Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBMNE:2025:2016 ECLI:NL:RBMNE:2025:2016 AI generated

ECLI:NL:RBMNE:2025:2016 · Rechtbank Midden-Nederland

Case Number ECLI:NL:RBMNE:2025:2016
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/7719 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2025 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, (gemachtigde: mr. R. Visser), en het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder, (gemachtigde: mr. S. Ralović). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om een omgevingsvergunning. Op 18 december 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Awb; ECLI:NL:RBMNE:2025:2016 · Rechtbank Midden-Nederland: Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). Verweerder moet alsnog een besluit nemen 5. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb).

Keywords

AI generated
untimely request for extension unjustified procedural delay late submission of documents insufficiently substantiated submissions fulfilment of procedural requirements delayed asylum application

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Awb
Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/7719 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2025 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, (gemachtigde: mr. R. Visser), en het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder, (gemachtigde: mr. S. Ralović). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om een omgevingsvergunning. Op 18 december 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. In geval van eiser heeft deze rechtbank een eerdere beslissing op bezwaar van verweerder vernietigd. Verweerder diende daarom opnieuw op het bezwaar te beslissen. In de vorige uitspraak is verweerder daarnaast voorgehouden dat hij in die nieuwe beslissing op bezwaar het primaire besluit moet herroepen en uiterlijk op het moment van het besluit op bezwaar een ontwerpbesluit ter inzage moet leggen.

4. De rechtbank heeft geen termijn gegeven voor de nieuwe beslissing op bezwaar en daarom gold daarvoor de normale wettelijke termijn van zes weken. De termijn van 26 weken waar verweerder op wijst in zijn verweerschrift geldt voor het nieuwe primaire besluit dat verweerder zou moeten nemen als gevolg van de herroeping van het oude primaire besluit in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.

5. Hoe dit ook zij, verweerder heeft geen van deze termijnen gehaald. Sterker nog, inmiddels zijn we bijna anderhalf jaar verder en nog steeds is er kennelijk geen nieuwe beslissing op bezwaar genomen, laat staan dat er een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Eiser heeft verweerder op 12 november 2024 in gebreke heeft gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 29 november 2024, beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag.

4. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). Verweerder moet alsnog een besluit nemen 5. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb).

6. Dit is niet de eerste keer dat eiser in deze kwestie een beroep niet tijdig heeft moeten indienen bij de rechtbank. De toen opgelegde dwangsom is volledig verbeurd. Eiser heeft nu opnieuw een beroep niet tijdig moeten indienen, omdat verweerder zich wederom niet houdt aan de termijnen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om een hogere dwangsom op te leggen dan normaal. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt een maximum van € 37.500,-. Proceskosten en griffierecht 7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 187,00 vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50; - bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van A.C. van de Biesebos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2025. de griffier de rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Uitspraak van 2 november 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:6196. Zie de uitspraak van 17 maart 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2329.