Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2016:9155 ECLI:NL:RBNHO:2016:9155 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2016:9155 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2016:9155
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem zaaknummers: HAA 16/2012 en HAA 16/2013 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2016 in de zaken tussen [X] , wonende te [Z] , eiseres, (gemachtigde: B. Schoenmaker), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop HAA 16/2012 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag (aanslagnummer: [nummer 1] ) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.545 en bij beschikking een bedrag van € 169 aan belastingrente in rekening gebracht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2016:9155 · Rechtbank Noord-Holland: Eiseres (werknemer) en [naam 3] hebben in april 2012 een arbeidsovereenkomst gesloten, die voor zover van belang, inhoudt: “Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (…) Verklaren het volgende te zijn overeengekomen: Artikel 1 De werknemer zal op woensdag 11 juli 2012, voor een bepaalde tijd, in dienst treden van de werkgever in de functie van actrice ten behoeve van het spelen van de productie [naam 8] in regie van [naam 9] , zulks tegen een brutomaandsalaris van € 1.165,= (acteur volontair I, schaalnummer 11, regel 10 van de CAO Theater) op basis van een volledige werkweek.

Keywords

AI generated
entertainment contract compensable branch of activity employment subject to social contributions contract staff suitable employment unpaid work

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2015:454
Contractant 2 verleent ondersteunende productiewerkzaamheden ten behoeve van de producties van [F] Producties; zijnde[diverse acts] en de theatervoorstellingen.
ECLI:NL:HR:1992:ZC5085
Hoge Raad 16 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5085).
ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1828
GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk P 08/00324 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van - de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht Gerbrandystraat, de inspecteur, tegen de uitspraak in de zaak met kenmerknummer AWB 07/2951 van de rechtbank Haarlem van 11 februari 2008 in het geding tussen - X, wonende te P, belanghebbende, gemachtigde B. Schoenmaker, en - de inspecteur. 1. Ontstaan en loop van het geding De inspecteur heeft met dagtekening 6 mei 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.079. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 11 april 2007, de navorderingsaanslag gehandhaafd. Bij uitspraak van 11 februari 2008 (AWB 07/2951), verzonden op 15 februari 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag vernietigd. Tegen bovenstaande uitspraak van de rechtbank heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 26 maart 2008, bij het Hof ingekomen op 27 maart 2008, en aangevuld bij brief van 8 mei 2008. De gemachtigde heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2.Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende – in hoger beroep niet alsnog weersproken - feiten vastgesteld (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de inspecteur als verweerder): 2.1. Eiseres, musicus van beroep, heeft over het jaar 2002 op 5 januari 2004 aangifte IB/PVV gedaan naar het hieronder vermelde inkomen. De aangifte is ingediend en verzorgd door belastingadvieskantoor B. Schoenmaker en bevat voor zover van belang de volgende gegevens. Winst uit onderneming € 2.744 Zelfstandigenaftrek € 8.187 -/- Loon uit dienstbetrekking € 439 Ingehouden loonheffing € 26 Opbrengst overige werkzaamheden € 0 Te verrekenen loonheffing die onder de artiesten of beroepssportersregeling vielen € 1.347 Huurwaarde eigen woning € 1.009 Betaalde rente en kosten € 6.837 Toegerekend saldo van inkomsten en aftrekposten € 1.136 -/- ------------- Inkomen uit werk en woning € 2.047 Persoonsgebonden aftrek € 155 ------------- Belastbaar inkomen uit werk en woning € 1.892 In de bijlage bij de aangifte over 2002 is de volgende specificatie van de winstberekening gevoegd: Loonheffing, zie “inkomsten niet uit dienstbetrekking” Muziek Lycea te P € 10.439 € 1.347 Dwarsfluitlessen € 1.435 Optredens ` € 350 ------------- Omzet totaal € 12.224 2.2. Verweerder heeft overeenkomstig de ingediende aangifte IB/PVV met dagtekening 26 maart 2005 de aanslag IB/PVV over 2002 opgelegd. 2.3. In mei 2005 deelt gemachtigde van eiseres mede aan een behandelend ambtenaar dat hij in een vergelijkbaar geval bij een andere belastingplichtige eerst achteraf, als de verhouding tussen de verschillende inkomsten duidelijk is, een keuze maakt of sprake is van winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden. Als de behandelend ambtenaar de aangifte IB/PVV over 2003 van eiseres dient te beoordelen, besluit deze naar aanleiding van de eerdere mededeling van gemachtigde de aangifte IB/PVV aan een meer gedetailleerd onderzoek te onderwerpen. 2.4. Met dagtekening 27 oktober 2005 wordt de aanslag IB/PVV over 2003 opgelegd. Verweerder heeft daarbij de geclaimde zelfstandigenaftrek gecorrigeerd. 2.5. Naar aanleiding van een ingediend bezwaar tegen de aanslag IB/PVV over het jaar 2003, heeft verweerder op 19 januari 2006 een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften IB/PVV over de jaren 2001, 2002 en 2003. Met dagtekening 21 april 2006 is een rapport uitgebracht. 2.6. Tijdens het onderzoek komt naar voren dat eiseres tot 1 september 2002 op basis van een jaarcontract in dienstbetrekking werkzaam is geweest bij Stichting Muzieklycea te P. Vanaf 1 september 2002 is zij daar voor onbepaalde tijd in dienst getreden. Naast dit dienstverband geeft eiseres privéles dwarsfluit aan particulieren en treedt zij incidenteel op. De werving van leerlingen voor particuliere lessen vindt plaats door mond op mond reclame en door berichten die bij de muziekschool worden opgehangen. De particuliere lessen worden bij eiseres thuis of in gehuurde ruimte gegeven. In verband met de geboorte van het kind van eiseres in december 2004 worden sindsdien geen lessen meer thuis gegeven. 2.7. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft eiseres een achteraf opgemaakte urenlijst verstrekt, waarin een specificatie van haar werkzaamheden is opgenomen. Volgens de urenlijst bedraagt het totaal aantal uren in 2002 1.457. In de urenlijst is geen onderscheid gemaakt tussen de uren besteed aan de onderneming en de uren besteed aan de dienstbetrekking. 2.8. Tijdens de controle heeft eiseres haar agenda’s ter inzage verstrekt. 2.9. De controlerend ambtenaar heeft op basis van zijn bevindingen geconcludeerd dat eiseres in de jaren 2001, 2002 en 2003 niet aan het urencriterium heeft voldaan. 2.10. Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek heeft verweerder met dagtekening 6 mei 2006 de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. Gemachtigde heeft op 29 mei 2006 gereageerd op het rapport boekenonderzoek en tevens bezwaar aangetekend tegen de navorderingsaanslag. 2.11. Op 23 en 30 januari 2007 heeft de behandelend ambtenaar telefonisch overleg gevoerd met gemachtigde en daarbij een compromis aangeboden. Gemachtigde heeft het compromis niet aanvaard. 2.12. Bij brief van 16 februari 2007 heeft de behandelend ambtenaar verzocht om agenda’s en overige primaire bescheiden met betrekking tot de urenverantwoording over 2001 en 2002. 2.13. Bij brief van 20 februari 2007 heeft gemachtigde aangegeven dat de navorderingsaanslag ten onrechte was opgelegd aangezien een nieuw feit ontbreekt en overigens de gevraagde gegevens al eerder zijn overgelegd. 2.14. Bij brief van 1 maart 2007 heeft de behandelend ambtenaar wederom verzocht om de gevraagde gegevens als vermeld onder 2.14. Bij brief van 10 april 2007 heeft gemachtigde gereageerd en een kopie van de urenlijsten 2001 en 2002 verstrekt. 2.2. Het Hof voegt daaraan nog toe: 2.2.1. In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 van belanghebbende is onder vraag 10d “Te verrekenen Nederlandse loonheffing over inkomsten die onder de artiesten- of beroepssportersregeling vielen” € 1.347 vermeld. 3. Geschil in hoger beroep Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, of -voor het geval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord- de inspecteur voor de navorderingsaanslag beschikt over het daarvoor benodigde nieuwe feit, of, bij afwezigheid van een nieuw feit, de navordering toch mogelijk is in verband met kwade trouw van de zijde van belanghebbende Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of belanghebbende in 2002 voldeed aan de eisen die de wet stelt aan toepassing van de zelfstandigenaftrek. Daarbij is niet in geschil dat belanghebbende voor wat betreft haar dwarsfluitlessen en optredens in het onderhavige jaar een onderneming dreef. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende tenminste 1225 uren besteedde aan het feitelijk drijven van haar onderneming. 4.1.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inkomsten genoten uit de dienstbetrekking bij de Stichting Muzieklycea te P moeten worden gerekend tot de winst uit onderneming en dientengevolge de aan deze dienstbetrekking bestede uren meetellen voor voornoemd urencriterium. 4.1.2. Voor het aldus aanmerken van loon uit dienstbetrekking als winst uit onderneming is vereist dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking en de werkzaamheden verricht als ondernemer en bovendien dat de werkzaamheden in dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen. De activiteiten die belanghebbende als ondernemer verricht vertonen naar het oordeel van het Hof niet een zodanig nauwe samenhang met haar werkzaamheden als docent in dienstbetrekking, en evenmin zijn de activiteiten als ondernemer dermate overheersend, dat de uren gewerkt in loondienst moeten worden geacht als onderdeel van de onderneming daarin te zijn opgegaan. Ten aanzien van dit laatste is van belang dat de genoten looninkomsten beduidend meer bedragen dan de ondernemingswinst. Voorts kan uit de door belanghebbende overgelegde urenstaten niet worden afgeleid welke uren zijn besteed aan de dienstbetrekking en welke uren aan de onderneming. In dit licht kan niet worden gesproken van werkzaamheden die in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen, noch in financiële zin, noch in de zin van tijdsbesteding per week. Een en ander leidt tot de conclusie dat de inkomsten uit de dienstbetrekking bij de Stichting Muzieklycea te P geen winst uit onderneming vormen en dientengevolge de uren die belanghebbende in deze dienstbetrekking heeft gewerkt buiten beschouwing gelaten dienen te worden bij de vaststelling van de uren welke besteed zijn aan het feitelijk drijven van de onderneming. 4.1.3. Tussen partijen is niet geschil dat indien de uren die belanghebbende heeft besteed aan haar dienstbetrekking bij de Stichting Muzieklycea te P niet meetellen voor het uren-criterium alsdan niet wordt voldaan aan dit urencriterium. Hieruit volgt dat belanghebbende geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek. 4.2. Dan moet de vraag worden beantwoord of de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag beschikte over het zogenaamde nieuwe feit dat voor navordering vereist is. 4.2.1. Het Hof stelt voorop dat de inspecteur in beginsel erop mag vertrouwen dat het voorwerp van belastingheffing in de aangifte op een juiste wijze is verantwoord. Dit uitgangspunt geldt in het bijzonder met betrekking tot aangiften die op het eerste gezicht een verzorgde indruk maken en zijn begeleid door een professionele gemachtigde. Aan deze voorwaarde beantwoordt de namens belanghebbende gedane aangifte. Niettemin kan ook een op het eerste gezicht verzorgde aangifte informatie bevatten die de inspecteur bij een behoorlijke vervulling van zijn aanslagregelende taak redelijkerwijs ertoe zou hebben moeten brengen daarover vragen te stellen. In de onderhavige situatie dient beoordeeld te worden of de inspecteur een ambtelijk verzuim beging door geen onderzoek in te stellen naar de juistheid van de aftrekpost "zelfstandigenaftrek", mede gelet op het onder de onder vraag 10d van de aangifte opnemen van € 1.347 aan te verrekenen Nederlandse loonheffing terwijl er geen bijbehorende inkomsten uit de artiesten- of beroepssportersregeling bij deze vraag worden verantwoord en hetzelfde bedrag wordt verantwoord in de bij de aangifte van belanghebbende gevoegde winstberekening maar dan in relatie tot de als netto omzet verantwoorde ‘Muzieklycea P’. 4.2.2. Het Hof acht deze vermeldingen op zichzelf en beoordeeld in samenhang met de aangifte in haar geheel niet zodanig kwestieus dat de inspecteur in het kader van de aanslagregeling een onderzoek naar die posten had behoren in te stellen. Het als omzet opnemen van inkomsten uit muzieklycea is op zichzelf niet zodanig ongewoon te achten dat de inspecteur reeds op grond van de vermelding elders in de aangifte van ‘te verrekenen Nederlandse loonheffing over inkomsten die onder de artiesten- of beroepssportersregeling’ een onderzoek had moeten verrichten. Het Hof neemt daarbij in aanmerking de toelichting door gemachtigde op zijn wijze van invullen van het aangiftebiljet, en de reactie daarop van de inspecteur. Gemachtigde heeft verklaard in zijn adviespraktijk veel cliënten te hebben die in vergelijkbare omstandigheden verkeren. In deze aangiften worden door hem eveneens in de bijgevoegde jaarrekeningen omzet uit onderneming verantwoord, waarbij de ingehouden loonheffing op overeenkomstige wijze onder vraag 10d van het biljet wordt vermeld. De inspecteur heeft daarop ter zitting verklaard, bekend te zijn met deze wijze van invullen van het aangiftebiljet. In geval van artiesten die losse optredens hebben waarvan de opbrengst door hen terecht als omzet uit onderneming wordt aangemerkt maar (desondanks) bij wetsfictie loonheffing plaatsvindt, is deze wijze van verwerking niet ongebruikelijk. In het onderhavige geval was dan ook bij de aanslagregeling geen aanleiding voor een nader onderzoek. Eerst bij het boekenonderzoek bleek dat niet bij wetsfictie bij belanghebbende loonheffing was ingehouden, maar op grond van een vast dienstverband, en dat de inkomsten van het muzieklyceum ten onrechte zijn aangemerkt als omzet uit onderneming. Door bij de aanslagregeling naar de litigieuze posten geen onderzoek in te stellen heeft de inspecteur dan ook geen ambtelijk verzuim begaan. Na de vaststelling van de definitieve aanslag vormde het door de controlemedewerker uitgevoerde onderzoek en de uitkomst daarvan voor de inspecteur het nieuwe feit dat de navordering rechtvaardigde. Nu sprake is van een nieuw feit kan buiten beschouwing blijven of er sprake was van kwade trouw van de zijde van belanghebbende. 4.3. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaren. 5. Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6. Beslissing Het Hof : - vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en - verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, A.M.J.G. van Amsterdam en M.J. Hamer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands als griffier. De beslissing is op 14 mei 2009 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem zaaknummers: HAA 16/2012 en HAA 16/2013 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2016 in de zaken tussen [X] , wonende te [Z] , eiseres, (gemachtigde: B. Schoenmaker), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop HAA 16/2012 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag (aanslagnummer: [nummer 1] ) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.545 en bij beschikking een bedrag van € 169 aan belastingrente in rekening gebracht.

HAA 16/2013 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag (aanslagnummer: [nummer 2] ) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.443 en bij beschikking een bedrag van € 12 aan belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de voornoemde navorderingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016 te Haarlem.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde B. Schoenmaker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. K. Soekhlal, T. Bouman-de Jongh en mr. W.Y. Ip. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is in 2012 en 2013 werkzaam geweest als actrice en in 2012 tevens werkzaam geweest als zaaldienstmedewerker. Eiseres is met ingang van 15 juli 2013 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer 3] .

2. Eiseres heeft in 2012 de volgende inkomsten ontvangen: Stichting [naam 1] (hierna: [naam 1] ), periode 1 januari tot en met 31 mei, € 1.875, werkzaam als parttime zaaldienstmedewerker; [naam 1] , periode 1 november tot en met 31 december, € 936, werkzaam als parttime zaaldienstmedewerker; Stichting [naam 2] (hierna: [naam 2] ), periode 1 januari tot en met 31 december, € 358, werkzaamheden bestonden uit het lesgeven aan muzikanten; Stichting [naam 3] (hierna: [naam 3] ), periode 1 mei tot en met30 juni, € 642, werkzaam als stagiair; [naam 3] , periode 11 juli tot en met 22 augustus, € 1.809, werkzaam als fulltime actrice; Stichting [naam 4] (hierna: [naam 4] ), periode 23 augustus tot en met 22 november, € 7.130, werkzaam als fulltime actrice.

3. Eiseres heeft in 2013 de volgende inkomsten ontvangen: Stichting [naam 5] (hierna: [naam 5] ), periode 7 januari tot en met 7 februari, € 2.535, werkzaam als fulltime actrice; [naam 5] , periode 18 februari tot en met 10 april, € 4.090, werkzaam als fulltime actrice; [naam 6] , periode 15 juli tot en met 29 december, € 12.950, werkzaam als actrice; [naam 7] BV, factuurdatum 29 augustus 2013, € 2.016, werkzaam als actrice.

4. Op 29 maart 2013 heeft eiseres aangifte IB/PVV 2012 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.380, waarin voor winst uit onderneming een totaal bedrag ad € 3.585 is begrepen. Het bedrag ad € 3.585 bestaat uit inkomsten van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , alsmede de daarop in mindering gebrachte kosten, zelfstandigenaftrek (€ 7.280) en mkb-winstvrijstelling (€ 489). Voorts heeft eiseres loon uit vroegere dienstbetrekking aangegeven van € 795, waarop door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) € 95 aan loonheffingen is ingehouden.

5. Verweerder heeft aan eiseres een aanslag IB/PVV 2012 opgelegd overeenkomstig de aangifte.

6. Op 20 juni 2014 heeft eiseres aangifte IB/PVV 2013 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.932, welke volledig bestaat uit winst uit onderneming. Het bedrag ad € 7.932 bestaat uit inkomsten van Stichting [naam 5] , [naam 6] en de [naam 7] BV, alsmede de daarop in mindering gebrachte kosten, zelfstandigenaftrek (€ 7.280), startersaftrek (€ 2.123) en mkb-winstvrijstelling (€ 1.292).

7. Verweerder heeft aan eiseres een aanslag IB/PVV 2013 opgelegd overeenkomstig de aangifte.

8. Verweerder heeft in 2015 een boekenonderzoek bij eiseres uitgevoerd, waarbij is gekeken naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV 2012 en 2013. Naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek hebben een aantal correcties plaatsgevonden. Verweerder heeft voor wat betreft het jaar 2012 alle inkomsten aangemerkt als loon uit dienstbetrekking (€ 12.750) en de aftrek van kosten (€ 1.397) alsmede van de zelfstandigenaftrek en mkb-winstvrijstelling gecorrigeerd. Verweerder heeft voor wat betreft het jaar 2013 de inkomsten van [naam 5] aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking (€ 6.625), een deel van de in aftrek gebrachte kosten gecorrigeerd (€ 494) en een niet in de aangifte verantwoorde uitkering van het Uwv over de periode 1 januari 2013 tot en met 26 mei 2013 aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking (€ 1.666).

9. Eiseres (student) en [naam 3] hebben in april 2012 een stageovereenkomst gesloten die voor zover van belang, inhoudt: “Stageovereenkomst (…) Verklaren het volgende te zijn overeengekomen: De student loopt als onderdeel van zijn studie stage bij de stage instelling vanaf dinsdag 1 mei 2012 ten bate van de voorstelling [naam 8] , in regie van [naam 9] . Deze voorstelling wordt gespeeld in hetveem theater van dinsdag 14 juni tot en met zondag 17 juni, tijdens het ITS festival op vrijdag 22 juni en van dinsdag 26 juni tot en met zaterdag 30 juni tijdens de Parade in Rotterdam.

Doel van de stage is het opdoen van praktijkervaring op het gebied van acteren. De stage eindigt op 1 juli 2012. Vanaf woensdag 11 juli tot woensdag 22 augustus 2012 treedt de student voor bepaalde tijd in deinst van [naam 3] ten behoeve van het spelen van deze productie op de Parade in Den Haag, Utrecht en Amsterdam. Echter, onder voorbehoud dat deze organisatie de genoemde date definitief maakt. De student ontvangt een stagevergoeding van € 300, bruto per maand bij vijf volledige stagedagen per week. Voor een deeltijdstage geldt een stagevergoeding pro rato.

De student ontvangt een vergoeding van eventueel door de student te maken reis en verblijfskosten op basis van de CAO Theater. (…) Namens de stage-instelling zal de heer [naam 9] fungeren als aanspreekpunt en begeleider van de student. Namens de onderwijsinstelling treedt [naam 10] op als stagebegeleider van de student. De stagebegeleider heeft regelmatig contact met de student en de praktijkbegeleider. (…) (…) (…) (…) De stage-instelling heeft zich geconformeerd aan de cao Theater. Werkafspraken worden op basis van deze cao gemaakt. (…)” 10.

Eiseres (werknemer) en [naam 3] hebben in april 2012 een arbeidsovereenkomst gesloten, die voor zover van belang, inhoudt: “Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (…) Verklaren het volgende te zijn overeengekomen: Artikel 1 De werknemer zal op woensdag 11 juli 2012, voor een bepaalde tijd, in dienst treden van de werkgever in de functie van actrice ten behoeve van het spelen van de productie [naam 8] in regie van [naam 9] , zulks tegen een brutomaandsalaris van € 1.165,= (acteur volontair I, schaalnummer 11, regel 10 van de CAO Theater) op basis van een volledige werkweek.

Artikel 2 De overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en eindigt in ieder geval van rechtswege per 22 augustus 2012. De werknemer werkt de volgende dagen op de Parade, echter, onder voorbehoud dat deze organisatie de genoemde data definitief maakt: Van woensdag 11 juli tot en met zondag 15 juli in Den Haag Van woensdag 25 juli tot en met maandag 30 juli in Utrecht Van vrijdag 17 augustus tot en met dinsdag 21 augustus in Amsterdam Artikel 3 In totaal werkt de werknemer één volledige maand en zal derhalve een vergoeding ontvangen van één maandsalaris.

Artikel 4 Gedurende de looptijd van deze overeenkomst heeft de werknemer recht op vakantie-uren en vakantietoeslag conform cao. De vakantie-uren worden geacht te zijn opgenomen binnen de looptijd van dit contract. (…) Artikel 7 Werkgever en werknemer verklaren bekend te zijn met de CAO Nederlandse Theater en de CAO Stichting Sociaal Fonds Theater en komen hierbij overeen deze CAO’s op deze arbeidsovereenkomst van toepassing te verklaren en eventuele geschillen, overeenkomstig de in de cao Nederlands Theater opgenomen procedure, aan arbitrage te onderwerpen. (…)”. 11. [naam 2] heeft aan eiseres met dagtekening 25 januari 2012 een brief gezonden. [naam 2] bevestigt daarin aan eiseres de inschrijving bij de “verloningservice” van [naam 2] .

12. Eiseres (werknemer) en [naam 4] (werkgever) hebben op 10 juni 2012 een arbeidsovereenkomst gesloten voor bepaalde tijd die voor zover van belang inhoudt: “Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (…) Artikel 1 De werknemer zal op 23 augustus 2012, voor bepaalde tijd, en fulltime in dienst treden van de werkgever in de functie van acteur, ten behoeve van de voorstelling [naam 11] in de regie van [naam 12] , zulks tegen een bruto maandsalaris van 2.185,- (regel 20) bij fulltime. Artikel 2 De overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en eindigt in ieder geval van rechtswege per 22 november. (…) Artikel 4 De vakantiedagen zijn hierbij inbegrepen. (…) Artikel 5 Werkgever en werknemer verklaren bekend te zijn met de CAO Nederlands Theater en de CAO Stichting Sociaal Fonds Theater en komen hierbij overeen deze CAO’s p deze arbeidsovereenkomst van toepassing te verklaren en eventuele geschillen, overeenkomstig de in de CAO Nederlands Theater opgenomen procedure, aan arbitrage te onderwerpen.” Geschil 13.In geschil is of de inkomsten van eiseres in de belastingjaren 2012 en 2013 kwalificeren als winst uit onderneming in de zin van afdeling 3.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna:

Wet IB 2001). Bij een bevestigd antwoord op deze vraag dient te worden beoordeeld of eiseres aanspraak kan maken op de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek en de mkb-winstvrijstelling.

14. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de inkomsten die zij uit haar diverse werkzaamheden heeft verkregen, kunnen worden aangemerkt als winst uit onderneming. Eiseres stelt zich daarbij onder meer op het standpunt dat geen sprake is van een gezagsverhouding. Tevens stelt eiseres zich op het standpunt dat de werkzaamheden, in samenhang bezien, als geheel een onderneming vormen. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag.

15. Verweerder stelt dat de inkomsten genoten in de periode vóór 15 juli 2013 niet zijn toe te rekenen aan een onderneming en moeten worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

16. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil 17. Vooraf merkt de rechtbank het volgende op. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat er voor 2013 geen sprake is van een financieel belang bij het beroep. Aangezien desalniettemin sprake is van een belang, te weten de hoogte van de MKB-vrijstelling, komt de rechtbank niet tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij dit beroep. De rechtbank zal daarom ook een inhoudelijk oordeel geven over het jaar 2013.

18. Artikel 2.14 van de Wet IB 2001 bevat een rangorderegeling waarin is bepaald dat een voordeel dat op grond van meerdere artikelen als belastbaar inkomen kan worden aangemerkt, dit voordeel uitsluitend op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf wordt aangemerkt als bestanddeel van het belastbare inkomen. De belastbare winst is opgenomen in afdeling 3.2 en het belastbare loon is opgenomen in afdeling 3.3. Dit betekent dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of sprake is van winst uit onderneming (vgl. Gerechtshof Amsterdam 19 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:454).

19. Ingevolge artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt onder ondernemer verstaan de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Onder onderneming moet worden verstaan een duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van arbeid en veelal kapitaal deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk winst te behalen. Bij de beoordeling of sprake is van een onderneming moet onder meer worden gelet op de duurzaamheid en de omvang van de verrichte werkzaamheden, de beschikbare tijd, de winstverwachting, het debiteuren- en ondernemersrisico, de omvang van de bruto-inkomsten, de omvang van de investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.

20. Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt onder onderneming mede verstaan het zelfstandig uitgeoefende beroep. Daarvan is sprake als de belastingplichtige de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening verricht en daarbij ondernemersrisico loopt. De aanwezigheid van een organisatie van kapitaal en arbeid is hiervoor niet vereist (vgl. Hoge Raad 16 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5085).

21. Voor het aanmerken van loon uit dienstbetrekking als winst uit onderneming is vereist dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking en de werkzaamheden verricht als ondernemer en bovendien dat de werkzaamheden in dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen (vgl. Gerechtshof Amsterdam 14 mei 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1828).

22. Op eiseres rust de last om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een door haar gedreven onderneming zoals hiervoor is omschreven.

23. De rechtbank merkt het volgende op over de beoordeling: Eiseres heeft voor wat betreft het jaar 2012 verklaard dat de inkomsten van [naam 1] in 2012 dienen te worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking. Over deze inkomsten bestaat derhalve geen discussie meer, zodat de rechtbank hier niet op ingaat. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat de inkomsten van [naam 2] in 2012 zijn verkregen door het lesgeven aan muzikanten en onderdeel uitmaken van en voortvloeien uit haar onderneming. Die onderneming bestaat uit haar werk als docent, theatermaker en actrice.

Op grond van de samenhang met de overige activiteiten volgt de kwalificatie die van de activiteiten van [naam 3] en [naam 4] . Verweerder heeft gesteld dat geen sprake is van voldoende samenhang. De rechtbank zal daarom de gestelde samenhang beoordelen en wel uitsluitend indien sprake is van een onderneming voor wat betreft de andere activiteiten. Voor het jaar 2013 is van belang dat verweerder het standpunt heeft ingenomen dat vanaf 15 juli 2013 sprake is van een onderneming op grond van de met [naam 6] gesloten opdrachtovereenkomst en de inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

De beoordeling is dan ook beperkt tot de periode daaraan voorafgaand.

24. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aan haar bewijslast voor 2012 heeft voldaan. De rechtsverhoudingen tussen eiseres en de in 2012 met [naam 3] en [naam 4] gesloten overeenkomsten dienen als dienstbetrekkingen te worden gekwalificeerd, aangezien sprake is van loon, arbeid en gezag. Immers, voor de werkzaamheden betreffende [naam 3] en [naam 4] zijn overeenkomsten gesloten die naar inhoud en strekking arbeidsovereenkomsten zijn (zie hiervoor onder 9, 10 en 12). In de overeenkomsten wordt een vergoeding genoemd voor de te verrichten werkzaamheden en worden de werkzaamheden globaal omschreven. Nu de werkzaamheden tegen een vooraf overeengekomen vergoeding worden verricht, loopt eiseres in zoverre geen ondernemersrisico. De tijdelijke aard van die overeenkomsten maakt dat niet anders. Dat heeft ook te gelden voor het risico dat geen nieuwe overeenkomsten worden gesloten. Dit is geen risico dat voldoende is voor het aannemen van ondernemersrisico. Dit heeft ook te gelden voor de kans dat een werkgever de overeengekomen vergoeding niet uitbetaalt.

25. Dat eiseres als actrice een grote mate van vrijheid toekomt bij de invulling van haar werkzaamheden, betekent ook niet dan een gezagsverhouding ontbreekt. Bij zowel [naam 3] als bij [naam 4] was sprake van een regisseur, die bindende aanwijzingen kon geven. Dit heeft eiseres voor wat betreft [naam 4] ter zitting ook erkend. Het feit dat eiseres deze aanwijzingen niet altijd opvolgt, wil niet zeggen dat er geen sprake is van bindende aanwijzingen. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat de regisseur bij [naam 3] geen bindende aanwijzingen kon geven, omdat bij een inhoudelijk geschil over de invulling van de werkzaamheden uiteindelijk de overeenkomst met [naam 3] zou worden verbroken en zonder de regisseur en [naam 3] zou worden doorgegaan.

Echter, de rechtbank is van oordeel dat desondanks op grond van de gesloten overeenkomst wel bindende aanwijzingen konden worden gegeven. De met [naam 3] bestaande overeenkomst kenmerkt zich dus door een gezagsverhouding. De rechtbank acht verder aannemelijk dat eiseres, door haar opleiding als theatermaker en werkzaamheden, in grote mate inspraak heeft bij de werkzaamheden. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel, omdat doorslaggevend is of bindende aanwijzingen kunnen worden gegeven. Verder is ook niet van belang dat eiseres in 2012 producties heeft gemaakt waarbij zij niet in gezagsverhouding stond tot een ander.

De overeenkomsten met [naam 3] en [naam 4] moeten in deze zaak worden beoordeeld. Niet aannemelijk is dat de werkzaamheden voor die producties in 2012 een dusdanige omvang en samenhang met die bij [naam 3] en [naam 4] hadden dat reeds op grond daarvan de werkzaamheden bij [naam 3] en [naam 4] ‘worden meegetrokken’ en zodoende ondernemingsactiviteiten zijn.

26. Eiseres heeft tevens verklaard dat zij de werkzaamheden voor [naam 3] deels in het kader van haar opleiding heeft vervuld. Gelet hierop, alsmede de hiervoor vermelde stageovereenkomst, rechtvaardigt dit de conclusie dat er voor [naam 3] sprake is van werknemerschap en geen sprake is van een onderneming. In de gesloten overeenkomsten van eiseres met [naam 3] en met [naam 4] blijkt verder dat sprake is van toepasselijke cao-bepalingen. Ook dat rechtvaardigt de conclusie dat sprake was van werknemerschap. Tot slot is opvallend dat eiseres een werkloosheidsuitkering heeft genoten vanaf november 2012 tot en met mei 2013. Een werkloosheidsuitkering kan alleen worden genoten, indien sprake is geweest van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.

27. Gelet op het hiervoor overwogene vormen ook de inkomsten uit de activiteiten van [naam 2] geen winst uit onderneming.

28. Voor het jaar 2013 heeft eiseres evenmin aannemelijk gemaakt dat haar werkzaamheden voor [naam 5] kwalificeren als winst uit onderneming. Uit de stukken blijkt dat de vergoeding van [naam 5] zijn verloond. Ook is aan eiseres een jaaropgaaf 2013 uitgereikt waarin zij is aangemerkt als “werknemer”. De tussen eiseres en [naam 5] gesloten overeenkomsten behoren niet tot het dossier, maar verweerder heeft onbestreden gesteld dat sprake was van een overeenkomst waarop stond “arbeidsovereenkomst”. Daarnaast verwijst de rechtbank naar rechtsoverwegingen hiervoor met betrekking tot 2012.

29. Gelet op het vorenstaande is geen sprake van winst uit onderneming en behoeft de vraag of recht bestaat op zelfstandigenaftrek, startersaftrek en (hogere) mkb-winstvrijstelling geen behandeling meer.

30. Eiseres heeft tegen de beschikkingen belastingrente geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Omdat de beroepsgronden tegen de belastingaanslagen geen doel treffen, delen de beschikkingen belastingrente in het lot van de aanslagen.

31. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 32. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. K.M.E. de Moor, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.