Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2023:218 ECLI:NL:RBLIM:2023:218 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2023:218 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2023:218
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/311401 / KG ZA 22-431 Vonnis in kort geding van 5 januari 2023 in de zaak van de stichting STICHTING ZOWONEN, gevestigd en kantoorhoudende te Sittard-Geleen , eiseres, advocaat: mr. L.H.W. Golsteijn te Venlo, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat: mr. R.A. Wijnands te Beekdaelen. Partijen zullen hierna “ZOwonen” en “ [gedaagde] ” genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 22 december 2022 met de producties 1 t/m 9, de conclusie van antwoord met de producties 1 t/m 9, het e-mailbericht van 14 december 2022 van mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:266 BW, artikel 557 Rv; ECLI:NL:RBLIM:2023:218 · Rechtbank Limburg: ZOwonen stelt ter onderbouwing van het gevorderde - samengevat - dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft. Allereerst stelt ZOwonen dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met artikel 3.2 van de VSO. [gedaagde] is met ZOwonen overeengekomen dat zij niet bij [huurder] in de woning zou gaan wonen, maar heeft dat toch gedaan. Daarnaast stelt ZOwonen dat [gedaagde] niet aan te merken is als wettelijk medehuurder, omdat zij niet voldoet aan de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden van artikel 7:266 BW. Voor zover [gedaagde] wel als wettelijk medehuurder moet worden beschouwd, maakt zij misbruik van recht.

Keywords

AI generated
termination of residential lease expulsion from housing tenant eviction protection reduction of rent principal tenant landlord

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:266 BW
Daarnaast stelt ZOwonen dat [gedaagde] niet aan te merken is als wettelijk medehuurder, omdat zij niet voldoet aan de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden van artikel 7:266 BW.
artikel 557 Rv
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2020:4784
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 8107950 CV EXPL 19-21221 vonnis van: 21 september 2020 fno.: 438 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de naamloze vennootschap Bouwinvest Dutch Institutional Residential Fund N.V. gevestigd te Amsterdam eiseres nader te noemen: Bouwinvest gemachtigde: mr. J.A. van Emden t e g e n [gedaagde 1] wonende te [woonplaats] gedaagde nader te noemen: [gedaagde 1] gemachtigde: mr. M. Aynan en [gedaagde 2] wonende te [woonplaats] aan de zijde van gedaagde gevoegde partij nader te noemen: [gedaagde 2] gemachtigde: mr. D. Rezaie VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE In deze zaak is op 6 april 2020 een tussenvonnis gewezen. Daarbij is een mondelinge behandeling bepaald. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2020. Daaraan voorafgaande heeft Bouwinvest een recente specificatie overgelegd. Bouwinvest is verschenen bij mr. J.A. van Emden als haar gemachtigde. [gedaagde 1] is verschenen bij mr. M. Aynan als zijn gemachtigde. [gedaagde 2] is verschenen, vergezeld door haar dochter A. [gedaagde 2] en mr. D. Rezaie als haar gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij akte nadere stukken (betalingsbewijzen en echtscheidingsbeschikking) over kunnen leggen. Een dergelijke akte is niet genomen. Wel heeft de gemachtigde van [gedaagde 1] op 27 augustus 2020 de beschikking d.d. 17 april 2019 van de rechtbank Amsterdam overgelegd betreffende de echtscheiding tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Daarna is vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Bouwinvest heeft tegen (uitsluitend) [gedaagde 1] een vordering ingesteld, gericht op ontbinding van de huurovereenkomst tussen Bouwinvest als verhuurder en [gedaagde 1] als huurder en op ontruiming van de gehuurde woning. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren aan dat [gedaagde 2] (nog steeds) medehuurster is van de woning op grond van artikel 7:266 BW. Zij woont reeds 18 jaar in de woning en voorgaande incassovorderingen waren steeds aan zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] gericht. Vanwege haar huwelijk met [gedaagde 1] is [gedaagde 2] wettelijk medehuurster geworden. Uit artikel 7:266 BW volgt dat [gedaagde 2] medehuurster blijft zolang zij hoofdverblijf heeft in het gehuurde, aan welke voorwaarde zij nog steeds voldoet, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Bouwinvest betwist dat [gedaagde 2] medehuurster is. Zij wijst daarbij op het feit dat het huwelijk blijkens de registratie in de Basisregistratie Personen per 26 juli 2019 door echtscheiding is ontbonden. Ook betwist Bouwinvest dat [gedaagde 2] (nog steeds) hoofdverblijf heeft in de gehuurde woning. Omdat de vraag of [gedaagde 2] medehuurster is van de woning ook relevant is voor de beoordeling van de tegen [gedaagde 1] gerichte vorderingen, zal eerst daarop worden ingegaan. Tijdens de mondelinge behandeling was de echtscheidingsbeschikking niet beschikbaar en konden de gemachtigden van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen informatie verstrekken over de inhoud daarvan. Om die reden is bepaald dat die beschikking alsnog overgelegd diende te worden. Uit de thans overgelegde beschikking blijkt het volgende. [gedaagde 2] heeft in de echtscheidingsprocedure tegen [gedaagde 1] als nevenvordering op grond van artikel 7:266 lid 5 BW verzocht om toewijzing van het huurrecht van de woning. [gedaagde 1] heeft inhoudelijk verweer gevoerd tegen dat verzoek. De rechtbank heeft het verzoek om toewijzing van het huurrecht aan [gedaagde 2] afgewezen. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd (r.o. 2.11 van de beschikking): “De rechtbank wil partijen er op wijzen dat – nu de man geen zelfstandig verzoek heeft gedaan om te bepalen dat hij huurder van de woonruime zal zijn – partijen nog immer beiden huurder van de woonruimte zijn.” Het betoog van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] komt er op neer dat artikel 7:266 BW zo moet worden uitgelegd dat een persoon, die door een huwelijk met de huurder wettelijk medehuurder is geworden, die hoedanigheid behoudt zolang deze persoon hoofdverblijf heeft in het gehuurde, ook na ontbinding van het huwelijk. Bouwinvest betwist deze uitleg. Bij de beoordeling hiervan is het volgende van belang. In artikel 7:266 BW worden twee voorwaarden genoemd waaraan iemand moet voldoen om medehuurder te zijn. De eerste is dat deze gehuwd moet zijn met (dan wel een geregistreerd partner moet zijn van) de huurder. De tweede voorwaarde is dat deze hoofdverblijf moet hebben in de gehuurde woning. Als gevolg van de echtscheiding voldoet [gedaagde 2] niet langer aan de eerste voorwaarde. De bedoeling van het bepaalde in artikel 7:266 lid 5 BW is om de (gewezen) echtgenoot van de huurder niettemin aanspraak op de woning te laten houden (ook jegens de verhuurder) wanneer een verzoek van die echtgenoot tot toekenning van het huurrecht van de woning door de (echtscheidings-)rechter is toegewezen. Een dergelijk verzoek van [gedaagde 2] is in de echtscheidingsbeschikking echter uitdrukkelijk afgewezen. Ook de wetsgeschiedenis geeft geen aanknopingspunten voor een uitleg zoals wordt bepleit door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Bij de invoering van titel 7.4 in het Burgerlijk Wetboek per 1 augustus 2003 is het bepaalde in het voordien geldende artikel 7A:1623g BW (vrijwel) ongewijzigd overgenomen in artikel 7:266 BW en is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Wel is toegevoegd dat de rechter het tijdstip bepaalt waarop bij toewijzing van een verzoek van de ene echtgenoot het huurrecht van de andere echtgenoot zal eindigen. Bij de totstandkoming van artikel 7A:1623g BW is echter uitdrukkelijk aan de orde gekomen dat het medehuurderschap van de echtgenoot van de huurder eindigt bij de scheiding, vergelijk Kamerstukken II 1978/79, 14 249, nr. 6, p. 7-8: “De bepaling omtrent het medehuurderschap van de andere echtgenoot geeft de sleutel voor de regeling omtrent de toewijzing van de huurwoning na echtscheiding en na scheiding van tafel en bed. Het medehuurder-zijn van de echtgenoot moet na de echtscheiding uiteraard tot een einde komen. Doordat de rechter in het ontwerp de bevoegdheid krijgt, te bepalen wie van de echtgenoten verder huurder zal zijn, wordt tevens bereikt, dat die beslissing tegenover de verhuurder werkt. “ 9. Gelet op het voorgaande worden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet gevolgd in de door hen voorgestelde uitleg van artikel 7:266 BW. Als gevolg van de echtscheiding voldoet [gedaagde 2] niet langer aan een voorwaarde om wettelijk medehuurder te zijn, namelijk dat zij moet zijn gehuwd met de huurder. Op het moment dat de dagvaarding in de onderhavige procedure werd betekend was [gedaagde 2] geen medehuurder meer. 10. De opmerking in de echtscheidingsbeschikking als hiervoor onder 4. geciteerd, inhoudende dat partijen nog immer beiden huurder van de woonruimte zouden zijn, kan alleen juist zijn indien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beiden contractuele (mede)huurder waren, dat wil zeggen indien zij de huurovereenkomst gezamenlijk als huurder zijn aangegaan. Nu Bouwinvest onbetwist heeft gesteld dat geen sprake is van contractuele medehuurderschap en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bovendien uitsluitend een beroep op artikel 7:266 BW hebben gedaan, moet er van uit worden gegaan dat uitsluitend [gedaagde 1] als huurder de huurovereenkomst is aangegaan. Daarin komt geen wijziging door de echtscheiding. [gedaagde 2] is nimmer huurder geweest en wordt dat evenmin door de echtscheidingsbeschikking. 11. Uit het voorgaande volgt dat de vraag of [gedaagde 2] haar hoofdverblijf heeft in het gehuurde niet relevant is voor de beoordeling van de vorderingen tegen [gedaagde 1] . Ook als dat wel het geval is brengt dat geen wijziging in de situatie dat er geen rechtsverhouding (meer) bestaat tussen [gedaagde 2] en Bouwinvest en zal [gedaagde 2] slechts als lid van de huishouding (althans als behorende tot ‘de zijnen’) van [gedaagde 1] kunnen worden aangemerkt. Hetgeen partijen met betrekking tot het hoofdverblijf hebben opgemerkt zal daarom buiten beschouwing blijven. 12. De maandelijks verschuldigde huurtermijn bedroeg laatstelijk € 1.148,30. Blijkens de ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde specificatie bestond er op dat moment een huurachterstand van € 856,20, gerekend tot en met de huurtermijn voor augustus 2020. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangevoerd dat alle vorderingen zouden zijn voldaan, althans dat meer betalingen zijn voldaan dan zijn vermeld in de specificatie van Bouwinvest. Zij konden daarover echter geen specifieke details verschaffen en ook geen betalingsbewijzen overleggen. Hoewel zij in de gelegenheid zijn gesteld om bij akte alsnog betalingsbewijzen over te leggen hebben zij dat nagelaten. Daardoor hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun betwisting van de juistheid van de specificatie van Bouwinvest onvoldoende onderbouwd, zodat van de juistheid daarvan zal worden ingegaan. De vordering betreffende betaling van de huurachterstand zal worden toegewezen tot een bedrag van € 856,20, zijnde de achterstand gerekend tot en met augustus 2020. 13. Ook de gevorderde rente is toewijsbaar, zij het dat bij gebrek aan nadere specificatie de gevorderde wettelijke rente ingaande 4 oktober 2019 zal worden toegewezen berekend over het toegewezen bedrag aan huurachterstand. 14. Aan de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst legt Bouwinvest tevens ten grondslag dat er sprake is van herhaalde wanprestatie, doordat veelvuldig de huurtermijnen niet of te laat worden betaald. Daarbij wijst zij op vier eerdere vonnissen waarin [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn veroordeeld tot betaling van een huurachterstand, uitgesproken op 23 mei 2016, 7 oktober 2016, 3 augustus 2017 en 2 juli 2019. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in dit verband aangevoerd dat de tekortkoming een ontbinding niet rechtvaardigt. In het verleden zijn persoonlijke omstandigheden mede debet geweest aan het ontstaan van achterstanden. Inmiddels zijn de financiële en andere problemen opgelost. Het bedrijf van [gedaagde 1] is op zichzelf gezond. Dit bedrijf houdt zich bezig met de handel in elektrische fietsen. Deze komen uit Taiwan. Als gevolg van de coronamaatregelen heeft deze handel enige tijd stilgelegen, maar zij komt nu weer op gang, en zij zullen thans in staat zijn om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . 15. Geoordeeld wordt als volgt. Hoewel de huurachterstand (€ 2.374,40 volgens de inleidende dagvaarding) na dagvaarding maar vóór de eerst dienende dag is teruggebracht tot minder dan een maandtermijn, is er niettemin sprake van ernstige tekortkomingen bestaande uit het gedurende een langere periode herhaaldelijk laten ontstaan van huurachterstanden, waardoor meerdere incassoprocedures noodzakelijk werden. In beginsel kan een ontbinding van de huurovereenkomst daardoor gerechtvaardigd zijn. In het onderhavige geval is echter voldoende aannemelijk dat de onderhavige achterstand mede te maken heeft gehad met persoonlijke omstandigheden (de echtscheiding in 2019 en een medische situatie van [gedaagde 2] ) die naar mag worden aangenomen thans tot het verleden behoren. Ook wordt rekening gehouden met het feit dat door onvoorziene omstandigheden (de coronamaatregelen) de financiële situatie van [gedaagde 1] tijdelijk is verslechterd en dat daardoor zijn mogelijkheden om de achterstand in te lopen tijdelijk niet aanwezig waren. Alles in aanmerking genomen wordt geoordeeld dat een ontbinding van de huurovereenkomst onder deze omstandigheden (net) niet gerechtvaardigd is, zodat de gevorderde ontbinding zal worden afgewezen. 16. [gedaagde 1] dient echter rekening te houden met de mogelijkheid dat in een volgend geval van huurachterstand zal worden geoordeeld dat – ongeacht de hoogte van de huurachterstand – het wederom laten ontstaan van een betalingsachterstand, na de achterstanden die in dit vonnis en in voorgaande vonnissen zijn toegewezen, wijst op het structureel niet nakomen van betalingsverplichtingen, en dat op grond daarvan de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning wel zullen worden toegewezen. 17. Bouwinvest vordert eveneens buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde 1] betwist deze verschuldigd te zijn omdat geen zogenoemde 14-dagen brief is verzonden althans door hem is ontvangen en ook omdat er geen buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, althans werkzaamheden waarvoor de proceskosten geen vergoeding vormen. Bouwinvest verwijst naar de wettelijke bepalingen, stelt dat zij wel een zogenoemde 14-dagen brief heeft verzonden en dat [gedaagde 1] de ontvangst daarvan ook heeft bevestigd door in reactie daarop een aantal betalingsbewijzen van huurtermijnen aan haar te zenden. 18. Geoordeeld wordt als volgt. Bouwinvest heeft een zogenoemde 14-dagen brief overgelegd, gedateerd 22 augustus 2019. Verder heeft zij overgelegd een e-mailbericht van [gedaagde 1] van 6 september 2019 waarin [gedaagde 1] bewijzen van betalingsopdrachten aan Bouwinvest heeft verzonden. Gelet op het korte tijdverloop tussen beide data en de inhoud van beide berichten ligt het voor de hand dat het e-mailbericht van [gedaagde 1] een reactie was van [gedaagde 1] op de 14-dagenbrief. Dat betekent dat het op de weg van [gedaagde 1] lag om, indien hij een andere reden had om bedoeld e-mailbericht te zenden, dit uiteen te zetten en met stukken te onderbouwen. Dit laatste is geheel achterwege gebleven. Daarom wordt er van uit gegaan dat het e-mailbericht van [gedaagde 1] een reactie was op de 14-dagenbrief en dat deze dus door [gedaagde 1] is ontvangen. Daarmee is voldaan aan de eisen als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW, zodat een bedrag aan buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen als na te melden. 19. Dit betekent dat de vorderingen worden toegewezen als hierna bepaald. 20. Gelet op de uitkomst in deze procedure zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van Bouwinvest, de kosten van het incident daarbij inbegrepen, met dien verstande dat de proceskosten in het incident zullen worden begroot op nihil omdat Bouwinvest daarvoor geen extra processtuk heeft behoeven in te dienen en de discussie in het incident voor haar is samengevallen met die in de hoofdzaak. BESLISSING De kantonrechter: veroordeelt [gedaagde 1] om tegen bewijs van kwijting te betalen aan Bouwinvest: € 856,20 wegens huurachterstand gerekend tot en met de huurtermijn voor augustus 2020; € 430,95 wegens buitengerechtelijke incassokosten; € 10,34 wegens rente, berekend tot 4 oktober 2019; e wettelijke rente over € 856,20 met ingang van 4 oktober 2019 tot aan de dag der voldoening; veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Bouwinvest tot op heden begroot op: -griffierecht: € 486,00 -kosten dagvaarding: € 103,06 -salaris gemachtigde: € 720,00 -------------- Totaal: € 1.309,06 inclusief eventueel verschuldigde BTW; veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 60,00 aan nasalaris, alsmede tot betaling van een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving tot nakoming volledig aan dit vonnis hebben voldaan en betekening van het vonnis eerst na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden, een en ander, voor zover van toepassing, inclusief BTW; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/311401 / KG ZA 22-431 Vonnis in kort geding van 5 januari 2023 in de zaak van de stichting STICHTING ZOWONEN, gevestigd en kantoorhoudende te Sittard-Geleen , eiseres, advocaat: mr. L.H.W. Golsteijn te Venlo, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat: mr. R.A. Wijnands te Beekdaelen. Partijen zullen hierna “ZOwonen” en “ [gedaagde] ” genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 22 december 2022 met de producties 1 t/m 9, de conclusie van antwoord met de producties 1 t/m 9, het e-mailbericht van 14 december 2022 van mr.

Golsteijn met daarbij productie 10, de mondelinge behandeling, gehouden op 15 december 2022, het e-mailbericht van mr. Golsteijn van 22 december 2022, waarin hij de voorzieningenrechter mededeelt dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een regeling en hij namens ZOwonen verzoekt om vonnis te wijzen. 1.2. Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden. 2De feiten 2.1. [huurder] (hierna: “ [huurder] ”) huurde met ingang van 27 maart 2018 de woning, staande en gelegen te [plaats 1] , aan de [adres 1] (hierna: “de woning”) van ZOwonen.

Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte van 1 januari 2005 van toepassing. De huurprijs, inclusief servicekosten, bedraagt per 1 juli 2022 € 635,57 per maand en moet vóór of óp de eerste dag van de maand waarop de betaling betrekking heeft zijn voldaan. 2.2. [gedaagde] huurde met ingang van 24 september 2007 de woning, staande en gelegen te [plaats 2] , aan de [adres 2] . ZOwonen en [gedaagde] zijn bij vaststellingsovereenkomst van 19 september 2019 (hierna: “VSO”) (productie 1 bij dagvaarding) onder andere het volgende overeengekomen:

“1.1. Partijen stellen vast dat de tussen partijen bestaande huurovereenkomst per 18 oktober 2019 met wederzijds goedvinden wordt beëindigd. (…) 3.1 Gelet op het tweede kans beleid van ZOwonen komt [gedaagde] voor een periode van (tenminste) zes jaar vanaf de beëindiging van de huurrelatie niet meer in aanmerking voor woonruimte via ZOwonen. Dit betekent concreet dat [gedaagde] in ieder geval tot 18 oktober 2025 niet meer in aanmerking komt voor woonruimte. 3.2 Na de beëindiging van de huurrelatie tussen Partijen zal [gedaagde] in ieder geval niet gaan wonen bij [huurder] .

Laatstgenoemde is woonachtig aan de [adres 1] [plaats 1] .” 2.3. De huurovereenkomst tussen [gedaagde] en ZOwonen met betrekking tot de woning aan de [adres 2] is per 18 oktober 2019 met wederzijds goedvinden beëindigd. 2.4. [gedaagde] is (op enig moment) gaan samenwonen met [huurder] in de woning. 2.5. [huurder] en [gedaagde] zijn op 14 juli 2022 in de burgerlijke stand geregistreerd als partners (productie 3 bij dagvaarding, uittreksel burgerlijke stand). 2.6. Op 14 juli 2022 heeft [gedaagde] een aanvraag medehuurderschap bij ZOwonen ingediend, waarna zij vanaf 18 juli 2022 als medehuurder van de woning door ZOwonen geregistreerd is. 2.7.

Op 22 juli 2022 is het geregistreerd partnerschap van [gedaagde] en [huurder] beëindigd. 2.8. [huurder] heeft per e-mailbericht van 10 augustus 2022 de huurovereenkomst opgezegd en de woning verlaten. [gedaagde] bewoont op dit moment de woning. 2.9. ZOwonen heeft [gedaagde] bij brief van 10 oktober 2022 gesommeerd om de woning binnen veertien dagen te verlaten en de sleutels van de woning bij ZOwonen in te leveren. 2.10. [gedaagde] heeft bij brief van 12 oktober 2022 ZOwonen bericht dat zij niet aan de sommatie van 10 oktober 2022 zal voldoen. 3Het geschil 3.1.

ZOwonen vordert (samengevat), bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1) [gedaagde] te veroordelen om de woning staande en gelegen te [plaats 1] , aan de [adres 1] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, met al het hare en de haren te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking aan ZOwonen te stellen, met machtiging van ZOwonen bij niet tijdige ontruiming deze zelf, voor rekening van [gedaagde] te bewerkstelligen door middel van een deurwaarder, desnoods met behulp van de sterke arm van justitie en politie; 2) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de geldende huur van € 635,57 per maand, vanaf november 2022 tot de dag van daadwerkelijke ontruiming van de woning als bedoeld onder 1, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de verschillende betalingstermijnen (zijnde de eerste van iedere maand) tot de dag van volledige betaling; 3) [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, 4) [gedaagde] te veroordelen in de nakosten. 3.2.

ZOwonen stelt ter onderbouwing van het gevorderde - samengevat - dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft. Allereerst stelt ZOwonen dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met artikel 3.2 van de VSO. [gedaagde] is met ZOwonen overeengekomen dat zij niet bij [huurder] in de woning zou gaan wonen, maar heeft dat toch gedaan. Daarnaast stelt ZOwonen dat [gedaagde] niet aan te merken is als wettelijk medehuurder, omdat zij niet voldoet aan de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden van artikel 7:266 BW. Voor zover [gedaagde] wel als wettelijk medehuurder moet worden beschouwd, maakt zij misbruik van recht.

Volgens ZOwonen is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde] een beroep kan doen op artikel 7:266 BW, omdat het geregistreerd partnerschap een schijnconstructie is in een poging om [gedaagde] de positie van medehuurder te verschaffen, aldus ZOwonen. Het spoedeisend belang van ZOwonen bij haar vorderingen blijkt uit de aard van de zaak, maar ook uit de omstandigheid dat de druk op de sociale huurmarkt onverminderd hoog is en ZOwonen de woning rechtmatig aan een woningzoekende wil gaan verhuren. 3.3. [gedaagde] voert verweer. 3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk gemaakt en volgt uit de aard van de zaak. 4.2. Dit kort geding spitst zich toe op het antwoord op de vraag of [gedaagde] al dan niet zonder recht of titel in de woning verblijft. De voorzieningenrechter zal eerst ingaan op de figuur van het wettelijk medehuurderschap. In artikel 7:266 BW is bepaald dat de echtgenoot of geregistreerd partner van een huurder van rechtswege medehuurder is, zolang de woonruimte de echtgenoot of geregistreerde partner tot hoofdverblijf strekt, ongeacht of de huurovereenkomst vóór dan wel na het aangaan van het huwelijk of van het geregistreerd partnerschap is gesloten.

Indien de huurovereenkomst ten aanzien van de huurder eindigt, wordt de medehuurder in dat geval huurder. 4.3. Het medehuurderschap komt een echtgenoot of geregistreerd partner van rechtswege toe. Daaruit volgt dat het medehuurderschap niet kan worden opgezegd. Een medehuurder kan het medehuurderschap echter wel verliezen, wanneer niet langer wordt voldaan aan de criteria voor medehuurderschap. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat hier het geval. In het midden kan blijven of al dan niet sprake is van een schijnconstructie met betrekking tot het geregistreerd partnerschap, nu immers vaststaat dat het geregistreerd partnerschap tussen [gedaagde] en [huurder] op 22 juli 2022 is beëindigd.

Door het enkele feit dat het geregistreerd partnerschap formeel is beëindigd, verliest de medehuurder het recht op medehuurderschap (vgl. rechtbank Amsterdam 21 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4784).Vanaf 22 juli 2022 kan [gedaagde] aldus niet meer als medehuurder worden beschouwd. 4.4. Nu niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] vóór die datum tot huurder is gepromoveerd (bijvoorbeeld omdat [huurder] de huurovereenkomst met ZOwonen al eerder had opgezegd of uit hoofde van een eigen contractuele relatie met ZOwonen), acht de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat een geldige titel aan het verblijf van [gedaagde] in de woning ontbreekt. 4.5.

De door ZOwonen gevorderde ontruiming moet dan ook worden toegewezen. [gedaagde] heeft verzocht om de termijn van ontruiming op drie maanden, althans op één maand, te stellen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor een dergelijk ruime ontruimingstermijn geen gronden aanwezig zijn. [gedaagde] heeft de noodzaak daarvoor onvoldoende onderbouwd, anders dan met de blote stelling dat zij geen alternatief voorhanden heeft. De door ZOwonen gevorderde ontruimingstermijn van veertien dagen komt de voorzieningenrechter redelijk voor. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is. 4.6.

De gevorderde gebruikersvergoeding vanaf november 2022 zal eveneens worden toegewezen, nu die vordering niet door [gedaagde] betwist is. 4.7. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ZOwonen worden begroot op: - betekening oproeping € 125,03 - griffierecht € 676,00 - salaris advocaat € 1.016,00 totaal € 1.817,03. De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zal op de in de beslissing vermelde wijze worden toegewezen. 4.8. De gevorderde veroordeling in de nakosten is slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot en zullen dan ook worden toegewezen op de in de beslissing vermelde wijze.

5De beslissing

De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] (gemeente [gemeente] ) te ontruimen met al het hare en de haren en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Zowonen te stellen, 5.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een (gebruiks)vergoeding gelijk aan de geldende huur, zijnde € 635,57 per maand, vanaf november 2022 tot de dag van daadwerkelijke ontruiming van de woning als bedoeld onder 5.1., te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de respectieve betalingstermijnen (zijnde de eerste dag van iedere maand) tot de dag van volledige betaling, 5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van ZOwonen tot op heden begroot op € 1.817,03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.4. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, 5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken. type: CM