Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2016:9776 ECLI:NL:RBNHO:2016:9776 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2016:9776 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2016:9776
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/871495-14 (P) Uitspraakdatum: 25 november 2016 Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 en 11 november 2016 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboortedatum] , ingeschreven in de basisregistratie personen op [adres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Sarian en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 94 Sv; ECLI:NL:RBNHO:2016:9776 · Rechtbank Noord-Holland: De Nederlandse regelgeving schiet daarmee aldus tekort in het bieden van een wettelijke grondslag voor een dergelijk onderzoek nu zulks geschiedt zonder enige vorm van voorafgaande beoordeling van subsidiariteit en/of proportionaliteit van de bevoegdheid door een rechter. De door de politie verrichte handelingen met betrekking tot de telefoon van verdachte vormen mitsdien een inbreuk op zijn in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Keywords

AI generated
crime against property commercial theft charge of theft petty theft lost or stolen property attempted fraud

Cited Legislation

AI generated
artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering
Daarmee is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
artikel 94 Sv
Beoordeling van het bewijsmiddelverweer Vast staat dat de mobiele telefoon van verdachte op de voet van artikel 94 Sv is onderworpen aan onderzoek en dat de daaruit veiliggestelde WhatsAppgesprekken zijn geprint en toegevoegd aan het strafdossier.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHARL:2015:2954
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006079-14 Uitspraak d.d.: 22 april 2015 Tegenspraak Promis Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland te Lelystad van 9 oktober 2014 met het parketnummer 16-660201-13 in de strafzaak van [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats]. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 april 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
ECLI:NL:HR:1994:AD2076
De bestreden einduitspraak Het Hof heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging ter zake van het onder 2 telastegelegde, voor zover dit betrekking heeft op het in Venezuela deelnemen aan de in de telastelegging genoemde organisatie en voorts in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 20 augustus 1992 en de tussenvonnissen in de gevoegde strafzaken onder parketnummer 15.050170/92 – de verdachte ter zake van: de voortgezette handeling van ‘’medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod’’ en ‘’deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’’ veroordeeld tot elf jaren gevangenisstraf met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.
ECLI:NL:GHAMS:2015:5007
parketnummer: 23-002630-15 datum uitspraak: 13 november 2015 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-820201-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Goudkust) op [geboortedag] 1956, thans gedetineerd in PI Flevoland – Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de gronden aanvult. Aanvulling van de gronden De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het onderzoek aan de smartphone van de verdachte op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onrechtmatig is geweest omdat niet alleen toegang tot verkeersgegevens maar ook tot de inhoud van communicatie en privé-informatie van de gebruiker van de smartphone is verkregen. In dat verband voert hij aan dat het ophalen van de gegevens die op die smartphone zijn opgeslagen een inbreuk vormt op het bij artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op privacy, terwijl artikel 94 Sv daarvoor een onvoldoende wettelijke grondslag biedt. Hij heeft zich hierbij beroepen op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2015:2954). De raadsman stelt dat dit een zodanig ernstig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert, dat het gevolg daarvan moet zijn dat al het bewijs dat door het uitlezen van de gegevens van de smartphone van de verdachte is verkregen – in het bijzonder de Whatsapp-berichten – van het bewijs moet worden uitgesloten. Het hof overweegt als volgt. Artikel 94 Sv bepaalt dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076). Er is geen reden om ten aanzien van de gegevens opgeslagen in een smartphone anders te oordelen. De smartphone van de verdachte is dan ook – met het oog op de waarheidsvinding – rechtmatig in beslag genomen. Artikel 94 Sv vormt een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag voor de inbeslagname en het daaropvolgende onderzoek in de smartphone van de verdachte. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim, zodat – nu overigens geen omstandigheden aannemelijk geworden zijn op grond waarvan tot een ander oordeel moeten worden gekomen – de Whatsapp – berichten kunnen dienen tot het bewijs. Het hof verwerpt het verweer. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. N.A. Schimmel en mr. E.N. van der Spoel, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 november 2015. De voorzitter en de griffier zijn buiten staat het arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= [....]
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/871495-14 (P) Uitspraakdatum: 25 november 2016 Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 en 11 november 2016 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboortedatum] , ingeschreven in de basisregistratie personen op [adres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Sarian en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr.

E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Primair hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2014 tot en met 26 juli 2014 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] , heeft weggenomen (onder andere) - een of meer horloge(s), waaronder één dameshorloge van het merk en/of type Rolex Oyster en/of één herenhorloge van het merk en/of type Cartier Roadster, en/of - een of meer ring(en), waaronder één meerkleurige gouden ring (afgezet met witte diamanten) van het merk Cartier, en/of - een of meer oorbel(len), waaronder één (paar) oorbel(len) waarbij de oorbel (telkens) bestaat uit twee of drie door elkaar gedraaide ringen van gekleurd goud en/of bezet is met een steentje, en/of - een of meer kledingstuk(ken) en/of kledingaccessoire(s), waaronder één sjaal, kleur bruin, van het merk Louis Vuitton, en/of - een of meer computer(s), waaronder één tablet van het merk Samsung, en/of - een zonnebril, kleur bruin, van het merk Ray Ban, en/of - een autosleutel van het merk Saab, en/of - een pet met klep, kleur zwart, met de tekst "New York", in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) het/de weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking;

Subsidiair hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2014 tot en met 14 augustus 2014 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (onder andere) - een of meer horloge(s), waaronder één dameshorloge van het merk en/of type Rolex Oyster en/of één herenhorloge van het merk en/of type Cartier Roadster, en/of - een of meer ring(en), waaronder één meerkleurige gouden ring (afgezet met witte diamanten) van het merk Cartier, en/of - een of meer oorbel(len), waaronder één (paar) oorbel(len) waarbij de oorbel (telkens) bestaat uit twee of drie door elkaar gedraaide ringen van gekleurd goud en/of bezet is met een steentje, en/of - een of meer kledingstuk(ken) en/of kledingaccessoire(s), waaronder één sjaal, kleur bruin, van het merk Louis Vuitton, en/of - een of meer computer(s), waaronder één tablet van het merk Samsung, en/of - een zonnebril, kleur bruin, van het merk Ray Ban, en/of - een autosleutel van het merk Saab, en/of - een pet met klep, kleur zwart, met de tekst "New York", op één of meer moment(en) in voormelde periode heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van (telkens een of meer van) voormelde goederen (telkens) wist(en) dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Overwegingen ten aanzien van het bewijs 3.1.

Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde diefstal in vereniging. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet valt uit te sluiten dat de in de tenlastelegging vermelde goederen reeds in de nacht van 24 op 25 juli 2014, buiten de tenlastegelegde periode, zijn ontvreemd. Immers, in die nacht vond een eerste feest plaats in huize [benadeelde partij] en de diefstal is pas de ochtend na het tweede feest, op 26 juli 2014, ontdekt.

Voorts is uit de voorhanden dossierstukken geenszins komen vast te staan dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij het wegnemen van de goederen. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde heling heeft de raadsman, onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015, het verweer gevoerd dat het onderzoek aan de smartphone van verdachte onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat dergelijk onderzoek, zonder tussenkomst van een rechter, aan de telefoon van verdachte weliswaar is toegestaan op grond van de huidige Nederlandse wetgeving, doch dat deze regelgeving inmiddels is achterhaald en niet is toegesneden op de feitelijke situatie waarop een mobiele telefoon vandaag de dag in de maatschappij fungeert, te weten als bron van opslag van het hele privéleven van de gebruiker ervan.

De Nederlandse regelgeving schiet daarmee aldus tekort in het bieden van een wettelijke grondslag voor een dergelijk onderzoek nu zulks geschiedt zonder enige vorm van voorafgaande beoordeling van subsidiariteit en/of proportionaliteit van de bevoegdheid door een rechter. De door de politie verrichte handelingen met betrekking tot de telefoon van verdachte vormen mitsdien een inbreuk op zijn in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Daarmee is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het door dit vormverzuim verkregen bewijsmateriaal, te weten de WhatsAppgesprekken, mag niet bijdragen aan het bewijs van de ten laste gelegde heling. Bij die stand van zaken resteert onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen en dient verdachte eveneens te worden vrijgesproken van de hem subsidiair verweten gedraging, aldus de raadsman. De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat uit de stukken in het dossier, en dan met name de inhoud van de gevoerde WhatsAppgesprekken, niet kan worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van heling en hij ook om die reden dient te worden vrijgesproken van de hem subsidiair verweten gedraging. 3.3.

Beoordeling van het bewijsmiddelverweer Vast staat dat de mobiele telefoon van verdachte op de voet van artikel 94 Sv is onderworpen aan onderzoek en dat de daaruit veiliggestelde WhatsAppgesprekken zijn geprint en toegevoegd aan het strafdossier. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 94 Sv alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, vatbaar zijn voor inbeslagname. In het belang van de waarheidsvinding is het toegestaan onderzoek te verrichten aan en in het in beslag genomen voorwerp teneinde gegevens voor strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te verkrijgen.

In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd. Er is geen reden om ten aanzien van gegevens opgeslagen in een mobiele telefoon anders te oordelen. De rechtbank is, anders dan de verdediging, in weerwil van haar beroep op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en in navolging van het gerechtshof Amsterdam, van oordeel dat artikel 94 Sv ter dege een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag vormt voor het onderzoek aan en in de mobiele telefoon van verdachte. Er is aldus geen sprake van een vormverzuim, zodat de WhatsAppgesprekken kunnen dienen tot het bewijs.

De rechtbank verwerpt dan ook het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer. 3.4. Beoordeling van de tenlastelegging Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat uit de voorhanden processtukken noch uit het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend is komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de wegneming van (een van) de in de tenlastelegging genoemde goederen.

Evenmin is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking met een of meer van zijn medeverdachten gericht op de diefstal, zodat verdachte van het primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Uit het feit dat verdachte bij beide feesten aanwezig is geweest en naderhand met zijn medeverdachten communiceert over (het terugbrengen van) de bij deze gelegenheid gestolen goederen van de [benadeelde partij] , kan geen nauwe en bewuste samenwerking met die medeverdachten (of anderen) ten aanzien van die diefstal in de vorm van een gezamenlijke uitvoering of een gezamenlijk plan worden geconstrueerd.

Evenmin is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan heling. Vast staat weliswaar dat verdachte op 29 juli 2014 opdracht heeft gekregen zich naar de woning van [medeverdachte] te begeven teneinde (gestolen) goederen op te halen, alsmede dat hij daar ook is geweest, maar niet is komen vast te staan dat verdachte op enig moment ook daadwerkelijk die goederen voorhanden heeft gehad (zie in het bijzonder de WhatsAppgesprekken op dossierpagina’s 560-563 en 580-582). De rechtbank zal verdachte mitsdien eveneens van het subsidiair tenlastegelegde vrijspreken. 4Vordering benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 42.720,69 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit: immateriële schade ad € 1.000. materiële schade ad € 37.747,69 proceskosten ad € 3.973. Nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, kan de benadeelde partij niet in zijn vordering worden ontvangen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in zijn vordering. 5Beslissing De rechtbank:  Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.  Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. van Hoorn, voorzitter, mr. M.S. Lamboo en mr. H.A. Stalenhoef, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D. Ince, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 november 2016. ECLI:NL:GHARL:2015:2954. ECLI:NL:HR:1994:AD2076. ECLI:NL:GHAMS:2015:5007.