Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2016:9505 ECLI:NL:RBNHO:2016:9505 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2016:9505 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2016:9505
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem zaaknummers: HAA 16/838 en HAA 16/839 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2016 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiseres (gemachtigde: mr. B.G.M.C. Peters), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop HAA 16/838 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2012 een aanslag (aanslagnummer: [# 1] ) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.534.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2016:9505 · Rechtbank Noord-Holland: Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Algemeen 16. Artikel 6.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), tekst: 2012 en 2013, luidt, voor zover van belang, als volgt: “1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van: a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en b. het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen.

Keywords

AI generated
cost-effectiveness of medicinal products health insurance voucher fee medical expenses hospital rate proprietary medicinal products deductibility of expenses

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2011:BR3948
09/5890 WWB 09/5919 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College) tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 september 2009, 08/2623 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: betrokkene en het College Datum uitspraak: 28 juli 2011 I. PROCESVERLOOP Namens betrokkene heeft mr. B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:GHARL:2015:814
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a.
ECLI:NL:RBHHA:2006:BA9589
Anders dan in de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 juni 2006, ECLI:NL:RBHHA:2006:BA9589, heeft verweerder geen subsidiair standpunt ten aanzien van de hoogte van de kosten ingenomen.
ECLI:NL:RBHAA:2006:BA9589
RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Registratienummer: AWB 05/929 Uitspraakdatum: 14 juni 2006 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen X, wonende te Y, eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder, 1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft met dagtekening 21 januari 2005 aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.784. Na daartegen gemaakt bezwaar op 25 februari 2005 heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar van 14 maart 2005 de aanslag IB/PVV gehandhaafd. Tegen deze uitspraak is door eiser een beroepschrift ingediend dat door de rechtbank op 21 maart 2005 is ontvangen. Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2006 te Haarlem. Eiser is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. 2. De feiten 2.1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast: 2.2. Eiser is kankerpatiënt (non-Hodgkin lymfoom). Voor zijn ziekte wordt hij behandeld door de oncoloog de heer D, verbonden aan het [ziekenhuis] te Y. 2.3. Volgens de medische verklaring van 11 juli 2001 van de arts E van het [medisch centrum] B.V. te Z gebruikt eiser Cannabis Sativa als medicijn tegen hoofdpijn, stress, stotteren, anti-emeticum en eetlustopwekker. De verklaring vermeldt voorts dat eiser 3 gram per dag gebruikt. Tot de stukken van het geding behoren eveneens een tweetal recepten van de artsen F en E, gedagtekend 7 mei 1990 en 6 oktober 2003, waarin zij cannabis als medicijn aan eiser voorschrijven. Ook behoort tot de stukken van het geding een schriftelijke verklaring van de zorgverzekeraar van eiser dat de kosten van het gebruik van cannabis niet vergoed worden. 2.4. In een verklaring, gedagtekend 1 augustus 2005, heeft de inspectie voor de Gezondheidszorg aan eiser een zogenaamde “Schengen-verklaring” verstrekt. In deze verklaring is opgenomen dat aan eiser als geneesmiddel Cannabis Medicinalis wordt voorgeschreven. 2.5. Eiser heeft onweersproken gesteld, dat de door de apotheken geleverde cannabis bij hem nadelige bijwerkingen heeft en hij, gelet op de voor hem gunstige prijzen aldaar, zijn cannabis bij coffeeshops koopt. Eiser heeft dit nader onderbouwd door middel van het overleggen van een tweetal zogenaamde “mediwietpassen”, waarbij eiser op vertoon van deze pas 45% tot 50% korting krijgt. Tot de stukken van het geding behoort eveneens een schriftelijke verklaring van een coffeeshophouder, waarin wordt verklaard dat eiser bij hem bekend is als gebruiker van cannabis voor medische doeleinden. 2.6. In zijn op 13 februari 2004 bij verweerder binnengekomen aangifte IB/PVV over 2003 doet eiser aangifte van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.166. Daarbij brengt eiser een bedrag van € 7.992 in aftrek als buitengewone uitgaven. Een bedrag van € 6.000 daarvan ziet op de kosten van het gebruik van medicinale cannabis. In de bij zijn aangifte gevoegde specificatie ziektekosten/buitengewone uitgaven 2003 heeft eiser ten aanzien hiervan het volgende opgenomen: “Voorgeschreven medicijnen 150% x 4.000.00 6.000.00” 2.7. Op 19 november 2004 heeft verweerder aan eiser een vragenbrief gestuurd met het verzoek informatie te verstrekken met betrekking tot de reisaftrek en de ziektekosten. Tevens heeft verweerder in deze brief ten aanzien van de ziektekosten eiser verzocht een specificatie van het afgetrokken bedrag en de betalingsbewijzen van het afgetrokken bedrag te verstrekken. Eiser heeft hierop bij brief van 8 december 2004 gereageerd en enkele stukken aan verweerder toegezonden. Eiser heeft geen betalingsbewijzen aan verweerder overgelegd. 2.8. Met dagtekening 21 januari 2005 heeft verweerder aan eiser een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Het belastbare inkomen uit werk en woning werd als volgt vastgesteld: aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 8.166 minder reisaftrek € 423 minder ziektekosten € 6.195 vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 14.784 Met dagtekening 18 januari 2006 heeft verweerder de aanslag ambtshalve verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.984. 3. Het geschil en standpunten van partijen In geschil is of de door eiser aangegeven uitgaven wegens ziekte en invaliditeit, te weten de kosten van medicinale cannabis, in aanmerking dienen te worden genomen als buitengewone uitgaven en, zo ja, tot welk bedrag. Eiser is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Verweerder is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en handhaving van de aanslag zoals deze luidt na ambtshalve vermindering van 18 januari 2006. In zijn verweerschrift berekent verweerder de aftrek buitengewone uitgaven als volgt: Totaal kosten i.v.m. buitengewone uitgaven € 4.200 Af: drempel (11,2% van € 16.511) € 1.849 ---------- € 2.351 Verhoging i.v.m. vorige twee jaren ook ziektekosten x 1,5 Aftrek buitengewone uitgaven € 3.527 Dit leidt tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.984. Subsidiair concludeert verweerder in zijn conclusie van dupliek dat aannemelijk is dat eiser € 2.700 heeft uitgegeven aan cannabis, doch niet meer dan dat. Als de kosten daarvan aftrekbaar zijn, leidt dat tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van (€ 12.984 - 1,5 * € 2.700 =) € 8.934. 4. Beoordeling van het geschil Buitengewone uitgaven 4.1. Ingevolge artikel 6.16, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) zijn buitengewone uitgaven onder meer de uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling van de belastingplichtige. Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Wet IB 2001, worden als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulpmiddelen en vervoer, alsmede uitgaven voor extra gezinshulp. 4.2. Bij Wet van 13 juli 2002, Stb 520, is de Opiumwet gewijzigd ten einde, onder meer, regels te stellen met betrekking tot de productie van hennep voor geneeskundige doelen. Met ingang van 1 september 2003 is zogenoemde medicinale cannabis op doktersrecept via apotheken verkrijgbaar. 4.3. In zijn Besluit van 10 februari 2004, nr. CPP2003/2833M, BNB 2004/176, heeft de staatssecretaris van Financiën vragen en antwoorden met betrekking tot buitengewone uitgaven, en meer specifiek op medisch voorschrift verstrekte cannabis, nader toegelicht. In het Besluit staat onder meer het volgende: “Per 1 september 2003 is het mogelijk dat via de apothekers in Nederland zogeheten medicinale cannabis wordt verstrekt. Deze medicinale cannabis is alleen op recept verkrijgbaar. Voor de aftrek onder de buitengewone-uitgavenregeling geldt het volgende. Er moet sprake zijn van kosten wegens een ziekte en van een behandeling door een arts. Het gedeelte van de kosten dat niet vergoed wordt, komt in aanmerking voor aftrek onder de buitengewone-uitgavenregeling. De belastingplichtige dient wel over betalingsbewijzen te beschikken. Voor de vóór 1 september 2003 op voorschrift van een arts gekochte cannabis geldt hetzelfde. Ook deze uitgaven vallen onder de buitengewone-uitgavenregeling als de belastingplichtige desgevraagd betalingsbewijzen kan overleggen.” Deze mededeling is - onder intrekking van het hiervoor vermelde besluit - herhaald in het Besluit van 15 december 2005, nr. CPP2005/2639M, V-N 2006/4.16. 4.4. Vaststaat dat cannabis geen deel uitmaakt van het verstrekkingenpakket van de Zfw en de AWBZ en dat ziektekostenverzekeraars de kosten ervan niet plegen te vergoeden. Anderzijds is de opiumwet gewijzigd en is als uitvloeisel daarvan sinds 1 september 2003 cannabis op doktersrecept bij een apotheek verkrijgbaar. Ook wordt cannabis door artsen als medicijn voorgeschreven (zie de hiervoor onder 2.3 aangehaalde verklaringen). De inspectie voor de gezondheidszorg beschouwt blijkens de hiervoor onder 2.4 aangehaalde verklaring cannabis in bepaalde gevallen, waaronder dat van eiser, als medicijn. Onder deze omstandigheden moet naar het oordeel van de rechtbank cannabis worden aangemerkt als farmaceutisch hulpmiddel als bedoeld in artikel 6:17, eerste lid, onderdeel a, van de Wet. Daaraan doet niet af dat cannabis, verweerder wijst daar terecht op, ook anders dan als medicijn aanwending vindt. Ook doet daaraan niet af de door verweerder gestelde omstandigheid dat cannabis noch naar algemene maatschappelijke opvattingen, noch naar algemene medische opvattingen een medicijn zou zijn. Uit de hiervoor onder 4.3 aangehaalde Besluiten van 10 februari 2004 en 15 december 2005 blijkt dat ook de Staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat cannabis een farmaceutisch hulpmiddel kan zijn. 4.5. Niet in geschil is dat eiser op voorschrift, althans op advies van een arts cannabis gebruikt. Gelet op het vorenoverwogene komen, naar het oordeel van de rechtbank, de door eiser gemaakte kosten voor het gebruik van cannabis in beginsel als buitengewone uitgaven voor aftrek in aanmerking. 4.6. Met betrekking tot de hoogte van het in aftrek te nemen bedrag wegens buitengewone uitgaven merkt de rechtbank het volgende op. Eiser heeft noch betalingsbewijzen van de kosten voor cannabis overgelegd, noch ter zitting een nadere verklaring gegeven over de door hem in zijn aangifte IB/PVV over 2003 opgevoerde aftrekpost van € 6.000. Eiser heeft slechts in zijn conclusie van repliek aangegeven een bedrag van € 11, inclusief een korting van 45%, te betalen voor zijn dagelijkse hoeveelheid van twee gram. Door verweerder is dienaangaande in zijn conclusie van dupliek in zijn subsidiaire standpunt een cijfermatige benadering van de hoogte van de aftrek gegeven, eveneens uitgaande van een gebruik van twee gram cannabis per dag en op basis van informatie van het Trimbos-instituut, welk instituut gegevens en prijzen verzamelt over onder andere cannabis. Verweerder heeft op basis hiervan in zijn conclusie van dupliek geconcludeerd tot een totaal bedrag van € 4.050 (€ 2.700 * factor 1,5) dat voor aftrek in aanmerking kan komen, omdat verweerder het ondanks het ontbreken van betalingsbewijzen aannemelijk acht dat eiser deze uitgaven heeft gemaakt. De rechtbank acht deze cijfermatige benadering redelijk en ondersteund met relevante informatie en zal verweerder hierin volgen. Aan eiser zal een additionele aftrek wegens buitengewone uitgaven van € 4.050 worden toegekend. Het belastbare inkomen uit werk en woning dient mitsdien te worden vastgesteld op € 8.934. 4.7. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond. Vertrouwensbeginsel 4.8. Nu eiser op grond van zijn primaire standpunt in het gelijk wordt gesteld, behoeft de vraag of aftrek wegens buitengewone uitgaven verleend dient te worden op grond van het vertrouwensbeginsel geen beantwoording meer. 5. Proceskosten De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. 6. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.934, en - gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt. Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, A.A. Fase en J.M. van Kempen. De beslissing is op 14 juni 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. E.J.E.M. Anderluh-Vanherck, griffier. Afschrift verzonden aan partijen op: De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum: - hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel - beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt. N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd. Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie. Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.
ECLI:NL:HR:1989:ZC4179
Aanslag en bezwaar. Aan belanghebbende is voor het jaar 1982 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 43.354,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is gehandhaafd. Geding voor het Hof. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft als tussen partijen vaststaande aangemerkt: ‘’Belanghebbende, geboren in 1940, is sedert 1966 werkzaam als advocaat [A], kantoorhoudende onder meer te [Q] en [R] (hierna wel te noemen: het kantoor), zijnde een maatschap waarvan de vennoten zijn [B] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C], gevestigd te [Q] (hierna te noemen: [C]); [B] is directeur-grootaandeelhouder van [C]. Belanghebbende verricht zijn werkzaamheden als advocaat in een rechtsverhouding tot [C].
ECLI:NL:HR:2015:278
13 februari 2015 nr. 14/02082 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 maart 2014, nr. 13/00356, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. 13/5374) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem zaaknummers: HAA 16/838 en HAA 16/839 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2016 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiseres (gemachtigde: mr. B.G.M.C. Peters), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop HAA 16/838 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2012 een aanslag (aanslagnummer: [# 1] ) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.534.

HAA 16/839 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een aanslag (aanslagnummer: [# 2] ) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.885. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de voornoemde aanslagen gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr.

B.G.M.C. Peters. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. X. Verberkmoes en J.H. van Wier. Overwegingen Feiten 1. Eiseres lijdt sinds 1991 aan een ernstige vorm van de ziekte van Crohn. Voor haar ziekte staat zij onder behandeling van diverse medische specialisten.

2. Eiseres ontvangt sinds 2000 jaarlijks bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand voor diverse kosten, waaronder de kosten van zelfkweek van medicinale cannabis en dieetkosten.

3. Voor wat betreft de hoogte van de bijzondere bijstand met betrekking tot de medicinale cannabis is een procedure gevoerd. De Centrale Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 28 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR3948) beslist dat over de periode van 1 maart 2006 tot en met 31 maart 2012 de hoogte van die bijstand op € 6.000 per jaar dient te worden vastgesteld. Eiseres heeft als gevolg hiervan in 2012 en 2013 een vergoeding van € 6.000 per jaar ontvangen van de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam (hierna: DWI) in verband met de door haar zelf gekweekte cannabis.

4. Eiseres heeft in haar aangifte IB/PVV 2012 een totaalbedrag van € 14.974 aan specifieke zorgkosten (na toepassing van de drempel) in aftrek gebracht. De aangegeven specifieke zorgkosten zijn als volgt samengesteld: € Kosten voor medicijnen 7.030 Kosten voor dieet 2.300 Kosten voor genees- en heelkundige hulp 2.167 Totale uitgaven 11.497 Verhoging 3.732 Totale uitgaven specifieke zorgkosten 15.229 Drempel 255 Totaal aftrekbare kosten in aangifte 14.974 5. Eiseres heeft in haar aangifte IB/PVV 2013 een totaalbedrag van € 11.515 aan specifieke zorgkosten (na toepassing van de drempel) in aftrek gebracht.

De aangegeven specifieke zorgkosten zijn als volgt samengesteld: € Kosten voor medicijnen 4.353 Kosten voor dieet 2.450 Kosten voor kleding en beddengoed 310 Kosten voor genees- en heelkundige hulp 1.814 Totale uitgaven 8.924 Verhoging 2.846 Totale uitgaven specifieke zorgkosten 11.773 Drempel 258 Totaal aftrekbare kosten in aangifte 11.515 6. Verweerder heeft in het kader van de aanslagregeling voor de jaren 2012 en 2013 diverse brieven aan eiseres gestuurd met het verzoek informatie te verstrekken over de specifieke zorgkosten. Tevens heeft verweerder verzocht aan eiseres om een specificatie van het afgetrokken bedrag en betalingsbewijzen van het afgetrokken bedrag te verstrekken.

Eiseres heeft hierop gereageerd en heeft voor 2012 geen en voor 2013 voor € 4.119 betalingsbewijzen overgelegd.

7. Bij de aanslagregeling voor het jaar 2012 heeft verweerder de kosten voor medicijnen (€ 7.030) en de kosten voor genees- en heelkundige hulp (€ 2.167) gecorrigeerd. Verweerder heeft de dieetkosten (€ 2.300) wel in aftrek toegelaten. De totaal in aftrek toegelaten kosten bedragen, na toepassing van de verhoging van de zorgkosten en toepassing van de drempel, € 2.965.

8. Bij de aanslagregeling voor het jaar 2013 heeft verweerder de kosten voor medicijnen (€ 4.353) en de kosten voor genees- en heelkundige hulp (€ 1.814) gecorrigeerd. Verweerder heeft de dieetkosten (€ 2.450) en de kosten voor kleding en beddengoed (€ 310) wel in aftrek toegelaten. Daarnaast zijn kosten van de acupunctuur voor een bedrag van € 178 in aftrek toegelaten. De totaal in aftrek toegelaten kosten bedragen, na toepassing van de verhoging van de zorgkosten en toepassing van de drempel, € 3.784.

9. In de stukken van het dossier bevinden zich diverse verklaringen van artsen. Volgens een verklaring van dr. [A] van 1 juni 2011 is het waarschijnlijk dat de huidige in de apotheek verkrijgbare cannabis variëteiten niet het gehele scala aan medicinale effecten bestrijken en dat er naast medisch wetenschappelijke redenen ook andere redenen zijn om aan te nemen dat de door eiseres zelf gekweekte cannabis een unieke werking kan hebben. In een verklaring van prof. dr. [B] van 22 februari 2011 staat dat er verschillende variëteiten van de cannabisplant bestaan die alle een verschillend spectrum aan werking vertonen en dat er per patiënt grote verschillen bestaan in individuele gevoeligheid voor de verschillende effecten.

Op de vraag: “Is er op medische gronden een voorkeur voor door eiseres zelf gekweekte cannabis, of cannabis die door de apotheek wordt verstrekt en zo ja, waarom?”, schrijft hij: “Hier kan ik alleen de patiënte zelf citeren die zegt dat de ene cannabis de andere niet is (dat is natuurlijk geheel waar) en dat zij na uitgebreide experimenten nu een variëteit kweekt die een optimale balans biedt tussen de verschillende door haar gewenste effecten. Een tweede, daarvan losstaand, argument is nog dat de kosten op deze manier aanzienlijk gereduceerd worden”.

Tenslotte schrijft hij dat, hoewel er natuurlijk altijd getwist kan worden over enkele procenten meer of minder bij dieet- en cannabisgebruik hij zich wel kan vinden in de overall-aanpak zoals die door eiseres noodzakelijk wordt geacht. Volgens een verklaring van dr. [C] van 15 maart 2012 is eiseres genoodzaakt zeer hoge extra kosten te maken voor voeding en supplementen, alternatieve therapieën, extra huid- en haarverzorging, kleding en bewassingskosten. Volgens deze verklaring heeft eiseres sinds 1996 een recept voor medicinale cannabis van vijftien gram per dag in eigen beheer, dient eiseres tevens maagtabletten te gebruiken die niet worden vergoed en heeft zij ook extra hulpmiddelen en assistentie nodig, waaronder thuiszorg, vervoer en mantelzorg.

Uit een verklaring van dr. [D] van 23 juli 2014 blijkt dat eiseres in 2013 vele chirurgische interventies heeft ondergaan, zij genoodzaakt is extreem hoge kosten te maken voor voeding, vocht en supplementen, en extra kosten voor huid, verzorging, kleding en bewassing, acupunctuur en chiropractie, en dat zij inmiddels een recept voor medisch noodzakelijke medicinale cannabis in eigen beheer heeft van dertig gram per dag. Ze is afhankelijk van thuiszorg, mantelzorg en hulp bij vervoer, aldus dr. [D] . In een brief van arts [E] van 8 juli 2014 staat “cannabis simplex twintig gram per dag, in eigen beheer, cannabis simplex concentraat twee gram per dag, in eigen beheer”.

Volgens een recept van 11 maart 2015, afgegeven door arts dr. [F] , is voorgeschreven dertig gram per dag van cannabis simplix in eigen beheer. In een brief van 3 maart 2015 van arts [E] , in het Engels, is aan eiseres dertig gram per dag cannabis voorgeschreven en moet zij in staat worden gesteld om te reizen met haar voorgeschreven cannabis, ook in geconcentreerde vorm.

10. In de aanvulling op het beroepschrift heeft eiseres een overzicht meegestuurd van de medische onkosten over het jaar 2012: “ € Growshopbonnen 3.217,49 Elektriciteit 2.000,00 Coffeeshopbonnen 2.642,80 Cannabisolie 2.000,00 Hulp 600,00 10.460,29 DWI vergoeding 6.000,- Aftrekbare Medicinale Cannabis kosten 4.460,29 Acupunctuur / Tuina / Chiropractor 744,98 Tandartskosten 840,- Kaakbehandeling 582,- Contactlenzen 270,52 Supplementen (vitamines) 250,00 Huid/haarverzorging, extra i.v.m. ziekte 1.805,86 Drogist 240,84 Apotheek 522,57 Thuiszorg 144,66” De bovenstaande kosten bedragen in totaal ongeveer € 9.862. Daarnaast heeft eiseres aangegeven dat zij dieetkosten heeft gemaakt.

11. Ter zitting heeft eiseres een overzicht verstrekt van de medische onkosten over het jaar 2013: “Medicinale Cannabis Onkosten € Technisch/tuin 1.124,04 Elektriciteit 1.800,- Coffeeshopbonnen 3.001,40 Cannabisolie inkoop 2.600,- Subtotaal 8.525,44 Vergoeding DWI Med. cannabis 6.000,- 2.525,44 Acupunctuur € 10,- eigen bijdrage13 x a € 50,- 130,- Tuina/fysio x4 niet vergoed 200,- Chinese kruiden 111,39 Apotheek 6,99 Totaal 448,38 Contactlenzen 354,50 Crohn vereniging 33,00 CAK Thuiszorg eigen bijdrage 12,46 x 12 = 149,52 Aftrekposten dieet (short bowel) € 12,50 + 310,- standaard aftrekbaar?” De bovenstaande kosten bedragen in totaal ongeveer € 3.511. Geschil 12.In geschil is of en in hoeverre eiseres recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten voor het jaar 2012 en 2013.

13. Eiseres stelt primair dat zij recht heeft op een hogere aftrek in verband met specifieke zorgkosten dan verweerder heeft toegestaan. Daarnaast doet eiseres een beroep op een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk het motiverings- en, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag.

14. Verweerder stelt dat eiseres geen recht heeft op een hogere aftrek. Ter zitting heeft verweerder het nadere standpunt ingenomen dat de dieetkosten niet op eiseres drukken en derhalve ten onrechte in aftrek zijn toegestaan. Verweerder beroept zich hierbij op interne compensatie. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

15. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Algemeen 16. Artikel 6.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), tekst: 2012 en 2013, luidt, voor zover van belang, als volgt: “1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van: a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en b. het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen.

2. Persoonsgebonden aftrekposten zijn de: (…) d. uitgaven voor specifieke zorgkosten (afdeling 6.5); (…) 3. Uitgaven als bedoeld in het tweede lid, onderdelen c, d en e, worden in aanmerking genomen voorzover de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aanspraken op vergoedingen of tegemoetkomingen alsmede genoten of te genieten vergoedingen of tegemoetkomingen worden aangewezen die buiten beschouwing blijven bij de bepaling van de omvang van hetgeen op de belastingplichtige aan uitgaven drukt.” 17. Het begrip uitgaven voor specifieke zorgkosten is nader uitgewerkt in artikel 6.17 van de Wet IB 2001. Dit artikel, tekst 2012 en 2013, luidt, voor zover van belang, als volgt: “1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor: a. genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen; b. vervoer; c. farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts; d. andere hulpmiddelen, met uitzondering van brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen; e. extra gezinshulp; f. de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet tot een bedrag bepaald bij ministeriële regeling; g. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels; h. (…).

2. Als ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt mede aangemerkt een middel dat de persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn. Hiertoe worden gerekend: a. aanpassingen van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan, die vanwege een functiebeperking op medisch voorschrift zijn aangebracht, voorzover de aanpassingen niet leiden tot een waardevermeerdering van de woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan welke uitgaat boven tien procent van de op de belastingplichtige drukkende aanpassingskosten; b. zaken en aanpassingen van zaken, niet zijnde een aanpassing van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan, voorzover deze zaken en aanpassingen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt.

3. Gezinshulp wordt als extra aangemerkt voor zover de uitgaven voor gezinshulp meer bedragen dan het bedrag dat volgt uit de volgende tabel. Bij een verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van meer dan maar niet meer dan wordt gezinshulp geacht extra te zijn voor zover de uitgaven voor gezinshulp meer bedragen dan het in deze kolom vermelde percentage van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek – € 30 593 0% € 30 593 € 45 890 1% € 45 890 € 61 181 2% € 61 181 – 3% 4. Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een partner heeft, worden de uitgaven voor gezinshulp samengevoegd en geldt voor de toepassing van het derde lid het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. De eerste volzin is ook van toepassing indien de belastingplichtige op grond van artikel 2.17, zevende lid, eerste volzin, geacht wordt het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad.

5. Uitgaven voor extra gezinshulp worden slechts in aanmerking genomen voor zover zij blijken uit gedagtekende facturen waarin op duidelijke en overzichtelijke wijze de naam en het adres van de gezinshulp zijn vermeld. 6. (…) 7. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel f, wordt met een medisch voorschrift gelijkgesteld een voorschrift van een persoon die bevoegd is tot het voeren van de titel diëtist.

8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de in het eerste lid, onderdeel f, en het zevende lid bedoelde voorschriften.

9. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder genees- en heelkundige hulp verstaan: a. een behandeling door een arts; b. een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus; c. een behandeling door een bij ministeriële regeling aan te wijzen paramedicus, mits voor de behandeling een verklaring door de paramedicus is afgegeven die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.” 18. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast met betrekking tot de in aanmerking te nemen specifieke zorgkosten op eiseres rust.

De rechtbank merkt op dat het onduidelijk is hoe de in de aangiften IB/PVV 2012 en 2013 verantwoorde specifieke zorgkosten zich verhouden tot de in beroep verstrekte overzichten van de medische onkosten over de jaren 2012 en 2013. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat de overzichten de basis vormden van de in de aangiften geclaimde aftrek. Gelet hierop zal de rechtbank uitgaan van de verstrekte overzichten van de medische onkosten over 2012 en 2013 en aan de hand daarvan per kostenpost beoordelen of eiseres aan haar bewijslast heeft voldaan. Cannabis 19.

Bij Wet van 13 juli 2002, Stb. 2002, 520, is de Opiumwet gewijzigd teneinde, onder meer, regels te stellen met betrekking tot de productie van hennep voor geneeskundige doelen. Met ingang van 1 september 2003 is zogenoemde medicinale cannabis op doktersrecept via apotheken verkrijgbaar.

20. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, is of ten aanzien van de in de jaren 2012 en 2013 door eiseres gedane uitgaven voor cannabis sprake is van uitgaven voor een farmaceutisch hulpmiddel verstrekt op voorschrift van een arts.

21. Eiseres heeft de door haar gebruikte cannabis zelf gekweekt, ingekocht bij coffeeshops en, voor wat betreft de cannabisolie, gekocht in het “illegale circuit”. Ze heeft de cannabis dus niet verkregen bij een apotheek. Niet in geschil is dat op zich is voldaan aan het vereiste dat artsen aan eiseres het gebruik van cannabis hebben voorgeschreven. Het gebruik van cannabis is voor haar ook medisch noodzakelijk. Een en ander wordt bevestigd door de hiervoor aangehaalde medische verklaringen. Volgens verweerder is daarmee echter nog niet voldaan aan de vereisten voor aftrek, omdat de cannabis niet is ingekocht bij een apotheek. Verweerder stelt, zo begrijpt de rechtbank, dat de onderhavige (niet bij een apotheek ingekochte) cannabis geen farmaceutisch hulpmiddel is.

22. De rechtbank acht aannemelijk dat de uitgaven voor de onderhavige (niet bij een apotheek ingekochte) cannabis uitgaven zijn voor farmaceutische hulpmiddelen als bedoeld in artikel 6.17 van de Wet IB 2001. In dit verband wordt gewezen op de hierboven aangehaalde medische stukken. Uit de verklaringen van de artsen [A] en [B] volgt dat eiseres vanuit medisch oogpunt aangewezen is op door haar zelf gekweekte en ingekochte cannabis en niet op de door apotheken verstrekte cannabis. Dit heeft blijkbaar te maken met de kenmerken van de verschillende variëteiten van cannabis.

Specifiek voor wat betreft de kosten van zelfkweek is dit ook bevestigd in de hierboven genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Daarin is geoordeeld dat eiseres recht had op bijzondere bijstand voor de kosten van de door haar zelf gekweekte cannabis. Verder wordt in meerdere medische stukken gesproken van cannabis “in eigen beheer”. Daarbij wordt in voorkomend geval niet alleen gewezen op het zelf kweken van cannabis, maar ook op het gebruik van cannabisolie (“concentraat”) en bij een coffeeshop ingekochte cannabis. Hieruit volgt dat eiseres ook de ingekochte cannabis en cannabisolie als farmaceutisch hulpmiddel gebruikt.

De feiten in deze zaak wijken in zoverre dus af van die in de zaak in de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:814.

23. Voor zover verweerder zich heeft beroepen op het Besluit van 28 oktober 2009, nr. CPP2009/1820M, van de staatssecretaris van Financiën, heeft het volgende te gelden. In dat Besluit wordt als voorwaarde voor aftrek gesteld dat cannabis door een apotheek wordt verstrekt. Verweerder miskent daarbij echter dat het Besluit van 28 oktober 2009, nr. CPP2009/1820M, bij het Besluit van 21 januari 2010, nr. DGB2010/372M, is komen te vervallen. Bovendien miskent verweerder dat reeds op grond van de wettelijke regeling de onderhavige uitgaven voor cannabis voor aftrek in aanmerking komen, ondanks dat de cannabis niet door een apotheek is verstrekt. Aan toepassing van een begunstigend beleidsbesluit wordt niet toegekomen.

24. Gelet op het vorenoverwogene komen naar de oordeel van de rechtbank de door eiseres gemaakte kosten voor de door haar zelf gekweekte cannabis alsmede de niet bij een apotheek ingekochte cannabis en cannabisolie als specifieke zorgkosten voor aftrek in aanmerking.

25. Met betrekking tot de hoogte van het in aftrek te nemen bedrag wegens specifieke zorgkosten, merkt de rechtbank het volgende op. Verweerder heeft niet gesteld dat de door eiseres in 2012 en 2013 gedane uitgaven voor cannabis gedeeltelijk betrekking hebben op ‘niet-medicinale’ cannabis. Verweerder heeft dus niet gesteld dat de cannabis deels voor andere doeleinden wordt gebruikt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de door eiseres gedane uitgaven in 2012 en 2013 voor cannabis alle betrekking hebben op cannabis die is gebruikt op voorschrift van een arts.

Blijkbaar zijn al die uitgaven medisch gezien noodzakelijk. Verder is niet in geschil dat kosten van de cannabis niet (kunnen) worden vergoed door zorgverzekeraars. Verwezen wordt naar hetgeen verweerder ter zitting hierover heeft verklaard. Daarnaast is met betrekking tot de hoogte van de aftrek van belang dat rekening dient te worden gehouden met de door eiseres ontvangen vergoeding van DWI. De kosten van de cannabis komen dus slechts voor aftrek in aanmerking voor zover deze de vergoeding van € 6.000 per jaar overstijgen. Het ligt op de weg van eiseres om de hoogte van de daadwerkelijke specifieke zorgkosten te onderbouwen.

26. Eiseres heeft onvoldoende betalingsbewijzen ingebracht. Eiseres heeft voor het jaar 2012 in het geheel geen betalingsbewijzen overgelegd. Voor het jaar 2013 heeft zij betaalbewijzen overgelegd voor een bedrag van in totaal € 4.119, maar daarmee heeft eiseres nog niet onderbouwd dat de uitgaven in dat jaar meer dan € 6.000 hebben bedragen. Voor wat betreft de in de overzichten genoemde kosten van elektra (2012 en 2013), cannabisolie (2012 en 2013) en hulp (2012) is in het geheel geen onderbouwing gegeven. Een en ander leidt tot de conclusie dat de thans verstrekte onderbouwing onvoldoende is.

Dit laat echter het volgende onverlet. De rechtbank acht op zich aannemelijk dat in ieder geval voornoemde kosten van elektra en cannabisolie zijn gemaakt. Het is verder ook zeer wel mogelijk dat voor de cannabis en cannabisolie kosten zijn gemaakt die de vergoeding van DWI (ruim) te boven gaan. Er zijn echter onvoldoende gegevens voorhanden om van dit meerdere een schatting te maken. Anders dan in de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 juni 2006, ECLI:NL:RBHHA:2006:BA9589, heeft verweerder geen subsidiair standpunt ten aanzien van de hoogte van de kosten ingenomen.

Slechts is gesteld dat niet aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan.

27. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, mede gezien het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil, eiseres in deze zaak in de gelegenheid stellen om inhoudelijk te reageren op deze tussenuitspraak. Zij krijgt in het bijzonder de gelegenheid om de kosten van de cannabis voor de jaren 2012 en 2013 met nadere bescheiden te onderbouwen. Daarbij dient te worden uitgegaan van hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld in deze tussenuitspraak. Ook merkt de rechtbank op dat het redelijk is om bij de onderbouwing van de kosten van de cannabisolie andere eisen dan gebruikelijk te stellen aangezien, zoals eiseres ter zitting onbestreden heeft verklaard, deze olie enkel in het illegale circuit wordt verkocht. Ook de hoogte van die kosten moeten echter door eiseres worden onderbouwd.

28. De rechtbank stelt eiseres in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gegevens te verstrekken. De rechtbank zal verweerder in de gelegenheid stellen om binnen zes weken na doorzending door de rechtbank hierop te reageren. De rechtbank merkt daarbij op dat het partijen vrij staat om bij elkaar informatie in te winnen en, indien nodig, in overleg te treden. Acupunctuur, tuinabehandelingen en fysiotherapie 29. Gelet op artikel 6.17, negende lid, van de Wet IB 2001 kan voor zover de acupunctuurbehandelingen door een arts geschieden, op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus geschieden, of door een paramedicus geschieden mits een bepaalde verklaring door die paramedicus is afgegeven, worden gesproken van geneeskundige of heelkundige hulp. Gesteld noch gebleken is dat de acupunctuurbehandelingen door een arts hebben plaatsgevonden.

30. Verder is in artikel 39, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001) nader gespecificeerd wat onder een paramedicus in de zin van artikel 6.17, negende lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 dient te worden verstaan. Een acupuncturist is niet als paramedicus genoemd in artikel 39 van de URIB 2001. In het tweede lid van artikel 39 van de URIB 2001 staat voorts vermeld aan welke aspecten de verklaring als bedoeld in artikel 6.17, negende lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 moet voldoen. Een dergelijke verklaring van de betreffende behandelaar ontbreekt. De verklaring van dr. [D] voldoet niet aan de gestelde eisen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat geen beroep kan worden gedaan op de aftrek van de kosten van een acupuncturist. Hieraan doet niet af dat verweerder die kosten voor € 178 in aftrek heeft toegestaan.

31. De rechtbank is van oordeel dat de uitgaven in verband met de tuinabehandelingen evenmin tot aftrek kunnen leiden. Gesteld noch aannemelijk is dat hierbij sprake is van behandelingen door een arts of een paramedicus, en ook niet van behandelingen onder rechtstreeks toezicht of begeleiding van een arts, dan wel van een verklaring van de betreffende behandelaar als bedoeld in het tweede lid van artikel 39 van de URIB 2001.

32. Indien eiseres kosten heeft gemaakt voor de fysiotherapeut kunnen deze kosten mogelijkerwijs wel in aftrek worden gebracht. Hierbij is van belang dat de fysiotherapeut genoemd is als paramedicus in artikel 39, eerste lid, van de URIB 2001. Of de behandeling plaatsvindt onder rechtstreeks toezicht of begeleiding van een arts, dan wel eiseres beschikt over een verklaring van de fysiotherapeut die voldoet aan de vereisten van artikel 39, tweede lid, van de URIB 2001, is echter niet onderbouwd. Daarom kunnen deze kosten niet in aftrek komen. Overigens zijn de kosten ook niet onderbouwd met bewijzen en is niet aannemelijk gemaakt dat de kosten niet vergoed zijn door de zorgverzekeraar.

Tandarts 33. De kosten van de tandarts kunnen in aftrek worden gebracht, indien en voor zover deze kosten niet zijn of kunnen worden vergoed vanuit de zorgverzekering. De onderhavige kosten zijn echter niet onderbouwd met bewijzen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de kosten niet vergoed zijn of kunnen worden door de zorgverzekeraar. Om die reden oordeelt de rechtbank dat er geen recht op aftrek bestaat voor deze kosten. Contactlenzen 34. De rechtbank is van oordeel dat gelet op artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001 de kosten van de contactlenzen in het jaar 2012 en 2013 niet in aftrek kunnen worden gebracht.

Supplementen, vitamines, Chinese kruiden 35. In de hiervoor aangehaalde verklaring van dr. [C] staat dat eiseres genoodzaakt is om extra kosten voor supplementen te maken. Echter, uit deze verklaring blijkt niet dat eiseres de gestelde supplementen, vitamines en Chinese kruiden volgens de arts dient te gebruiken in het kader van haar ziekte. Dit betekent dat van deze middelen niet kan worden gezegd dat zij op voorschrift van een arts zijn verstrekt. In het midden kan daarom blijven of sprake is van farmaceutische hulpmiddelen. Overigens zijn de kosten ook niet onderbouwd met bewijzen.

36. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de kosten van supplementen, vitamines en Chinese kruiden niet voor aftrek in aanmerking komen. Huid- en haarverzorging 37. In de verklaring van dr. [C] staat dat eiseres genoodzaakt is om extra kosten voor huid- en haarverzorging te maken. Echter, uit deze verklaring blijkt niet dat de gestelde producten voor huid- en haarverzorging zijn voorgeschreven door een arts. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat deze middelen op voorschrift van een arts zijn verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat daarom de extra kosten voor huid- en haarverzorging niet voor aftrek in aanmerking komen.

In het midden kan blijven of sprake is van farmaceutische hulpmiddelen. Overigens zijn de kosten ook niet onderbouwd met bewijzen. Drogist en apotheek 38. Eiseres, op wie de bewijslast rust, heeft tegenover de betwisting daarvan door de verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de in het overzicht genoemde kosten bij de drogist en apotheek zijn gedaan in het kader van haar ziekte. Voorts is niet duidelijk in hoeverre de betreffende middelen zijn voorgeschreven door een arts. Voor wat betreft met name de uitgaven bij de drogist is ook niet duidelijk of sprake is van farmaceutische hulpmiddelen.

Uitzondering maakt de rechtbank voor de kosten in verband met de maagtabletten. Uit de verklaring van dr. [C] blijkt namelijk dat die zijn voorgeschreven door een arts. De kosten voor maagtabletten zijn echter niet onderbouwd met bewijzen. Dit heeft ook te gelden voor de andere kosten van de drogist en apotheek. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de kosten van de drogist en apotheek niet in aftrek kunnen worden toegelaten. Thuiszorg 39. Eiseres heeft geen facturen omtrent de thuiszorg overgelegd. Daarom is niet duidelijk geworden in hoeverre kosten zijn gemaakt in de periode 2012 en 2013.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op aftrek van de kosten van thuiszorg. Crohn vereniging 40. Voor het in aftrek toestaan van de kosten van een patiëntenvereniging is van belang of de activiteiten van die vereniging onderdeel zijn van en samenhangen met de medische begeleiding van de patiënt. Zij moeten vooral bestaan uit het geven van medische informatie en directe hulp onder verantwoordelijkheid van gespecialiseerde artsen. Gesteld noch aannemelijk is dat de contributie aan de Crohn vereniging aan deze voornoemde voorwaarden voldoet.

De rechtbank is van oordeel dat deze kosten daarom niet in aftrek kunnen worden gebracht. Bovendien zijn de kosten ook niet onderbouwd met bewijzen. Dieetkosten 41. Niet in geschil is dat eiseres ziek is en aan haar door een arts twee diëten zijn voorgeschreven voor twee verschillende ziektebeelden, te weten een energieverrijkt in combinatie met eiwit verrijkt en lactosebeperkt/lactosevrij dieet en een koemelkeiwitvrij in combinatie met een glutenvrij dieet. In geschil is of eiseres aanspraak kan maken op dieetkosten, aangezien zij een vergoeding heeft ontvangen voor haar dieetkosten van DWI van € 9,50 per dag.

Verweerder stelt dat de vergoeding het forfaitaire bedrag van artikel 37 van de URIB 2001 overstijgt en als gevolg daarvan er geen dieetkosten op eiseres drukken. Eiseres heeft ter zitting onbestreden gesteld dat de door haar gemaakte dieetkosten in verband met haar ziekte hoger zijn dan de door DWI verstrekte vergoeding.

42. De rechtbank acht het aannemelijk dat de dieetkosten van eiseres hoger zijn dan de verkregen vergoeding en dat op die grond gebruik kan worden gemaakt van het forfait, zoals opgenomen in artikel 37 van de URIB 2001. Op forfaitaire bedragen hoeven in de wettelijke systematiek vergoedingen niet in aftrek te worden gebracht. De rechtbank is daarom van oordeel dat de forfaitair berekende dieetkosten voor 2012 en 2013 terecht in aftrek zijn gebracht. Voor zover verweerder voor de dieetkosten een beroep doet op interne compensatie faalt dat beroep dus.

Motiveringsbeginsel 43. Eiseres heeft gesteld dat verweerder bij het doen van de uitspraken op bezwaar het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Eiseres stelt dat verweerder bij de beoordeling onvoldoende is ingegaan op de bijzondere medische situatie waarin zij verkeert. Verweerder heeft in de uitspraken op bezwaar echter aangegeven op welke gronden hij de aftrek van de specifieke zorgkosten heeft herzien. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee een afdoende motivering gegeven. Daarom heeft verweerder met het door hem genomen besluit het motiveringsbeginsel niet geschonden.

Gelijkheidsbeginsel 44. Eiseres heeft haar standpunt voor wat betreft de cannabis ook onderbouwd met een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiseres heeft, ter onderbouwing van haar standpunt, verwezen naar de uitspraak van Rechtbank Haarlem van 14 juni 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:BA9589. Gelet op het voorgaande hoeft dat standpunt geen behandeling. De rechtbank acht immers aannemelijk dat in zoverre sprake is van uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen op voorschrift van een arts. Voor wat betreft de hoogte van de aftrek komt eiseres geen beroep op het gelijkheidsbeginsel toe, omdat de hoogte afhankelijk is van hetgeen in een zaak gesteld en onderbouwd is (zie ook hierna met betrekking tot het vertrouwensbeginsel).

In de door eiseres aangehaalde zaak was voorts sprake van een ander jaar en prijspeil, alsmede van andere hoeveelheden cannabis. Vertrouwensbeginsel 45. Eiseres doet voor wat betreft de cannabis een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij voert daarbij aan dat in het verleden de door haar in aftrek gebrachte kosten van cannabis door verweerder zijn geaccepteerd en dat verweerder nooit opmerkingen heeft gemaakt daarover.

46. Voor een in rechte te beschermen vertrouwen is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vergelijk het arrest van 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179 en het arrest van 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:278) meer vereist dan de enkele omstandigheid dat een inspecteur de aangiften gedurende een aantal jaren heeft gevolgd. Er zullen bijkomende omstandigheden moeten zijn op grond waarvan bij de belastingplichtige de indruk is gewekt dat het volgen van de aangiften in voorafgaande jaren het gevolg is van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur. Tot die omstandigheden kan behoren de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld. Met het enkel bij een aangiftebiljet voegen van een specificatie is doorgaans het betrokken punt niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde gesteld (vgl. het arrest van 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2996 en het arrest van 13 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5229).

47. De rechtbank overweegt dat eiseres meerdere jaren zorgkosten in aftrek heeft gebracht. Onbestreden is dat zij daarbij altijd kosten van cannabis in aftrek heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres echter onvoldoende onderbouwd dat sprake is van bijkomende omstandigheden op grond waarvan bij haar de indruk is gewekt dat sprake is van een bewuste standpuntbepaling ten aanzien van de aftrekbaarheid van kosten van cannabis. Daarbij komt nog het volgende. Op dit moment staat nog alleen de hoogte van de in aftrek gebrachte zorgkosten ter discussie.

De rechtbank gaat er van uit dat de hoogte van de kosten van cannabis ieder jaar verschilt. Ook al zou verweerder door niet van de eerder ingediende aangiften IB/PVV af te wijken vertrouwen hebben gewekt dat de in deze aangiften opgevoerde kosten van cannabis volledig aftrekbaar waren, dan heeft dit niet als consequentie dat dit vertrouwen ook voor andere jaren leidt tot aftrek van de geclaimde zorgkosten. Dit is slechts anders indien verweerder specifiek een standpunt lijkt te hebben ingenomen ten aanzien van de hoogte van de kosten. Dit is gesteld noch aannemelijk gemaakt.

Voor wat betreft de hoogte van de aftrek komt eiseres dus sowieso geen beroep op het vertrouwensbeginsel toe. Conclusie 48. Het voorgaande leidt onder meer tot de conclusie dat de rechtbank eiseres in de gelegenheid stelt de kosten met betrekking tot de cannabis nader te onderbouwen met bescheiden. De rechtbank stelt eiseres in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak inhoudelijk te reageren. Verweerder zal in de gelegenheid worden gesteld om op de stukken van eiseres binnen zes weken na doorzending door de rechtbank te reageren.

49. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan. Beslissing De rechtbank: heropent het vooronderzoek voor wat betreft de hoogte van de kosten van de cannabis; stelt eiseres in de gelegenheid om binnen zes weken na deze tussenuitspraak inhoudelijk te reageren op dit punt; stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na doorzending door de rechtbank op de stukken van eiseres te reageren; en houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. K.M.E. de Moor, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.