Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBMNE:2018:5955 ECLI:NL:RBMNE:2018:5955 AI generated

ECLI:NL:RBMNE:2018:5955 · Rechtbank Midden-Nederland

Case Number ECLI:NL:RBMNE:2018:5955
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 17/2122 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2018 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. P. Bellod), en de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. M.L. van Hof). Procesverloop Verzoeker heeft bij brief van 17 februari 2017 verweerder verzocht om vergoeding van schade. Verweerder heeft bij besluit van 10 april 2017 aan verzoeker een bedrag van € 4.064,07 aan wettelijke rente toegekend.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:15 van de Awb, artikel 8:88 van de Awb, Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek; ECLI:NL:RBMNE:2018:5955 · Rechtbank Midden-Nederland: Het besluit van 10 april 2017 gaat over de vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen. Op grond van artikel 8;4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb staat tegen dit besluit geen beroep bij de rechtbank open, maar moet hiervoor een bijzondere verzoekschriftprocedure worden gevolgd (artikel 8:88 en volgende van de Awb) De rechtbank zal de brieven van verzoeker van 17 februari 2017, 1 mei 2017 en 13 juni 2017 daarom opvatten als een verzoek aan de rechtbank om verweerder op grond van artikel 8:88 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden.

Keywords

AI generated
pension overpayment setoff holiday compensation restitution and compensation rent arrears rent deduction in supplementary benefits satisfaction of claim

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht
Verweerder heeft dit bezwaarschrift aangemerkt als een verzoekschrift voor het verkrijgen van een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en als zodanig met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden aan de rechtbank.
artikel 6:15 van de Awb
Verweerder heeft dit bezwaarschrift aangemerkt als een verzoekschrift voor het verkrijgen van een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en als zodanig met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden aan de rechtbank.
artikel 8:88 van de Awb
Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) normeert de omvang en de duur van een dergelijke schadevergoedingsverplichting.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3308
09/969 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het verzoek om schadevergoeding van: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene), met als partijen: betrokkene en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college) Datum uitspraak: 16 juli 2009 I. PROCESVERLOOP Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, 04/6090 en 05/2265, in het geding tussen betrokkene en het college. Bij uitspraak van 6 maart 2008, 06/5667 AW en 06/5668 AW, LJN BC7003, heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep.
ECLI:NL:CRVB:2018:2876
15702 WIA, 17/4414 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 januari 2015, 14/3328 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 12 september 2018 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E.M.H.
ECLI:NL:CRVB:2011:BT7159
09/3084 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 april 2009, 08/2172 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College) Datum uitspraak: 27 september 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 5 juli 2011 waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.
ECLI:NL:HR:2014:AR0220
Zie in dit verband de rechtspraak van de Hoge Raad (arresten van 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2014:AR0220 en van 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR2760).
ECLI:NL:HR:2005:AR2760
Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) heeft bij exploot van 30 oktober 1995 Interlloyd Schadeverzekering Maatschappij, gevestigd te Amsterdam (hierna: Interlloyd), in een verkorte procedure gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - te verklaren voor recht dat Interlloyd toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de verbintenissen uit met [eiseres] gesloten overeenkomst, althans onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld; - Interlloyd te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag van ƒ 1.135.810,--, zijnde het schadebedrag conform de bindende deskundigentaxatie op grond van art. 275 WvK, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 1995, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van ƒ 38.234,30, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 1995 tot de dag der algehele voldoening; - Interlloyd te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag aan schadevergoeding ter zake van de ten processe bedoelde wanprestatie, althans de hier bedoelde onrechtmatige daad, nader op te maken zijn staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
ECLI:NL:CRVB:2016:3992
15/479 AW Datum uitspraak: 20 oktober 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 december 2014, 14/477 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.J.M.C.I. Janischka hoger beroep ingesteld. Zijn opvolgend gemachtigde, mr. A.T. Chinnoe, advocaat, heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 17/2122 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2018 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. P. Bellod), en de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. M.L. van Hof). Procesverloop Verzoeker heeft bij brief van 17 februari 2017 verweerder verzocht om vergoeding van schade. Verweerder heeft bij besluit van 10 april 2017 aan verzoeker een bedrag van € 4.064,07 aan wettelijke rente toegekend.

De verzoeken om schadevergoeding in verband met de verkoop van verzoekers huis en de toekenning van verlofdagen over de periode van ontslag heeft verweerder afgewezen. Verzoeker heeft op 1 mei 2017 bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om rechtstreeks beroep in te mogen stellen. Verweerder heeft dit bezwaarschrift aangemerkt als een verzoekschrift voor het verkrijgen van een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en als zodanig met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden aan de rechtbank.

Verzoeker heeft hier bij brief van 13 juni 2017 op gereageerd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 eerste lid, van de Awb, om in de zaak uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker was vanaf oktober 2002 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Veiligheid en Justitie, laatstelijk in de functie van medior penitentiair inrichtingswerker bij de Penitentiaire Inrichting [vestigingsplaats] .

Bij besluit van 12 december 2013 heeft verweerder aan verzoeker de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het door verzoeker ingestelde bezwaar heeft verweerder bij besluit van 10 juni 2014 deels ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 oktober 2015 (UTR 14/4063) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het besluit van 10 juni 2014 in stand gelaten. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft bij uitspraak van 22 september 2016 de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het besluit van 10 juni 2014 vernietigd en het besluit van 12 december 2013 herroepen.

Dit betekent dus dat het ontslag onterecht is geweest. Op 17 februari 2017 heeft verzoeker verweerder verzocht om een schadevergoeding in verband met de gedwongen verkoop van zijn woning, die volgens verzoeker een schade heeft opgeleverd van € 46.668,06. Verzoeker heeft verder verzocht om een vergoeding voor de verlofdagen die hij ten onrechte niet heeft genoten gedurende de periode van het onterechte ontslag. Ter onderbouwing heeft verzoeker een brief van Vesting Finance overgelegd van 1 december 2016 waarin staat dat verzoeker in gebreke is gesteld en dat hij binnen tien dagen een bedrag van € 46.668,06 moet voldoen omdat zijn dossier anders wordt overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder.

2. Verweerder heeft bij besluit van 10 april 2017 op het schadevergoedingsverzoek gereageerd. Verweerder heeft besloten de wettelijke rente over de vertraging in de betaling van de bezoldiging van verzoeker te vergoeden, die € 4.064,07 bedraagt. Verzoeker heeft volgens vaste rechtspraak geen recht op méér dan vergoeding van de wettelijke rente, aldus verweerder. Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van verlofdagen heeft verweerder overwogen dat verzoeker in de periode van 18 april 2014 tot het herstel van zijn aanstelling, een bijstandsuitkering heeft ontvangen op grond van de Participatiewet (Pw). In deze periode had verzoeker recht op vier weken vakantie per kalenderjaar met behoud van het recht op zijn bijstandsuitkering. Daarmee is voldaan aan het minimumvereiste van artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn 2003/88/EG, zodat verzoeker niet nogmaals het recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon toekomt. Verweerder heeft dit verzoek daarom afgewezen.

3. Het besluit van 10 april 2017 gaat over de vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen. Op grond van artikel 8;4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb staat tegen dit besluit geen beroep bij de rechtbank open, maar moet hiervoor een bijzondere verzoekschriftprocedure worden gevolgd (artikel 8:88 en volgende van de Awb) De rechtbank zal de brieven van verzoeker van 17 februari 2017, 1 mei 2017 en 13 juni 2017 daarom opvatten als een verzoek aan de rechtbank om verweerder op grond van artikel 8:88 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden.

4. De rechtbank stelt vast dat verzoeker aan zijn verzoek om schadevergoeding de onrechtmatigheid van het ontslagbesluit van 12 december 2013 ten grondslag heeft gelegd. De onrechtmatigheid van dit besluit staat in rechte vast. Niet betwist wordt dat de toegekende wettelijke rente juist is berekend. In geschil is of grond bestaat voor toewijzing van verdere vergoeding van schade ontstaan door verkoop van de woning van verzoeker en het niet kunnen opnemen van vakantiedagen. Het verzoek om schadevergoeding in verband met de gedwongen verkoop van de woning 5.

Verzoeker heeft aangevoerd dat er in zijn geval afgeweken moet worden van de vaste jurisrpudentie van de CRvB waaruit volgt dat alleen wettelijke rente voor vergoeding in aanmerking komt (bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 juli 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3308). Verzoeker had voor zijn ontslag geen enkele financiële schuld noch problemen met de betaling van zijn hypotheek. Verzoeker woonde tot volle tevredenheid met zijn gezin in zijn eigen koopwoning en was voornemens daar nog zeer lang te blijven wonen. Ten gevolge van het onterechte strafontslag belandde verzoeker noodgedwongen in de bijstand en werd hij gedwongen om zijn huis met veel verlies te verkopen.

Verzoeker is van mening dat een vergoeding van de door hem geleden schade ten gevolge van de gedwongen verkoop van het huis redelijk en billijk is.

6. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 12 september 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2876) overweegt de rechtbank als volgt. Voor de vaststelling van schade als bedoeld in artikel 8:88 en volgende van de Awb moet zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Zie de uitspraak van de CRvB van 27 september 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BT7159). Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) normeert de omvang en de duur van een dergelijke schadevergoedingsverplichting. Artikel 6:119, eerste lid, van het BW bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest.

De strekking van deze bepaling brengt mee dat de daarin aangewezen gefixeerde hoogte van de schade niet opzij kan worden gezet op de grond dat de rechthebbende meer of minder schade heeft geleden dan overeenkomt met de wettelijke rente. Zie in dit verband de rechtspraak van de Hoge Raad (arresten van 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2014:AR0220 en van 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR2760). Ook de redelijkheid en billijkheid bieden geen grondslag om af te wijken van het uitgangspunt dat met de vergoeding van de wettelijke rente alle schade, ontstaan door de vertraging in de voldoening van een geldsom, wordt geacht te zijn voldaan.

Enkel doordat het salaris niet langer werd uitbetaald, was verzoeker niet langer in staat de vaste lasten verbonden aan de eigen woning te voldoen. Dit betekent dat, hoe spijtig voor verzoeker ook, verweerder terecht, alleen de wettelijke rente aan verzoeker heeft vergoed. Het verzoek om schadevergoeding in verband met niet opgenomen vakantiedagen 7. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de niet door hem genoten verlofdagen alsnog uitbetaald dient te krijgen. Verzoeker heeft in dit kader verwezen naar artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88/EG.

8. Artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG luidt als volgt: “Jaarlijkse vakantie 1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.

2. De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.” 9. Vast staat dat verzoeker in de periode van 18 april 2014 tot het herstel van zijn aanstelling een bijstandsuitkering heeft ontvangen, eerst op grond van de Wet werk en bijstand en later op grond van de Pw. De rechtbank overweegt dat gelet op artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw een bijstandsgerechtigde recht heeft op vier weken verblijf buiten Nederland met behoud van zijn uitkering.

Uit artikel 19, derde lid, van de Pw volgt verder dat in de algemene bijstand een vakantietoeslag is begrepen. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker in de periode dat hij bijstand ontving deze vier weken vakantie met behoud van zijn uitkering niet heeft genoten. Daarmee is in die periode voor verzoeker voldaan aan het minimumvereiste van artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88/EG en aan de doelstelling van deze richtlijn. Artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88/EG brengt niet met zich dat verzoeker, als gevolg van de herroeping van het ontslagbesluit, over de periode van 18 april 2014 tot het herstel van zijn aanstelling, nogmaals, dit keer jegens verweerder, het recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken toekomt.

Dat zou dan namelijk betekenen dat verzoeker twee keer recht zou hebben op vakantie. Als verweerder de niet genoten vakantiedagen alsnog zou moeten uitbetalen, dan zou verzoeker een financieel voordeel hebben waar hij geen recht op heeft. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de CRvB van 20 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3992). Verweerder heeft dus terecht geweigerd de niet genoten vakantiedagen uit te betalen. Conclusie 10. De rechtbank wijst het schadevergoedingsverzoek af.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, voorzitter, en mr. J.G. Nicholson en mr. R.F. van Aalst, leden, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2018. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.