Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2015:3951 ECLI:NL:RBNHO:2015:3951 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2015:3951 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2015:3951
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 14/2951 uitspraak van de enkelvoudige kamer van op het verzet van [opposante], te [woonplaats], opposante. Procesverloop Opposante heeft tegen de beslissing op bezwaar van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 12 juni 2014 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Bij uitspraak van 13 januari 2015 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Opposante heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBNHO:2015:3951 · Rechtbank Noord-Holland: In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

Keywords

AI generated
lack of signature validity of postal delivery registered postal service written service transmission of documents valid documents

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 14/2951 uitspraak van de enkelvoudige kamer van op het verzet van [opposante], te [woonplaats], opposante. Procesverloop Opposante heeft tegen de beslissing op bezwaar van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 12 juni 2014 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Bij uitspraak van 13 januari 2015 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Opposante heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2015. Opposante en haar partner de heer [naam 1] zijn verschenen. Overwegingen 1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante geen beroepsgronden heeft ingediend, ondanks het verzoek van de rechtbank daartoe.

2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat zij de aangetekende brief van 28 augustus 2014 waarin wordt verzocht om indiening van de beroepsgronden nooit heeft ontvangen omdat zij die dag aan het werk was. Zij heeft geen postbezorger gezien.

4. Nader door de rechtbank ingesteld onderzoek heeft uitgewezen dat de aangetekende brief van 28 augustus 2014 op 30 augustus 2014 op het adres van opposante is afgeleverd. Voor de ontvangst is getekend. Vaststaat dat de brief op voorgeschreven wijze is verzonden en op het juiste adres is bezorgd.

5. De partner van opposante heeft ter zitting aangevoerd dat de handtekening welke op het bewijs van ontvangst van de aangetekende brief staat van zijn 13-jarige dochter ([naam 2]) is. Tevens voert hij aan dat zijn dochter niet meer weet waar zij de brief heeft gelaten en dat deze waarschijnlijk in het ongerede is geraakt.

6. De rechtbank overweegt dat nu genoegzaam is gebleken dat de minderjarige dochter van 13 heeft getekend voor ontvangst, onvoldoende is gewaarborgd dat de brief van 28 augustus 2014 opposante heeft bereikt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beroep in de buiten-zittinguitspraak ten onrechte kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk is verklaard en dat de zaak ten onrechte zonder zitting is afgedaan. Het verzet zal dan ook gegrond worden verklaard. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. De zaak wordt hierna alsnog op een zitting behandeld. Ter voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na het onderzoek ter zitting het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet gegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, rechter, in aanwezigheid van I. Broekhuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen in de bodemzaak op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.