Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBMNE:2018:3989 ECLI:NL:RBMNE:2018:3989 AI generated

ECLI:NL:RBMNE:2018:3989 · Rechtbank Midden-Nederland

Case Number ECLI:NL:RBMNE:2018:3989
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 17/5084 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 augustus 2018 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. S. Maachi), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder (gemachtigde: E. Diepenbroek). Procesverloop Bij besluit van 10 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van [A] ( [A] ) beëindigd en haar uitkering over de periode van 29 september 2010 tot en met 31 mei 2016 ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 96.127,10.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBMNE:2018:3989 · Rechtbank Midden-Nederland: Artikel 59, tweede lid, van de Pw bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat eiser hier die persoon is, is vereist dat hij in de te beoordelen periode niet duurzaam gescheiden leefde met [A] .

Keywords

AI generated
maintenance arrears social contribution debt fault-based liability disputed claim overpaid insurance benefits acknowledgment of debt
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 17/5084 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 augustus 2018 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. S. Maachi), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder (gemachtigde: E. Diepenbroek). Procesverloop Bij besluit van 10 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van [A] ( [A] ) beëindigd en haar uitkering over de periode van 29 september 2010 tot en met 31 mei 2016 ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 96.127,10.

Op grond van het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet (Pw) heeft verweerder de kosten van bijstand mede van eiser teruggevorderd. Bij besluit van 2 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 95.535,98. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De hier te beoordelen periode loopt van 29 september 2010 tot en met 31 mei 2016, de periode waarover verweerder de kosten van bijstand van [A] mede van eiser heeft teruggevorderd.

2. Artikel 59, tweede lid, van de Pw bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat eiser hier die persoon is, is vereist dat hij in de te beoordelen periode niet duurzaam gescheiden leefde met [A] .

3. Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank het beroep van [A] , kenmerk UTR 17/5083, gericht tegen de intrekking en terugvordering van de teveel betaalde bijstand, ongegrond verklaard voor wat betreft de intrekking en terugvordering van bijstand, en gegrond verklaard voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank verwijst voor de inhoudelijke overwegingen naar deze uitspraak. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder de kosten van bijstand terecht mede van eiser heeft teruggevorderd.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzitter, en mr. M.L. Braaksma en mr. J.G. Nicholson, leden, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2018. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.