Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2015:3461 ECLI:NL:RBNHO:2015:3461 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2015:3461 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2015:3461
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Alkmaar Meervoudige raadkamer Raadkamernummer: 15/001401 RC-nr. : 14/2714 Datum uitspraak : 2 april 2015 Beschikking (ex art. 197 Sv.) 1Ontstaan en loop van de procedure Bij akte van 13 maart 2015 is door [verdachte 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Amsterdam, Huis van Bewaring De Weg te Amsterdam, hierna verdachte, hoger beroep ingesteld tegen de beslissing ex artikel 196 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank van 12 maart 2015 waarbij de rechter-commissaris heeft bevolen dat verdachte wordt overgebracht naar de psychiatrische observatiekliniek Pieter Baan Centrum (PBC) te Utrecht.

Legislator headnote

AI generated

art. 197 Sv, artikel 196 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 196 Sv, artikel 8 EVRM; ECLI:NL:RBNHO:2015:3461 · Rechtbank Noord-Holland: Tijdens een eerder onderzoek in het PBC zijn geen bijzonderheden geconstateerd. In genoemde brief is aangegeven dat verdachte niet wenst te worden gehoord op de vordering. De officier van justitie heeft bij brief van 6 maart 2015 gereageerd op het verweer van de raadsman. De eerdere rapportage van het PBC over verdachte was niet terug te vinden in JD online of in het oude strafdossier. Voorts wijst de officier van justitie erop dat de door de raadsman aangehaalde uitspraak minder relevant is voor deze zaak nu in deze zaak door het NIFP wel is geadviseerd om verdachte te laten observeren in het PBC.

Keywords

AI generated
inadequate psychiatric report psychiatric evidence psychiatric confinement outpatient or inpatient psychiatric evaluation psychiatric impairment contrary to medical advice

Cited Legislation

AI generated
art. 197 Sv
artikel 196 van het Wetboek van Strafvordering
artikel 196 Sv
De raadsman heeft voorop gesteld dat de vordering ex artikel 196 Sv een van de meest ingrijpende dwangmiddelen is in de fase van het vooronderzoek.
artikel 8 EVRM
Er wordt een zware inbreuk gemaakt op het in artikel 8 EVRM neergelegde fundamentele mensenrecht op privacy.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2011:BR3051
Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat Zaak A hij op of omstreeks 23 juni 2010 te Naarden opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hartstreek, in elk geval in het bovenlichaam, gestoken/gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; Zaak B hij op of omstreeks 26 november 2010 te Naarden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich opzettelijk mondeling en/of bij geschrift jegens [zus 1] en/of [zus 2] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van de rechter-commissaris in strafzaken in het arrondissement Amsterdam, in elk geval ten overstaan van een rechter of ambtenaar, een verklaring af te leggen, te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, hebbende hij, verdachte, met één of meer van zijn mededaders, - die [zus 1] een brief overhandigd en/of laten lezen, met de strekking - zakelijk weergegeven - dat die [zus 1] en haar zus [zus 2] hun verklaringen moesten bijstellen en dat zij moesten zeggen dat verdachte het slachtoffer (zijnde [slachtoffer]) uit zelfverdediging had neergestoken en/of als die zij dit niet zouden doen, dan zou verdachte achter het BSN (burger service nummer) van die [zus 1] komen en dan zou hij achterhalen waar zij was en dan zou verdachte niet rusten voordat die [zus 1] en [zus 2] en hun familie uit de weg geruimd zouden zijn en/of dat die [zus 1] de brief heel serieus moest nemen, omdat verdachte vrienden had die haar wel wilden aanpakken en/of dat deze brief nooit had plaatsgevonden en dat ze het nooit aan iemand mocht vertellen en als ze dat wel zou doen, dat er dan iets met die [zus 1] zou gebeuren en/of heeft verdachtes mededader tegen die [zus 1] gezegd dat zij beter kon doen wat haar gevraagd werd, omdat hij anders niet wist hoe het met [zus 1] en [zus 2] zou aflopen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Alkmaar Meervoudige raadkamer Raadkamernummer: 15/001401 RC-nr. : 14/2714 Datum uitspraak : 2 april 2015 Beschikking (ex art. 197 Sv.) 1Ontstaan en loop van de procedure Bij akte van 13 maart 2015 is door [verdachte 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Amsterdam, Huis van Bewaring De Weg te Amsterdam, hierna verdachte, hoger beroep ingesteld tegen de beslissing ex artikel 196 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank van 12 maart 2015 waarbij de rechter-commissaris heeft bevolen dat verdachte wordt overgebracht naar de psychiatrische observatiekliniek Pieter Baan Centrum (PBC) te Utrecht.

De rechtbank heeft op 2 april 2015 verdachte, zijn raadsman mr. [advocaat] en de officier van justitie in besloten raadkamer gehoord. 2Beoordeling Verdachte wordt verdacht van (medeplegen) moord / doodslag en van overtreding van artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet. De rechtbank heeft kennisgenomen van de brief van[naam psychiater], als forensisch psychiater verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NFIP) van 24 februari 2015, waarin wordt geadviseerd verdachte te laten plaatsen in het Pieter Baan Centrum (PBC).

Als argumenten voor de plaatsing worden genoemd: het ernstige delict, de complexe casuïstiek alsook de complexe proceshouding van verdachte. Er is geen Pro Justitia rapportage opgemaakt. Verdachte heeft tijdens het gesprek met [naam psychiater] te kennen gegeven niet te zullen meewerken aan de Pro Justitia onderzoek. Vervolgens is door de officier van justitie de observatie van verdachte gevorderd. Bij brief van 6 maart 2015 heeft de raadsman het standpunt van de verdediging verwoord. De raadsman heeft voorop gesteld dat de vordering ex artikel 196 Sv een van de meest ingrijpende dwangmiddelen is in de fase van het vooronderzoek.

Er wordt een zware inbreuk gemaakt op het in artikel 8 EVRM neergelegde fundamentele mensenrecht op privacy. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2011 (ECLI:NL:RBAMS:2011:BR3051) heeft de verdediging de rechter-commissaris verzocht de vordering af te wijzen omdat het trajectconsult van 24 februari 2015 van onvoldoende gewicht is om een bevel observatie op te baseren. Een ernstig delict levert op zichzelf geen noodzaak op tot onderzoek naar de geestvermogens van een verdachte. Voorts is niet gemotiveerd waarom er sprake is van complexe casuïstiek.

Het gesprek met verdachte is immers ‘zeer kort’ geweest, zoals de psychiater heeft opgemerkt. Ook is niet begrijpelijk waarom er sprake is van een complexe proceshouding van verdachte. Verdachte heeft in eerste instantie gezwegen (hetgeen niet bijzonder vreemd is in een moordonderzoek). Vervolgens heeft verdachte een verklaring afgelegd. De laatste veroordeling voor een zwaarder feit was 25 jaar geleden. Verdachte heeft nadien een normaal leven opgebouwd met vrouw en kinderen en was werkzaam in loondienst. Er zijn geen aanknopingspunten voor een psychiatrische problematiek.

Tijdens een eerder onderzoek in het PBC zijn geen bijzonderheden geconstateerd. In genoemde brief is aangegeven dat verdachte niet wenst te worden gehoord op de vordering. De officier van justitie heeft bij brief van 6 maart 2015 gereageerd op het verweer van de raadsman. De eerdere rapportage van het PBC over verdachte was niet terug te vinden in JD online of in het oude strafdossier. Voorts wijst de officier van justitie erop dat de door de raadsman aangehaalde uitspraak minder relevant is voor deze zaak nu in deze zaak door het NIFP wel is geadviseerd om verdachte te laten observeren in het PBC.

Gelet op het advies van de psychiater, de brief van de raadsman van 6 maart 2015, de brief van de officier van justitie van dezelfde datum en de (lugubere) aard en de ernst van feit 1 waarvan verdachte wordt beschuldigd, acht de rechter-commissaris het noodzakelijk dat een onderzoek wordt ingesteld naar de geestvermogens van verdachte door middel van observatie van verdachte in het PBC te Utrecht omdat dit onderzoek niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden. Op 12 maart 2015 heeft de rechter-commissaris bevolen dat verdachte wordt overgebracht naar de psychiatrische observatiekliniek Pieter Baan Centrum (PBC) te Utrecht.

Op 13 maart 2015 heeft verdachte tegen dit bevel overeenkomstig de wettelijke voorschriften tijdig (binnen drie dagen na betekening) hoger beroep ingesteld. Op 2 april 2015 is het hoger beroep tijdens een besloten raadkamerzitting behandeld. De raadsman heeft zich – gezien de brief van de voorzitter van de meervoudige kamer van 30 maart 2015 inzake de voorgenomen verwijzing naar de rechtbank [plaats] – primair op het standpunt gesteld dat ook het ingestelde hoger beroep ter beslissing dient te worden overgedragen aan de rechtbank [plaats]. Subsidiair heeft de raadsman het standpunt van de verdediging, zoals verwoord in zijn brief van 6 maart 2015, herhaald.

Indien een bevel tot observatie van verdachte wordt afgegeven, dient er sprake te zijn van aanwijzingen voor een psychische problematiek. Daarvan is in het eerder door het PBC opgemaakte rapport over verdachte (dat volgens de raadsman toch ergens te vinden zou moeten zijn) of anderszins niet gebleken. De raadsman heeft verzocht het hoger beroep gegrond te verklaren en de beschikking van de rechter-commissaris van 12 maart 2015 te vernietigen. De officier van justitie acht het primaire standpunt van de verdediging om de rechtbank [plaats] te laten beslissen op het hoger beroep niet begrijpelijk nu niet gebleken is dat de rechtbank op dit hoger beroep niet zou kunnen beslissen.

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de verdediging heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep dient te worden afgewezen nu de rechter-commissaris op juiste gronden het bevel observatie heeft gegeven. Ten aanzien van het primaire standpunt van de verdediging de beslissing in deze aan te houden en de zaak daarvoor te verwijzen naar de rechtbank [plaats] overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft gemeend partijen voorafgaand aan de pro forma zitting van heden op de hoogte te stellen van de voorgenomen verwijzingsbeslissing.

Deze verwijzing heeft thans nog niet plaatsgevonden. Achtergrond van de voorgenomen verwijzing betreft het feit dat een medewerker van de rechtbank in een ver verwijderde familierelatie staat tot één van de verdachten in deze strafzaak. De betrokken medewerker heeft tot op heden geen enkele bemoeienis gehad met de behandeling van deze zaak. Gelet hierop en nu het geen eindbeslissing in de strafzaak zelf betreft, acht de rechtbank zich bevoegd om over het thans aanhangige hoger beroep te beslissen. Ten aanzien van het door de rechter-commissaris afgegeven bevel tot observatie overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank deelt het standpunt van de raadsman dat een voldoende onderbouwing van de noodzaak tot observatie van verdachte (in het PBC) in het advies van de psychiater ontbreekt. Er zijn ook geen duidelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van psychische problematiek bij verdachte. Het enkele feit dat sprake is van een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit, rechtvaardigt niet de afgifte van een dergelijk bevel. De rechtbank zal het beroep daarom bij deze stand van het onderzoek gegrond verklaren. 3Beslissing De rechtbank: Verklaart het beroep van verdachte tegen de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 12 maart 2015 gegrond;

Vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 12 maart 2015 (bevel observatie).

4Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beslissing is op 2 april 2015 gegeven en uitgesproken in raadkamer door mr. J.M. Sassenburg, voorzitter, mr. L.J. Saarloos en mr. M. Malsch, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.A. van der Meij en ondertekend door de voorzitter en de griffier.