Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBMNE:2016:6959 ECLI:NL:RBMNE:2016:6959 AI generated

ECLI:NL:RBMNE:2016:6959 · Rechtbank Midden-Nederland

Case Number ECLI:NL:RBMNE:2016:6959
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Amersfoort zaaknummer: 4792728 AC EXPL 16-584 GLK/1126 Vonnis van 14 december 2016 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verder ook te noemen [eiseres] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, gemachtigde: mr. J.A. Kaspers, tegen: [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [gedaagde] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: BBU Juristen & Incasso’s. 1De procedure 1.1.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:94 van het Burgerlijk Wetboek; ECLI:NL:RBMNE:2016:6959 · Rechtbank Midden-Nederland: Dit kan naar het oordeel van de kantonrechter in het midden blijven. Ook als de in 3.6 van de overeenkomst genoemde opdrachtspecificatie ontbreekt betekent dit niet dat de bepalingen uit de overeenkomst, waaronder het relatiebeding, in dit geval niet van toepassing zijn. Immers, tussen partijen staat vast dat [gedaagde] in het kader van de overeenkomst werkzaamheden heeft verricht bij [praktijk voor GGZ] . Niet gesteld of gebleken is dat bij één van partijen onduidelijkheid bestaat over de punten die gelet op artikel 3.6 in de opdrachtspecificatie zouden moeten worden opgenomen. [gedaagde] heeft de opdracht bij [praktijk voor GGZ] aanvaardt in de zin van dit artikel, zodat de voorwaarden van de overeenkomst in dit geval van toepassing zijn.

Keywords

AI generated
contract for medical treatment contractor remuneration continued payment of benefits continuation of contract contractual obligation clause indivisible obligation

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:94 van het Burgerlijk Wetboek
De kantonrechter stelt voorop dat matiging van een contractuele boete op grond van artikel 6:94 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk is indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist.

Cited Case Law

AI generated
NJ 1981/635
ECLI:NL:RBGEL:2014:2869
vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/246435 / HA ZA 13-462 Vonnis van 9 april 2014 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACADEMIE VOOR MEDEZEGGENSCHAP BV, gevestigd te Udenhout, eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, advocaat mr. J.E.A.J.C. van de Laak te Tilburg, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat dr. mr. S.F.H. Jellinghaus te Tilburg. Partijen zullen hierna AvM en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 4 december 2013, de conclusie van antwoord in reconventie, het proces-verbaal van comparitie van 21 februari 2014, 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. AvM verzorgt opleidingen, trainingen en advies op het gebied van medezeggenschap. 2.2. [gedaagde] heeft in het verleden als trainer-adviseur op het gebied van medezeggenschap werkzaamheden verricht voor AvM, eerst (vanaf 1 januari 2006) op basis van arbeidsovereenkomsten en later (vanaf 9 februari 2010) op basis van een overeenkomst van opdracht. 2.3. Partijen hebben in eerste instantie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006. In deze arbeidsovereenkomst is een relatiebeding opgenomen. 2.4. [gedaagde] is per 1 januari 2007 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij AvM. Ook in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is een relatiebeding opgenomen. 2.5. Op 9 februari 2010 hebben partijen vervolgens een overeenkomst van opdracht gesloten. Hierin is, voor zover van belang, het volgende bepaald: “(…) Artikel 2 Werkzaamheden (…) De werkzaamheden die opdrachtnemer voor opdrachtgever verricht bestaan uit het trainen, coachen, begeleiden, adviseren en ondersteunen van organisaties en medezeggenschapsorganen op het terrein van medezeggenschap. Onder deze werkzaamheden wordt ook begrepen: - (…); - (…); - (…); - (…); - het namens de opdrachtgever onderhouden/verzorgen van de relatie met de in bijlage 2 “relatiebeheer” opgenomen klanten; - het opstellen van (meerjaren)opleidingsplannen op verzoek van in bijlage 2: “relatiebeheer” opgenomen klanten. 3. (…) (…) De klanten waarover de opdrachtnemer het relatiebeheer voert, worden vermeld in bijlage 2: “relatiebeheer”. (…) Artikel 7 Relatie- en andere bedingen “Het is opdrachtnemer na beëindiging van deze overeenkomst niet toegestaan, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, contacten te onderhouden met of direct dan wel indirect diensten te verlenen aan klanten van AvM, waarvoor opdrachtnemer eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van de opdrachtgever werkzaamheden heeft verricht. Opdrachtnemer heeft deze schriftelijke toestemming zijdens opdrachtgever in ieder geval nodig totdat twee jaren zijn verstreken na beëindiging van de laatste opdracht door opdrachtnemer. Opdrachtnemer zal - behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing - verzoeken en contacten t.a.v. offertes, vervolgopdrachten en evaluaties in het kader van of voortvloeiende uit een door opdrachtnemer aanvaarde opdracht en vallende onder de diensten van de AvM, gedurende de looptijd en tot twee jaar na beëindiging van deze overeenkomst, naar opdrachtgever doorverwijzen. (…) (…) Bij overtreding van de voorgaande leden verbeurt opdrachtnemer een dadelijk en ineens opeisbare boete, zonder nader ingebrekestelling, van € 5.000,- per overtreding en onverminderd het recht van opdrachtgever tot schadevergoeding. (…) Artikel 9 Geschillen “(…) (…) Ten aanzien van kwesties waarin deze overeenkomst van opdracht niet voorziet, waarbij partijen niet tot een voor beide partijen bevredigende oplossing komen, wordt een door beide partijen aangewezen onafhankelijk bemiddelaar benoemd die een (bindend) advies kan geven over de inhoud dan wel de uitvoering van de voornoemde kwestie. (…)” 2.6. Aan de overeenkomst van opdracht is een door beide partijen ondertekende bijlage gehecht, getiteld “bijlage 2 Relatiebeheer”. In artikel 1 van deze bijlage is opgenomen dat opdrachtnemer ten behoeve van opdrachtgever het relatiebeheer zal verzorgen van de medezeggenschapsorganen van 37 daar genoemde organisaties en hun opvolgers. In artikel 2 van de bijlage is opgenomen dat het relatiebeding als omschreven in artikel 7 van de overeenkomst van opdracht niet geldt voor de medezeggenschapsorganen van 10 daar genoemde organisaties. 2.7. Bij brief van 30 december 2011 heeft [gedaagde] aangegeven de overeenkomst van opdracht met AvM te beëindigen per 29 februari 2012. 2.8. AvM heeft bij brief van 1 februari 2012 aangegeven akkoord te gaan de beëindiging van de samenwerking. In haar brief, met als onderwerp “ontbinding overeenkomst tot samenwerking [gedaagde] en AvM”, wijst AvM [gedaagde] - onder meer -op het in de overeenkomst van opdracht opgenomen relatiebeding en de daaraan verbonden boeteclausule. 2.9. [gedaagde] drijft sinds 1 januari 2010 onder de handelsnamen “Waag de Stap” en “De Pijl Medezeggenschap” een eenmanszaak met als activiteiten “Bedrijfsopleiding en -training -coaching, training en adviesbureau voor management en medezeggenschap -loopbaanbegeleiding”. 2.10. AvM heeft twee rapporten van Hoffmann Bedrijfsrecherche in het geding gebracht. In het rapport van 5 april 2013 (nr. 21209037 II) wordt onder andere melding gemaakt van telefonisch contact met (medewerkers van) Hypotheek Visie Centrale en de gemeente Voerendaal. (De medewerkers van) deze organisaties hebben blijkens het rapport aangeven gebruik te hebben gemaakt van de diensten van (de eigen onderneming van) [gedaagde]. 2.11. Bij de stukken bevindt zich een drietal aan AvM gerichte facturen van Hoffmann Bedrijfsrecherche d.d. 24 december 2012. Het totaalbedrag van de facturen is € 3.933,00 (inclusief BTW). 2.12. Bij brief van 11 april 2013 heeft (de advocaat van) AvM zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] het relatiebeding heeft overtreden en dat hij als gevolg daarvan gehouden is om boetes te betalen en schade te vergoeden. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld openheid van zaken te geven en hij is, voor het geval hij die openheid niet wenst te geven, gesommeerd om binnen 14 dagen een bedrag van € 30.000,00 te voldoen vanwege overtreding van het relatiebeding. 3Het geschil in conventie 3.1. AvM heeft bij dagvaarding - samengevat - gevorderd dat de rechtbank [gedaagde] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt: tot betaling aan haar van een bedrag van € 30.000,00 aan verbeurde boetes wegens overtreding van het relatiebeding, vermeerderd met een boete van € 5.000,00 per overtreding waarvan in deze procedure komt vast te staan dat [gedaagde] deze heeft begaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het begaan van de overtreding, althans vanaf 25 april 2013, althans vanaf het verzuim tot aan het moment van algehele voldoening; tot betaling aan haar van de schade die zij heeft geleden door de overtreding van het relatiebeding, waarvan de hoogte in deze procedure blijkt, althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2013, althans vanaf het verzuim, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan het moment van algehele voldoening; tot betaling aan haar van een bedrag van € 3.933,00, zijnde de door AvM gemaakte (deskundigen)kosten ter vaststelling van de overtredingen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2012, althans vanaf de dag der indiening van de dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening; tot betaling aan haar van de buitengerechtelijke incassokosten, te berekenen conform het besluit wettelijke normering incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, vemeererd met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als [gedaagde] deze niet binnen 14 dage na dagtekening van het vonnis heeft betaald. 3.2. AvM heeft in haar akte van 30 oktober 2013 - onder verwijzing naar door [gedaagde] op grond van het vonnis in het incident aan haar toegestuurde bescheiden - gesteld dat [gedaagde] het relatiebeding 21 keer heeft overtreden, zodat de boete is opgelopen tot (21 x € 5.000,00) € 105.000,00. Voorts heeft zij gesteld dat de schade voor AvM € 54.425,00 bedraagt en de winst die [gedaagde] heeft gemaakt door overtreding van het relatiebeding € 55.951,00 exclusief BTW. AvM verzoekt de rechtbank haar schade, overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:104 BW, te begroten op de winst van [gedaagde]. 3.3. AvM grondt haar vordering op nakoming van de overeenkomst van opdracht. Zij stelt dat [gedaagde] het tussen partijen overeengekomen relatiebeding (21 keer) heeft overtreden en vordert de als gevolg daarvan verbeurde boetes en de door haar geleden schade, vermeerderd met rente en kosten. 3.4. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.6. [gedaagde] vordert dat de rechtbank AvM bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot voldoening aan hem van een bedrag van € 41.266,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2012, althans de dag van verzuim, althans vanaf 20 november 2013 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van AvM in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 15e dag na het vonnis wanneer AvM niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis betaalt. 3.7. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat AvM toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door hem - anders dan is overeengekomen - niet het (volledige) relatiebeheer over de in de relatiebeheerlijst (bijlage 2 bij de overeenkomst van opdracht) genoemde klanten te gunnen. Hij stelt dat hij hierdoor schade heeft geleden en vordert deze schade, vermeerderd met rente en kosten van AvM. 3.8. AvM voert gemotiveerd verweer. 3.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie (Niet-)ontvankelijkheid AvM 4.1. Volgens [gedaagde] dient AvM niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vorderingen omdat partijen in artikel 9 van de overeenkomst van opdracht zijn overeengekomen zich over geschillen verband houdende met de overeenkomst van opdracht (eerst) te wenden tot een onafhankelijk bemiddelaar voor een (bindend) advies. Vóór die tijd staat een gang naar de (burgerlijke) rechter voor AvM niet open, aldus [gedaagde]. 4.2. AvM betwist dat zij op grond van de geschillenregeling in de overeenkomst van opdracht gehouden is zich in het onderhavige geval (eerst) tot een onafhankelijk bemiddelaar te wenden. De geschillenregeling is volgens AvM uitsluitend van toepassing indien er - anders dan nu het geval is - tussen partijen een geschil ontstaat waarvoor in de overeenkomst van opdracht géén voorziening/oplossing is opgenomen. 4.3. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 7 van de overeenkomst van opdracht is een relatiebeding opgenomen. Partijen hebben thans een geschil over de toepasselijkheid en de reikwijdte van dit relatiebeding en over de gevolgen van eventuele overtreding daarvan. Nu AvM aan haar vorderingen een burgerlijk recht ten grondslag legt, is de burgerlijke rechter in beginsel bevoegd van dit geschil kennis te nemen. De in artikel 9 van de overeenkomst van opdracht opgenomen geschillenregeling maakt dit niet anders. In artikel 9 lid 2 van de overeenkomst van opdracht zijn partijen, blijkens de tekst van dit artikel, immers overeengekomen een onafhankelijk bemiddelaar te benoemen ‘ten aanzien van kwesties waarin de overeenkomst van opdracht niet voorziet’. Nu het geschil tussen partijen voortvloeit uit het in de overeenkomst van opdracht opgenomen relatiebeding, is sprake van een kwestie waarin de overeenkomst van opdracht wel voorziet, zodat partijen naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden zijn (eerst) een onafhankelijk bemiddelaar te benoemen. Niet gesteld of gebleken is dat AvM anderszins niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, zij kan derhalve in haar vorderingen worden ontvangen. Buitengerechtelijke ontbinding overeenkomst 4.4. [gedaagde] heeft voorts betoogd dat hij door AvM niet (meer) gehouden kan worden aan het relatiebeding, omdat hij de overeenkomst van opdracht bij brief van 30 december 2011 (buitengerechtelijk) heeft ontbonden vanwege wanprestatie aan de zijde van AvM. Dat AvM ook is uitgegaan van een ontbinding van de overeenkomst van opdracht, blijkt volgens [gedaagde] uit de brief van 1 februari 2012 waarin AvM expliciet als onderwerp vermeldt: ‘ontbinding van de overeenkomst tot samenwerking (…)’ (r.o. 2.8). Omdat artikel 6:271 BW bepaalt dat een ontbinding van een overeenkomst partijen bevrijdt van de daardoor getroffen verbintenissen, kunnen vorderingen op basis van het relatiebeding niet langer doel treffen, zo betoogt [gedaagde]. 4.5. AvM betwist dat [gedaagde] de overeenkomst van opdracht buitengerechtelijk heeft ontbonden, of heeft kunnen ontbinden, vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming aan haar zijde. Zij stelt dat de brief van [gedaagde] van 30 december 2011 dient te worden gekwalificeerd als een opzeggingsbrief. En voert hiertoe aan dat [gedaagde] spreekt over “beëindiging” van de overeenkomst zonder een grondslag voor ontbinding te noemen en bij de beëindiging van de overeenkomst de opzegtermijn van 2 maanden in acht neemt. Ook wanneer aangenomen zou moeten worden dat sprake is van ontbinding van de overeenkomst, geldt volgens AvM het tussen partijen overeengekomen relatiebeding onverkort. Dit beding is naar haar aard juist bedoeld om na beëindiging van de overeenkomst te blijven gelden. 4.6. De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde] heeft de overeenkomst van opdracht, zo blijkt uit zijn brief van 30 december 2011 (r.o. 2.7), op enig moment willen beëindigen. Dat [gedaagde] de overeenkomst (buitengerechtelijk) heeft willen ontbinden, volgt echter niet uit deze brief nu daarin een grond voor ontbinding ontbreekt. Uit de brief lijkt - gelet op het feit dat [gedaagde] de overeengekomen opzegtermijn in acht neemt - juist te volgen dat [gedaagde] de overeenkomst heeft willen opzeggen. De rechtbank is van oordeel dat de rechtshandeling van [gedaagde] gelet op het voorgaande dient te worden gekwalificeerd als een opzegging van de overeenkomst van opdracht. Dat AvM in haar antwoordbrief spreekt over ‘ontbinding’, rechtvaardigt geen andere kwalificatie van de rechtshandeling van [gedaagde]. [gedaagde] kan door AvM ook na de opzegging in beginsel worden gehouden aan het overeengekomen relatiebeding. Dit was overigens ook het geval geweest wanneer wel sprake zou zijn geweest van ontbinding van de overeenkomst. Uit een overeenkomst of wetsbepaling kan immers volgen dat bepaalde specifieke verbintenissen (die naar hun aard voort dienen te duren na de beëindiging van de overeenkomst) niet eindigen door ontbinding van de overeenkomst. Nu partijen door het overeenkomen van een relatiebeding juist beoogd hebben de situatie na beëindiging van de overeenkomst van opdracht te regelen en niet blijkt dat overeengekomen is dat het relatiebeding toepassing mist in geval van ontbinding van de overeenkomst, had AvM, naar het oordeel van de rechtbank, ook in dat geval een beroep kunnen doen op het overeengekomen relatiebeding. Het relatiebeding 4.7. In artikel 7 van de overeenkomst van opdracht is een relatiebeding opgenomen als weergegeven onder r.o. 2.5. AvM stelt dat [gedaagde] dit relatiebeding 21 keer heeft overtreden door binnen twee jaar na de beëindiging van de overeenkomst van opdracht diensten te verlenen aan (voormalig) klanten van AvM. 4.8. AvM heeft in haar akte van 30 oktober 2013 aangegeven dat het gaat om de volgende overtredingen: Roer en Overmaas 1x Regio Noord-Veluwe 1x Peel en Maas Vallei 3x Gemeente St. Anthonis 4x GGD Gelre IJssel 6x GGD Noord-Oost Gelderland 1x Saltijn Plus Architect 3x Hypotheek Visie Centrale 1x Gemeente Voerendaal 1x ------------------ 21x 4.9. AvM stelt dat [gedaagde] gelet op het bepaalde in artikel 7 lid 5 van de overeenkomst van opdracht een boete van € 5.000,00 per overtreding verbeurt en vordert, los van de door haar gevorderde schadevergoeding, een bedrag van (21x € 5.000,00 =) € 105.000,00. 4.10. [gedaagde] erkent het relatiebeding een enkele keer te hebben overtreden, van 21 overtredingen is volgens hem echter geen sprake. [gedaagde] werpt op dat AvM uitgaat van een onjuiste lezing van het relatiebeding en voert aan dat hij het relatiebeding, voor zover het gaat om de vragen wanneer de periode van twee jaar aanvangt, wat als klant van AvM moet worden gezien en wanneer de boete van € 5.000,00 is verbeurd, anders heeft begrepen en ook heeft mogen begrijpen. 4.11. Partijen verschillen, zo blijkt uit het voorgaande, van mening over de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan enkele passages uit artikel 7 van de overeenkomst van opdracht. Dit betreft (steeds) een kwestie van uitleg. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635; Haviltex). In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen van het contract, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang (HR 20 februari 2004, NJ 2005/493). “Twee jaar” 4.12. De vraag die partijen in de eerste plaats verdeeld houdt, is de vraag wanneer de in het relatiebeding opgenomen termijn van twee jaar aanvangt. AvM stelt - onder verwijzing naar de tekst van het relatiebeding - dat het voor [gedaagde] op grond van dit beding verboden was om binnen twee jaar na beëindiging van zijn overeenkomst van opdracht, derhalve binnen twee jaar na 29 februari 2012, - kort gezegd - diensten te verlenen aan haar klanten. Zij voert daarbij enerzijds aan dat het gebruikelijk is om voor alle relaties een zelfde termijn te hanteren en wijst er anderzijds op dat de tekst van het in de overeenkomst van opdracht opgenomen relatiebeding gelijk is aan de tekst van het eerder in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen partijen overeengekomen relatiebeding. In deze arbeidsovereenkomst was opgenomen dat werknemer in ieder geval schriftelijke toestemming van de werkgever nodig zou hebben totdat twee jaren zouden zijn verstreken “na beëindiging van de dienstbetrekking”. Uit het feit dat de laatste zinsnede in de overeenkomst van opdracht is gewijzigd in “na de laatste opdracht”, blijkt dat bedoeld is twee jaar na beëindiging van de met [gedaagde] gesloten overeenkomst van opdracht, zo betoogt AvM. 4.13. [gedaagde] werpt op dat hij altijd heeft begrepen dat het hem (slechts) verboden was om binnen twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht met een specifieke opdrachtgever/klant van AvM diensten te verlenen aan deze opdrachtgever. Het relatiebeding eindigt volgens [gedaagde] voor iedere opdrachtgever dan ook op een andere datum. Dat het hem in zijn algemeenheid verboden was om tot twee jaar na 29 februari 2012 diensten te verlenen aan klanten van AvM heeft hij nooit begrepen en ook niet hoeven begrijpen, zo stelt hij. 4.14. De rechtbank overweegt als volgt. Ter comparitie is gebleken dat tussen partijen bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht niet is gesproken over (de reikwijdte van) het daarin opgenomen relatiebeding. Voor de beantwoording van de vraag welke betekenis partijen in het onderhavige geval aan artikel 7 van de overeenkomst van opdracht mogen toekennen, is de taalkundige uitleg van dat artikel derhalve van groot belang. 4.15. In artikel 7 lid 1 van de overeenkomst van opdracht is het volgende bepaald: “Het is opdrachtnemer na beëindiging van deze overeenkomst niet toegestaan, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, contacten te onderhouden met of direct dan wel indirect diensten te verlenen aan klanten van AvM, waarvoor opdrachtnemer eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van de opdrachtgever werkzaamheden heeft verricht. Opdrachtnemer heeft deze schriftelijke toestemming zijdens opdrachtgever in ieder geval nodig totdat twee jaren zijn verstreken na beëindiging van de laatste opdracht door opdrachtnemer.” In artikel 7 lid 2 van de overeenkomst van opdracht staat vervolgens: “Opdrachtnemer zal - behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing - verzoeken en contacten t.a.v. offertes, vervolgopdrachten en evaluaties in het kader van of voortvloeiende uit een door opdrachtnemer aanvaarde opdracht en vallende onder de diensten van de AvM, gedurende de looptijd en tot twee jaar na beëindiging van deze overeenkomst, naar opdrachtgever doorverwijzen.” 4.16. Partijen twisten over de vraag of de passage ‘totdat twee jaren zijn verstreken na beëindiging van de laatste opdracht door opdrachtnemer’ in artikel 7 lid 1 uitgelegd moet worden als twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht met de betreffende opdrachtgever/klant, dan wel als twee jaar na de beëindiging van de overeenkomst van opdracht tussen AvM en [gedaagde]. De passage laat tekstueel gezien mogelijk ruimte voor beide lezingen. In artikel 7 lid 2 van de overeenkomst van opdracht staat, in aanvulling op het in lid 1 bepaalde, evenwel dat opdrachtnemer tot twee jaar na beëindiging van ‘deze overeenkomst’ - kort gezegd - klanten dient door te verwijzen naar AvM. ‘Deze overeenkomst’ verwijst daarbij taalkundig gezien naar de tussen AvM en [gedaagde] gesloten overeenkomst van opdracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] uit lezing van de leden 1 en 2 van artikel 7 van de overeenkomst van opdracht, in onderlinge samenhang bezien, redelijkerwijs moeten begrijpen dat het hem verboden was om tot twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht, derhalve tot twee jaar na 29 februari 2012, diensten te verlenen aan klanten van AvM. Daar komt nog bij dat AvM onbetwist heeft gesteld dat de tekst van het in de overeenkomst van opdracht opgenomen relatiebeding gelijk is aan de tekst van het tussen partijen eerder in het kader van de arbeidsovereenkomst overeengekomen relatiebeding en het in het algemeen gebruikelijk is dat opdrachtgever en opdrachtnemer één einddatum voor alle klanten overeenkomen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] gelet op al het voorgaande redelijkerwijs heeft kunnen en moeten begrijpen dat het hem verboden was om tot 29 februari 2014 diensten te verlenen aan (voormalig) klanten van AvM en zal daarom bij de verdere beoordeling uitgaan van deze uitleg. “Klant van AvM” 4.17. De vraag die partijen vervolgens verdeeld houdt is wat als klant van AvM in de zin van artikel 7 lid 1 van de overeenkomst van opdracht moet worden gezien. Voor de verdere beoordeling van het geschil is daarbij in de eerste plaats van belang of een Bijzondere Ondernemingsraad (BOR) van een aantal gemeentes en de afzonderlijke ondernemingsraden van deze gemeentes voor wat betreft de uitleg van het relatiebeding met elkaar te vereenzelvigen zijn. Meer specifiek speelt de vraag of [gedaagde] nadat hij vanuit AvM diensten heeft verleend aan de ondernemingsraad van een specifieke gemeente op grond van het relatiebeding al dan niet (vervolgens) werkzaamheden mag verrichten voor de BOR van een conglomeraat van (fusie)gemeentes waarbij ook deze gemeente is aangesloten. [gedaagde] stelt dat dit het geval is, omdat het hem op grond van de tekst van het relatiebeding slechts verboden is om ‘diensten te verlenen aan klanten van AvM waarvoor hij eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van de opdrachtgever werkzaamheden heeft verricht’. Het klantbegrip dient volgens [gedaagde], gelet op de letterlijke tekst van het relatiebeding, beperkt uitgelegd te worden. Alleen de juridische entiteiten die zijn opgenomen in de relatiebeheerlijst (r.o. 2.6) vallen hier onder. AvM staat een ruimere uitleg van het klantbegrip voor. Volgens AvM vallen onder het relatiebeding alle medezeggenschapsorganen van de rechtspersonen waarvan individuen dan wel afdelingen trainingen hebben gevolgd bij [gedaagde]. Achtergrond van het relatiebeding is volgens AvM dat [gedaagde] geen klanten bij haar weghaalt. [gedaagde] had de bijzondere ondernemingsraden nooit kunnen bedienen, als hij niet via AvM diensten had verleend aan ondernemingsraden en op grond daarvan contact had gehad met de ondernemingsraadleden die nu plaats nemen in deze bijzondere ondernemingsraden. 4.18. Ook hier gaat het om een kwestie van uitleg waarbij hetgeen is overwogen in r.o. 4.11 heeft te gelden. Vooropgesteld wordt dat, nu tussen partijen niet is gesproken over de reikwijdte van het klantbegrip, aan de taalkundige bewoordingen van het relatiebeding groot gewicht toekomt. Volgens de tekst van het relatiebeding is het [gedaagde] niet toegestaan om ‘diensten te verlenen aan klanten van AvM, waarvoor hij eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van de opdrachtgever werkzaamheden heeft verricht’. Op grond van een strikte taalkundige uitleg van het beding gaat het dus enkel, zoals [gedaagde] ook betoogt, om de specifieke entiteiten waaraan hij vanuit AvM diensten heeft verleend. Met AvM is de rechtbank evenwel van oordeel dat een relatiebeding bedoeld is om de overname van klanten door de opdrachtnemer tegen te gaan, zodat onder omstandigheden - bijvoorbeeld na een naamswijziging of fusie van een klant - ook sprake kan zijn van een klant waarvoor eerder diensten zijn verricht, als wijzigingen zijn opgetreden binnen de oorspronkelijke entiteit. [gedaagde] heeft echter onbetwist betoogd dat de afzonderlijke ondernemingsraden van de gemeentes waarvoor hij werkzaamheden heeft verricht vanuit AvM (de rechtbank begrijp tot het moment dat de fusie is voltooid) zijn blijven bestaan, zodat er naast de bestaande klant van AvM een klant bij is gekomen, die [gedaagde] nu bedient. Van het weghalen van klanten bij AvM is aldus geen sprake geweest. De rechtbank is van oordeel dat tegen deze achtergrond en gelet op het feit dat voor [gedaagde] sprake is van bezwarend beding waarvan de tekst kennelijk (het tegendeel is gesteld nog gebleken) uit de koker van AvM komt, geen sprake kan zijn van een extensieve uitleg van het klantbegrip ten voordele van AvM. Het moet voor een opdrachtnemer immers volstrekt duidelijk zijn waartoe hij zich verbindt. [gedaagde] heeft gelet op het voorgaande redelijkerwijs mogen begrijpen dat het hem toegestaan was diensten te verlenen aan een BOR van fusiegemeentes wanneer hij eerder vanuit AvM diensten had verleend aan de ondernemingsra(a)d(en) van een of meer van deze gemeentes. Bij de verdere beoordeling zal van deze uitleg van het klantbegrip worden uit gegaan. 4.19. Partijen twisten voorts over de vraag of een voormalig klant van AvM (waarvoor [gedaagde] eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van AvM werkzaamheden heeft verricht), die op het moment van de beëindiging van de overeenkomst van opdracht geen klant meer was bij AvM, onder het relatiebeding valt. Meer specifiek geldt dit voor GGD Gelre IJssel. Partijen zijn het er over eens dat GGD Gelre IJssel sinds oktober 2010 geen diensten meer heeft afgenomen van AvM. Ter comparitie heeft AvM erkend dat GGD Gelre IJssel vervolgens is overgestapt naar FNV Formaat, een van haar concurrenten. 4.20. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zowel op grond van een taalkundige uitleg van het relatiebeding, waarin wordt gesproken over ‘klanten van AvM’, als op grond van hetgeen hij - tegen de achtergrond van de door AvM zelf genoemde bedoeling van het relatiebeding, het veiligstellen van klanten - in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen begrijpen, het relatiebeding zodanig heeft mogen uitleggen dat het enkel zag op klanten van AvM en niet tevens op een oud-klant van AvM die op het moment van de beëindiging van de overeenkomst van opdracht al was overgestapt naar de concurrent. “Boete per overtreding” 4.21. Partijen twisten tenslotte over de vraag wanneer sprake is van een ‘overtreding’ in de zin van artikel 7 lid 5 van de overeenkomst van opdracht en als gevolg daarvan over de vraag wanneer een boete is verbeurd. Ook dit is een kwestie van uitleg, waarbij hetgeen is overwogen in r.o. 4.11 heeft te gelden. 4.22. AvM stelt zich op het standpunt dat [gedaagde], gelet op het feit dat artikel 7 lid 5 van de overeenkomst van opdracht spreekt over een boete van € 5.000,00 ‘per overtreding’, een boete van € 5.000,00 verschuldigd is voor iedere dienst die hij - binnen de periode van twee jaar - heeft verleend aan een (voormalig) klant van AvM. Wanneer meerdere diensten zijn verleend aan dezelfde klant, dan verbeurt [gedaagde] volgens AvM voor deze diensten afzonderlijk steeds een boete van € 5.000,00. 4.23. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij, als al zou blijken dat hij het relatiebeding overtreden heeft, per overeenkomst van opdracht met een klant van AvM een boete van € 5.000,00 verbeurt. Dat sommige opdrachten die hij heeft aangenomen over meerdere maanden uitgesmeerd zijn geweest en dat in verschillende periodes is gefactureerd, maakt niet dat sprake is van meerdere opdrachten of meerdere overtredingen, aldus [gedaagde]. 4.24. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 7 lid 1 van de overeenkomst van opdracht is opgenomen dat het de opdrachtnemer ([gedaagde]) - kort gezegd - verboden is om ‘contacten te onderhouden met of direct dan wel indirect diensten te verlenen aan klanten van AvM’. In artikel 7 lid 5 van de overeenkomst van opdracht is opgenomen dat de opdrachtnemer bij overtreding een boete verbeurt van € 5.000,00 ‘per overtreding’. Partijen twisten over de vraag wanneer sprake is van een overtreding en gelet op hetgeen zij hierover hebben gesteld feitelijk over de vraag wat moet worden gezien als ‘het verlenen van diensten aan een klant’. Ook hier heeft te gelden dat, gelet op het feit dat tussen partijen niet is gesproken over de uitleg van de bepalingen, groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het relatiebeding, tegen de achtergrond van de betekenis die deze bewoordingen in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Volgens de letterlijke tekst van het relatiebeding is het [gedaagde], onder meer, verboden om diensten (meervoud) te verlenen aan klanten van AvM. Wanneer [gedaagde] het relatiebeding overtreedt door diensten te verlenen aan klanten van AvM, verbeurt hij een boete van € 5.000,00. Op grond van een strikt taalkundige uitleg van het relatiebeding verbeurt [gedaagde] door het verlenen van meerdere diensten aan één klant derhalve in beginsel één boete van € 5.000,00. Dat het verlenen van diensten in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken een andere betekenis heeft, is gesteld nog gebleken. Daar komt, zoals hiervoor reeds overwogen, nog bij dat sprake is van een voor [gedaagde] bezwarend beding waarvan de tekst kennelijk (het tegendeel is gesteld nog gebleken) uit de koker van AvM komt en waarin bovendien is overeengekomen dat AvM naast de verbeurde boetes schade kan vorderen. Ook om die reden kan van een extensieve uitleg ten voordele van AvM geen sprake zijn. [gedaagde] heeft gelet op het voorgaande redelijkerwijs mogen begrijpen dat hij voor het verlenen van diensten aan voormalig klanten van AvM (steeds) per klant een boete van € 5.000,00 verbeurt. De rechtbank zal hiervan bij de verdere beoordeling dan ook uitgaan. 4.25. De rechtbank zal de door AvM gestelde overtredingen, als weergegeven in r.o. 4.8, achtereenvolgens bespreken. Waterschap Roer en Overmaas 4.26. [gedaagde] heeft, ook ter zitting, erkend dat hij binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht met AvM - en zelfs binnen de door hemzelf gehanteerde periode van twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht met deze specifieke opdrachtgever - werkzaamheden heeft verricht voor (de ondernemingsraad van) het waterschap Roer en Overmaas, een voormalig klant van AvM en dat hij hierdoor het relatiebeding heeft overtreden. [gedaagde] verbeurt als gevolg hiervan een boete van € 5.000,00. Dit gedeelte van de vordering ligt derhalve in beginsel voor toewijzing gereed. Regio Noord-Veluwe Harderwijk 4.27. [gedaagde] heeft voorts, in de conclusie van antwoord en ook ter zitting, erkend dat hij het relatiebeding heeft overtreden door (zelfs binnen de door hem gehanteerde periode van) twee jaar werkzaamheden te verrichten voor (de ondernemingsraad van) Regio Noord Veluwe, een voormalig klant van AvM. Hij verbeurt hierdoor een boete van € 5.000,00, zodat ook dit gedeelte van de vordering in beginsel voor toewijzing gereed ligt. Peel en Maasvallei 4.28. AvM stelt dat [gedaagde] een boete van € 15.000,00 verbeurt doordat hij 3 maal diensten heeft verleend aan de BOR van het waterschap Peel en Maasvallei. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij slechts eenmaal advieswerkzaamheden heeft uitgevoerd voor de BOR van het waterschap Peel en Maasvallei. De andere werkzaamheden zijn volgens hem wel geoffreerd, maar nooit afgenomen. [gedaagde] werpt op dat door de uitgevoerde (advies)werkzaamheden het relatiebeding niet is overtreden, omdat niet de BOR van het waterschap Peel en Maasvallei, maar de ondernemingsraad van het waterschap Roer en Overmaas klant was bij AvM. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde], ten minste eenmaal, diensten heeft verleend aan de BOR van het waterschap Peel en Maasvallei. Nu eveneens vast staat dat niet deze BOR, maar de ondernemingsraad van het waterschap Roer en Overmaas klant was bij AvM, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen is overwogen in r.o. 4.18, geen sprake van overtreding van het relatiebeding. Dit gedeelte van de vordering van AvM zal worden afgewezen. Gemeente St. Anthonis 4.29. AvM stelt, onder verwijzing naar de door [gedaagde] aan haar overhandigde administratieve bescheiden en facturen, dat [gedaagde] in de periode tot 29 februari 2014 in totaal 4 maal diensten heeft verleend aan de OR van de gemeente St. Anthonis, een voormalig klant van haar. Volgens AvM verbeurt [gedaagde] hierdoor een boete van € 20.000,00. [gedaagde] heeft erkend binnen de periode van 2 jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht met AvM 3 keer werkzaamheden te hebben uitgevoerd voor de ondernemingsraad van de gemeente St. Anthonis, een voormalig klant van AvM. Daarnaast heeft hij aangegeven 1 maal werkzaamheden te hebben uitgevoerd voor de gezamenlijke BOR van de gemeentes Boxmeer en St. Anthonis. Hij heeft betoogd dat deze laatste werkzaamheden niet onder het relatiebeding vallen. 4.30. Gelet op hetgeen is overwogen onder r.o. 4.18 vallen aan een BOR verleende diensten in beginsel buiten het relatiebeding. De rechtbank is in het onderhavige geval evenwel van oordeel dat [gedaagde] zijn verweer dat hij (in het vierde geval) geen diensten aan de ondernemingsraad van de gemeente St. Anthonis heeft verleend, maar aan de BOR van de gemeentes Boxmeer en St. Anthonis samen, tegen de achtergrond van de stellingen van AvM onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Gelet op het feit dat op de door AvM in het geding gebrachte factuur van [gedaagde] d.d. 25 oktober 2012 (2012-10029) als omschrijving staat vermeld: ‘cursus OR-en Boxmeer en St. Anthonis 22 en 23 oktober 2012’, had het op de weg van [gedaagde] gelegen zijn verweer dat het hier - in weerwil van zijn eigen omschrijving op de factuur - niet om de ondernemingsraden van Boxmeer en St. Anthonis ging, maar om de BOR van deze gemeentes, nader te onderbouwen. Dit heeft hij nagelaten. De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande vanuit dat [gedaagde] 4 maal diensten heeft verleend aan de ondernemingsraad van de gemeente St. Anthonis. Hierdoor heeft [gedaagde] het relatiebeding overtreden en verbeurt hij een boete van € 5.000,00 (r.o. 4.24). Dit gedeelte van de vordering ligt in beginsel voor toewijzing gereed. GGD Gelre IJssel, tegenwoordig GGD Noord-Oost Gelderland 4.31. Tussen partijen staat vast dat GGD Gelre IJssel, een voormalig klant van AvM, haar naam op enig moment heeft gewijzigd in GGD Noord-Oost Gelderland. [gedaagde] heeft erkend dat hij diensten heeft verleend aan (eerst) GGD Gelre IJssel en na de naamswijziging aan GGD Noord-Oost Gelderland. Gelet op hetgeen is overwogen in r.o. 4.20 heeft [gedaagde] door het verrichten van deze diensten het relatiebeding niet overtreden. GGD Gelre IJssel was immers al sinds oktober 2010 geen klant meer bij AvM. Dit gedeelte van de vordering van AvM zal worden afgewezen. Saltijn Plus Architect 4.32. [gedaagde] heeft erkend dat hij op basis van één opdracht in totaal 3 maal diensten heeft verleend aan Saltijn Plus Architect, een voormalig klant van AvM. Reijnens verweer dat hij niet in strijd met het relatiebeding heeft gehandeld omdat deze diensten hebben plaatsgevonden buiten de termijn van 2 jaar nadat hij vanuit AvM werkzaamheden had verricht voor deze klant wordt, gelet op hetgeen is overwogen in r.o. 4.16, verworpen. [gedaagde] verbeurt voor het verlenen van de diensten een boete van € 5.000,00 (r.o. 4.24). Dit gedeelte van de vordering ligt in beginsel voor toewijzing gereed. Hypotheek Visie Centrale 4.33. AvM heeft een rapportage van Hoffmann bedrijfsrecherche in het geding gebracht (r.o. 2.10). In deze rapportage staat ten aanzien van Hypotheek Visie Centrale onder andere het volgende: “(…) Op maandag 11 maart 2013 (…) nam een van onze medewerkers telefonisch contact op met Hypotheek Visie Centrale (…). Onze medewerker deed zich voor als iemand die informatie wilde hebben met betrekking tot een ‘or-trainer’. De telefoon werd aangenomen door de receptioniste van Hypotheek Visie Centrale, hierna werd onze medewerker op zijn verzoek doorverbonden met een man die zich melde met: ‘persoon 6’. Desgevraagd deelde persoon 6 onder andere het volgende, of woorden van gelijke strekking, mee: “Ik was inderdaad lid van onze or, op dit moment hebben wij namelijk geen or meer. Onze or is ongeveer 3 maanden geleden opgeheven. Wij hebben altijd onze trainingen van [gedaagde] van het bedrijf ‘De Pijl’ gehad. Ik weet mij te herinneren dat wij begin 2012 nog een training van hem hebben gehad. (…)” 4.34. AvM stelt onder verwijzing naar de rapportage van Hoffmann bedrijfsrecherche dat [gedaagde] het relatiebeding heeft overtreden door binnen 2 jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht diensten te verlenen aan Hypotheek Visie Centrale. 4.35. [gedaagde] betwist dat hij na de beëindiging van de overeenkomst van opdracht diensten heeft verleend aan Hypotheek Visie Centrale. Hij werpt op dat hij voor het laatst in februari 2011, vanuit AvM, diensten heeft verleend aan Hypotheek Visie Centrale en voert aan dat hetgeen is weergegeven in de rapportage van Hoffmann Bedrijfsrecherche onjuist is. De medewerker van Hypotheek Visie Centrale moet zich vergist hebben, aldus [gedaagde]. 4.36. Gelet op de hoofdregel van 150 Rv rust op AvM de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde] binnen twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht, derhalve in de periode tussen 29 februari 2012 en 29 februari 2014, diensten heeft verleend aan (de ondernemingsraad van) Hypotheek Visie Centrale. AvM zal overeenkomst haar bewijsaanbod worden toegelaten tot dit bewijs. Gemeente Voerendaal 4.37. In de rapportage van Hoffmann Bedrijfsrecherche staat voorts ten aanzien van de gemeente Voerendaal, voor zover van belang: “(…) Op dinsdag 12 maart 2013 (…) nam een van onze medewerkers telefonisch contact op met Gemeente Voerendaal (…). Onze medewerker deed zich voor als iemand die informatie wilde hebben met betrekking tot een ‘or-trainer’. De telefoon werd aangenomen door de receptioniste van de voornoemde gemeente, hierna werd onze medewerker op zijn verzoek doorverbonden met een man die zich melde met: ‘persoon 10’. Desgevraagd deelde persoon 10 onder andere het volgende, of woorden van gelijke strekking, mee: “Ik zit al geruime tijd in de ondernemingsraad van Gemeente Voerendaal. Wij hebben al 8 tot 10 jaar dezelfde trainer, dat is [gedaagde]. Hij bevalt nog steeds erg goed. [gedaagde] werkte eerst voor AvM, dat is een afkorting van Academie voor Medezeggenschap. Hij heeft nu een eigen bedrijf dat heet ‘De Pijl’. Vorig jaar zijn er nieuwe or-leden bijgekomen, in het kader daarvan hebben wij nog een 2-daagse cursus van hem gehad. Volgens mij kunt u hem wel op internet vinden onder zijn bedrijf ‘De Pijl’. (…)” 4.38. AvM stelt dat [gedaagde] het relatiebeding heeft overtreden door binnen de daarin opgenomen periode vanuit zijn eigen onderneming diensten te verlenen aan de gemeente Voerendaal. Zij verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de hierboven weergegeven passage uit het rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche. [gedaagde] betwist dat hij na de beëindiging van de overeenkomst van opdracht diensten heeft verleend aan de Gemeente Voerendaal. Hij werpt op dat hij voor het laatst in augustus/september 2011 in opdracht van AvM, diensten heeft verleend aan deze gemeente. Hetgeen in de rapportage van Hoffmann Bedrijfsrecherche is opgenomen is onjuist, aldus [gedaagde]. 4.39. Gelet op de hoofdregel van 150 Rv rust op AvM ook de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde] binnen twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht, derhalve in de periode tussen 29 februari 2012 en 29 februari 2014 diensten heeft verleend aan (de ondernemingsraad van de) gemeente Voerendaal. AvM zal overeenkomst haar bewijsaanbod worden toegelaten tot dit bewijs. 4.40. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. in reconventie 4.41. [gedaagde] stelt dat AvM toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door hem - anders dan is overeengekomen - niet het (volledige) relatiebeheer over alle in de relatiebeheerlijst (bijlage 2 bij de overeenkomst van opdracht) genoemde klanten te gunnen. [gedaagde] stelt dat alle klanten uit de relatiebeheerlijst op grond van de overeenkomst van opdracht (exclusief) aan hem toebehoorden en dat hij daarom voor deze klanten (exclusief) de trainingen zou mogen verzorgen, hetgeen gemotiveerd wordt betwist door AvM. AvM voert aan dat [gedaagde] slechts, in het belang van de klanten, het eerste aanspreekpunt was voor deze klanten. 4.42. In de processtukken heeft [gedaagde] gesteld dat AvM tekort is geschoten door enkele van de klanten uit de relatiebeheerlijst over te dragen aan zijn collega’s zonder daarvoor aan hem, zoals overeengekomen, een vergoeding toe te kennen. [gedaagde] vordert evenwel niet de misgelopen (compensatie)vergoedingen, maar zijn (gestelde) misgelopen inkomsten als schade. 4.43. Ter compartie heeft [gedaagde] moeten erkennen dat in alle door hem genoemde gevallen de dienstverlening aan de (relatiebeheer)klant op verzoek van de desbetreffende klant, dan wel op verzoek van hemzelf, in overleg met hem, is overgedragen aan een collega van hem. [gedaagde] heeft daaraan toegevoegd dat hij in dat geval geen trainingen meer verzorgde voor de betreffende klanten, maar dat het relatiebeheer van deze klanten wel volledig bij hem is blijven liggen. Reijnens stelling dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van AvM doordat hij niet het volledige relatiebeheer van deze klanten heeft genoten, is gelet hierop niet eenvoudig te volgen. 4.44. Daar komt nog bij dat [gedaagde] weliswaar heeft gesteld dat (steeds) sprake is geweest van een mondelinge toezegging dat hij gecompenseerd zou worden als de dienstverlening van een onder zijn relatiebeheer vallende klant werd overgedragen aan een collega - hetgeen indien bewezen mogelijk tot een schadepost voor [gedaagde] zou kunnen leiden - maar dat dit door AvM gemotiveerd is betwist. Het had derhalve op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn stelling dat sprake was van een mondelinge overeenkomst tot compensatie nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. 4.45. [gedaagde] heeft, tegen de achtergrond van het gemotiveerde verweer aan de zijde van AvM, niet voldaan aan zijn stelplicht zodat zijn vordering in reconventie reeds om die reden (bij eindvonnis) zal worden afgewezen. 4.46. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 5De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. draagt AvM op te bewijzen dat [gedaagde] in de periode tussen 29 februari 2012 en 29 februari 2014 vanuit zijn eigen onderneming diensten heeft verleend aan (de ondernemingsraad van) Hypotheek Visie Centrale; 5.2. draagt AvM op te bewijzen dat [gedaagde] in de periode tussen 29 februari 2012 en 29 februari 2014 vanuit zijn eigen onderneming diensten heeft verleend aan (de ondernemingsraad van de) gemeente Voerendaal; 5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 23 april 2014 voor uitlating door AvM of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel; 5.4. bepaalt dat AvM, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen, 5.5. bepaalt dat AvM, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op vrijdag in de maanden mei tot en met augustus 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 5.6. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.M. Graat in het gerechtsgebouw te Nijmegen aan de Oranjesingel 56, 5.7. wijst partijen er op dat aansluitend aan dit getuigenverhoor een comparitie van partijen kan worden gelast, 5.8. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen, 5.9. houdt iedere verdere beslissing aan, in reconventie 5.10. houdt iedere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2014.
ECLI:NL:HR:2007:AZ6638
Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: Bart Smit - heeft bij exploot van 12 september 2001 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Intrahof - gedagvaard voor de rechtbank, sector kanton, te Middelburg, en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven, te verklaren voor recht dat Intrahof wanprestatie heeft gepleegd, te bepalen dat de huurprijs zal worden verlaagd tot € 2.694,32 per maand, Intrahof te veroordelen tot vergoeding van de geleden en nog te lijden omzetschade en van de buitengerechtelijke kosten.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Amersfoort zaaknummer: 4792728 AC EXPL 16-584 GLK/1126 Vonnis van 14 december 2016 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verder ook te noemen [eiseres] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, gemachtigde: mr. J.A. Kaspers, tegen: [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [gedaagde] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: BBU Juristen & Incasso’s. 1De procedure 1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 28 januari 2016; de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie; de conclusie van antwoord in reconventie; de zittingsaantekeningen van de comparitie van 7 november 2016. 1.2. Na de comparitie zijn partijen in de gelegenheid gesteld om alsnog in onderling overleg tot overeenstemming te komen. Dit is niet gelukt, zodat vonnis is bepaald. 2De feiten 2.1. [eiseres] is een organisatie die zich bezig houdt met het begeleiden van mensen met autisme en/of gedragsstoornissen. [gedaagde] is sociaal-psychiatrisch verpleegkundige. 2.2. [eiseres] en [gedaagde] hebben op 1 juli 2014 een (raam)overeenkomst van opdracht met elkaar gesloten, inhoudende dat [eiseres] (als opdrachtgever) in het kader van haar dienstverlening gebruik kan maken van de inzet van [gedaagde] (als opdrachtnemer) (hierna: de overeenkomst). 2.3.

In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen: Artikel 1 – Aanvang en duur 1.1 Deze overeenkomst geldt voor 1 jaar. De overeenkomst kan stilzwijgend worden verlengd met de duur van een jaar, tenzij de overeenkomst tussentijds wordt beëindigd zoals nader geregeld in de overeenkomst. Uiterlijk twee maanden voorafgaand aan de beoogde einddatum treden partijen in overleg om te spreken over een mogelijke verlenging van de looptijd. 1.2 Een partij is gerechtigd om zonder ingebrekestelling en zonder tussenkomst van de rechter deze raamovereenkomst onmiddellijk geheel of gedeeltelijk te ontbinden, indien:

 de wederpartij één of meer bepalingen van deze raamovereenkomst van opdracht niet of niet-tijdig nakomt na daartoe te zijn gesommeerd;  conservatoir of executoriaal beslag wordt gelegd op roerende en/of onroerende zaken van de wederpartij;  door de wederpartij surséance van betaling wordt aangevraagd, of;  voor de wederpartij faillissement wordt aangevraagd respectievelijk de wedepartij in staat van faillissement geraakt. (…) Artikel 3 – Uitvoering 3.6 Opdrachtgever doet per opdracht een schriftelijke opdrachtspecificatie aan Opdrachtnemer toekomen, welke in ieder geval bevat: - de naam van de cliënt van Opdrachtgever; - contactpersoon bij die cliënt; - werkzaamheden; - duur van de werkzaamheden; - vergoeding; - benodigde specificaties facturatie.

Indien Opdrachtnemer de opdracht aanvaardt zijn op de opdracht de voorwaarden van deze raamovereenkomst van toepassing, behoudens andersluidende voorwaarden in de opdrachtspecificatie. Artikel 5 – Relatiebeding 5.1 Het is Opdrachtnemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Opdrachtgever tijdens en gedurende twee (2) jaren na het einde van deze raamovereenkomst voor of bij cliënt(en) van Opdrachtgever, de klant(en) van cliënt(en) van Opdrachtgever en/of één of meer daaraan gelieerde ondernemingen waarvoor hij in het kader van de raamovereenkomst opdrachten heeft vervuld, direct of indirect werkzaam te zijn, op welke wijze dan ook, hetzij tegen betaling, hetzij om niet, dan wel medewerkers of andere personen van (een) onderneming(en) waarin Opdrachtnemer rechtstreeks of indirect zeggenschap en/of een financieel belang heeft direct of indirect werkzaam te laten zijn voor deze (rechts)personen. 5.2 Opdrachtnemer verbindt zich gedurende de looptijd van deze raamovereenkomst, alsmede gedurende twee (2) jaren na beëindiging daarvan, geen medewerkers van Opdrachtgever, en/of van cliënten van Opdrachtgever en/of van de klanten van cliënten van Opdrachtgever waarvoor hij in het kader van de raamovereenkomst opdrachten heeft vervuld, in dienst te nemen, of anderszins in welke vorm dan ook te werk te stellen of te bewegen hun dienstverband te beëindigen, hetzij tegen betaling, hetzij om niet, ten behoeve van werkzaamheden direct of indirect voor Opdrachtnemer. 5.3 Het is Opdrachtnemer verboden van een ander dan Opdrachtgever beloningen, provisies en dergelijke voortvloeiende of samenhangende met de opdracht te bedingen en/of te aanvaarden, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van Opdrachtgever. 5.4 Indien de Opdrachtnemer het in de vorige leden bepaalde overtreedt en/of niet nakomt, verbeurt hij aan Opdrachtgever een direct opeisbare boete ten belope van € 50.000,-- (zegge: vijftigduizend Euro) voor iedere overtreding, alsmede een bedrag van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend Euro) voor iedere dag – ongeacht of hierop gebruikelijk wordt gewerkt of niet – dat de overtreding/niet nakoming voortduurt.

De boete zal verschuldigd zijn door het enkele feit van overtreding of niet-nakoming, maar laat onverminderd het recht van de opdrachtgever nakoming van deze overeenkomst te verlangen en laat onverminderd het recht van Opdrachtgever tot het vorderen van volledige schadevergoeding, met inbegrip van de gevolgschade, waaronder vergoeding van de door derden bij Opdrachtgever ingediende schadeclaims. Artikel 6 – Vergoeding, facturering en betaling 6.1 (…) De opdrachtgever ontvangt een vaste fee vergoeding van 30% per gewerkt contactuur exclusief BTW. (…) 2.4.

In het kader van deze overeenkomst verrichte [gedaagde] werkzaamheden bij een relatie van [eiseres] , te weten [praktijk voor GGZ] (hierna ook: [praktijk voor GGZ] ). 2.5. In een e-mail van 10 mei 2015 heeft [gedaagde] onder meer het volgende geschreven aan [eiseres] : Ik heb dan ook besloten mijn werkzaamheden voor [praktijk voor GGZ] per 1 juni elders voort te zetten. 2.6. [A] van [praktijk voor GGZ] heeft in een brief van 27 augustus 2015 het volgende verklaard: Ondergetekende verklaart dat de samenwerking met [eiseres] per 1 juni 2015 beëindigd is met dien verstande dat de lopende behandelingen conform de gemaakte afspraken afgerond worden en de betaling na verrekening door de zorgverzekeraar zal plaats vinden.

3Het geschil

In conventie 3.1. [eiseres] vordert – na vermeerdering van eis bij conclusie van antwoord in reconventie –dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (I) voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] artikel 5.1, 5.2 en/of 5.3 van de overeenkomst heeft overtreden, (II) [gedaagde] wordt veroordeeld om € 25.000,00 aan haar te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot de voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] het relatiebeding (artikel 5 van de overeenkomst) heeft geschonden, door na opzegging van de overeenkomst per 1 juni 2015 zijn werkzaamheden bij [praktijk voor GGZ] voort te zetten. [praktijk voor GGZ] is volgens [eiseres] een “daaraan gelieerde onderneming waarvoor hij in het kader van de raamovereenkomst opdrachten heeft vervuld” als bedoeld in artikel 5.1. [eiseres] maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten nu [gedaagde] in verzuim is geraakt, respectievelijk [eiseres] de vordering uit handen heeft moeten geven. 3.3. [eiseres] stelt dat zij gelet op de overtreding door [gedaagde] van het relatiebeding op grond van artikel 5.4 van de overeenkomst een vordering op hem heeft van € 93.811,90.

Dit bedrag is als volgt opgebouwd: € 50.000,00 (het bedrag ineens) -/- € 3.753,75 (het bedrag dat [eiseres] nog aan [gedaagde] moest betalen) + € 45.000,00 (€ 5.000,00 x 90 dagen) + € 1.328,19 (de rente tot aan de dagvaarding) + € 1.237,46 (de buitengerechtelijke incassokosten). [eiseres] heeft haar vordering echter beperkt tot een bedrag van € 25.0000,00, de competentiegrens van de kantonrechter, en doet afstand van het meerdere. 3.4. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

Ten eerste betoogt hij dat hij wat betreft de werkzaamheden voor [praktijk voor GGZ] nooit een schriftelijke opdrachtspecificatie van [eiseres] heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3.6 van de overeenkomst. Zodoende zijn de bepalingen uit de overeenkomst, waaronder het relatiebeding niet van toepassing. Reeds gelet hierop kan van een schending van het relatiebeding geen sprake zijn. Ten tweede betoogt [gedaagde] dat [eiseres] niet heeft onderbouwd waaruit haar schade bestaat. [gedaagde] betaalde een fee van 30% aan [eiseres] voor het gebruik van de spreekkamer van [eiseres] en voor lichte administratieve ondersteuning door [eiseres] . [eiseres] kon echter kosteloos gebruik maken van de spreekkamers en de administratieve ondersteuning werd door een vrijwilliger van [eiseres] verricht.

Voor zover haar schade bestaat uit het mislopen van de fee van 30% betoogt [gedaagde] dat dit niet aan hem is toe te rekenen, omdat dit een gevolg is van het besluit van [praktijk voor GGZ] om de samenwerking met [eiseres] te verbreken. Ten derde betoogt [gedaagde] dat [praktijk voor GGZ] de samenwerking met [eiseres] per 1 juni 2015 heeft beëindigd. Van schending van het relatiebeding kan na die datum dus geen sprake zijn. In het relatiebeding wordt immers niet voorgeschreven dat geen werkzaamheden voor voormalige cliënten mogen worden uitgevoerd.

In reconventie 3.5. [gedaagde] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] wordt veroordeeld om € 4.566,16 aan hem te betalen (bestaande uit € 3.753,75 aan hoofdsom, € 216,96 aan rente tot en met 1 maart 2016 en € 595,45 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.753,75 vanaf 2 maart 2016 tot de voldoening en met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en de nakosten wat betreft het salaris van de gemachtigde. 3.6. [gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij in het kader van de overeenkomst werkzaamheden heeft verricht en dat [eiseres] de in dat kader door hem verstuurde facturen ten onrechte nog niet heeft betaald. 3.7. [eiseres] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente.

Zij erkent dat zij het door [gedaagde] gevorderde bedrag aan hem moet betalen, maar zij betoogt dat zij deze vordering heeft verrekend met de conventionele vordering.

4De beoordeling

In conventie 4.1. De kantonrechter begrijpt de vordering van [eiseres] aldus dat haar vordering ter hoogte van € 25.000,00 bestaat uit een hoofdsom van € 22.434,35, wettelijke handelsrente ter hoogte van € 1.328,19 en buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.237,46. Schriftelijke opdrachtspecificatie 4.2. [gedaagde] stelt dat het relatiebeding niet van toepassing is, omdat hij nooit een schriftelijke opdrachtspecificatie van [eiseres] heeft ontvangen. Volgens [eiseres] zijn hier de geleideformulieren voor, maar dit betwist [gedaagde] .

Dit kan naar het oordeel van de kantonrechter in het midden blijven. Ook als de in 3.6 van de overeenkomst genoemde opdrachtspecificatie ontbreekt betekent dit niet dat de bepalingen uit de overeenkomst, waaronder het relatiebeding, in dit geval niet van toepassing zijn. Immers, tussen partijen staat vast dat [gedaagde] in het kader van de overeenkomst werkzaamheden heeft verricht bij [praktijk voor GGZ] . Niet gesteld of gebleken is dat bij één van partijen onduidelijkheid bestaat over de punten die gelet op artikel 3.6 in de opdrachtspecificatie zouden moeten worden opgenomen. [gedaagde] heeft de opdracht bij [praktijk voor GGZ] aanvaardt in de zin van dit artikel, zodat de voorwaarden van de overeenkomst in dit geval van toepassing zijn.

Schade 4.3. Ook het betoog van [gedaagde] dat [eiseres] haar schade niet heeft onderbouwd en dat hij reeds om die reden geen boete is verschuldigd slaagt niet. In artikel 5.4 is immers bepaald dat “de boete verschuldigd zal zijn door het enkele feit van overtreding of niet-nakoming”. Hieruit volgt dat door de enkele overtreding van het relatiebeding [gedaagde] een boete moet betalen en dat het hiervoor niet noodzakelijk is dat [eiseres] haar schade onderbouwt. De kantonrechter begrijpt het betoog van [gedaagde] dat de eventuele schade van [eiseres] als gevolg van het mislopen van de fee van 30% niet aan hem is toe te rekenen aldus, dat hij betoogt dat hij het relatiebeding niet heeft overtreden en dus geen boete is verschuldigd.

Op dit betoog wordt hierna onder het kopje ‘relatiebeding’ ingegaan. Relatiebeding 4.4. De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst per 1 juli 2015 is beëindigd, zoals [gedaagde] heeft betoogd. Weliswaar heeft [gedaagde] bij e-mail van 10 mei 2015 aan [eiseres] laten weten dat hij zijn werkzaamheden bij [praktijk voor GGZ] per 1 juni 2015 elders voortzet– op grond waarvan [eiseres] zich op het standpunt stelt dat de overeenkomst is beëindigd per 1 juni 2015 – maar de overeenkomst bood [gedaagde] niet de mogelijkheid om de overeenkomst tussentijds te beëindigen.

Van een situatie als bedoeld in artikel 1.2 van de overeenkomst was in dit geval immers geen sprake. Bovendien heeft [gedaagde] begin juni 2015 nog werkzaamheden verricht in het kader van de overeenkomst, zo blijkt uit de in het kader van de reconventionele vordering overgelegde facturen (productie 6 bij de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie). Gelet op artikel 1.1 van de overeenkomst is deze aangegaan voor de duur van een jaar. Partijen hebben de overeenkomst niet stilzwijgend of expliciet verlengd, zodat de overeenkomst per 1 juli 2015 is beëindigd. 4.5.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] ook na het eindigen van de overeenkomst werkzaamheden heeft verricht voor [praktijk voor GGZ] . De vraag die moet worden beantwoord is of [gedaagde] hiermee het relatiebeding zoals opgenomen in artikel 5.1 van de overeenkomst heeft overtreden. 4.6. De kantonrechter is van oordeel dat [praktijk voor GGZ] is aan te merken als een “cliënt van [eiseres] ”, een “klant van een cliënt van [eiseres] ” dan wel een “daaraan gelieerde onderneming” als bedoeld in artikel 5.1 van de overeenkomst. Weliswaar staat vast dat de samenwerking tussen [eiseres] en [praktijk voor GGZ] per 1 juni 2015 is geëindigd en heeft artikel 5.1 het niet over “voormalige cliënten”, “voormalige klanten van cliënten” of “voormalige daaraan gelieerde ondernemingen”, maar volgens vaste jurisprudentie dienen overeenkomsten niet slechts te worden uitgelegd op basis van de letterlijke tekst, maar staat de bedoeling van partijen centraal (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635, Haviltex).

In het algemeen is het de bedoeling van een relatiebeding in een verhouding tussen drie partijen als hier, dat de opdrachtgever wil voorkomen dat een (voormalig) opdrachtnemer bij een relatie van hem aan de slag gaat. Hij heeft er in de regel financieel belang bij dat zijn relatie voor hem behouden blijft. Niet is gebleken dat partijen in dit geval een andere bedoeling hadden met het relatiebeding. 4.7. Indien een relatiebeding na beëindiging van de samenwerking met een relatie van het ene op het andere moment geen werking meer zou hebben, zou dit beding een groot deel van zijn inhoud en betekenis verliezen.

Op die manier kan een opdrachtgever (te) eenvoudig buiten spel worden gezet, simpelweg door de samenwerking te beëindigen en vervolgens zonder zijn tussenkomst te handelen. Tijdsverloop speelt in dit verband een rol. Na de beëindiging van de samenwerking tussen [eiseres] en [praktijk voor GGZ] is er een moment dat [praktijk voor GGZ] niet meer onder de begripsomschrijving van artikel 5.1 valt en [gedaagde] bij [praktijk voor GGZ] aan de slag kan zonder hierbij het relatiebeding te schenden. In dit geval is [gedaagde] echter doorlopend werkzaam geweest bij [praktijk voor GGZ] : tot 1 juli 2015 via [eiseres] en direct aansluitend rechtstreeks voor [praktijk voor GGZ] .

Dat de samenwerking tussen [eiseres] en [praktijk voor GGZ] een maand daarvoor, namelijk per 1 juni 2015, beëindigd was maakt niet dat [praktijk voor GGZ] niet meer onder de begripsomschrijving van het relatiebeding valt. Het tijdsverloop van een maand is hiervoor te kort. Zodoende heeft [gedaagde] het relatiebeding geschonden en is hij aan [eiseres] een contractuele boete verschuldigd. De uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 april 2014 (ECLI:NL:RBGEL:2014:2869) waarnaar [gedaagde] verwijst en waarin is geoordeeld dat het relatiebeding niet van toepassing is op voormalige klanten, maakt dit niet anders.

Een relevant verschil met deze zaak is immers dat er in de zaak van de rechtbank Gelderland veel meer tijd zat tussen het moment waarop de samenwerking tussen de opdrachtgever en de klant is beëindigd (oktober 2010) en het moment waarop de opdrachtnemer werkzaamheden voor de betreffende (voormalige) klant heeft verricht (tussen februari 2012 en april 2013). Matiging boete 4.8. De kantonrechter begrijpt het betoog van [gedaagde] op de comparitie dat de gevorderde boete erg hoog is aldus, dat [gedaagde] een beroep doet op matiging van de contractuele boete.

De kantonrechter stelt voorop dat matiging van een contractuele boete op grond van artikel 6:94 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk is indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit houdt in dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt (zie het arrest van de Hoge Raad van 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638). Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. 4.9.

De kantonrechter betrekt bij de beoordeling van het beroep op matiging de volgende omstandigheden: (1) Onduidelijk is hoe hoog de werkelijke schade van [eiseres] is, maar aannemelijk wordt geacht dat deze schade lager ligt dan de gevorderde boete. Uit de facturen die [gedaagde] heeft overgelegd over de maanden april en mei 2015 (productie 6 bij de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie) blijkt dat [eiseres] in die maanden voor de werkzaamheden van [gedaagde] conform artikel 6.1 van de overeenkomst een vergoeding ontving van respectievelijk € 858,00 en € 668,25.

Niet gebleken is dat [eiseres] in de periode daaraan voorafgaand een structureel hogere vergoeding ontving voor de werkzaamheden van [gedaagde] . Gelet op de hoogte van deze maandbedragen in combinatie met de omstandigheid dat er na de beëindiging van de samenwerking tussen [eiseres] en [praktijk voor GGZ] een moment komt dat [gedaagde] het relatiebeding niet langer schendt door rechtstreeks werkzaamheden voor [praktijk voor GGZ] te verrichten, wordt aannemelijk geacht dat de schade lager ligt dan de gevorderde boete. Daarbij wordt opgemerkt dat [eiseres] geen inzicht heeft gegeven in eventuele andere schadeposten. (2) Op grond van de overeenkomst kan in dit geval naast de contractuele boete ook schade worden gevorderd.

De contractuele boete komt dus bovenop de wettelijke schadevergoeding. Gelet op deze cumulatie zal een boete in dat geval eerder onaanvaardbaar zijn – en dus voor matiging in aanmerking komen – dan indien de contractuele boete in de plaats treedt van het recht op schadevergoeding. (3) De gevorderde boete is in verhouding tot de facturen van [gedaagde] hoog en financieel een (te) zware last. (4) [gedaagde] heeft in een vroeg stadium advies gevraagd aan een jurist of [praktijk voor GGZ] onder de begripsomschrijving van het relatiebeding valt. Volgens [gedaagde] heeft deze jurist tegen hem gezegd dat dit niet het geval is, omdat de samenwerking tussen [eiseres] en [praktijk voor GGZ] per 1 juni 2016 is beëindigd. [gedaagde] is op de uitlatingen van deze jurist afgegaan en heeft zijn werkzaamheden bij [praktijk voor GGZ] te goeder trouw voortgezet, in de veronderstelling dat hij hiermee het relatiebeding niet overtrad. (5) Partijen hebben een standaardtekst voor hun overeenkomst gebruikt.

Zij hebben niet met elkaar onderhandeld over het relatiebeding en de daaraan verbonden boete. (6) [gedaagde] is een zzp’er die hoogstwaarschijnlijk minder kennis en inzicht heeft in de juridische gevolgen van voorwaarden die in een overeenkomst worden opgenomen over een relatiebeding dan [eiseres] , die vaker vergelijkbare overeenkomsten sluit. (7) [eiseres] heeft getracht een schikking te treffen met [gedaagde] . Gebleken is dat [eiseres] zowel in het voortraject als ten tijde van de comparitie bereid was om de boete te matigen. 4.10. De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde boete gezien de hiervoor genoemde omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt.

De hoogte van de boete zal dan ook worden gematigd. Gezien het voorgaande acht de kantonrechter het redelijk om de bedongen boete in de gegeven omstandigheden te matigen tot € 10.000,00. Verklaring voor recht 4.11. De kantonrechter zal de gevorderde verklaring voor recht wegens gebrek aan belang afwijzen. De kantonrechter heeft immers reeds een oordeel gegeven over de schending van het relatiebeding en de daaraan verbonden boete. Wettelijke handelsrente 4.12. De kantonrechter zal de wettelijke handelsrente toewijzen over een bedrag van € 10.000,00 vanaf 1 juli 2015 tot de voldoening.

Buitengerechtelijke incassokosten 4.13. [eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief ter hoogte van € 875,00. Proceskosten 4.14. [gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op: - dagvaarding € 80,77 - griffierecht € 471,00 - salaris gemachtigde € 600,00 (2 punten x tarief € 300,00) Totaal € 1.151,77 4.15. Nu een gedeelte van de vordering wordt afgewezen, dient het griffierecht voor zover dit een bedrag van € 471,00 te boven gaat, als nodeloos veroorzaakt voor rekening van eisende partij te blijven. Nakosten 4.16. De gevorderde nakosten zullen op de hierna te melden wijze worden toegewezen. In reconventieHoofdsom 4.17. Omdat [eiseres] de vordering van [gedaagde] heeft erkend zal de kantonrechter deze vordering toewijzen.

Deze vordering kan worden verrekend met de toegewezen hoofdsom in conventie. Per saldo dient [gedaagde] dus een bedrag van (€ 10.000,00 minus € 3.753,75 is) € 6.246,25 aan [eiseres] te betalen. Wettelijke handelsrente 4.18. De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke handelsrente als niet weersproken toewijzen.Buitengerechtelijke incassokosten 4.19. [gedaagde] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Van redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW is echter niet gebleken.

Immers, [eiseres] heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat haar vordering op [gedaagde] hoger is dan de vordering van [gedaagde] op haar en dat zij deze vorderingen met elkaar mocht verrekenen. [eiseres] heeft de vordering van [gedaagde] ook direct bij het uitbrengen van de dagvaarding op haar eigen vordering in mindering gebracht. De door [gedaagde] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen dus worden afgewezen. Proceskosten 4.20. Zoals hiervoor onder 4.19 is overwogen, heeft [eiseres] zich terecht op het standpunt gesteld dat haar vordering op [gedaagde] hoger is dan de vordering van [gedaagde] op haar en dat zij deze vorderingen met elkaar mocht verrekenen.

Daarnaast heeft [eiseres] de vordering van [gedaagde] ook direct bij het uitbrengen van de dagvaarding op haar eigen vordering in mindering gebracht. Gelet hierop zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 200,00). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen. 5 5. De beslissing De kantonrechter: In conventie 5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 10.875,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 10.000,00 vanaf 1 juli 2015 tot de voldoening; 5.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.151,77, waarin begrepen € 600,00 aan salaris gemachtigde; 5.3. veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening, te vermeerderen met, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening; 5.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af;

In reconventie 5.6. veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] tegen bewijs van kwijting te betalen € 3.970,71, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.753,75 vanaf 2 maart 2016 tot de voldoening; 5.7. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot € 400,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 5.8. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 december 2016.