Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNHO:2013:13817 ECLI:NL:RBNHO:2013:13817 AI generated

ECLI:NL:RBNHO:2013:13817 · Rechtbank Noord-Holland

Case Number ECLI:NL:RBNHO:2013:13817
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling privaatrecht Sectie kanton – locatie Zaandam zaak/rolnr.: 2328325 / WM VERZ 13-1932 datum uitspraak: 8 oktober 2013 UITSPRAAKVAN DE KANTONRECHTER in de zaak van [betrokkene] te [plaats] verzoeker hierna te noemen [naam] gemachtigde mr. H.P. Olthof De procedure [naam] heeft beroep ingesteld tegen: het niet tijdig beslissen door de officier van justitie op een door betrokkene ingesteld beroep in het kader van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv); het niet tijdig, dan wel afwijzend beslissen op een verzoek van betrokkene tot vaststelling van een dwangsom zoals bedoeld in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 4:18 Awb, artikel 18 Awb, artikel 7.24 lid 1 Awb, artikel 4:17 Awb; ECLI:NL:RBNHO:2013:13817 · Rechtbank Noord-Holland: Daarop is nog steeds niet beslist op het beroep. De officier van justitie heeft geen toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 4:18 Awb voor wat betreft verschuldigdheid en de hoogte van de daarin bedoelde dwangsom. Op 24 mei 2013 is de officier van justitie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig toepassing geven aan het bepaalde in artikel 18 Awb. Ook daaraan heeft de officier van justitie nog steeds niet voldaan. Het beroep strekt tot het alsnog verkrijgen van een beslissing in beroep, alsmede tot het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van een reeds verbeurde dwangsom door de kantonrechter.

Keywords

AI generated
delay in criminal prosecution dismissal of traffic proceedings untimely request for extension compliance with time-limits violation of speedy trial principle reasonable duration of the proceedings

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 4:18 Awb
De officier van justitie heeft geen toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 4:18 Awb voor wat betreft verschuldigdheid en de hoogte van de daarin bedoelde dwangsom.
artikel 18 Awb
Op 24 mei 2013 is de officier van justitie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig toepassing geven aan het bepaalde in artikel 18 Awb.
artikel 7.24 lid 1 Awb
Volgens artikel 7.24 lid 1 Awb had de officier van justitie binnen 16 weken na instelling van het beroep daarop moeten beslissen.
artikel 4:17 Awb
Daaruit volgt (verder), dat door de officier van justitie een dwangsom, zoals bedoeld in artikel 4:17 Awb heeft verbeurd en dat de officier van justitie overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:18 Awb de verschuldigdheid en hoogte van deze dwangsom had moeten vaststellen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling privaatrecht Sectie kanton – locatie Zaandam zaak/rolnr.: 2328325 / WM VERZ 13-1932 datum uitspraak: 8 oktober 2013 UITSPRAAKVAN DE KANTONRECHTER in de zaak van [betrokkene] te [plaats] verzoeker hierna te noemen [naam] gemachtigde mr. H.P. Olthof De procedure [naam] heeft beroep ingesteld tegen: het niet tijdig beslissen door de officier van justitie op een door betrokkene ingesteld beroep in het kader van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv); het niet tijdig, dan wel afwijzend beslissen op een verzoek van betrokkene tot vaststelling van een dwangsom zoals bedoeld in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 1 oktober 2013. Verschenen zijn voor het Openbaar Ministerie mr. W.R. ter Horst en voor verzoeker mr. H.P. Olthof. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Tenslotte is de uitspraak op vandaag bepaald. Overwegingen Aan [naam] is op 6 november 2012 een inleidende sanctiebeschikking verzonden in het kader van de Wahv. Daartegen is door [naam] op 29 november 2012 beroep ingesteld bij de officier van justitie. Op 10 april 2013 is de officier van justitie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het beroep.

Daarop is nog steeds niet beslist op het beroep. De officier van justitie heeft geen toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 4:18 Awb voor wat betreft verschuldigdheid en de hoogte van de daarin bedoelde dwangsom. Op 24 mei 2013 is de officier van justitie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig toepassing geven aan het bepaalde in artikel 18 Awb. Ook daaraan heeft de officier van justitie nog steeds niet voldaan. Het beroep strekt tot het alsnog verkrijgen van een beslissing in beroep, alsmede tot het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van een reeds verbeurde dwangsom door de kantonrechter.

Daarover wordt als volgt geoordeeld. Volgens artikel 7.24 lid 1 Awb had de officier van justitie binnen 16 weken na instelling van het beroep daarop moeten beslissen. Volgens lid 4 van laatstgenoemd wetsartikel mocht de officier deze beslissing voor ten hoogste 10 weken verdagen. Vast is komen te staan dat de officier van justitie daaraan niet heeft voldaan. Daaruit volgt, dat ten onrechte inderdaad niet tijdig is beslist op het beroep. Daarom zal de kantonrechter bepalen dat de officier van justitie alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak op dat beroep moet beslissen, op straffe van verbeurte van een hierna te bepalen dwangsom.

Daaruit volgt (verder), dat door de officier van justitie een dwangsom, zoals bedoeld in artikel 4:17 Awb heeft verbeurd en dat de officier van justitie overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:18 Awb de verschuldigdheid en hoogte van deze dwangsom had moeten vaststellen. Dat is ten onrechte niet gebeurd, zodat de kantonrechter daarin zal moeten voorzien. Er bestaat aanleiding om de officier van justitie te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van deze zaak in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden die kosten begroot op € 236,-- (2 punten, wegingsfactor zeer licht), wegens kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze kosten worden door de Staat der Nederlanden vergoed. Beslissing De kantonrechter: verklaart het beroep gegrond; bepaalt dat de officier van justitie binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog beslist op het door [naam] ingestelde beroep, op straffe van een dwangsom van € 50,-- per dag dat de officier van justitie in gebreke blijft deze uitspraak na te leven, met een maximum van € 5.000,--; stelt de hoogte van de door de officier van justitie verbeurde dwangsom vast op € 1.260,-- en bepaalt dat de officier van justitie dit bedrag aan [naam] moet voldoen; de officier van justitie wordt veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 236,-- ; verstaat dat deze kosten worden vergoed door de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.Visser, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.