Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2016:2504 ECLI:NL:RBNHO:2016:2504 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2016:2504 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2016:2504
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling privaatrecht Sectie Handel & Insolventie zaaknummer / rolnummer: C/15/238735 / KG ZA 16-64 Vonnis in kort geding van 24 maart 2016 in de zaak van de vennootschap onder firma FA. GEBR. VAN DER LEE, gevestigd en kantoorhoudend te Hagestein, eiseres in de hoofdzaak, gedaagde in het incident, advocaat mr. A. ter Mors te Deventer, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon PROVINCIE NOORD-HOLLAND, zetelend te Haarlem, gedaagde in de hoofdzaak en in het incident, advocaat mr. J.E. Palm te Den Haag, en 1de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BAM INFRA BV, gevestigd te Gouda, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid COFELY ENERGY & INFRA BV, gevestigd te Dordrecht, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KRINKELS BV, gevestigd te Wouw, gezamenlijk te noemen: de Combinatie, eiseressen in het incident tot tussenkomst, tussenkomende partij in de hoofdzaak, advocaat: mr.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2016:2504 · Rechtbank Noord-Holland: Bij e-mail van 3 februari 2016 heeft Van der Lee aan (mevr. [B.], teamsenior – Inkoop bij) de Provincie, een e-mail gestuurd waarin staat, voor zover relevant: ‘Wij hechten er (..) aan om te kunnen verifiëren of deze uitkomst terecht is of niet. Uw brief van 28 januari bevat daarvoor echter geen informatie. De vereiste motivering ontbreekt. In die brief wordt alleen maar vermeld door middel van een puntenmatrix hoe wij aan onze punten zijn gekomen. Echter, naar onze mening zijn er op basis van de aangeleverde bewijsstukken te weinig punten toegekend en is de puntenscore daarmee onjuist.

Keywords

AI generated
special provisions for Luxembourg qualification directive recognition of vocational training qualifications traditional recruitment country credibility requirements improved country conditions

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBROT:2014:9809
Beschrijf het proces vanaf het moment van binnenkomst storingsmelding, het proces van uitrukken tot en met het moment dat de serviceauto de reparatie ter plekke heeft afgerond.
ECLI:NL:RBDHA:2014:7930
Rechtbank den haag Team Handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/462965 / KG ZA 14-382 Vonnis in kort geding van 28 mei 2014 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid P1 On Street B.V., gevestigd te Den Haag, eiseres, advocaat mr. S.G. Tichelaar te Rotterdam, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Noordwijk, zetelende te Noordwijk, gedaagde, advocaat mr. S.C. Brackmann te Rotterdam, waarin is tussengekomen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Inpublic Ventures B.V., gevestigd te Den Haag, advocaat mr. L.C. van den Berg te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘P1’, ‘de Gemeente’ en ‘Inpublic’.
ECLI:NL:GHSHE:2015:4943
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.175.835/01 arrest van 1 december 2015 in de zaak van Transvision B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante,hierna: Transvision, advocaat: mr.
ECLI:NL:RBAMS:2011:BR6264
De procedure 1.1. Voorafgaand aan de behandeling ter terechtzitting van 4 augustus 2011 heeft Dura Vermeer een incidentele conclusie houdende een verzoek tot tussenkomst of voeging aan de zijde van Stadsdeel Oost aangekondigd. Dit verzoek is ter zitting ingediend en behandeld. KWS Infra en Stadsdeel Oost hebben geen bezwaar gemaakt tegen de tussenkomst van Dura Vermeer. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot tussenkomst toegestaan, aangezien voldoende is gebleken dat Dura Vermeer een belang heeft om benadeling of verlies van een recht te voorkomen en niet gebleken is dat het verzoek tot tussenkomst aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen in de weg staat. 1.2.
ECLI:NL:RBNNE:2014:1937
vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Leeuwarden zaaknummer / rolnummer: C/17/133115 / KG ZA 14-87 Vonnis in kort geding van 9 april 2014 in de zaak van de besloten vennootschap KUIPERS WATERBOUW DOKKUM, gevestigd te Dokkum, eiseres, advocaat: mr. J.A. Abma te Leeuwarden, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon WETTERSKIP FRYSLÂN, zetelend te Leeuwarden, gedaagde, advocaat: mr. Th. Dankert te Leeuwarden. Partijen zullen hierna “Kuipers” en “Wetterskip” genoemd worden. 1De procedure 1.1. Kuipers heeft Wetterskip in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare terechtzitting van 20 maart 2014. 1.2. Kuipers heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: primair: I. Wetterskip veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de (voorlopige) gunningsbeslissing van 10 februari 2014, genomen in het kader van de aanbesteding “Civieltechnische werkzaamheden” met contractnummer CON.0083 betreffende perceel 2, in te trekken; II. Wetterskip verbiedt zonder heraanbesteding ter zake van de aanbesteding “Civieltechnische werkzaamheden” met contractnummer CON.0083 een raamovereenkomst voor perceel 2 te sluiten met Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra B.V. te Surhuizum, Antea Realisatie B.V. te Heerenveen en Jelle Bijlsma B.V, te Giekerk, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-, althans een zodanige dwangsom als de voorzieningenrechter zal bepalen, dit voor het geval Wetterskip het gegeven verbod overtreedt; subsidiair: III. Wetterskip gebiedt om binnen drie weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de inschrijvingen in het kader van de aanbesteding “Civieltechnische werkzaamheden” met contractnummer CON.0083 opnieuw te laten beoordelen door een nieuw te vormen beoordelingsteam dat onafhankelijk is van Wetterskip, met inachtneming van hetgeen in het in dezen te wijzen vonnis is overwogen, met bepaling dat de kosten van herbeoordeling voor rekening komen van Wetterskip, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat Wetterskip na betekening van dit vonnis in gebreke is om aan de uitgesproken veroordeling te voldoen, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 100.000,-, althans een in goede justitie te bepalen maximum; IV. Wetterskip gebiedt om binnen twee weken na de hiervoor onder III. gevorderde herbeoordeling een nieuwe voorlopige gunningbeslissing te nemen en deze op de in de leidraad voorgeschreven wijze aan de inschrijvers bekend te maken; meer subsidiair: V. Wetterskip gebiedt om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan Kuipers alle relevante informatie te verschaffen die nodig is voor de toetsing van de beoordeling van (de commissie van) Wetterskip van alle inschrijvingen op perceel 2 van de aanbesteding “Civieltechnische werkzaamheden” met contractnummer CON.0083, althans van de drie winnende inschrijvingen, (Grondverzetbedrijf Luimstra B.V., Antea Realisatie B.V. en Jelle Bijlsma B.V), waaronder begrepen het onderliggende beoordelingsdocument aan de hand waarvan de commissieleden die de inschrijvingen hebben beoordeeld, de scores voor de subgunningscriteria “Plan van Aanpak” en “Duurzaamheid” uit de leidraad hebben toegekend, de beoordelingsformulieren van de individuele commissieleden en de/het (eind)beoordelingsformulier(en) van de commissie met alle scores van de inschrijvingen op perceel 2, althans de scores van Kuipers en de scores van de winnende inschrijvers (Grondverzetbedrijf Luimstra B.V., Antea Realisatie B.V. en Jelle Bijlsma B.V), met bepaling van een termijn van 20 dagen, althans een andere door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, waarbinnen Wetterskip niet zal overgaan tot definitieve gunning, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat Wetterskip na betekening van het vonnis in gebreke is aan de uitgesproken veroordeling te voldoen, zulks met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 100.000,-, althans een in goede justitie te bepalen maximum; uiterst subsidiair: VI. een andere in goede justitie te bepalen voorziening geeft die naar het oordeel van de voorzieningenrechter recht doet aan de belangen van Kuipers; in alle gevallen: VII. Wetterskip veroordeelt in de kosten van het geding, daaronder begrepen de nakosten. 1.3. Ter terechtzitting hebben partijen hun standpunten toegelicht, waarbij hun advocaten gebruik hebben gemaakt van pleitnotities en waarbij Wetterskip heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van Kuipers, met veroordeling van Kuipers – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van het geding. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten In dit kort geding zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan. 2.1. Wetterskip heeft op 12 december 2013 een Europese aanbesteding aangekondigd ter zake van civieltechnische werkzaamheden via de websites www.tenderned.nl en www.aanbestedingskalender.nl., onder contractnummer CON.0083. De aanbesteding strekt tot het sluiten van raamovereenkomsten voor civieltechnische werkzaamheden met maximaal drie opdrachtnemers per perceel, met een maximale looptijd van vier jaar waarvan twee jaar vast en twee jaar optioneel. 2.2. Wetterskip heeft de aanbesteding opgedeeld in vier percelen: - perceel 1: Noordwest Friesland - perceel 2: Noordoost Friesland - perceel 3: Zuidoost Friesland - perceel 4: Zuidwest Friesland. 2.3. Ten behoeve van de aanbestedingsprocedure heeft Wetterskip een Aanbestedingsleidraad opgesteld. In Hoofdstuk 5 van de Aanbestedingsleidraad zijn de (sub)gunningcriteria opgenomen. Gunningscriterium is de economisch meest voordelige aanbieding. 2.4. In Hoofdstuk 4 van de Aanbestedingsleidraad is – voor zover van belang – vermeld: (…) 4.3. Geschiktheidseisen Inschrijvers dienen de onder dit punt genoemde informatie aan te leveren voor de bepaling van de geschiktheid van de Inschrijver. De geschiktheid wordt beoordeeld aan de hand van een aantal minimumeisen. Het niet voldoen aan één van genoemde geschiktheidseisen betekent uitsluiting van verdere beoordeling. De volgende geschiktheidseisen worden gehanteerd: Geschiktheidseisen Ge1 4.3.1. Technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid: - Ge1a: standaardformulier voornaamste diensten - Ge1b: bewijs van maatregelen om de kwaliteit te waarborgen Ge2 4.3.2. Beroepsbevoegdheid: - Ge2a: bewijs van inschrijving in handelsregister dan wel volmacht 4.3.1. Ge1: Technische- of beroepsbekwaamheid Inschrijvers tonen hun technische bekwaamheid of beroepsbekwaamheid aan op de volgende manier: Ge1a: voornaamste leveringen/diensten Een lijst van de drie voornaamste diensten, hierna de referenties, die gedurende de afgelopen drie jaar werden verricht, met vermelding van het bedrag en de datum en van de publiek- of privaatrechtelijke instanties waarvoor zij waren bestemd. Minimumeisen perceel 1,2,3 en 4: i. Eén (1) referentie van een (semi-)overheidsinstellingen waaruit blijkt dat Inschrijver aantoonbaar gespecialiseerd is in het uitvoeren van civieltechnische werkzaamheden. De referentie moet gedurende de afgelopen drie (3) jaar te zijn uitgevoerd of nog worden uitgevoerd met een minimale waarde; bijvoorbeeld aanneemsom of gefactureerd bedrag van € 40.000,00. De referentie dient betrekking te hebben op een opdrachtgever van Inschrijver. Het is toegestaan om Wetterskip Fryslân als referent op te geven. De werkzaamheden die Inschrijver heeft uitgevoerd (de opdracht) ten behoeve van de opgegeven referentie dient uitgevoerd te zijn tussen 1 juli 2010 en 1 juli 2013. De opdracht hoeft niet deze volledige periode te omvatten. NB. De startdatum van het referentieproject mag bijvoorbeeld ook vóór 1 juli 2010 liggen, mits deze referentie maar doorloopt tot na juli 2010. De einddatum van het referentieproject mag bijvoorbeeld ook na 1 juli 2013 liggen, als de startdatum maar vóór 31 juni 2013 lag. Met de referentie dient Inschrijver aan te tonen dat Inschrijver ervaring heeft met de voor deze aanbesteding benodigde kerncompetenties. In bijlage 6 is aangegeven welke specifieke ervaring per referentie dient te worden aangetoond. Bij de beoordeling wordt erop gelet of Inschrijver heeft aangetoond over betreffende ervaring te beschikken en of de referentie in de voorgenoemde periode is uitgevoerd. (…) 2.5. In Hoofdstuk 5 van de Aanbestedingsleidraad is – voor zover van belang – vermeld: 5.1. Algemeen Ter beoordeling van de inschrijving dient de inschrijver de in dit hoofdstuk gevraagde informatie aan te leveren. De gevraagde informatie heeft betrekking op het voldoen aan de (Sub)Gunningcriteria met een wegingsfactor. Per onderdeel is tevens aangegeven op welke wijze de Opdrachtgever deze criteria beoordeelt en hoe de te scoren punten worden toegekend. De beoordeling van de Inschrijving voor deze aanbesteding Civieltechnische werkzaamheden vindt plaats middels het principe van de economisch meest voordelige inschrijving. Daarbij is de volgende onderverdeling van de (Sub)Gunningcriteria met wegingsfactor gemaakt. Criterium Omschrijving Maximaal aantal punten Gu1 Kwaliteit 600 Gu1.1. Programma van eisen Knock-out criterium Gu1.2. Programma van wensen a. Plan van aanpak 500 b. Duurzaamheid 100 Gu2 Prijs 400 Gu2.1 Prijs onderdeel 1 400 (…) 5.3. Gu1.2: Programma van wensen Gu1.2. Programma van wensen Inschrijver dient aan de hand van bijlage 9 een reactie te geven op het programma van wensen. Inschrijver dient bijlage 9 in te vullen en te ondertekenen. De bijlage dient achter tabblad 4 te worden gevoegd. De uitwerking is gebaseerd op de in deze Aanbestedingsleidraad en bijbehorende bijlagen opgenomen bepalingen, specificaties en uitvoeringsvoorwaarden. Het programma van wensen bestaat uit de volgende onderdelen: a. Plan van Aanpak Ad a. Plan van Aanpak In het Plan van Aanpak dient Inschrijver de volgende 3 onderwerpen te benoemen en te beschrijven:  Onderdeel 1: Klantenservice en technische bijstand (max. 150 punten): - Geef een beschrijving van de wijze waarop u klantenservice en technische bijstand biedt. Des te meer Opdrachtgever wordt ontzorgd, des te meer punten u scoort. Kennis en kunde van de in te zetten werknemers en de beschikbaarheid van het in te zetten materieel zijn hierbij belangrijk.  Onderdeel 2: Reactiesnelheid bij onvoorziene omstandigheden (max. 350 punten): - Graag ontvangen wij van u voorstel tot een aanpak volgens uw visie. Van belang bij de aanpak is de directe inzet en beschikbaarheid van werknemers en materieel tijdens onvoorziene omstandigheden (calamiteiten). Het Plan van Aanpak bestaat uit maximaal 3 A4. Inschrijver dient het Plan van Aanpak op te nemen achter tabblad 4. Wijze van beoordelen Bij de antwoorden op de onderdelen van het Plan van Aanpak worden de inschrijvingen ten opzichte van elkaar vergeleken. De leden van de beoordelingscommissie kennen, onafhankelijk van elkaar, punten toe gerelateerd aan een schaal van 0 tot 10 zoals hieronder een voorbeeld van is weergegeven. Deze punten worden bij elkaar opgeteld en gemiddeld, wat leidt tot de eindscore per aspect. Schoolcijfer Eindpunten 10 100,0 Uitmuntend 8 80,0 Goed 6 60,0 Voldoende 4 40,0 Onvoldoende 2 20,0 Slecht 1 10,0 Zeer slecht De tabel die hier wordt weergegeven, is van toepassing op de onderdelen waarop maximaal 100 punten kunnen worden behaald. Op onderdelen waar een ander maximaal aantal punten kan worden behaald zal een zelfde omrekentabel gehanteerd worden. Voor zover een subgunningcriterium nadere sub-subgunningcriteria bevat, waaraan niet een afzonderlijke wegingsfactor is toegekend, dan wegen die aspecten even zwaar. De punten worden afgerond op 1 decimaal achter de komma. Ad b. Duurzaamheid Opdrachtgever hecht belang aan duurzaamheid. Inschrijver dient, op maximaal één A4, de volgende onderdelen te beschrijven: - De wijze waarop uw organisatie invulling geeft aan het thema vervoer en milieu, in relatie tot uitvoering van civieltechnische werkzaamheden. Hierbij valt te denken aan beperking van reiskilometers, klimaatcompensatie; - De wijze waarop uw organisatie invulling geeft aan de thema’s natuur en recycling, materiaalbesparing en energiebesparing in relatie tot uitvoering van civieltechnische werkzaamheden; - Andere mogelijke duurzame maatregelen die uw organisatie heeft genomen (bijv. milieuzorgsysteem als ISO 14001, MVO jaarverslag; - Aantonen verwerken van FSC gecertificeerd hout of gelijkwaardig. Wijze van beoordelen Bij de antwoorden op de onderdelen van de duurzaamheid worden de inschrijvingen ten opzichte van elkaar vergeleken. De leden van de beoordelingscommissie kennen, onafhankelijk van elkaar, punten toe gerelateerd aan een schaal van 0 tot 10 zoals hieronder een voorbeeld van is weergegeven. Deze punten worden bij elkaar opgeteld en gemiddeld, wat leidt tot de eindscore per aspect. Schoolcijfer Eindpunten 10 100,0 Uitmuntend 8 80,0 Goed 6 60,0 Voldoende 4 40,0 Onvoldoende 2 20,0 Slecht 1 10,0 Zeer slecht Voor zover een subgunningcriterium nadere sub-gunningcriteria bevat, waaraan niet een afzonderlijke wegingsfactor is toegekend, dan wegen die aspecten even zwaar. De punten worden afgerond op 1 decimaal achter de komma. (…) 5.5. Gunning De opdracht wordt gegund aan de Inschrijver die voldoet aan het programma van eisen en de hoogste score heeft behaald op de prijs + de kwaliteit. 2.6. Kuipers heeft in de vorige contractsperiode (2011-2014) regelmatig voor Wetterskip de civieltechnische werkzaamheden in perceel 2 verricht, maar ook daarbuiten. Bij de vorige aanbesteding voor perceel 2 is het werk – mede – aan Kuipers gegund. 2.7. Er is een viertal Nota’s van Inlichtingen verschenen. In de 4e Nota van Inlichtingen stelt Wetterskip naar aanleiding van een vraag over de referentieprojecten: “Gevraagd wordt: drie (3) referenties van drie (3) verschillende opdrachtgevers.” 2.8. Kuipers heeft in de onderhavige aanbesteding (wederom) ingeschreven op perceel 2. Haar inschrijving d.d. 29 januari 2014 bestond onder meer uit een prijsopgave, een plan van aanpak en een beschrijving van de wijze waarop zij invulling geeft aan het thema duurzaamheid, een en ander als bedoeld in Hoofdstuk 5 van de Aanbestedingsleidraad. Tevens heeft Kuipers bij de inschrijving drie referentieprojecten opgegeven. 2.9. Wetterskip heeft Kuipers bij brief van 10 februari 2014 medegedeeld dat haar inschrijving voor perceel 2 niet als economisch meest voordelige inschrijving is beoordeeld en daarom is afgewezen. In deze brief meldt Wetterskip voorts dat zij voornemens is om de raamovereenkomst met Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra BV te Surhuizum (hierna: Luimstra) , Antea Realisatie B.V. te Heerenveen (hierna: Antea) en Jelle Bijlsma B.V. te Giekerk (hierna: Jelle Bijlsma) aan te gaan, aangezien deze inschrijvers voor perceel 2 de economisch meest voordelige inschrijving(en) hebben gedaan. Als bijlage bij de brief zijn de scores op de subgunningcriteria vermeld in een (hieronder verkort weergegeven) tabel. Inschrijver Gu1.2-1 Max 350 Gu1.2-2 Max 350 Gu1.2-3 Max 100 Gu2 Max 400 Totaal Luimstra 150 350 100 329,0 929,0 Antea 120 280 100 400,0 900,0 Jelle Bijlsma 150 350 100 236,1 836,1 Kuipers 120 280 100 324,8 824,8 Gu1 Mate van akkoord met het Programma van Eisen en Wensen (…) Aspecten die vooral meetelden bij de beoordeling waren: Inzet en beschikbaarheid personeel en materieel (eigen = +, inhuur = +/-) Kennis en ervaring met onderhoudsklussen in het algemeen en van het waterschap in het bijzonder Gebiedsbekendheid Aan- en afvoerroutes vanaf vestigingen Aangeboden (bruikbare) faciliteiten Geleverde inspanning met betrekking tot Duurzaamheid. Uw score ten opzichte van de drie economisch meest voordelige inschrijvingen van het betrokken perceel is in de bovenstaande tabel aangegeven. (…)” 2.10. FSC heeft na overleg met Kuipers bij Wetterskip navraag gedaan naar de in de aanbestedingsleidraad genoemde FSC-certificering. In dat kader heeft de heer[X], werkzaam bij Wetterskip, FSC op of omstreeks 20 februari 2014 bericht: “Uw veronderstelling dat bij de beoordeling van de inschrijvers op de EA Civieltechnische werkzaamheden het FSC certificaat geen rol heeft gespeeld berust op een misverstand. FSC certificering was wel degelijk één van de beoordelingscriteria. Het was alleen niet de enige. Dat Kuipers niet op de eerste drie plaats is geëindigd is door andere factoren veroorzaakt. Ter informatie: de inschrijvers die bij de beoordeling de eerste drie plaatsen innemen van perceel 2 zijn alle drie FSC gecertificeerd.” 2.11. Wetterskip heeft Kuipers bij brief van 20 februari 2014 informatie toegezonden over de ranking van Kuipers ten opzichte van de winnende (drie) inschrijvers. 2.12. Nadat Wetterskip de stand-still termijn had verlengd, heeft zij Kuipers bij brief van 27 februari 2014 onder meer medegedeeld: “(…) Met betrekking tot de in bovengemeld mailbericht gestelde vragen betreffende de FSC-certificering berichten wij u het volgende. In de aanbestedingsleidraad, paragraaf 5.3. ad b. Duurzaamheid, staat aangegeven dat Opdrachtgever belang hecht aan duurzaamheid. Eén van de punten waarop Inschrijver zich kan onderscheiden is het “aantonen verwerken van FSC-gecertificeerd hout of gelijkwaardig”. Met betrekking tot FSC-certificering is in de aanbestedingsleidraad uitdrukkelijk geen geschiktheidseis dan wel anderszins terzake een bijzonder subgunningscriterium opgenomen. Het staat Opdrachtgever dan ook vrij om alle door de inschrijvers ingediende duurzaamheidsaspecten over de volle breedte ten opzichte van elkaar te vergelijken en te beoordelen. De maximale score van de winnende inschrijver en scores van andere inschrijvers is dan ook niet alleen te herleiden uit het al dan niet hebben van een FSC-certificering, maar bevat een ruimere beoordeling van het onderdeel Duurzaamheid. Pluspunten en minpunten op de verschillende onderdelen bepalen de eindscore voor het onderdeel Duurzaamheid. 2.13. De advocaat van Kuipers heeft Wetterskip namens zijn cliënte bij e-mail van 27 februari 2014 onder meer om een nadere motivering van de voorlopige gunningbeslissing gevraagd. 2.14. Vervolgens heeft Wetterskip bij brief van 28 februari 2014 aan Kuipers medegedeeld: “(…) Er is naar ons oordeel reden om hierbij tot aanvullende motivering over te gaan van de mededeling van onze gunningsbeslissing. Van belang daarbij is, dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:130 van de Aanbestedingswet de kenmerken en voordelen van de winnende inschrijvingen duidelijk moeten worden gemaakt. In de aangehechte bijlage wordt op 5 onderdelen hieraan inhoud gegeven. Aan uw verzoek tot het aan u verstrekken van de beoordelingsformulieren van de individuele commissieleden en het (eind)beoordelingsformulier wordt niet tegemoetgekomen, omdat dit naar ons oordeel buiten de omvang van de hiervoor genoemde motiveringsverplichting valt. Het beoordelingsdocument waarom door u is gevraagd vindt u bijgevoegd. (…) Gu1 Mate van akkoord met het Programma van Eisen U voldeed aan de gestelde eisen. Gu1.2; onderdeel 1: Plan van Aanpak: Klantenservice en Technische bijstand Het maximaal aantal te behalen punten op het onderdeel wensen was 150. U scoorde op dit onderdeel 120 punten. Met betrekking tot de beoordeling van de klantenservice en technische bijstand zijn wij het volgende van oordeel: De als eerste drie geëindigde inschrijvers hebben in hun inschrijving aangetoond de meeste ervaring te hebben met het werk voor Opdrachtgever. Hierbij onderscheiden deze Inschrijvers ten opzichte van uw organisatie zich als generalisten en zijn deze inschrijvers voor Opdrachtgever breder inzetbaar dan uw organisatie en wordt Opdrachtgever hierdoor maximaal ontzorgd, met een uitgebreide beschikbaarheid van materieel en personeel. Uit uw inschrijving blijkt naar ons oordeel dat u een specialist bent op het gebied van waterbouw en, in vergelijking met de inschrijvers één en drie, een minder omvangrijke beschikbaarheid van eigen materieel en personeel hebt. Daarmee bent u minder breed inzetbaar voor Opdrachtgever en wordt Opdrachtgever minder ontzorgd. Gu 1.2.; onderdeel 2: Plan van Aanpak: Reactiesnelheid bij onvoorziene omstandigheden Het maximaal te behalen punten op dit onderdeel was 350. U scoorde 280 punten. Met betrekking tot de beoordeling van het onderdeel Reactiesnelheid bij onvoorziene omstandigheden zijn wij het volgende van oordeel: de inschrijvers één en drie hebben in hun Inschrijving aangetoond snel en over veel eigen materieel en personeel te kunnen beschikken bij calamiteiten. Daarmee speelt met name het type materieel een belangrijke rol. De hoeveelheid materieel en personeel is hierbij ook van groot belang. Gu 1.2.: Duurzaamheid Het maximaal aantal te behalen punten was 100 en u scoorde op dit onderdeel, net als de eerste drie Inschrijvers, de maximale score. Refererend aan de e-mailwisseling van 27 februari jl. betreffende de FSC certificering van Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra B.V. zijn wij het volgende van opvatting: opdrachtgever heeft geen eisen gesteld aan het bezit van een FSC certificaat, opdrachtgever heeft slechts gevraagd om aan te tonen dat FSC gecertificeerd (of gelijkwaardig) hout wordt verwerkt. Uit de inschrijving van Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra B.V. blijkt dat dit het geval is. Dit staat los van het feit dat de onderneming van Luimstra wel dan niet beschikt over een FSC certificaat. Een FSC certificering als zodanig is ook niet geëist. Zoals al in onze eerdere brief is aangegeven wordt de eindscore voor duurzaamheid bepaald door het totaal van de verschillende duurzaamheidsaspecten bij elkaar op te tellen. Gu 2: Prijs Het maximaal aantal te betalen punten was 400. U scoorde op dit onderdeel 324,8 punten. (….) De beoordeling van het onderdeel Prijs heeft er in uw geval toe geleid dat uw inschrijving als vierde is geëindigd. Op de Kwaliteitsaspecten is uw Inschrijving vergelijkbaar met de nummer twee.” 3Het standpunt van Kuipers 3.1. Kuipers legt aan haar vorderingen – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag. 3.2. Wetterskip heeft bij de beoordeling van de inschrijvingen niet in de Aanbestedingsleidraad genoemde – en daarmee niet voor de inschrijvers op voorhand kenbare - criteria gebruikt als subgunningcriteria, hetgeen in strijd is met de door Wetterskip in acht te nemen beginselen van transparantie en gelijkheid. Het gaat daarbij allereerst om de criteria “FSC-certificering” en “kennis en ervaring met onderhoudsklussen in het algemeen en van het waterschap in het bijzonder”. Daarnaast is er beoordeeld op basis van eigenschappen van de inschrijver als “generalist” op het gebied van civieltechnische werkzaamheden, waarbij Kuipers als “specialist” is aangemerkt. Al deze subgunningcriteria blijken niet uit de aanbestedingsstukken. Bovendien gaat het hier om selectiecriteria, die zien op de inschrijvers als zodanig en niet op (de inhoud van) de inschrijvingen. Overigens kan er hoe dan ook niet rechtsgeldig aan Luimstra worden gegund, nu dit bedrijf niet aan de in de aanbestedingsleidraad genoemde eis van het in bezit zijn van een FSC-certificering voldoet. 3.3. Wetterskip heeft de gunningbeslissing naar de mening van Kuipers bovendien niet deugdelijk gemotiveerd. Zij kan niet volstaan met een opsomming van de verschillende scores van de vier hoogst geëindigde inschrijvers, maar had tevens de verschillen in puntentoekenning ten opzichte van de winnende inschrijvingen dienen te onderbouwen. Uit de door Wetterskip tot dusverre aan Kuipers toegezonden informatie wordt Kuipers in dit opzicht niets wijzer. Daar komt bij dat er hogere eisen aan de motivering mogen worden gesteld naarmate de subgunningcriteria algemener zijn geformuleerd in de Aanbestedingsleidraad, zoals in het onderhavige geval. 3.4. Gelet op het vorenstaande dient er volgens Kuipers primair een heraanbesteding van de opdracht plaats te vinden. Subsidiair stelt Kuipers zich op het standpunt dat de inschrijvingen opnieuw beoordeeld dienen te worden, door een nieuw te vormen (deskundig) beoordelingsteam dat onafhankelijk van Wetterskip is. Meer subsidiair vordert Kuipers van Wetterskip om haar nadere informatie te verschaffen, conform hetgeen op dat punt - meer subsidiair - in het petitum van de dagvaarding is vermeld. 4Het standpunt van Wetterskip 4.1. Wetterskip voert – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende verweer. 4.2. Wetterskip betwist dat zij andere beoordelingscriteria heeft toegepast dan zij vooraf bekendgemaakt heeft. Bij bepaalde overheidsopdrachten – zoals de onderhavige – kunnen kennis en ervaring verband houden met de te sluiten raamovereenkomsten en derhalve als gunningcriterium toegepast worden. Het criterium “kennis en ervaring” heeft betrekking op het in te zetten personeel en het in te zetten materieel. Het is voor Wetterskip gerechtvaardigd om te weten in hoeverre de inschrijver over breed inzetbaar kundig personeel beschikt en de beschikking over passend materieel heeft. Ingeval van calamiteiten moeten beide immers op korte termijn kunnen worden ingezet, aldus Wetterskip. Tegen deze achtergrond is het logisch dat een inschrijving die blijk geeft van kennis en ervaring met een brede palet aan civieltechnische werkzaamheden in de GWW-sector beter scoort dan een inschrijver die zulks niet (voldoende) in zijn inschrijving tot uitdrukking heeft gebracht. Voor zover er volgens Kuipers sprake zou zijn van ontoelaatbare beoordelingscriteria, heeft Kuipers haar rechten verwerkt om daarover nu nog te klagen, stelt Wetterskip onder verwijzing naar het Grossmann-arrest (HvJ EU 12 februari 2004, C-230/03). Als behoorlijk geïnformeerd en oplettend inschrijver had van Kuipers verwacht mogen worden om vóór de inschrijving bezwaren aangaande de Aanbestedingsleidraad aan te orde te stellen, hetgeen zij heeft nagelaten. 4.3. Ten aanzien van de kwestie van de FSC-certificering stelt Wetterskip dat in dezen geen sprake is van een selectiecriterium. Bovendien volgt uit de Aanbestedingsleidraad niet dat inschrijvers FSC-gecertificeerd moesten zijn, maar slechts dat zij in het Plan van Aanpak dienden in te gaan op het verwerken van FSC-gecertificeerd geproduceerd hout. Dit betekent tevens dat Luimstra, die zelf niet FSC-gecertificeerd is, wél degelijk aan de ter zake in de Aanbestedingsleidraad gestelde eisen voldoet. 4.4. De diverse inschrijvingen zijn ten opzichte van elkaar door de beoordelingscommissie beoordeeld. Volgens vaste jurisprudentie komt daarbij aan de commissie een grote beoordelingsvrijheid toe, welke in rechte slechts marginaal kan worden getoetst. Van ernstige en klaarblijkelijke fouten in de beoordeling is naar de mening van Wetterskip in het onderhavige geval geen sprake geweest. Wetterskip heeft in redelijkheid tot de onderhavige beoordeling en bijbehorende puntentoekenning ter zake de inschrijving van Kuipers kunnen komen. 4.5. Wetterskip heeft in deze aanbestedingsprocedure aan haar motiveringsplicht jegens Kuipers als afgewezen inschrijver voldaan. 4.6. Voor een heraanbesteding dan wel een herbeoordeling van de inschrijvingen is dan ook geen plaats, aldus Wetterskip. Overigens dient ook de gevorderde nadere informatieverstrekking te worden afgewezen; de betreffende vordering is te verstrekkend. Het gaat om vertrouwelijke informatie die niet openbaar behoeft te worden gemaakt. 5De beoordeling van het geschil Inleidende overwegingen 5.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van het gevorderde. Kuipers kan zich immers slechts via onderhavig kort geding verzetten tegen de voorlopige gunning van de opdracht door Wetterskip aan Luimstra, Antea en Jelle Bijlsma. 5.2. Vooropgesteld wordt dat op de onderhavige niet-openbare aanbestedingsprocedure de AW 2012 van toepassing is. De motivering van de afwijzing 5.3. In artikel 2:130 lid 1 en 2 AW is de wettelijke (uit het transparantiebeginsel voortvloeiende) motiveringsverplichting opgenomen. In het eerste lid van genoemd wetsartikel is bepaald dat de mededeling van de gunningsbeslissing aan iedere inschrijver de relevante redenen voor die beslissing bevat, alsmede een nauwkeurige omschrijving van de opschortende termijn. In het tweede lid van genoemd wetsartikel is bepaald dat voor de toepassing van het eerste lid onder “relevante redenen” in elk geval worden verstaan de kenmerken en de voordelen van de uitgekozen inschrijving, alsmede de naam van de begunstigde of de partijen bij de raamovereenkomst. 5.4. Volgens de parlementaire geschiedenis van artikel 2:130 BW (zie MvT, Kamerstukken II, 32 027, nr.3, p. 7) moeten de “relevante redenen” in elk geval de volgende elementen bevatten: i) Bekendmaking van de eindscores van zowel de afgewezen inschrijver als van de winnende inschrijver; ii) De scores van de afgewezen inschrijver op specifieke kenmerken en de reden(en) waarom op dat specifieke kenmerk eventueel niet de maximum score is toegekend. 5.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is Wetterskip in deze aanbestedingsprocedure tekortgeschoten ten aanzien van de motivering van de gunningsbeslissing jegens de afgewezen inschrijvers. In haar brief van 10 februari 2014 geeft Wetterskip slechts een overzicht van de punten die door de vier hoogst geëindigde inschrijvers zijn behaald, zonder verder inzicht te geven in de redenen waarom ten aanzien van de inschrijving van Kuipers niet de maximale score is toegekend. Evenmin bevat deze brief enige onderbouwing waarom de inschrijvingen van Luimstra, Antea en Jelle Bijlsma als economisch meest voordelige inschrijvingen uit de bus zijn gekomen. Kennelijk heeft Wetterskip deze tekortschietende motivering zelf ook onderkend, gelet op haar brief aan Kuipers van 28 februari 2014. De aanvullende motivering die zij in deze brief geeft, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog steeds niet voldoende. Uit deze brief valt niet, althans onvoldoende te herleiden hoe de verschillende aspecten die Wetterskip heeft laten meewegen tot de toegekende punten hebben geleid, zodat het voor Kuipers niet mogelijk is om de uitgevoerde beoordeling in voldoende mate te toetsen. De beoordeling van de inschrijving 5.6. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of er op andere wijze is beoordeeld dan was aangekondigd en of de beoordeling juist is. De bezwaren van Kuipers tegen de beoordeling van haar inschrijving zien overigens slechts op het criterium “Programma van Wensen” en niet op het criterium “Prijs”. 5.7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat van een aanbestedende dienst niet kan worden verlangd dat zij exact omschrijft hoe zij wenst dat de inschrijver een bepaald kwaliteitscriterium invult om een maximale score te kunnen behalen. Daarmee zou immers elke concurrentie en inventiviteit uit de markt worden gehaald en het onderscheidend vermogen van de inschrijvers verminderd worden. Een gunningssystematiek (mede) op basis van kwaliteit zal daarom aan een inschrijver ruimte moeten laten om de gestelde vragen naar eigen inzicht te beantwoorden. 5.8. Enige mate van subjectiviteit is inherent aan de beoordeling van kwalitatieve criteria door de aanbestedende dienst. Weliswaar staat dat - enigszins - op gespannen voet met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft - op zichzelf - nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht c.q. die beginselen. 5.9. Van belang is dat door de aanbestedende dienst (i) zodanige criteria worden geformuleerd dat het voor een kandidaat-inschrijver volstrekt duidelijk is aan welke kwaliteitseisen hij moet voldoen, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld, en (iii) de aanbestedende dienst zijn uiteindelijke keuze motiveert op een wijze die het voor de afgewezen inschrijvers mogelijk maakt om (a) de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen en (b) te controleren of de beoordeling de (voorlopige) gunningsbeslissing rechtvaardigt. Een aanbestedende dienst is gehouden om de inschrijving overeenkomstig de door hem gestelde eisen te beoordelen en mag geen afwegingsregels of subcriteria voor de gunningscriteria toepassen die zij niet vooraf ter kennis van de inschrijvers heeft gebracht, omdat anders in strijd met het transparantie- en gelijkheidsbeginsel zou worden gehandeld (zie HvJ EU 24 januari 2008, C-532/06, Lianakis/Alexandroupolis en gerechtshof Den Haag, 21 februari 2012, LJN:BV6808). 5.10. De voorzieningenrechter dient slechts marginaal te toetsen of de door de aanbesteder uitgevoerde beoordeling – de puntenscore plus motivering – van de inschrijving voldoende grondslag vindt in de aanbestedingsstukken. Zij mag niet op de stoel van de aanbestedende dienst gaan zitten bij het beoordelen van een inschrijving. Aan de aangewezen beoordelaars komt dan ook de nodige vrijheid toe, te meer nu zij geacht mogen worden te zijn aangewezen vanwege hun specifieke deskundigheid. Bij de weging van de beoordeling – de toekenning van het cijfer – is de beoordelingscommissie vrij. Slechts indien sprake zou zijn van procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden dan wel onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de (voorlopige) gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter. 5.11. Kuipers heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht gesteld dat Wetterskip zich bij de beoordeling van haar inschrijving heeft bediend van nieuwe beoordelingsmodaliteiten, die niet vooraf uit de aanbestedingsstukken kenbaar waren en die Kuipers als behoorlijk geïnformeerd en oplettend inschrijver niet behoefde te verwachten. Dat er beoordeeld is op vooraf niet kenbare beoordelingsmodaliteiten blijkt reeds uit de bijlage bij de brief van Wetterskip aan Kuipers van 10 februari 2014, waarin Wetterskip een opsomming geeft van de aspecten die vooral meetelden bij de beoordeling. Zij noemt in dat verband onder meer “kennis en ervaring met onderhoudsklussen van het waterschap in het bijzonder”. In de Aanbestedingsleidraad wordt evenwel met geen woord gerept over (de noodzaak van) kennis en ervaring met onderhoudsklussen van Wetterskip. Aan de inschrijver wordt slechts gevraagd om een drietal referentieprojecten op te geven waaruit blijkt dat inschrijver aantoonbaar gespecialiseerd is in het uitvoeren van civieltechnische werkzaamheden. Daarbij wordt in de aanbestedingsleidraad echter niet tevens de eis gesteld dat de civieltechnische werkzaamheden (mede) voor Wetterskip zijn uitgevoerd. Ook de beoordelingsaspecten "gebiedsbekendheid” en “aan- en afvoerroutes vanuit vestigingen” zijn niet in de Aanbestedingsleidraad vermeld. In de nadere motivering van de gunningbeslissing door Wetterskip - bij brief van 28 februari 2014 - wordt bevestigd dat Wetterskip zich heeft bediend van nieuwe beoordelingsmodaliteiten die niet vooraf uit de aanbestedingsstukken kenbaar waren en die Kuipers als behoorlijk geïnformeerd en oplettend inschrijver niet behoefde te verwachten. In deze brief meldt Wetterskip namelijk – in het verlengde van de brief van 10 februari 2014 aan Kuipers – dat andere inschrijvers meer ervaring hadden met civieltechnische werkzaamheden ten behoeve van Wetterskip. Daarnaast meldt Wetterskip in de nadere motivering van de gunningbeslissing dat zij Kuipers als een “specialist” heeft aangemerkt en de winnende inschrijvers als “generalisten”. Nog daargelaten dat de motivering van dit onderscheid summier is en zonder nadere toelichting niet valt te begrijpen, is de beoordelingsmodaliteit “generalist vs specialist” niet in de aanbestedingsstukken terug te vinden. Het vorenstaande geldt evenzeer voor door Wetterskip gehanteerde beoordelingsmodaliteit “inzet van eigen personeel en materieel”. Uit de aanbestedingsstukken blijkt niet dat ten aanzien van klantenservice, technische bijstand en reactiesnelheid bij onvoorziene omstandigheden eigen personeel en materieel (de door Wetterskip genoemde +) beter scoort dan inhuur van personeel en materieel (de door Wetterskip genoemde +/-). Kuipers heeft onweersproken gesteld dat als zij van deze (onbekende) beoordelingsmodaliteiten op de hoogte was geweest, zij op een andere manier zou hebben ingeschreven. Met het introduceren van nieuwe beoordelingsmodaliteiten heeft Wetterskip gehandeld in strijd met het transparantie- en het gelijkheidsbeginsel (vgl. HvJ EU 4 december 2003, zaak C-448/01, Wienstrom). 5.12. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door Wetterskip geïntroduceerde beoordelingsmodaliteiten “generalist vs specialist” en “kennis en ervaring met onderhoudsklussen van Wetterskip” als een geschiktheidseis - die ziet op de inschrijver zelve en niet op de inschrijving als zodanig – moet worden aangemerkt. Het hebben van ervaring met vergelijkbare projecten van Wetterskip is niet toelaatbaar als gunningcriterium. Gunningcriteria zien naar hun aard immers op het voorwerp van de opdracht. Weliswaar heeft Wetterskip ten verwere betoogd dat niet uitgesloten kan worden geacht dat kwaliteitsaspecten betreffende de opdrachtnemer een directe relatie met de opdracht kunnen hebben alsmede met de kwaliteit van de ingediende offerte, en dat zulks dan als (sub)gunningscriterium kan worden gehanteerd, maar dit geldt met name voor opdrachten ter zake van diensten, waarbij individuele bekwaamheden/kwaliteiten een rol spelen, zoals bijvoorbeeld bij intellectuele diensten het geval is. Dat is bij de onderhavige opdracht – die ziet op het uitvoeren van civieltechnische werkzaamheden – naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval. 5.13. De conclusie op basis van het vorenstaande is dat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de onderhavige aanbestedingsprocedure zowel qua motivering van de gunningbeslissing als qua beoordeling van de inschrijving van Kuipers zodanige gebreken kleven, dat de aanbestedingsprocedure dient te worden gestaakt en een herbeoordeling aan de hand van de in de aanbestedingsstukken genoemde gunningcriteria (het meest) geïndiceerd is. De daartoe strekkende subsidiaire vordering van Kuipers is – in zoverre - toewijsbaar. Uit het door Wetterskip in acht te nemen gelijkheidsbeginsel vloeit voort dat alle inschrijvingen aan die herbeoordeling dienen te worden onderworpen. Uit het oogpunt van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zal die herbeoordeling niet mogen plaatsvinden door dezelfde commissie die in eerste instantie de inschrijvingen heeft beoordeeld, zodat er een nieuwe beoordelingscommissie zal moeten worden samengesteld. Het is aan Wetterskip als aanbestedende dienst om een zodanige commissie samen te stellen. De vordering van Kuipers voor zover die in dit verband strekt tot het opleggen van een gebod aan Wetterskip om een nieuw beoordelingsteam te formeren dat onafhankelijk is van Wetterskip, is daarom niet toewijsbaar. Ten slotte merkt de voorzieningenrechter ten aanzien van het (vereiste) belang bij herbeoordeling nog op dat voorshands – mede vanwege de omstandigheid dat onvoldoende te herleiden valt hoe de verschillende aspecten die Wetterskip heeft laten meewegen tot de toegekende punten hebben geleid - niet kan worden uitgesloten dat Kuipers bij herbeoordeling alsnog bij de eerste drie zal kunnen eindigen. 5.14. De subsidiaire vordering van Kuipers strekt tevens tot het opleggen van een gebod aan Wetterskip om een nieuwe voorlopige gunningbeslissing te nemen binnen twee weken na de herbeoordeling en deze op de in de Aanbestedingsleidraad voorgeschreven wijze bekend te maken aan de inschrijvers. Tegen deze vordering is zijdens Wetterskip geen (zelfstandig) verweer gevoerd. De vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed. 5.15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zullen de vorderingen van Kuipers die strekken tot heraanbesteding van de opdracht (de primaire vordering), dan wel nadere informatieverschaffing (de meer subsidiaire vordering) worden afgewezen. 5.16. Kuipers heeft gevorderd om een dwangsom te verbinden aan het aan Wetterskip op te leggen gebod tot herbeoordeling van de inschrijvingen. Die vordering zal worden afgewezen. Van een overheidsinstantie als Wetterskip mag worden verwacht dat zij rechterlijke uitspraken, zoals de onderhavige, zonder meer naleeft. Er bestaat geen aanleiding om in dit geval anders te veronderstellen. Het opleggen van een dwangsom aan Wetterskip wordt voorshands daarom niet noodzakelijk geacht. 5.17. Al hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd, kan - als niet meer van belang zijnde voor de uitkomst van het geding - buiten beschouwing worden gelaten. 5.18. Wetterskip zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Kuipers vastgesteld op: - dagvaardingskosten € 77,52 - vast recht € 608,00 - salaris van de advocaat € 816,00 ------------- Totaal € 1.501,52. 5.19. De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna in het dictum te melden. 6De beslissing De voorzieningenrechter: 6.1. gebiedt Wetterskip om binnen een termijn van vier (4) weken na betekening van dit vonnis de inschrijvingen in het kader van de aanbesteding “Civieltechnische werkzaamheden”, ten aanzien van perceel 2, met contractnummer CON.0083 opnieuw te laten beoordelen door een nieuw te vormen beoordelingsteam, met inachtneming van hetgeen in dit vonnis inzake de beoordeling van de inschrijvingen is overwogen; 6.2. gebiedt Wetterskip om binnen twee (2) weken na de hiervoor sub 6.1. vermelde herbeoordeling van de inschrijvingen een nieuwe voorlopige gunningbeslissing te nemen en deze op de in de Aanbestedingsleidraad voorgeschreven wijze aan de inschrijvers bekend te maken; 6.3. veroordeelt Wetterskip in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Kuipers vastgesteld op € 1.501,52, alsmede in de nakosten van € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening van dit vonnis, vermeerderd met de explootkosten van deze betekening, en bepaalt dat als niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan daarover de wettelijke rente verschuldigd is. 6.4. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.5. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2014, in tegenwoordigheid van de griffier. fn 343
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling privaatrecht Sectie Handel & Insolventie zaaknummer / rolnummer: C/15/238735 / KG ZA 16-64 Vonnis in kort geding van 24 maart 2016 in de zaak van de vennootschap onder firma FA. GEBR. VAN DER LEE, gevestigd en kantoorhoudend te Hagestein, eiseres in de hoofdzaak, gedaagde in het incident, advocaat mr. A. ter Mors te Deventer, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon PROVINCIE NOORD-HOLLAND, zetelend te Haarlem, gedaagde in de hoofdzaak en in het incident, advocaat mr. J.E. Palm te Den Haag, en 1de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BAM INFRA BV, gevestigd te Gouda, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid COFELY ENERGY & INFRA BV, gevestigd te Dordrecht, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KRINKELS BV, gevestigd te Wouw, gezamenlijk te noemen: de Combinatie, eiseressen in het incident tot tussenkomst, tussenkomende partij in de hoofdzaak, advocaat: mr.

P.F.C. Heemskerk te Utrecht. Partijen zullen hierna Van der Lee, de Provincie en de Combinatie genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 4 februari 2016 met zeven producties de brief d.d. 8 maart 2016 houdende incidentele conclusie tot tussenkomst de brief d.d. 8 maart van de Provincie, houdende twee producties de mondelinge behandeling d.d. 10 maart 2016 de pleitnota van Van der Lee de pleitnota van de Provincie de pleitnota van de Combinatie. 1.2. Na uitroeping van de zaak van verschijnen: namens Van der Lee de heer [A.], contractmanager Van der Lee mr.

G.J. van de Wetering namens de Provincie - mr. J.E. Palm en mr. R.T. Pilaar namens de Combinatie - mr. P.F.C. Heemskerk. 1.3. In het incident heeft de Combinatie primair gevorderd te mogen tussenkomen en subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van de Provincie. 1.4. De Combinatie is, met toestemming van beide partijen ter zitting, als tussenkomende partij toegelaten. Zij heeft een eigen vordering ingesteld. 1.5. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 26 november 2015 heeft de Provincie op Tenderned de Europese aanbesteding aangekondigd van de opdracht ‘Gebiedscontract Midden-Noord’.

De opdracht behelst het beheer en onderhoud van onder andere weg- en vaarweginfrastructuur, civieltechnische kunstwerken, groenzones, technische installaties en gebouwen en terreinen binnen de onderhoudsgrenzen van de provincie Noord-Holland, gebied Midden-Noord. 2.2. De aanbesteding kent een selectiefase en een inschrijvingsfase. In de selectiefase wenst de Provincie vijf gegadigden te selecteren om uit te nodigen voor de inschrijvingsfase, om vervolgens met één van de partijen de overeenkomst van opdracht aan te gaan. 2.3. De opdracht en de selectieprocedure zijn beschreven in de door de Provincie opgestelde selectieleidraad.

Daaraan wordt het volgende ontleend. Paragraaf 3.2.4: ‘Gegadigde toont aan ervaring te hebben met het uitvoeren van een multidisciplinair onderhoudscontract. De volgende kerncompetenties dienen minimaal onderdeel uit te maken van de werkzaamheden van Gegadigde. Onderscheid wordt gemaakt naar vier categorieën (I, II, III, IV), en per categorie meerdere kerncompetenties (a, b, en volgende). (..) Gegadigde dient aan te tonen dat ten minste aan alle kerncompetenties wordt voldaan. Gegadigde mag voor ieder van bovenstaande kerncompetenties één referentie indien.

Dus maximaal 12 referenties. (..)’ Paragraaf 3.3 van de selectieleidraad luidt, voor zover relevant: ‘Een partij, die zich als gegadigde wil aanmelden, moet voldoen aan de minimumeisen zoals genoemd in paragraaf 3.2. Indien meer dan 5 gegadigden voldoen aan de minimumeisen en de gestelde kerncompetenties worden de gegadigden beoordeeld op basis van de selectiecriteria. De gegadigde die na toekenning van de punten en na weging de meeste punten behaalt, wordt uitgenodigd tot inschrijving, vervolgens de gegadigde die op één na de meeste punten behaalde en zo verder, totdat 5 gegadigden zijn geselecteerd die voor een uitnodiging tot inschrijving in aanmerking komen.

De te hanteren selectiecriteria zijn hieronder toegelicht. (..) Paragraaf 3.3.1 luidt: ‘3.3.1 Selectiecriteria: mate van ervaring met multidisciplinaire contracten Met het selectiecriterium beoogt de aanbesteder de aanmeldingen te waarderen op de mate van integraliteit en multidisciplinariteit. Dit gezien de complexiteit van de onderhavige opdracht. In dat kader kent de aanbesteder meerwaarde aan referenties waar meerdere competenties verenigd zijn. Hierbij hanteert de aanbesteder het principe ‘het geheel is meer dan de som der delen’. Gegadigden mogen uit de maximaal 12 referenties die zijn ingediend om te voldoen aan de minimumeisen maximaal 3 referenties selecteren ten behoeve van het selectiecriterium. (..) Er worden punten toegekend aan deze 3 referenties op basis van het aantal kerncompetenties waaraan voldaan wordt in één referentie.

Daarbij worden punten verkregen voor: 1 het aantal kerncompetenties waaraan de door gegadigde geselecteerde referenties voldoet; 2 het aantal categorieën waarin de geselecteerde referenties op kerncompetenties scoort. Bovendien zijn categorieën en kerncompetenties ten behoeve van de selectie voorzien van een relatieve waardering (gewichten). Deze scoringswijze waardeert zowel completere (1) als meer integrale referenties (2), waarbij door de relatieve waardering de kerncompetenties die naar de mening van de provincie Noord-Holland van groter doorslaggevend belang zijn voor het slagen van een toekomstige opdracht zwaarder wegen.

De scoringsmethode is toegelicht in bijlage 1. Het model (Excel) is tevens toegevoegd aan de selectiestukken zodat gegadigden inzicht hebben in de gehanteerde selectiecriteria en weging.’ De selectie komt er aldus -kort gezegd- op neer dat een vijftal gegadigden wordt geselecteerd voor de inschrijvingsfase. Gegadigden dienen conform paragraaf 3.2.4 ‘Technische bekwaamheid’ van de Selectieleidraad aan te tonen ervaring te hebben met een twaalftal kerncompetenties. Voor iedere kerncompetentie mag één referentie worden ingediend. Gegadigden kunnen het daartoe bestemde standaardformulier invullen en overleggen.

Indien meer dan vijf gegadigden aan de gestelde minimumeisen voldoen, worden die gegadigden ook nog beoordeeld aan de hand van selectiecriteria. Alsdan wordende vijf gegadigden die conform paragraaf 3.3.1 ‘Selectiecriteria: mate van ervaring met multidisciplinaire contracten’ de meeste punten op de selectiecriteria hebben behaald tot de inschrijvingsfase toegelaten. Gegadigden mogen conform paragraaf 3.3.1 selectiecriteria ‘mate van ervaring met multidisciplinaire contracten’ uit de maximaal 12 referenties die zijn ingediend om te kunnen voldoen aan paragraaf 3.2.4 ‘Technische bekwaamheid’ van de Selectieleidraad maximaal drie referenties selecteren ten behoeve van de selectiecriteria.

Gegadigden dienen in het Standaardformulier C ‘Referentieproject m.b.t. kerncompetenties’ inzichtelijk te maken welke drie referenties dat zijn. Vervolgens worden aan de referenties punten toegekend voor i) het aantal kerncompetenties waaraan de door gegadigde geselecteerde referenties voldoen en (ii) het aantal categorieën waaraan de geselecteerde referenties voldoen. De kerncompetenties (i) en categorieën (ii) zijn voorzien van een relatieve waardering (gewichten). De scoringsmethodiek is toegelicht in bijlage 1, Rekenvoorbeeld Selectiecriteria Gebiedscontract Midden-Noord van de Selectieleidraad.

In één referentie kunnen meerdere kerncompetenties vertegenwoordigd zijn. Conform paragraaf 3.3.1 ‘Selectiecriteria: mate van ervaring met multidisciplinaire contracten’ wordt aan referenties waarin meerdere competenties verenigd zijn meerwaarde toegekend. 2.4. Voor de selectiefase heeft zich een tiental partijen aangemeld, waaronder Van der Lee. 2.5. Bij brief van 28 januari 2016 heeft de Provincie Van der Lee meegedeeld dat zij voornemens is Van der Lee niet uit te nodigen voor de inschrijvingsfase. Bij de brief is als bijlage gevoegd ‘Bijlage 1 Beoordelingsresultaat selectiefase’: 2.6.

Bij e-mail van 3 februari 2016 heeft Van der Lee aan (mevr. [B.], teamsenior – Inkoop bij) de Provincie, een e-mail gestuurd waarin staat, voor zover relevant: ‘Wij hechten er (..) aan om te kunnen verifiëren of deze uitkomst terecht is of niet. Uw brief van 28 januari bevat daarvoor echter geen informatie. De vereiste motivering ontbreekt. In die brief wordt alleen maar vermeld door middel van een puntenmatrix hoe wij aan onze punten zijn gekomen. Echter, naar onze mening zijn er op basis van de aangeleverde bewijsstukken te weinig punten toegekend en is de puntenscore daarmee onjuist.

Evenmin is duidelijk hoe de partijen die hoger dan ons hebben gescoord aan hun punten zijn gekomen. Van hen ontbreekt een puntenmatrix. Ook ontbreekt vermelding van de door hen opgegeven referentiewerken. Verder wordt niet duidelijk op welke plaats wij zijn geëindigd. Een en ander brengt mee dat wij de uitslag op geen enkele wijze kunnen verifiëren. Dat is wel nodig. Wij verzoeken u ons deze motivering te verstrekken.’ 2.7. De Provincie reageert bij e-mail op dezelfde dag. In deze e-mail staat, voor zover relevant: ‘Als eerste geeft u aan niet voldoende informatie te hebben gekregen bij uw afwijzing.

Aanbesteder is echter van mening dat zij voldoende duidelijk heeft gemaakt hoe de scores tot stand zijn gekomen in de selectieleidraad par. 3.3.1. Op basis van de beschreven procedure heeft u zelf drie projecten aangeleverd ten behoeve van het selectiecriterium “mate van ervaring met multidisciplinaire contracten”. Deze drie door u aangemerkte referenties zijn door de beoordelaars beoordeeld op het voldoen aan de door u in de referentie aangegeven kerncompetenties. Zoals in de motivering in de afwijzingsbrief is aangegeven, zijn in de beoordelingsmatrix de punten toegekend aan alle door u zelf aangemerkte kerncompetenties in het betreffende referentieproject.

Er zijn geen punten in mindering gebracht. De beoordelingsmatrix was tevens bijgevoegd bij de selectieleidraad om u inzicht te geven in de werking ervan. Gezien het feit dat wij geen andere mening zijn toegedaan dan uzelf over de referentieprojecten en wij u alle punten hebben toegekend voor de kerncompetenties die u zelf heeft aangegeven, zijn wij van mening dat een aanvullende toelichting niet nodig was. De aanmeldingen van de overige gegadigden zijn op dezelfde wijze, dus conform de aangegeven methodiek in de selectieleidraad, beoordeeld en op basis daarvan hebben de gegadigden punten gekregen.

De provincie geeft geen inhoudelijke (vertrouwelijke) informatie over de aanmeldingen van de overige partijen, net als dat wij geen inhoudelijke informatie geven over uw aanmelding aan derden.’ 2.8. Van der Lee heeft tijdig, dat wil zeggen binnen de in paragraaf 2.2 van de selectieleidraad vermelde termijn, een kort geding aangespannen in verband met het door de provincie voorgenomen selectiebesluit. 3Het geschil 3.1. Van der Lee vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair: (1) de Provincie te gebieden om Van der Lee te voorzien van voldoende schriftelijk motivering van de voorlopige uitslag van de selectiefase conform het door u te wijzen vonnis, en van een nieuwe termijn van 7 dagen na verstrekking van die motivering voor het eventueel aanhangig maken van een kort geding en (2) de Provincie te verbieden de inschrijvingsfase te starten en/of stukken die met de inschrijvingsfase en/of de opdracht verband houden aan derden te verstrekken voordat de provincie voldaan heeft aan het in sub 1 gevorderde en voordat de in sub 1 genoemde termijn van 7 dagen is verstreken en voordat vonnis is gewezen in een eventueel door Van der Lee aanhangig gemaakt (nieuw) kort geding; subsidiair: (3) de Provincie te gebieden de maatregelen te treffen die de rechtbank noodzakelijk c.q. geschikt acht; primair en subsidiair: (4) alles op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000.000 ineens aan Van der Lee, mocht de Provincie niet aan het vonnis voldoen en (5) alles met veroordeling van de provincie in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten, met bepaling dat alle genoemde kosten binnen twee weken na dagtekening van het vonnis aan Van der Lee dienen te zijn voldaan, bij gebreke waarvan de Provincie zonder nadere aankondiging over die kosten de wettelijke rente is verschuldigd. 3.2.

Van der Lee legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de Provincie in strijd met het transparantie- en gelijkheidsbeginsel haar selectievoornemen onvoldoende heeft gemotiveerd, als gevolg waarvan Van der Lee de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden niet kan toetsen en evenmin kan controleren of de beoordeling de (selectie-)beslissing rechtvaardigt. De Provincie heeft slechts de eindscore aangegeven van de vijf hoogst geëindigde partijen. Op basis van deze informatie is Van der Lee niet in staat de uitslag te verifiëren. 3.3. De Provincie voert verweer. 3.4.

De Combinatie heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Van der Lee niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans die af te wijzen; De Provincie te gebieden om, zo lang zij de opdracht wenst te gunnen, de selectiebeslissing ongewijzigd te laten en over te gaan tot het organiseren van de gunningsfase van de aanbestedingsprocedure; en Van der Lee te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen, met bepaling dat deze kosten binnen twee weken na dagtekening van het vonnis aan de Combinatie zijn voldaan, bij gebreke waarvan Van der lee zonder nadere aankondiging rente is verschuldigd. 3.5.

De Combinatie heeft zich inhoudelijk bij het standpunt van de Provincie aangesloten. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. In deze zaak moeten twee vragen worden beantwoord: Kan de Provincie zich op het standpunt stellen dat er sprake is van vertrouwelijke bedrijfsinformatie? Heeft de Provincie, mede gelet op het antwoord op de vorige vraag, voldoende grond kunnen vinden om de gegeven motivering van haar selectiebeslissing te beperken tot de al verschafte informatie. Als de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, moet meer informatie worden verschaft.

Als die vraag bevestigend wordt beantwoord moet dat leiden tot afwijzing van de vordering. Ad 1 4.2. Van der Lee stelt dat een inschrijver van goeden huize moet komen wil hij op één referentie(project) zes kerncompetenties scoren, zoals Van der Lee zelf bij één referentie heeft aangegeven. In aanmerking nemend het aantal werken dat op dit terrein in Nederland uitkomt, trekt zij de hogere eindscores van de andere partijen daarom in twijfel. Van der Lee acht het op zijn minst noodzakelijk dat de Provincie Van der Lee informeert over de subscores (‘de enen en nullen’) per referentie van de voorlopig geselecteerde gegadigden.

Met het openbaar maken daarvan is volgens Van der Lee geen sprake is van het prijsgeven van bedrijfsvertrouwelijke informatie. Van der Lee wijst erop dat het haar vooral gaat om de tabel met nullen en enen (als weergegeven onder 2.5) die betrekking heeft op de hoger geëindigde inschrijvers. Zij vermag niet in te zien wat er vertrouwelijk is aan die gegevens. Zij wijst erop dat twee van de voorlopig geselecteerde gegadigden ook instemden met verstrekking van die gegevens, maar dat de Provincie dat niet heeft gedaan omdat zij één lijn heeft willen trekken.

Ook informatie omtrent de drie referentiewerken is niet bedrijfsvertrouwelijk. Het zijn immers alle publiek aanbestede werken, waarvan op Tenderned gepubliceerd moet worden aan wie de opdracht is gegund. 4.3. De Provincie heeft aangevoerd dat de score van Van der Lee op basis van haar eigen opgave van referenties en kerncompetenties en de van te voren vastgestelde en bekend gemaakte berekening tot stand is gekomen, waarbij de Provincie aan Van der Lee alle mogelijke door haar te behalen punten heeft toegekend. Aan Van der Lee zijn daarnaast de eindscores van de vijf hoogst geëindigde partijen meegedeeld.

Op basis van deze informatie was het voor Van der Lee mogelijk te bepalen of zij wenste op te komen tegen het selectievoornemen en daarmee acht de Provincie haar voornemen dan ook voldoende gemotiveerd. Zeker nu Van der Lee op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat en waarom de beoordeling van de andere partijen door de Provincie ondeugdelijk zou zijn of dat er (andere) redenen zijn om aan de geldigheid van de eindscores van de andere partijen te twijfelen, reikt de motiveringsplicht van de Provincie niet zo ver dat zij de namen van de referentieprojecten of (zelfs maar) de subscores van de andere partijen -vertrouwelijke bedrijfsinformatie volgens de Provincie- bekend moet maken.

Uit die ‘enen en nullen’ blijkt immers hoe de portefeuille van de concurrent is opgebouwd, hetgeen waardevolle informatie kan zijn bij bijvoorbeeld een inschrijving op een volgende aanbesteding. De enkele stelling van Van der Lee, voor het eerst naar voren gebracht in haar pleitnota, dat de andere eindscores ongeloofwaardig hoog zijn is onvoldoende om tot die verruimde motiveringsplicht aanleiding te geven, nu Van der Lee niet duidelijk maakt waarop zij deze stelling baseert en welke scores van welke partij(en) tot gerede twijfel leiden. Bovendien betreft het landelijke spelers zijn op deze markt en bestaat er geen aanleiding te twijfelen aan de hoogte van de eindscores.

Van een gerechtvaardigd wantrouwen is dan ook geen sprake. De Provincie vermag ten slotte ook niet in te zien welke meerwaarde deze gegevens voor Van der Lee hebben, behalve dat deze haar inzicht geven in haar concurrentie. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 4.4. De stelling dat de betrokken informatie niet bedrijfsvertrouwelijk is, wordt tegenover betwisting door de Provincie en de Combinatie onvoldoende onderbouwd geacht, met name omdat het betoog innerlijk inconsistent is. Van der Lee doet enerzijds voorkomen dat het gaat om gegevens (wie heeft welk werk uitgevoerd) die een scherp waarnemer van de markt ook zelfstandig bijeen kan garen, terwijl zij tezelfdertijd stelt dat zij de gegevens nodig heeft omdat zij anders geen mogelijkheden heeft om aan de informatie te komen die zij nodig heeft om controle te kunnen uitoefenen op de juistheid van de beoordeling van de referenties van de hoger geëindigde inschrijvers.

Aannemelijk is dat de waarheid ergens in het midden ligt. Het zal aanzienlijke moeite kosten om betrouwbare informatie bijeen te garen die bruikbaar is om die beoordeling in twijfel te trekken. Maar naarmate dat moeilijker is kan met meer recht worden volgehouden dat de verlangde compilatie van de betrokken informatie (over de subscores en referenties) door de Provincie bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft. En naarmate het makkelijker is om langs andere weg aan die gegevens te komen kan minder worden volgehouden dat Van der Lee op de informatie door de Provincie is aangewezen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Provincie zich hier op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van bedrijfsvertrouwelijke informatie. Ad 2 4.5. In algemene zin geldt dat, om te voorkomen dat bedrijfsvertrouwelijke informatie op straat komt te liggen, de informatie die een inschrijver bij inschrijving aan een aanbestedende dienst verstrekt niet openbaar mag worden gemaakt, tenzij de wet anders bepaalt. Dit betekent niet dat aanbesteders nooit bedrijfsvertrouwelijke informatie aan afgewezen inschrijvers hoeven te verstrekken over de winnende inschrijving, of zoals in dit geval, over hoger geëindigde partijen.

Ten aanzien van de vraag of, en in welke mate, dat in een concreet geval moet, moet een afweging plaatsvinden tussen het belang van de mogelijkheid tot controle door de afgewezen partij tegen het belang bij behoud van de bedrijfsvertrouwelijkheid van de andere partij(en). 4.6. In de onderhavige zaak is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze belangenafweging in het nadeel van Van der Lee moet uitvallen. Van der Lee heeft nog geen begin van een aanknopingspunt gesteld voor de mogelijkheid dat een of meer van de scores van de hoger geëindigde partijen onjuist zijn.

Ter zitting heeft zij weliswaar betoogd dat zij zonder nadere informatie over de andere inschrijvingen niet kan beoordelen óf de scores onjuist zijn en dat zij daarom aanspraak heeft op die informatie, maar die redenering volgt de voorzieningenrechter niet. Die zou namelijk te zeer afbreuk doen aan het uitgangspunt dat er in beginsel op mag worden vertrouwd dat de aanbestedende dienst de aan haar voorgelegde inschrijvingen correct en zorgvuldig beoordeelt. Dat uitgangspunt brengt mee dat het op de weg van de afgewezen inschrijver ligt om aanknopingspunten te stellen voor de mogelijkheid dat bij de beoordeling van concurrerende inschrijvingen een fout is gemaakt waardoor de afgewezen inschrijver is benadeeld.

De omstandigheid dat de afgewezen inschrijver daar moeite voor moet doen is geen reden om niet aan dit uitgangspunt vast te houden. Een andere opvatting zou de deur open zetten voor ongebreidelde fishing expeditions in iedere aanbesteding waarin de afgewezen inschrijvers over de beoordeling van hun eigen inschrijving niet te klagen hebben, zoals de Provincie terecht heeft opgemerkt, en kan dan ook niet worden aanvaard. 4.7. Van der Lee heeft zich beroepen op een aantal door haar aangehaalde uitspraken waarin is geoordeeld dat de aanbestedende dienst, kort gezegd, niet kon volstaan met rangschikking of eindscores of anderszins nader moest motiveren.

Bij de beoordeling van de relevantie van die uitspraken verdient opmerking dat de Provincie en de Combinatie terecht hebben aangevoerd dat de concrete invulling van de eisen die gesteld mogen worden aan de motivering van de afwijzing in de selectie- of gunningsfase (mede-)afhankelijk is van de beoordelingsvrijheid van de aanbestedende dienst en de mate van subjectiviteit van het selectie- of gunningscriterium. De voorzieningenrechter stelt vast dat met betrekking tot de beoordeling van de mate van ervaring met multidisciplinaire contracten - het selectiecriterium, waarvan de scores in het geding zijn - sprake is geweest van een optelsom en weging van feitelijk omschreven competenties in de door iedere partij zelf voorgedragen referentiewerken.

Het is een feitelijke constatering of de genoemde competenties bij een bepaalde referentie wel of niet aanwezig waren, welke constatering niet voor meerdere uitleg vatbaar is. 4.8. Het feitencomplex in de onderhavige zaak verschilt op relevante punten van dat in de door Van der Lee ter zitting aangehaalde uitspraken. Dat brengt mee dat deze uitspraken niet maatgevend zijn voor de onderhavige zaak. In de onderhavige zaak klaagt Van der Lee er enkel over dat zij de beoordeling van de andere, hoger geëindigde inschrijvingen niet kan controleren. De uitspraak van de voorzieningenrechter Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2014:9809) ziet echter op een geval waarin sprake was van onvoldoende motivering van de afwijzing van eisers zelf, die niet de maximale scores hadden behaald.

Een tweede groep uitspraken betreft zaken waarin de klachten van eisers zagen op onvoldoende inzichtelijke beoordelingen van anderen (winnaars of hoger geëindigden). Waar in die uitspraken is geoordeeld dat van onvoldoende motivering sprake was, betrof dat gevallen waarin, anders dan in het onderhavige geval, voldoende was gesteld om twijfel te zaaien aan de juistheid van de beslissing van de aanbestedende dienst aangaande de vraag of was voldaan aan de gestelde minimumeisen (ECLI:NL:RBDHA:2014:7930), of de selectie-eisen juist waren toegepast (LJN BN2470) en of de inschrijving geldig was (LJN BX7535). 4.9.

De overige uitspraken hebben betrekking op aanbestedingsprocedures waar selectie, dan wel gunning, plaatsvond op basis van kwalitatieve criteria en waarin telkens bijzondere aspecten in de beslissing hebben meegespeeld. In ECLI:NL:GHSHE:2015:4943 overwoog het Gerechtshof Den Bosch dat de motivering van de gunningsbeslissing ondeugdelijk was omdat daarin geen enkel inzicht werd gegeven in de kenmerken en voordelen van de winnende inschrijving. In de zaak was sprake van ‘niet in het bestek terug te vinden expertoplossingen die de score hebben beïnvloed’.

De voorzieningenrechter in Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2011:BR6264)) merkte op dat niet kon worden volstaan met het overleggen van een scoretabel, in een zaak waarin de aanbestedende dienst in antwoord op vragen over de toepassing van het gunningscriterium slechts had gemeld dat ‘een grotere bijdrage aan alle vormen van duurzaamheidsprincipes meer punten oplevert en de beoordeling daarvan door een beoordelingscommissie zou worden uitgevoerd.’ In de zaak bleek dat de verschillende beoordelaars namens de aanbestedende dienst ieder vanuit hun eigen professionaliteit volledig vrij waren om een score toe te kennen en dat meerdere antwoorden mogelijk waren om de maximale score te behalen.

Het gunningscriterium was voorafgaand aan de inschrijving zodanig onduidelijk, dat reeds daarom naar het oordeel van de Amsterdamse voorzieningenrechter de aanbesteding niet in stand kon blijven. In de hiervoor reeds aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter Noord Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2014:1937) werd overwogen dat niet, althans onvoldoende, viel te herleiden hoe de verschillende aspecten die de aanbestedende dienst heeft laten meewegen tot de toegekende punten hebben geleid. In alle drie zaken gaat het aldus om de invulling van de motiveringsplicht in een context waarin het niet aankomt op het plaatsen van vinkjes voor al dan niet aanwezige competenties, maar op weging van kwalitatieve aspecten van inschrijvingen ten opzichte van elkaar.

In die gevallen kan doorgaans alleen iets zinnigs over de weging van die aspecten in de afgewezen inschrijving worden gezegd indien wordt uitgelegd waarom de hoger geëindigde inschrijvingen op die aspecten kwalitatief beter zijn. Dat rechtvaardigt een ruimere motiveringsplicht. 4.10. Gelet op het voorgaande dienen de vorderingen van Van der Lee te worden afgewezen. Van der Lee zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de Provincie worden veroordeeld, tot dusver begroot aan de zijde van de Provincie op: - griffierecht € 613,00 - salaris advocaat € 816,00 Totaal € 1.429,00 Ook de gevorderde veroordeling in de nakosten aan de zijde van de Gemeente is toewijsbaar zoals hierna te melden. 4.11.

Ten aanzien van de vorderingen van de Combinatie overweegt de voorzieningenrechter dat nu de Provincie voornemens is de selectiebeslissing ongewijzigd te laten, afwijzing van de vordering van Van der Lee meebrengt dat de Combinatie geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze eveneens zullen worden afgewezen. De Combinatie zal worden veroordeeld in de kosten van de Provincie, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Provincie als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. 4.12.

Van der Lee moet in haar verhouding tot de Combinatie worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van de Combinatie was immers verlies van het recht en de mogelijkheid op gunning te voorkomen, welk doel is bereikt. Van der Lee zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van de Combinatie, tot dusver tevens begroot op € 1.429,00. Ook de door de Combinatie gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar zoals hierna te melden.

5De beslissing

De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen van Van der Lee af, 5.2. veroordeelt Van der Lee in de proceskosten, aan de zijde van de Provincie tot op heden begroot op € 1.429,00, 5.3. veroordeelt Van der Lee in de proceskosten, aan de zijde van de Combinatie tot op heden begroot op € 1.429,00, 5.4. wijst de vorderingen van de Combinatie af, 5.5. veroordeelt de Combinatie voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens de Provincie in de kosten van de Provincie, tot dusver begroot op nihil, 5.6. veroordeelt Van der Lee tevens in de na dit vonnis voor de Provincie en de Combinatie ontstane kosten, begroot aan de zijde van zowel de Provincie en de Combinatie telkens op: - € 131,00 aan salaris advocaat, - te vermeerderen met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en Van der Lee niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot de dag van algehele voldoening, Dit vonnis is gewezen door mr.

A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.M.M. van Leest op 24 maart 2016.