Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2015:12002 ECLI:NL:RBNHO:2015:12002 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2015:12002 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2015:12002
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Handel & Insolventie Zaaknr./rolnr.: 15/227165 / HA ZA 15-368 Uitspraakdatum: 25 november 2015 Vonnis in de zaak van: [eiseres] , wonende te [woonplaats], eiseres, verder te noemen: [eiseres], advocaat: mr. J. Jong te Zaandam, gemeente Zaanstad, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde, verder te noemen: [gedaagde], advocaat: F. van Geuns te Zaandam, gemeente Zaanstad,. 1Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding (met producties) van 26 mei 2015;- de conclusie van antwoord (met producties);- het tussenvonnis van 29 juli 2015;- het proces-verbaal van de comparitie na antwoord, gehouden op 1 oktober 2015. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3:170 BW, artikel 3:171 BW, artikel 130 Rv; ECLI:NL:RBNHO:2015:12002 · Rechtbank Noord-Holland: De rechtbank stelt voorop dat artikel 3:170 BW tot uitgangspunt neemt dat het beheer van een gemeenschap, behoudens enige hier niet relevante uitzonderingen, in beginsel door de deelgenoten tezamen geschiedt, tenzij een regeling anders bepaalt. Op grond van artikel 3:171 BW is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Deze deelgenoot zal in dat geval in de dagvaarding kenbaar moeten maken dat hij in zijn hoedanigheid van de gezamenlijke, voor zoveel mogelijk bij name genoemde deelgenoten optreedt (HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7044). 4.4.

Keywords

AI generated
back payment forfeit money deductions and refunds back taxes repayment of public subsidies allocation of debt payments

Cited Legislation

AI generated
artikel 3:170 BW
De rechtbank stelt voorop dat artikel 3:170 BW tot uitgangspunt neemt dat het beheer van een gemeenschap, behoudens enige hier niet relevante uitzonderingen, in beginsel door de deelgenoten tezamen geschiedt, tenzij een regeling anders bepaalt.
artikel 3:171 BW
Op grond van artikel 3:171 BW is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap.
artikel 130 Rv
[eiseres] diende reeds bij dagvaarding te stellen (mede) op te treden namens de gemeenschap en kan die hoedanigheid niet hangende de procedure alsnog aannemen door op de voet van artikel 130 Rv.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2000:AA7044
Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Cento Nederland - heeft bij exploit van 20 mei 1996 verweerders in cassatie - verder te noemen: Cento en [verweerder 2] - gedagvaard voor de Rechtbank te Zutphen en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Cento en [verweerder 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan Cento Nederland te betalen een bedrag van ƒ 18.563,24, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 1996. Cento en [verweerder 2] hebben de vordering bestreden. Na een ingevolge een tussenvonnis van 24 oktober 1996 gehouden comparitie van partijen heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 4 september 1997 Cento Nederland in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit eindvonnis heeft Cento Nederland hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Bij arrest van 7 juli 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2004:AP1435
Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: de bank - heeft bij twee exploten van 9 april 1997 en twee herstelexploten van 23 april 1997 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] c.s. - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. [eiseres] c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander in zoverre zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan de bank ten behoeve van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Economische zaken) van een bedrag van ƒ 61.750,04 en tot betaling aan de bank van een bedrag van ƒ 8.901,22, te vermeerderen met renten en provisie als onder 3 van deze dagvaarding omschreven, en 2. [eiseres] c.s. te veroordelen tot betaling aan de bank van een bedrag van ƒ 5.092,55 (waarvan ƒ 4.358,55 ten behoeve van de Staat en ƒ 734,-- ten behoeve van de bank, welke verdeling is gebaseerd op het belang dat de Staat en de bank bij deze invordering hebben) terzake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening. [Eiseres] c.s. hebben de vorderingen bestreden en van hun kant in reconventie gevorderd de kredietovereenkomst van 10 juli 1991 tussen de bank en hen te vernietigen en voor zover nodig te ontbinden alsmede de bank, mede handelend namens de Staat der Nederlanden, te veroordelen tot vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans tot een door de rechtbank ex aequo et bono te bepalen schadevergoeding.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Handel & Insolventie Zaaknr./rolnr.: 15/227165 / HA ZA 15-368 Uitspraakdatum: 25 november 2015 Vonnis in de zaak van: [eiseres] , wonende te [woonplaats], eiseres, verder te noemen: [eiseres], advocaat: mr. J. Jong te Zaandam, gemeente Zaanstad, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde, verder te noemen: [gedaagde], advocaat: F. van Geuns te Zaandam, gemeente Zaanstad,. 1Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding (met producties) van 26 mei 2015;- de conclusie van antwoord (met producties);- het tussenvonnis van 29 juli 2015;- het proces-verbaal van de comparitie na antwoord, gehouden op 1 oktober 2015. 1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiseres] is de dochter van wijlen de heer [erflater] (hierna: [erflater]). [gedaagde] heeft in het verleden jaarlijks voor [erflater] de belastingaangifte verzorgd. 2.2. Bij schriftelijke akte van 1 oktober 2008 heeft [erflater] een overeenkomst van geldlening gesloten met [gedaagde]. Daarbij zijn zij overeengekomen dat [gedaagde] een bedrag van € 100.000,-- van [erflater] leent tegen een jaarlijkse rentevergoeding van 6%, te betalen in maandelijkse termijnen van € 500,--, voor het eerst op 1 november 2008.

Verder zijn zij overeengekomen, voor zover hier relevant, dat [gedaagde] het geleende geldbedrag op 1 oktober 2013 zal terugbetalen. 2.3. Bij schriftelijke akte van 16 oktober 2008 hebben [erflater] en [gedaagde] een “rekening-courant overeenkomst” gesloten. Daarin verklaart [gedaagde] het door hem in beheer ontvangen bedrag van € 50.000,-- aan [erflater] schuldig te zijn. Verder is overeengekomen dat [gedaagde] het bedrag van € 50.000,-- als goed huisvader zal beheren, waarbij [erflater] [gedaagde] zal instrueren met betrekking tot mutaties die [erflater] verlangt.

Verder is bepaald dat [gedaagde] aan [erflater] geen rente verschuldigd is over het bedrag van € 50.000,--. 2.4. [erflater] is op 21 februari 2012 overleden. [erflater] heeft twee kinderen achtergelaten, te weten [eiseres] en haar broer. 2.5. Bij brief van 9 januari 2015 heeft [eiseres] [gedaagde] gesommeerd om aan haar een bedrag van € 102.786,89 (€ 75.000,--, vermeerderd met 6% rente berekend vanaf 2008 tot 9 januari 2015) te voldoen ter zake van de onder 2.2 en 2.3 genoemde overeenkomsten. 3De vordering 3.1. [eiseres] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 104.968,35, te vermeerderen met de rente van 6% over € 75.000,-- vanaf 16 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, althans subsidiair tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 januari 2008, althans vanaf die datum die de rechtbank in goede justitie zal bepalen, tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij en haar broer ieder voor 50% gerechtigd tot de nalatenschap van [erflater] zijn. [gedaagde] heeft blijkens de overeenkomsten van 1 oktober 2008 en 16 oktober 2008 in totaal een bedrag van € 150.000,- aan [erflater] geleend.

Met betrekking tot het eerste bedrag van € 100.000,-- is een rentevergoeding van 6% per jaar afgesproken. Naar redelijkheid dient ook over het tweede bedrag van € 50.000,-- een rentevergoeding van 6 % per jaar te worden betaald vanaf 2008, althans de wettelijke rente vanaf 16 januari 2015, aldus [eiseres]. [eiseres] maakt als erfgenaam aanspraak op terugbetaling van de helft van de leningen, zodat [gedaagde] volgens [eiseres] aan haar is verschuldigd:- helft hoofdsom I € 50.000,00- rente 6% over hoofdsom I tot 16 januari 2015 € 18.524,59- helft hoofdsom II € 25.000,00- rente 6% over hoofdsom II tot 16 januari 2015 € 9.262,30Daarnaast maakt [eiseres] aanspraak op een bedrag van € 2.181,46 aan buitengerechtelijke incassokosten. 3.3. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waar hierna voor zover van belang nader op zal worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1. [eiseres] vordert in de onderhavige procedure betaling van de helft van de door [erflater] aan [gedaagde] verstrekte gelden (vermeerderd met rente en kosten). 4.2. [gedaagde] betwist enig bedrag aan [eiseres] verschuldigd te zijn en voert daartoe als meest verstrekkende verweer aan dat niet [eiseres] maar alleen de nalatenschapsgemeenschap van [erflater] (verder: de gemeenschap) een vorderingsrecht heeft. 4.3.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 3:170 BW tot uitgangspunt neemt dat het beheer van een gemeenschap, behoudens enige hier niet relevante uitzonderingen, in beginsel door de deelgenoten tezamen geschiedt, tenzij een regeling anders bepaalt. Op grond van artikel 3:171 BW is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Deze deelgenoot zal in dat geval in de dagvaarding kenbaar moeten maken dat hij in zijn hoedanigheid van de gezamenlijke, voor zoveel mogelijk bij name genoemde deelgenoten optreedt (HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7044). 4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de nalatenschap van [erflater] een nog niet vereffende en onverdeelde gemeenschap betreft. Vorderingen tegen schuldenaren van de nalatenschap van [erflater] kunnen daarom alleen namens de gemeenschap worden ingesteld. Nu echter vaststaat dat [eiseres], zoals door haar ter comparitie ook is bevestigd, de onderhavige vordering uitsluitend voor zichzelf, en niet (mede) namens de gemeenschap heeft ingesteld, zullen de vorderingen worden afgewezen. [eiseres] heeft weliswaar ter zitting haar eis mondeling gewijzigd, in die zin dat zij alsnog de vordering ten behoeve van de gemeenschap instelt, maar dit kan haar niet baten. [eiseres] diende reeds bij dagvaarding te stellen (mede) op te treden namens de gemeenschap en kan die hoedanigheid niet hangende de procedure alsnog aannemen door op de voet van artikel 130 Rv. haar eis te wijzigen (vgl. HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435). 4.5.

Gelet op het vorenstaande kunnen de door [gedaagde] voor het overige aangevoerde verweren onbesproken blijven. 4.6. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten, die de rechtbank op voorhand zal begroten op een bedrag van € 131,00, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot op heden begroot op:- griffierecht: € 78,00- salaris advocaat: € 2.842,00 (2 punten tarief V liquidatietarief)Totaal € 2.920,00 5De beslissing De rechtbank: 5.1. wijst de vordering af; 5.2. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, die tot heden aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op een bedrag van € 2.920,00; 5.3. veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van [gedaagde] op voorhand begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak; 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.P.M. Fruytier en op 25 november 2015 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.