Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBMNE:2017:6599 ECLI:NL:RBMNE:2017:6599 AI generated

ECLI:NL:RBMNE:2017:6599 · Rechtbank Midden-Nederland

Case Number ECLI:NL:RBMNE:2017:6599
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 17/3008-T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. F.K. van Wijk), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder (gemachtigde: R. d’Accorso). Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om terug te komen op het besluit van 25 mei 2016 afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 4:6 van de Awb, artikel 7:12 van de Awb, artikel 8:80a van de Awb; ECLI:NL:RBMNE:2017:6599 · Rechtbank Midden-Nederland: De CRvB heeft bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

Keywords

AI generated
rectification of judgment recovery of social assistance absence of municipal obligation time-bar of revision request untimely restitution petition curing of procedural defect

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht
Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om terug te komen op het besluit van 25 mei 2016 afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
artikel 4:6 van de Awb
Verweerder heeft dit verzoek om herziening bij het primaire besluit, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb.
artikel 7:12 van de Awb
Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12 van de Awb.
artikel 8:80a van de Awb
Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2016:4872
16/1880 PW-T Datum uitspraak: 20 december 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 februari 2016, 15/2788 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] , zonder vaste woon- of verblijfplaats (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2016.
ECLI:NL:CRVB:2017:2100
15/4934 WMO Datum uitspraak: 7 juni 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 juni 2015, 14/2113 (aangevallen uitspraak) Partijen: de erven van [A.] (betrokkene) te [woonplaats] (appellanten) het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college) PROCESVERLOOP Namens betrokkene heeft mr. E.H.J. van Gerven, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en desgevraagd een nader stuk ingediend. Van de zijde van betrokkene is op het verweerschrift gereageerd.
ECLI:NL:CRVB:2017:2758
15/8321 WMO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2015, 14/4479 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 9 augustus 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J. Sietsma, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr.
ECLI:NL:CRVB:2016:1402
15/4490 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2015, 15/98-T (aangevallen tussenuitspraak), en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 juni 2015, 15/98 (aangevallen einduitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) Datum uitspraak: 18 mei 2016 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W. Korte, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden.
ECLI:NL:RVS:2013:CA2877
201105754/1/A4. Datum uitspraak: 12 juni 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante], (hierna: het autobedrijf), gevestigd te [plaats, 2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats], 3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college aan [appellante sub 2] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het bewerken van hout en metaal, de opslag van materialen en materieel en het inzamelen en verbranden van A-hout op het perceel [locatie] te [plaats].
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 17/3008-T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. F.K. van Wijk), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder (gemachtigde: R. d’Accorso). Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om terug te komen op het besluit van 25 mei 2016 afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij besluit van 15 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2017. Eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank neemt de volgende, niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres lijdt aan Multiple sclerose. Met ingang van 10 mei 2011 ontving zij op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 (Wmo) 6 uur per week huishoudelijke hulp in de vorm van Zorg in Natura (Zin). 1.2 Bij besluit van 25 mei 2016 heeft verweerder op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) (onder meer) bepaald dat eiseres voor de periode van 18 juli 2016 tot en met 17 juli 2021 in aanmerking komt voor compensatie huishoudelijke taken (CHT) voor 4 uur en 20 minuten per week. 1.3 Bij besluit van 16 september 2016 is het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 25 mei 2016 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft geen beroep ingesteld, zodat het besluit van 16 september 2016 onherroepelijk is geworden. 1.4 Bij brief van 2 januari 2017 heeft eiseres verweerder verzocht om herziening van de besluiten van 25 mei en 16 september 2016.

2. Verweerder heeft dit verzoek om herziening bij het primaire besluit, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb. Volgens verweerder heeft eiseres geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarmee bij de totstandkoming van de besluiten van 25 mei 2016 en 16 september 2016 geen rekening is gehouden.

3. Eiseres voert aan dat de verlaging van de CHT van 6 uur naar 4 uur en 20 minuten evident onredelijk is. Eiseres heeft verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872). Volgens eiseres wordt uit het besluit en het beleid onvoldoende duidelijk waarop de berekening van het nieuwe aantal uren is gebaseerd, welke uitgangspunten zijn gehanteerd en welk onderzoek is verricht. Eiseres stelt verder dat relevante medische informatie niet bij de besluitvorming is betrokken. Eiseres heeft een rapportage van huisarts [A] van 23 december 2016 en stukken van neuroloog dr. [B] van 19 januari 2015 en 25 april 2016 overgelegd.

4. De CRvB heeft bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

De CRvB heeft verder bepaald dat bij een doorlopende (periodieke) aanspraak voor de toetsing van een herzieningsverzoek een splitsing moet worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Voor de periode na het verzoek moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet een minder terughoudende toetsing plaatsvinden.

Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen. De rechtbank verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraken van de CRvB van 7 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2100) en 9 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2758). Het tijdvak van 25 mei 2016 tot en met 1 januari 2017 5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiseres voor de periode voorafgaand aan haar aanvraag van 2 januari 2017 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld, die zouden moeten leiden tot herziening (voor het verleden) van de eerdere besluitvorming.

Verweerder heeft terecht overwogen dat met de verklaring van de huisarts dat sprake is van een geringe achteruitgang al rekening is gehouden. Ten tijde van de eerdere besluiten was bekend dat eiseres aan een ziekte met progressief karakter lijdt. Hiermee is rekening gehouden doordat alle huishoudelijke taken volledig van eiseres zijn overgenomen. De stukken van de neuroloog van 19 januari 2015 en 25 april 2016 had eiseres in de bezwaarprocedure al kunnen inbrengen. Het tijdvak na 2 januari 2017 6. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de beoordeling van het verzoek van eiseres geen splitsing in tijdvakken als bedoeld in 4 heeft gemaakt.

Verweerder heeft zich in de beoordeling beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden en of deze aanleiding zouden moeten vormen tot herziening van het oorspronkelijke besluit. Verweerder heeft nagelaten om voor wat betreft het tijdvak na het verzoek de onder 4 genoemde belangenafweging te maken. Het bestreden besluit bevat daarmee een gebrek.

7. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.

Om het gebrek te herstellen, dient verweerder voor wat betreft het tijdvak na het verzoek van 2 januari 2017 een belangenafweging te maken tussen enerzijds het belang van de rechtszekerheid en anderzijds het belang dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan eiseres wordt tegengeworpen. Verweerder dient hierbij te betrekken dat eiseres in haar verzoek alsmede in beroep een beroep heeft gedaan op de uitspaak van de CRvB van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1402). In deze uitspraak heeft de CRvB bepaald dat het beleid betreffende de normtijden op objectief, door onafhankelijke, geen belang bij de uitkomst hebbende, derden te verrichten onderzoek dient te berusten.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

8. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

9. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.C. Bulten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2017. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.