Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2014:9372 ECLI:NL:RBNHO:2014:9372 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2014:9372 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2014:9372
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: ALK 13/1676 uitspraak van de meervoudige kamer van 20 augustus 2014 in de zaak tussen 1. [eiser 1], 2. [eiser 2], 3. [eiser 3], 4. [eiser 4], allen te [woonplaats 1], eisers (gemachtigde: mr. S. Grasboer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij], te [woonplaats 2] (gemachtigde: mr. P.P.A. Bodden) Procesverloop Bij besluit van 30 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij (vergunninghouder) omgevingsvergunning verleend voor de bouw van twee pluimveestallen, tussenbouwen, een kuikenlaadstation, voersilo’s, een bijgebouw en een bedrijfswoning op het perceel [locatie].

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2014:9372 · Rechtbank Noord-Holland: Voor haar standpunt vindt de rechtbank steun in de uitspraken van de Afdeling van 5 december 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB9488), 21 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH0466) en 20 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2010:BL0687). Uit het voorgaande volgt dat eisers sub 1, 2 en 3 niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit voor zover dit ziet op de toestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Eiseres sub 4 is daarbij wel belanghebbende.

Keywords

AI generated
preliminary building permit building permit condition environmental protection concerns standing against building permit nature conservation permit readiness for construction

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2013:1750
201302540/1/A1. Datum uitspraak: 30 oktober 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Rotterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2013 in zaak nr. 12/2217 in het geding tussen: [appellant] en het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven. Procesverloop Bij besluit van 1 september 2011 heeft het dagelijks bestuur aan Woonbron Delfshaven omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de indeling van de panden Rochussenstraat 355/Duyststraat 153 tot 159 te Rotterdam (hierna: de panden) ten behoeve van de verhuur van kamers en bedrijfsruimten.
ECLI:NL:RVS:2007:BB9488
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "De Ingensche Waarden B.V.", gevestigd te Vught, 2.
ECLI:NL:RVS:2009:BH0466
Procesverloop Bij besluit van 24 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leudal (hierna: het college) het verzoek tot actualisatie van de Wet milieubeheer vergunning van het pluimvee en akkerbouwbedrijf [vergunninghoudster] aan de [locatie] te [plaats] niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 februari 2008, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door ing. R.H.M. Wilms, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. A.M.C.M. Crasborn als partij gehoord.
ECLI:NL:RVS:2010:BL0687
Procesverloop Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een pluimveebedrijf op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Hoogezand-Sappemeer. Dit besluit is op 29 oktober 2009 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij brief van 22 december 2009 aangevuld.
ECLI:NL:RVS:2013:34
201200321/1/A4. Datum uitspraak: 26 juni 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant] en anderen, allen wonend te Ede, en het college van burgemeester en wethouders van Ede, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 22 november 2011 heeft het college aan [maatschap] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij aan de [locatie] te Harskamp. Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
ECLI:NL:RVS:2013:BZ7545
de vereniging Milieu- en Heemkundevereniging Swalmen (hierna: de MHVS), [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), gevestigd onderscheidenlijk wonend te Swalmen, gemeente Roermond, 2. [appellant sub 2], wonend te Swalmen, gemeente Roermond, en het college van burgemeester en wethouders van Roermond, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 2 april 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskuikenhouderij op het perceel [locatie] te Swalmen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: ALK 13/1676 uitspraak van de meervoudige kamer van 20 augustus 2014 in de zaak tussen 1. [eiser 1], 2. [eiser 2], 3. [eiser 3], 4. [eiser 4], allen te [woonplaats 1], eisers (gemachtigde: mr. S. Grasboer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij], te [woonplaats 2] (gemachtigde: mr. P.P.A. Bodden) Procesverloop Bij besluit van 30 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij (vergunninghouder) omgevingsvergunning verleend voor de bouw van twee pluimveestallen, tussenbouwen, een kuikenlaadstation, voersilo’s, een bijgebouw en een bedrijfswoning op het perceel [locatie].

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2014. Namens eisers zijn ter zitting verschenen [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 4], bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. D. Brouwer, ing. H.A. Struiken Boudier en ing. D. Treffers. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en[naam]. Overwegingen 1.1 De omgevingsvergunning omvat toestemmingen op grond van artikel 2.1 eerste lid, onder a, b, c en e en artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eisers zich richten tegen de toestemmingen op grond van artikel 2.1 eerste lid, onder a (het bouwen van een bouwwerk), c (het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan of de provinciale ruimtelijke verordening) en e (het oprichten en in werking hebben van een inrichting) van de Wabo. De beoordeling door de rechtbank is derhalve tot die toestemmingen beperkt. 1.2 Op de locatie zijn beoogd een woonhuis, twee gebouwen met daarin ruimte voor het uitbroeden van 382.000 voorgebroede eieren en aansluitend het huisvesten van 366.666 vleeskuikens en technische ruimtes.

De beide gebouwen hebben een afmeting van 31 x 105 meter. De zijgevels zijn ongeveer 5,7 en 7,5 meter hoog en de nok is 12,7 meter hoog. 2.1 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 2.2 Indien een bestreden omgevingsvergunning meer dan één toestemming als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo bevat, dient per toestemming te worden bepaald of degene die een rechtsmiddel heeft aangewend belanghebbende is (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1750). 3.1 Bij uitspraak van 16 mei 2014, zaaknummer ALK 14/507, heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan op het door eisers gevraagde verzoek om een voorlopige voorziening.

Onder verwijzing naar de overwegingen 2 tot en met 5 van bedoelde uitspraak van de voorzieningenrechter en onder overneming van hetgeen daarin is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat eisers bij de toestemmingen onder 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. 3.2 Gelet op het voorgaande is het beroep van eisers niet-ontvankelijk voor zover dit betreft de toestemmingen onder 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo.

4. Gelet op de afstand van de woning van eisers sub 1 en 2 tot de inrichting van ongeveer 600 meter alsmede van de woning van eisers sub 3 en 4 tot de inrichting van ongeveer 800 meter en gelet op de aard en omvang van de inrichting is het niet aannemelijk dat ter plaatse van de woningen van eisers, gelegen aan de [adres 1] respectievelijk de [adres 2], milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. Gebleken is dat eiseres sub 4 pachter is van een perceel dat is gelegen op een afstand van ongeveer 350 meter tot de inrichting. Gelet op de afstand van het perceel tot de inrichting en de aard en omvang van de inrichting, is naar het oordeel van de rechtbank wel aannemelijk dat op dit perceel milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden.

Voor haar standpunt vindt de rechtbank steun in de uitspraken van de Afdeling van 5 december 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB9488), 21 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH0466) en 20 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2010:BL0687). Uit het voorgaande volgt dat eisers sub 1, 2 en 3 niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit voor zover dit ziet op de toestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Eiseres sub 4 is daarbij wel belanghebbende.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep van eisers sub 1, 2 en 3 ook niet-ontvankelijk voor zover dit betreft de toestemming onder 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. De rechtbank zal hierna het beroep van eiseres sub 4 (hierna ook: eiseres) voor zover dit betreft de toestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo, beoordelen. De ter zitting van de voorzieningenrechter en de zitting bij de rechtbank ingetrokken gronden laat de rechtbank buiten bespreking. 6.1 Eiseres stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder a, ten derde, van de Wabo, in die zin dat verweerder ook rekening had moeten houden met plannen die wel al bekend zijn, maar waarvoor nog geen aanvraag is ingediend.

Zij wijst er in dat verband op dat het onderhavige project deel uitmaakt of heeft uitgemaakt van een groter project en dat op de website van de gemeente Hollands Kroon ook het andere onderdeel van dit grotere plan, “Kippenhok” genaamd, is benoemd en beschreven. Verweerder had deze ontwikkeling bij de aanvraag moeten betrekken, aldus eiseres. 6.2 Uit jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:34) volgt dat een “redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling” als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo, voldoende concreet moet zijn, in die zin dat de ontwikkeling planologisch mogelijk is gemaakt en een vergunning is aangevraagd.

Het plan waarop eiseres wijst kan niet als zodanig worden aangemerkt. Weliswaar is in 2012 een bestemmingsplanwijziging aangekondigd, maar niet is gebleken dat die procedure ook daadwerkelijk is gestart, hetgeen ter zitting door verweerder ook is ontkend. Voor het door eiseres benoemde plan is ook geen omgevingsvergunning aangevraagd. Er bestond dan ook onvoldoende zekerheid over de vestiging van pluimveehouderij “Kippenhok” om deze als redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling aan te merken. Gelet daarop heeft verweerder bij de beslissing op de aanvraag terecht met deze door eiseres aangehaalde mogelijke ontwikkeling geen rekening gehouden. 7.1 Eiseres meent verder dat er sprake is van een gevaar voor de gezondheid.

Zij heeft in dat verband ook gewezen op het dierenwelzijn. Zij vreest de verspreiding van micro-organismen en endotoxinen bij de emissie van geur en (ultra)fijn stof en de verspreiding van dierziekten. 7.2 De rechtbank overweegt allereerst dat het aspect dierenwelzijn volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7545) geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu als hier bedoeld. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat in het kader van de onderhavige toestemming, met betrekking tot het aspect dierenwelzijn, alleen het huisvestingstype van belang kan zijn.

Door eiseres is voorts onweersproken gelaten de stelling van verweerder dat met het door derde-partij beoogde huisvestingstype wordt voldaan aan het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderijen, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. 7.3 Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3635) is de bestrijding van besmettelijke dierziekten voorts een aspect dat primair is geregeld in andere wetgeving dan de Wabo en de Wet milieubeheer. Wel is in het kader van de omgevingsvergunningverlening ruimte voor een aanvullende toets.

Indien door het in werking zijn van een inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico's bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken. 7.4 Het besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken, waaronder het milieueffectrapport, geven blijk van een bespreking van de risico’s en een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen om de (gezondheids)risico’s te beperken, daaronder begrepen de gekozen afstand van de inrichting tot woningen, het gekozen stalsysteem en de aan de vergunning verbonden voorschriften welke zien op het huisvestingssysteem en de hygiëne binnen de inrichting.

Voorts is gemotiveerd dat als gevolg van het toepassen van warmtewisselaars binnen de inrichting, wordt voldaan aan de geldende emissie-eisen. In de enkele, niet onderbouwde stelling van eiseres dat zij desondanks vreest voor een verspreiding van micro-organismen en endotoxinen en een verspreiding van dierziekten, heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren, dan wel daaraan nadere voorschriften te verbinden.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiseres sub 4, voor zover dit ziet op de toestemming bedoeld in 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo, ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep van eisers sub 1, 2 en 3 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep van eiseres sub 4, voor zover dit betrekking heeft op de verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo, niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep van eiseres sub 4, voor zover dit betrekking heeft op de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. M. Kraefft, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2014. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.