastingplichtige op grond van opleiding of studie verwerven van vakkennis welke hij nog niet bezat, teneinde vakbekwaamheid te verkrijgen of zijn vakbekwaamheid uit te breiden, zulks met het oogmerk en in de redelijke verwachting na voltooiing van de opleiding of studie de verworven kennis in het economische verkeer productief te maken (zie Hoge Raad 7 november 2003, nr. 37862, BNB 2004/179). In de Memorie van Toelichting bij artikel 6.27 van de Wet IB 2001 is namelijk (zoals opgenomen in rechtsoverweging 5.4.) vermeld dat eveneens als scholingsuitgaven zijn aan te merken opleidings- of studiekosten die zijn gemaakt met als doelstelling het (louter) op peil houden van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het verwerven hetzij behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid en/of het verbeteren van de financieel economische positie. Dergelijke uitgaven vallen derhalve eveneens onder de reikwijdte van artikel 6.27 van de Wet IB 2001. 5.6. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de door hem genoemde uitgaven (zie onder 2.3.) sprake is scholingsuitgaven met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning in voornoemde (onder 5.4. en 5.5. opgenomen) zin. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van opleidings- of studiekosten ter verwerving of uitbreiding van de eigen vakbekwaamheid dan wel van kosten voor het op peil houden van belanghebbendes kennis en vaardigheden. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de door hem opgevoerde uitgaven van (ongeveer) € 3.000, vallen onder de reikwijdte van 6.27 van de Wet IB 2001. De inspecteur heeft aldus terecht de aftrek van de door belanghebbende genoemde uitgaven (zie onder 2.3.) voor 2012 geweigerd. 5.7. Voor zover belanghebbende heeft beoogd te betogen dat met het in voorgaande jaren in aftrek toelaten van de in zijn aangiften IB opgevoerde scholingsuitgaven jegens hem het vertrouwen zou zijn gewekt dat in het jaar 2012 deze scholingsuitgaven eveneens zouden worden geaccepteerd, leidt dit betoog niet tot een andere uitkomst. Het Hof overweegt dat voor een zodanig beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat, afgezien van het volgen van de aangiften IB gedurende een aantal jaren, belanghebbende anderszins de indruk heeft kunnen krijgen dat sprake is van een weloverwogen standpuntbepaling door de inspecteur. Feiten en omstandigheden die zulks aannemelijk maken zijn niet gesteld en/of gebleken. 5.8. Ook de informatie opgenomen in punt 42 van de toelichting bij de aangifte IB voor 2012, geeft geen aanleiding tot het alsnog in aftrek toelaten van de opgevoerde uitgaven. Nog daargelaten of de door belanghebbende voorgestane lezing van dit gedeelte van de toelichting op de aangifte juist is (de inspecteur betwist dat belanghebbendes lezing juist is), gaat het om een voor algemeen gebruik opgesteld formulier waarin voorlichting wordt gegeven in verband met de invulling van de aangifte. Met het oog op het belang dat de fiscus zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen, moet worden aanvaard dat een mogelijke onjuiste voorlichting door de fiscus in de regel niet voor diens rekening komt. De inspecteur is in de regel niet gebonden aan de door dergelijke voorlichting gewekte verwachtingen, vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 26 september 1979, nr. 19250, BNB 1979/311 en van 9 maart 1988, nr. 24199, BNB 1988/148. Hierbij overweegt het Hof dat de uitspraak van de rechtbank en de gedingstukken geen aanwijzingen bevatten dat in dit geval sprake is van schade ten gevolge van het voortbouwen op gerechtvaardigd vertrouwen als in die arresten bedoeld, op grond waarvan een uitzondering op de genoemde regel aangenomen zou kunnen worden. Slotsom 5.9. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. 6Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. 7Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 11 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken. griffier voorzitter In afschrift aan partijen verzonden op: Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:GHAMS:2017:1782
Eiser is geboren op [geboortedatum] .
ECLI:NL:HR:1982:AW9099
22.345, ECLI:NL:HR:1982:AW9099, BNB 1984/271) onder meer het volgende: “4.2.
ECLI:NL:HR:2003:AN8679
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.175, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 53.427. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 15/1069 en HAA 15/1070 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2017 in de zaken tussen [X] , wonende te [Z] , eiser, gemachtigde: drs. H.F.A.M. Weijnen, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. 15/1070 Procesverloop Verweerder heeft de verzoeken van eiser om ambtshalve vermindering van de aan hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) over de jaren 2010 en 2011 afgewezen op 8 juli 2014. Verweerder heeft na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraken op bezwaar gedagtekend 3 januari 2015 de aanslagen ambtshalve verminderd tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.268 (2010) respectievelijk een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.506 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.886 (2011).

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld bij beroepschrift door de rechtbank ontvangen op 18 februari 2015. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft een conclusie van repliek ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Op de zitting is gelijktijdig behandeld het beroep van [A] met zaaknummer HAA 15/1071. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Namens verweerder zijn verschenen mr. R.A. Wolffram en mr. J.H. van Wier. Bij brief van 16 september 2016 heeft de rechtbank partijen te kennen gegeven het onderzoek in de zaken van eiser met nummers 15/1069 en 15/1070 te heropenen en de zaken te verwijzen naar een meervoudige kamer. Eiser heeft vervolgens nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Verweerder heeft voorts op verzoek van de griffier van de rechtbank een afschrift verstrekt van het bij de rechtbank ingediende beroepschrift in de zaak van [A] met zaaknummer HAA 15/1071.

Het (nadere) onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. R.A. Wolffram en mr. J.H. van Wier. Overwegingen Feiten 1. Eiser is gehuwd. De echtgenote van eiser (hierna: de echtgenote) draagt haar linkerbeen en -voet in een orthese. Zij lijdt tevens aan polymyalgia rheumatica en kan daardoor alleen over kleinere afstanden lopen.

2. Het loon uit vroegere dienstbetrekking van eiser bedroeg in 2010 € 52.249 en in 2011 € 45.943. Het loon uit vroegere dienstbetrekking van de echtgenote bedroeg in 2010 € 20.675 en in 2011 € 21.075.

3. Tot 27 augustus 2010 reden eiser en de echtgenote in een Honda CR-V, bouwjaar 2001, catalogusprijs € 34.500. Vanaf 27 augustus 2010 rijden zij in een Honda CR-V met als eerste afgiftedatum van het kentekenbewijs 27 mei 2010 (hierna: de Honda). De aankoopprijs bedroeg € 40.000. De catalogusprijs van deze auto bedraagt € 44.750. De echtgenote is in het bezit van een rijbewijs.

4. Eiser berekende zijn extra vervoerskosten in de aangifte ib/pvv voor het jaar 2010 op: Autokosten € 7.914 (hierin een degressieve afschrijving van € 3.220) Openbaar vervoer € 60 Fietsen € 484 + (onderhoud/afschrijving) Totaal € 8.458 Vergelijkbare personen € 5.427 -/- (vergeleken met autokosten kleine middenklasse en 15.695 verreden kilometers) Aftrek € 3.031 5. Verweerder heeft de autokosten van vergelijkbare personen voor het jaar 2010 gesteld op € 6.693, waarbij is vergeleken met de autokosten van een kleine middenklasse auto tot 27 augustus 2010 en een middenklasse auto vanaf 27 augustus 2010 en 15.695 verreden kilometers. De aftrek extra vervoerskosten is gehonoreerd tot een bedrag van € 1.765, voor aftrek van de daarvoor geldende drempel.

6. Eiser berekende zijn extra vervoerskosten in de aangifte ib/pvv voor het jaar 2011 op: Autokosten € 14.630 (hierin een degressieve afschrijving van € 8.080) Openbaar vervoer € 15 Fietsen/rolstoel € 190 + (onderhoud, huurauto) Totaal € 14.835 Vergelijkbare personen € 5.427 -/- (vergeleken met autokosten kleine middenklasse en 15.695 verreden kilometers) Aftrek € 9.408 7. Verweerder heeft de autokosten van vergelijkbare personen voor het jaar 2011 gesteld op € 7.676, waarbij is vergeleken met een middenklasse auto en 15.695 verreden kilometers. De aftrek extra vervoerskosten is gehonoreerd tot een bedrag van € 7.159, voor aftrek van de daarvoor geldende drempel.

8. De rechtbank heeft het beroep van [A] met zaaknummer HAA 15/1071 ongegrond verklaard bij uitspraak van 10 oktober 2016. Het hiertegen door [A] ingestelde hoger beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van 28 september 2017 van het Gerechtshof Amsterdam (zaaknummer 16/00462). Zij heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld. Geschil 9. Allereerst dient in beide zaken de vraag te worden beantwoord of de beroepen ontvankelijk zijn. Verder is in geschil de hoogte van de aftrek specifieke zorgkosten voor wat betreft de extra vervoerskosten.

10. Eiser is het niet eens met de berekening van de extra vervoerskosten van vergelijkbare personen (“de maatman”) voor wat betreft: - het type auto, en - de door eiser gestelde omstandigheid dat zieken en gehandicapten in het algemeen geen zakelijke kilometers rijden, terwijl verweerder daar ten onrechte wel van uitgaat in zijn rekenprogramma. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de belastingaanslagen.

11. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid 12. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is een beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

13. De stukken van verweerder met betrekking tot de vaststelling van de belastbare inkomen van eiser over beide in geschil zijnde jaren waarop staat vermeld "Vermindering" zijn gedagtekend 3 januari 2015. Uitgaande van deze stukken is in beide zaken de beroepstermijn aangevangen op 4 januari 2015 en geëindigd op 16 februari 2015. Het voor beide zaken gezamenlijk ingediende beroepschrift is gedagtekend 17 februari 2015, derhalve na het einde van deze beroepstermijn, en door de rechtbank ontvangen op 18 februari 2015.

14. Eiser heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Bij brief van 11 december 2014 heeft verweerder de motivering van de uitspraken op bezwaar gegeven en daarbij aangekondigd dat eiser de uitspraken op de bezwaarschriften binnenkort afzonderlijk toegezonden zou krijgen van het computercentrum in Apeldoorn. Op de aan eiser gestuurde berichten uit Apeldoorn met dagtekening 3 januari 2015 staat – abusievelijk – vermeld dat het een ‘vermindering’ betreft in plaats van een ‘uitspraak op bezwaar’. Eiser heeft bij brieven van 9 februari 2015 verweerder verzocht uitspraak te doen op de door hem ingediende bezwaren.

Op 10 februari 2015 heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met eiser over de onjuiste benaming van de uitspraken op het bezwaar en eiser geadviseerd, indien gewenst, zo snel mogelijk beroep in te stellen. Nu de rechtbank het beroepschrift op 18 februari 2015 en derhalve binnen twee weken na genoemd telefoongesprek heeft ontvangen, is onder deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar (vgl. HR 22 maart 2002, nr. 36.933, ECLI:NL:HR:2002:AE0462 en HR 4 maart 2016, nr. 15/03126, ECLI:NL:HR:2016:347).

De beroepen zijn derhalve ontvankelijk. Gelet op dit een en ander kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn eerst ter zitting ingenomen stelling dat met genoemde verminderingen van 3 januari 2015 geen uitspraken op bezwaar zijn gedaan. De omstandigheid dat hierin staat vermeld dat tegen de verminderingen geen bezwaar kan worden gemaakt en dat hiertegen niet in beroep kan worden gegaan, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Inhoudelijk 15. Verweerder is bij het bepalen van de vervoerskosten van met eiser vergelijkbare personen uitgegaan van gegevens van de ANWB uit 2010 zoals bewerkt door het Nibud in 2012.

De hoogte van de door eiser zelf gemaakte vervoerskosten ten bedrage van € 8.458 voor 2010 en € 14.835 voor 2011 is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat het besteedbaar inkomen van eiser en zijn echtgenote in 2010 € 42.363 en in 2011 € 42.853 bedraagt.

16. Artikel 9.6 van de Wet IB 2001, houdt - voor zover van belang - het volgende in: “1. Een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag geschiedt uitsluitend op de voet van dit artikel.

2. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve verminderd. (…)” Artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 houdt - voor zover van belang - het volgende in: “De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij: a.(…)” 17. Bij de beoordeling van de vraag of is gebleken of de aanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld en of verweerder deze ambtshalve had moeten verminderen, neemt de rechtbank de normale bewijslastverdeling als uitgangspunt.

Dit betekent dat gelet op het feit dat eiser zich op een aftrekpost beroept en verweerder die post heeft betwist, eiser feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken op grond waarvan hij recht heeft op aftrek van de door hem in zijn aangifte opgevoerde (extra) vervoerskosten (vgl. Hof Amsterdam 11 augustus 2016, nr. 15/00849, ECLI:NL:GHAMS:2016:3374 en 6 april 2017, nr. 16/00166, ECLI:NL:GHAMS:2017:1782). De rechtbank ziet ook geen aanleiding terughoudend te toetsen of verweerder de aanslagen ambtshalve had moeten verminderen.

18. Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten onder andere vervoerskosten die wegens ziekte en invaliditeit zijn gemaakt. De voor aftrek in aanmerking komende kosten dienen rechtstreeks door de ziekte opgeroepen te worden. Kosten die wel verband houden met ziekte of invaliditeit, maar niet in direct verband met de ziekte of invaliditeit staan, kunnen derhalve niet in aftrek worden gebracht. De hiervoor vermelde bepaling in artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 is ontleend aan artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna:

Wet IB 1964). In de wetsgeschiedenis van de Wet IB 2001 (Belastingherziening 2001) is te kennen gegeven dat met de gewijzigde formulering geen inhoudelijke wijziging is beoogd. In de parlementaire geschiedenis van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wet van 29 december 2008, Stb. 606) is eveneens aangegeven dat met het zelfstandig opnemen van de uitgaven voor vervoer wegens ziekte of invaliditeit in (thans) artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b, geen inhoudelijke wijziging is beoogd (zie Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 3, blz. 47):

“De zelfstandige opneming van uitgaven voor vervoer beoogt geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van de huidige bepaling betreffende de aftrekbaarheid van de uitgaven voor vervoer, maar een betere en overzichtelijker indeling van artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001. Alle uitgaven voor vervoer wegens ziekte of invaliditeit blijven aftrekbaar in de vorm en omvang overeenkomstig de huidige regeling. Dit betekent dat aftrek ook mogelijk blijft indien de zieke of invalide belastingplichtige ten opzichte van een vergelijkbare gezonde persoon vanwege zijn ziekte of invaliditeit hogere vervoerskosten maakt.

Er bestaat dan recht op aftrek voor het deel dat boven de gebruikelijke vervoerskosten uitkomt.” 19. De voor de toepassing van artikel 46 Wet IB van de 1964 gewezen jurisprudentie is derhalve ook van belang voor de interpretatie van de huidige bepaling in de Wet IB 2001. Met betrekking tot de aftrekbaarheid van vervoerskosten als buitengewone last onder het regime van de Wet IB 1964 overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juli 1982 (nr. 22.345, ECLI:NL:HR:1982:AW9099, BNB 1984/271) onder meer het volgende: “4.2. Vervoerskosten - afgezien van die welke voor het verkrijgen van geneeskundige hulp zijn gemaakt - kunnen slechts als tot de buitengewone lasten behorende uitgaven ter zake van invaliditeit in de zin van artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 worden aangemerkt voor zover zij door iemand die niet ziek of invalide is, doch wat inkomen, vermogen en gezin betreft in dezelfde omstandigheden verkeert, niet, althans niet tot een bedrag als door de belastingplichtige besteed, zouden zijn gedaan. 4.3.

Zodanige kosten behoren echter niet tot de uitgaven ter zake van invaliditeit in evenvermelde zin voor zover de hogere reiskosten als gevolg van persoonlijke voorkeur van de belastingplichtige bovenmatig zijn.” 20. In onder meer zijn arresten van 15 december 1999, nr. 35.157, ECLI:NL:HR:1999: AA3847, BNB 2000/61 en 21 november 2003, nr. 38.367, ECLI:NL:HR:2003:AN8679, BNB 2004/51, heeft de Hoge Raad het in r.o. 4.2 van het arrest BNB 1984/271 geformuleerde toetsingskader bevestigd. In het arrest BNB 2004/51 heeft de Hoge Raad de te verrichten toets als volgt geformuleerd:

“-3.1. Voor de beantwoording van de vraag of en in hoeverre de kosten van een in verband met invaliditeit gehouden auto die niet zijn aan te merken als kosten van vervoer in rechtstreeks verband met het verkrijgen van genees-, heel- of verloskundige hulp, of als kosten ter zake van regelmatig ziekenbezoek, kunnen worden gerangschikt onder de buitengewone lasten ter zake van ziekte en invaliditeit als bedoeld in artikel 46, lid 1, aanhef en letter b, en lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, moet worden bepaald of en in hoeverre de in een kalenderjaar door de zieke of gehandicapte gemaakte autokosten overtreffen hetgeen behoort tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als de betrokkene.” 21.

Niet in geschil is dat de totale, op eiser drukkende vervoerskosten in 2010 € 8.458 en in 2011 € 14.835 hebben bedragen (waarvan € 7.914 respectievelijk 14.630 aan autokosten). Evenmin is in geschil dat de echtgenote vanwege haar handicap hoofdzakelijk is aangewezen op vervoer per auto en om die reden vaker gebruik heeft moeten maken van de auto dan personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens, wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkeren als eiser en zijn echtgenote. Het onderhavige geschil is toegespitst op het antwoord op de vraag in hoeverre de totale autokosten van eiser de autokosten van de maatman hebben overtroffen.

22. Met betrekking tot de vraag welke partij in dat verband de hoogte van de maatmankosten aannemelijk dient te maken, overweegt de rechtbank dat in eerste instantie op de belanghebbende - bij betwisting door de inspecteur - de last rust aannemelijk te maken in hoeverre de door hem gemaakte autokosten niet behoren tot het normale bestedingspatroon van de maatman. Indien een belastingplichtige bewijs heeft geleverd van de door hem gemaakte (op hem drukkende) totale autokosten en hij naar vermogen de hoogte van de maatmankosten heeft onderbouwd, kan een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengen dat het vervolgens aan de inspecteur is om (statistische) gegevens aan te dragen op basis waarvan diens standpunt kan worden beoordeeld dat de maatmankosten hoger zijn dan belanghebbende verdedigt.

Indien de belanghebbende de aldus door de inspecteur overgelegde (statistische) gegevens betwist, dient aan de hand van de gebruikelijke regels van stelplicht en bewijslast (bewijslastverdeling naar redelijkheid) te worden beoordeeld welke partij de meest gerede partij is om nader bewijs bij te brengen (in gelijke zin Hof Amsterdam in zijn uitspraak van 28 september 2017, nr. 16/00462, ECLI:NL:GHAMS:2017:4036, rechtsoverweging 4.4.5).

23. In het onderhavige geval heeft eiser de door verweerder opgestelde berekening van de maatmankosten en de ter onderbouwing door deze overgelegde statistische gegevens op twee punten aangevochten. Wat betreft de stelling van eiser dat verweerder vanaf 27 augustus 2010 ten onrechte is uitgegaan van een auto uit hetzelfde prijssegment (een middenklasse-auto) als de auto van eiser, is de rechtbank van oordeel dat eiser door de verwijzing naar de door hem overgelegde (geïndexeerde) CBS-tabellen, en zijn betoog dat personen met een handicap in het algemeen - vanwege hun handicap - zijn aangewezen op een duurdere auto, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege de invaliditeit van zijn echtgenote een duurdere auto heeft moeten aanschaffen dan personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren.

De door eiser genoemde tabellen geven immers hoogstens inzicht in de vraag welk bedrag tweepersoonshuishoudens met een besteedbaar inkomen als dat van eiser en zijn echtgenote gemiddeld aan autokosten besteden. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat dit gemiddelde overeenkomt met een ‘kleine middenklasse-auto’ in de zin van de door verweerder gehanteerde maatmantabellen, maakt eiser met enkel dit statistische gemiddelde niet aannemelijk dat een belastingplichtige met een ziekte of handicap die een duurdere auto aanschaft dan deze ‘gemiddelde auto’, die aanschaf niet vanuit persoonlijke voorkeur doet, maar per definitie deze meerkosten maakt vanwege de ziekte of invaliditeit; daarvoor zijn deze gegevens te algemeen van aard.

Reeds op deze gronden verwerpt de rechtbank het standpunt van eiser dat verweerder gehouden is om de bestaande CBS-tabellen inzake het bestedingspatroon per inkomenscategorie verder te laten verfijnen.

24. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, die heeft gesteld dat de aanschaf van de Honda mede is ingegeven door persoonlijke voorkeur en dat de voor de echtgenote noodzakelijke voorzieningen ook beschikbaar zijn in een kleine middenklasse-auto, heeft eiser ook met hetgeen hij voor het overige heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat bij het bepalen van de objectieve meerkosten die in rechtstreeks verband staan met de invaliditeit van de echtgenote moet worden uitgegaan van een maatman met een auto uit een andere prijscategorie dan de auto van eiser. Aangezien de Honda een middenklasse-auto is in de zin van de bij de berekening van de maatmankosten gehanteerde tabel, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van de autokosten van een maatman met een kleine middenklasse-auto.

25. Eiser neemt voorts het standpunt in dat in het door verweerder gebruikte rekenprogramma onvoldoende rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de echtgenote van eiser in tegenstelling tot personen die niet ziek zijn, geen zakelijke kilometers maakt in verband met werk. Dat in het door verweerder gebezigde cijfermateriaal ter berekening van de kosten van de maatman geen rekening wordt gehouden met de door eiser gestelde omstandigheid dat niet invalide personen (meer) zakelijke kilometers rijden, vormt naar het oordeel van de rechtbank echter geen reden om op het verkregen resultaat van de maatmankosten correcties aan te brengen.

In de door verweerder gebruikte cijfers wordt de mobiliteit van de Nederlandse bevolking en worden de gemiddelde autokosten tot uitdrukking gebracht. Dat betekent dat in de tabellen zowel personen zijn verwerkt die woon-werk kilometers maken als ook personen die geen woon-werk kilometers maken, alsmede personen die het woon-werkverkeer met het openbaar vervoer afleggen, dan wel personen niet werkzaam zijn. Vergelijkbare personen die niet werkzaam zijn, kunnen meer tijd besteden aan andere doeleinden en zullen daardoor meer privékilometers rijden.

Hierbij wordt gekeken naar een groep personen die niet invalide is, maar overigens wat betreft inkomen, vermogenspositie en gezinsomstandigheden in een gelijke positie verkeren. De aftrek extra vervoerskosten is bedoeld om tegemoet te komen aan personen die als gevolg van ziekte meer kosten maken dan personen die niet ziek of invalide zijn, maar wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkeren als de personen die ziek zijn. De meerkosten worden verkregen door de werkelijk drukkende kosten van eiser af te zetten tegen 100% van de kosten van de in de vergelijking betrokken maatman.

De kosten van de maatman worden geacht tot het normale bestedingspatroon van eiser te behoren, ongeacht de motieven waarvoor die kosten zijn gemaakt. Verweerder was daarom niet gehouden de verreden kilometers in privégebruik en zakelijk gebruik te splitsen of om een correctie op de kosten van de maatman aan te brengen in verband met zakelijke kilometers. Het is niet noodzakelijk een verdere verfijning aan te brengen in de vergelijkingsgroep door ook rekening te houden met verschillen in maatschappelijke positie, bijvoorbeeld de omstandigheid dat de belanghebbende niet werkt.

Ook is niet vereist dat - ingeval de belanghebbende niet-werkend is - uit de berekening van de maatmankosten de kosten van de zakelijke kilometers (inclusief de woon-werkverkeerkilometers) worden geëlimineerd. Het werken met statische gegevens om de kosten van de maatman te berekenen heeft overigens ook (het betreft immers het zo goed mogelijk benaderen van de gemiddelde autokosten van de maatman) vanuit oogpunt van doelmatigheid een grens wat betreft daarmee te realiseren nauwkeurigheid. De rechtbank verwerpt reeds hierom het standpunt van eiser dat verweerder gehouden is verder verfijnde maatwerktabellen te laten opstellen met daarin een onderscheid tussen werkenden en niet-werkenden (vgl. Hof Amsterdam 28 september 2017, nr. 16/00462, ECLI:NL:GHAMS:2017:4036, rechtsoverweging 4.4.9).

26. Overigens is de rechtbank van oordeel dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat een niet-werkend stel (zonder kinderen, met één auto en een inkomen van tussen de € 40.000 en € 50.000 per jaar) zonder de handicap/ziekte van de echtgenote een geringer aantal kilometers per dag rijdt. Ook om deze reden verwerpt de rechtbank het standpunt van eiser dat aanleiding bestaat voor een correctie op het door verweerder voor de maatman in aanmerking genomen aantal kilometers.

27. De rechtbank merkt hierbij ten overvloede nog op dat verweerder – naar hij onweersproken heeft verklaard – bij de bepaling van de vervoerskosten ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de overige vervoerskosten van vergelijkbare personen. De aanslagen zijn derhalve eerder te laag dan te hoog vastgesteld.

28. Verweerder heeft gelet op het voorgaande terecht geen aanleiding gezien om (een van) beide aanslagen ambtshalve te verminderen. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Gelet op hierop dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 29. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. S.K.A. Efstratiades, leden, in aanwezigheid van mr. E.G. van der Laan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.