Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2022:8150 ECLI:NL:RBLIM:2022:8150 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2022:8150 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2022:8150
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/308625 / KG ZA 22-320 Vonnis in kort geding van 20 oktober 2022 in de zaak van: de stichting STICHTING LEGER DES HEILS WELZIJNS- EN GEZONDHEIDSZORG, gevestigd te Almere, eiseres, advocaten mr. J.J. Rijken en mr. M.A. Fijnheer, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE MAASTRICHT, zetelend te Maastricht, gedaagde, advocaten mr. R.B.A.E. Brouwers en mr. H.C. Lejeune. Partijen zullen hierna Leger des Heils en de gemeente genoemd worden. 1De procedure 1.1.

Legislator headnote

AI generated

art. 6:119 BW; ECLI:NL:RBLIM:2022:8150 · Rechtbank Limburg: “Indien u dus inhoudelijk kunt beargumenteren waarom bepaalde uitgangspunten of parameters niet correct zijn, verneemt het onderzoeksbureau dat graag en kunnen zij dit meenemen in de evaluatie van de tariefopbouw.” Hoewel door Transitiepartners derhalve om meer input is gevraagd, is die vervolgens niet door Leger des Heils verschaft, ook niet in NvI 2. 4.7. Bovendien heeft de gemeente onbetwist gesteld dat bepaalde rapportages, vanwege de bedrijfsgevoelige informatie daarvan, niet overgelegd konden worden, waarvoor Leger des Heils (uiteindelijk en om die reden) ook begrip heeft getoond.

Keywords

AI generated
housing costs insurance premium tariff transit charge disability-related expenses user fee weekly commuter allowance

Cited Legislation

AI generated
art. 6:119 BW
veroordeelt Leger des Heils in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.692,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 5.3.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSHE:2021:341
In dit verband heeft de gemeente gewezen op het feit dat door de rechtspraak is toegestaan dat de functiemix bestaat uit een mix van functieschalen van zowel de CAO Sociaal Werk als de CAO GGZ (zie de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:341).
ECLI:NL:RBAMS:2018:6749
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/649680 / KG ZA 18-618 FB/JvS Vonnis in kort geding van 11 september 2018 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OMEGA GROEP B.V., gevestigd te Zwolle, eiseres in de hoofdzaak bij gelijkluidende dagvaardingen van 18 juni 2018, verweerster in (het incident tot) tussenkomst, advocaat mr. S.C. Brackmann te Rotterdam, tegen 1. de AANKOOPCENTRALE REGIO FLEVOLAND, op grond van de Centrumregeling Sociaal Domein Flevoland handelend namens de gemeenten Dronten, Lelystad, Noordoostpolder, Urk, Zeewolde en Almere, gevestigd te Almere, 2. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ALMERE, zetelend te Almere, 3. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE DRONTEN, zetelend te Dronten, 4. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE LELYSTAD, zetelend te Lelystad, 5. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE NOORDOOSTPOLDER, zetelend te Emmeloord, 6. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE URK, zetelend te Urk, 7. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ZEEWOLDE, zetelend te Zeewolde, gedaagden in de hoofdzaak, verweersters in (het incident tot) tussenkomst, advocaten mr. P.H.L.M. Kuypers en mr. N.A.D. Groot te Breda. en 8. de stichting [eiseres sub 8] , gevestigd te [vestigingsplaats sub 8] , 9. de stichting [eiseres sub 9] gevestigd te [vestigingsplaats sub 9] , 10. de stichting [eiseres sub 10] , gevestigd te [vestigingsplaats sub 10] , eiseressen in (het incident tot) tussenkomst, advocaten mrs. P.F.C. Heemskerk en mr. C.M.C. Wagemakers te Amsterdam. Eiseres in de hoofdzaak zal hierna Omega worden genoemd. Gedaagden zullen hierna ook de Gemeenten worden genoemd. De tussenkomende partijen zullen hierna [eiseres sub 8] worden genoemd. 1De procedure Ter zitting van 28 augustus 2018 heeft Omega gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiseres sub 8] een incidentele conclusie tot tussenkomst (subsidiair voeging) ingediend. Omega en de Gemeenten hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt en [eiseres sub 8] heeft een redelijk belang bij haar vordering, zodat de tussenkomst ter zitting is toegestaan. Vervolgens hebben de Gemeenten en [eiseres sub 8] verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Partijen hebben een pleitnota ingebracht en Omega en de Gemeenten eveneens producties. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting zijn verschenen: Aan de zijde van Omega: [naam 1] , [naam 2] ( [functie] ) en mr. Brackmann; Aan de zijde van de Gemeenten: mr. Kuypers en mr. Groot; Aan de zijde van [eiseres sub 8] : [naam 3] ( [functie] ) en mr. Heemskerk. 2De feiten 2.1. De Gemeenten hebben op 27 februari 2018 een Europese aanbestedings-procedure aangekondigd onder het regime van sociale en specifieke diensten voor jeugdhulp met verblijf (hierna: de aanbestedingsprocedure). De aanbestedings-procedure heeft plaatsgevonden conform de Aanbestedingswet 2012 en de Gids Proportionaliteit. 2.2. In de opdrachtomschrijving en het programma van eisen is – voor zover van belang – het volgende opgenomen: ‘1.1. Algemene omschrijving van de Opdracht (…) De Opdracht behelst het uitvoeren van de volgende vormen van jeugdhulp met verblijf voor jeugdigen (18-minners) in het kader van de Jeugdwet: • residentiële jeugdhulp (inclusief crisisopvang); • pleegzorg; • gesloten jeugdzorg (JeugdzorgPlus); • de functie jeugd sterk gedragsgestoord, licht verstandelijk gehandicapt (SG-LVG) en het Multidimensional Treatment Foster Care Program (MTFC-p) uit het Landelijk Transitiearrangement; • intensieve ambulante jeugdhulp als alternatief voor de hierboven genoemde verblijfsvormen. (…) Verder geldt voor deze Opdracht: • een acceptatieplicht die inhoudt dat Opdrachtnemer zorg biedt aan alle Flevolandse jeugdigen met een geldige beschikking/verwijzing/zorgtoewijzing voor jeugdhulp met verblijf. • dat Opdrachtnemer minimaal 70% van de zorg aan nieuwe jeugdigen (gemeten in volumedagen) eigenstandig uitvoert. • dat Opdrachtnemer minimaal 75% van de zorg aan nieuwe jeugdigen (gemeten in volumedagen) uitvoert binnen de grenzen van de regio Flevoland (of buiten Flevoland, maar in nabijheid van de woon- en leefomgeving van jeugdigen). (…) 1.2. Geïntegreerde opdracht De beoogde transformatie is alleen uitvoerbaar en succesvol als deze wordt uitgevoerd door een opdrachtnemer die voldoende beïnvloedingsmogelijkheden heeft op het beoogde resultaat. Deze beïnvloedingsmogelijkheden worden aanzienlijk vergroot door diverse zorgvormen gerelateerd aan verblijf samen te voegen en te beleggen bij één opdrachtnemer. Een uitvoeringsstructuur waarin diverse partijen - naast elkaar - aan de beoogde transformatie werken, is niet realistisch en wenselijk gezien de beoogde ambitie. Om die reden wordt gewerkt met een model, waarin op basis van 1 contractrelatie met een partij afspraken worden gemaakt en deze partij optreedt als opdrachtnemer met een brede veranderopdracht. Bij de afbakening van de integrale Opdracht is naast de mate van samenhang tussen de gevraagde diensten, verder gelet op (1) de samenstelling van de markt en de effecten op deze markt, met name de effecten voor het midden- en kleinbedrijf ('MKB') en (2) de organisatorische gevolgen en risico's voor de Opdrachtgever en Opdrachtnemer.  Ten aanzien van het eerste punt; Inschrijver heeft mogelijk om in samenstelling in te schrijven en Opdrachtgever maakt nadrukkelijk onderaannemerschap mogelijk. Op deze manier hebben kleine(re) (MKB-) aanbieders de mogelijkheid deel te nemen aan de opdracht.  Ten aanzien van het tweede punt: Opdrachtgever heeft veel aandacht voor het mitigeren van de met deze opdracht samenhangende risico's. Enerzijds door de Opdrachtnemer veel ruimte te geven de zorg en ondersteuning naar eigen inzicht in te vullen, een meerjarig vast budget ter beschikking te stellen en ruime substitutiemogelijkheden aan Opdrachtnemer toe te kennen. Anderzijds door een risicodossier onderdeel van de gunning te maken, waarbij een gezamenlijke verantwoordelijkheid van Opdrachtgever en Opdrachtnemer in de risicobeheersing uitgangspunt is.’ In bijlage 7 bij de opdrachtomschrijving en het programma van eisen staat – voor zover van belang – het volgende: ‘Bijlage 7. Spelregels tijdens het aanbestedingstraject (…) E. Geschillen lopende de aanbesteding Deze offerteaanvraag met alle bijbehorende stukken is met zorg samengesteld. Mocht de inschrijver hierin, maar dus ook in de aankondiging of in vervolgdocumenten in de procedure of in de procedure zelf (inclusief de keuze voor de desbetreffende procedure) etc. desondanks tegenstrijdigheden, onvolkomenheden, onjuistheden, etc. tegenkomen, dan dient de gemeente hiervan schriftelijk onverwijld en voorafgaand aan de datum van indienen van de inschrijvingen op de hoogte te worden gesteld, via het in hoofdstuk 2 genoemde contact. Indien naderhand blijkt van onjuistheden etc. en deze zijn niet tijdig door de inschrijver doorgegeven, zijn deze voor risico van de inschrijver. Hiertegen kan dan niet meer in rechte worden opgekomen, in kort geding noch in hoofdzaak. Het betreft hier een verval van recht, waarmee de inschrijver via indiening van zijn inschrijving akkoord gaat. Indien de gemeente met de inschrijver van mening verschilt over onjuistheden etc. en derhalve geen wijziging of aanvulling doorvoert, kan door inschrijvers slechts direct nadat dit hen ter kennis is gekomen hiertegen een gerechtelijke procedure worden gevoerd, in kort geding c.q. in hoofdzaak. Ook dit betreft een verval van recht, waarmee de inschrijver via indiening van zijn inschrijving akkoord gaat.’ 2.3. De Gemeenten hanteren voor de gunning van de opdracht het gunnings-criterium beste prijs-kwaliteitsverhouding. Daarbij hanteren zij een vast budget. 2.4. Naar aanleiding van de aanbestedingsstukken hebben potentiële inschrijvers in totaal 291 vragen gesteld, die verdeeld over drie nota’s van inlichtingen zijn beantwoord. 2.5. Omega en [eiseres sub 8] hebben beide ingeschreven op de aanbestedings-procedure. Blijkens de gunningsbeslissing van 29 mei 2018 heeft [eiseres sub 8] de inschrijving met de beste prijs-kwaliteitsverhouding ingediend. De Gemeenten zijn derhalve voornemens de opdracht aan [eiseres sub 8] te gunnen en hebben haar uitgenodigd voor de concretiseringsfase. 3Het geschil 3.1. Omega vordert het volgende: Primair: de Gemeenten te veroordelen om de aanbestedingsprocedure ‘Jeugdhulp met verblijf 2019’ met kenmerk CIA2017.10.02 in te trekken en ingetrokken te houden; Subsidiair: de Gemeenten te veroordelen om de beoordelingsprocedure zodanig aan te passen dat deze voldoet aan het aanbestedingsrecht, en zodat het risico van favoritisme en willekeur wordt uitgebannen; Meer subsidiair: de Gemeenten te veroordelen tot een andere maatregel die in goede justitie redelijk is en recht doet aan de belangen van Omega en in lijn ligt met de bezwaren van Omega; In alle gevallen: - indien tot afwijzing van een of meer vorderingen wordt geconcludeerd, het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat Omega de zaak in (spoed)appel aan het gerechtshof kan voorleggen zonder dat door het verder uitvoeren van de aanbe-stedingsprocedure een voldongen feit ontstaat; - de Gemeenten te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente; - een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat de Gemeenten in gebreke blijven bij naleving van dit vonnis. 3.2. Ter onderbouwing van haar vordering stelt Omega – samengevat – dat door het ontbreken van de motivering niet getoetst kan worden of de Gemeenten de opdrachten niet onnodig hebben samengevoegd dan wel wat de reden is om de opdracht niet in percelen te verdelen. De aanbestedingsprocedure voldoet daarmee niet aan de Aanbestedingswet, omdat in artikel 1.5 lid 2 Aw is voorgeschreven dat een dergelijke motivering in de aanbestedingsstukken moet zijn opgenomen. Door die motivering niet in de aanbestedingsstukken op te nemen handelen de Gemeenten ook in strijd met het transparantiebeginsel (artikel 1.9 Aw). Het feit dat (potentiële) inschrijvers over deze onrechtmatigheden geen vragen hebben gesteld is volgens Omega niet relevant. De Gemeenten hebben zich immers aan de wet te houden. Het is niet zo dat die verplichting vervalt als (potentiële) inschrijvers de onrechtmatigheden niet aan de orde stellen. Daarnaast stelt Omega dat de Gemeenten onder meer als eis hebben gesteld dat de opdrachtnemer minimaal 70% van de zorg aan nieuwe jeugdigen eigenstandig uit-voert. De Gemeenten hebben niet in de aanbestedingsstukken beschreven of gemotiveerd waarom zij deze eis stellen. Ook blijkt niet van een noodzaak om deze eis te stellen. Een dergelijk noodzaak vloeit immers niet voort uit de aard van de opdracht, die zich kenmerkt door maatwerk voor de betrokken cliënt. Daarbij komt dat alleen [eiseres sub 8] thans zelfstandig voldoet aan die eis, omdat zij 70% van de markt voor jeugdhulp met verblijf in handen heeft. Geen enkele andere aanbieder kan zelfstandig aan de door de Gemeenten gestelde eis voldoen en zal daartoe samenwerkingen (combinatie of onderaanneming) moeten aangaan. De samenstelling van de markt brengt mee dat door deze eis sprake is van ongelijkheid tussen marktpartijen. Door een aanbesteding te organiseren waarvoor maar één marktpartij geschikt is, beperken de Gemeenten de mededinging dusdanig dat het strijdig is met het aanbestedingsrecht. Ten slotte heeft Omega gesteld dat het door de Gemeenten gehanteerde beoor-delingssysteem onvoldoende transparant en objectief is, niet leidt tot de inschrijving met de beste prijs-kwaliteitsverhouding en strijdig is met het aanbestedingsrecht. 3.3. De Gemeenten hebben daartegen – samengevat – aangevoerd dat Omega heeft ingeschreven op de onderhavige opdracht zonder eerst haar bezwaren naar voren te brengen. Hiermee heeft zij mede – gelet op bijlage 7 onder E – haar rechten verwerkt om te klagen over het al dan niet samenvoegen van opdrachten, de (dis)proportionaliteit van eisen en de beoordelingssystematiek. Alle in dit geding naar voren gebrachte klachten betreffen immers (procedurele) aspecten van de aanbestedingsprocedure die Omega reeds vóór de uiterste inschrijfdatum bekend waren en die zij dus aan de Gemeenten had moeten melden voordat zij inschreef op de opdracht. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft ingeschreven, gewacht op de gunningsbeslissing en na een voor haar negatieve gunningsbeslissing een kort geding aanhangig gemaakt. Reeds op die grond dienen de vorderingen van Omega te worden afgewezen, aldus nog steeds De Gemeenten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in de hoofdzaak 4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de zaak. 4.2. In het aanbestedingsrecht mag van een redelijk handelende inschrijver worden verwacht dat hij zich proactief opstelt. Daarom dient een inschrijver zijn eventuele bezwaren tegen de voorgeschreven procedure bij de aanbestedende dienst duidelijk en in een zo vroeg mogelijk stadium aan de orde te stellen, zodat eventuele onregelmatigheden zo nodig kunnen worden gecorrigeerd met zo min mogelijk consequenties voor het verloop van de aanbestedingsprocedure in haar geheel. Daarmee wordt voorkomen dat aanbestedingsprocedures onnodig worden vertraagd. Aldus wordt niet alleen het belang van de aanbestedende dienst gediend, maar ook het belang van de andere inschrijvers omdat daardoor wordt voorkomen dat kosten worden gemaakt in het kader van een procedure die niet aan daaraan te stellen eisen voldoet. Een inschrijver die bezwaren heeft tegen de aanbestedingsprocedure heeft, maar deze niet tijdig aanmeldt bij de aanbestedende dienst, verwerkt om die reden zijn recht om daarover later alsnog te klagen. (Vgl. HvJ EG 12 februari 2004, ECLI:EU:C:2004:93, Grossmann) 4.3. Er zijn in de onderhavige aanbesteding drie Nota’s van Inlichtingen uitgebracht, zodat Omega volop de mogelijkheid heeft gehad om vragen te stellen over de procedure van de aanbesteding. Zij heeft van die mogelijkheid echter nagenoeg geen gebruik heeft gemaakt, en in die fase geen bezwaren tegen de aanbestedingsprocedure naar voren gebracht, hoewel de in dit geding naar voren gebrachte bezwaren naar hun aard al in een vroeg stadium van de aanbesteding voor haar kenbaar waren. Het feit dat zij haar bezwaren pas in dit geding aanvoert, is haar dus toerekenbaar. Daarom heeft zij haar recht verwerkt dit nu alsnog te doen. 4.4. Daarbij komt dat (ook) Bijlage 7 onder E van de aanbestedingsvoorwaarden een uitdrukkelijke waarschuwing bevat om ‘tegenstrijdigheden, onvolkomenheden, onjuistheden, etc.’ met betrekking tot de aanbestedingsprocedure onverwijld en voorafgaand aan de datum van het indienen van een inschrijving aan de Gemeenten kenbaar te maken, zulks op straffe van verval van recht. Het standpunt van Omega dat hieruit niet volgt dat ook onrechtmatigheden moesten worden gemeld, slaagt niet. Een redelijke uitleg van Bijlage 7 onder E, in samenhang met het hiervoor aangehaalde Grossmannarrest, brengt immers mee dat ook - en zelfs eens temeer - onrechtmatigheden in de inschrijvingsprocedure, tijdig gemeld dienen te worden. Nu Omega zulks niet heeft gedaan, heeft zij ook om die reden haar recht verwerkt dit alsnog te doen nadat de opdracht aan een andere inschrijver was gegund. 4.5. Ten overvloede wordt overwogen dat de door Omega naar voren gebrachte bezwaren tegen de aanbestedingsvoorwaarden niet steekhoudend zijn, op de volgende – kort toegelichte – gronden. Samenvoegen van opdrachten 4.6. Het doel van de onderhavige opdracht is te komen tot een duurzaam en samenhangend zorglandschap waarin het jeugdhulpaanbod in de regio Flevoland naar inhoud en volume is afgestemd op de behoeften van jeugdigen en gezinnen. De omstandigheid dat jeugdhulp met verblijf in diverse vormen wordt aangeboden, betekent niet dat sprake is van ongelijksoortige opdrachten. De essentie van de onderhavige opdracht, zoals toegelicht in de aanbestedingsstukken, is immers dat de opdrachtnemer een reële mogelijkheid heeft binnen het totale palet van beschikbare mogelijkheden te zoeken naar het alternatief dat het best past bij elke individuele cliënt. Van samenvoegen van opdrachten is dan ook geen sprake. Voor zover Omega zich in dit verband mede beroept op artikel 1.5 Aw, doet zij dit ten onrechte omdat zij niet een MKB bedrijf is zoals in de desbetreffende bepaling gedefinieerd. Ongemotiveerd niet verdelen in percelen 4.7. Van ongemotiveerd niet-verdelen in percelen is evenmin sprake. Uit het onder 2.2. opgenomen citaat ligt immers de door de Gemeenten gegeven motivering besloten om de opdracht niet te verdelen. Het verdelen in percelen zou de hiervoor in 4.6 bedoelde mogelijkheid voor de opdrachtnemer om ten behoeve van de cliënt individueel te variëren, ondergraven en dus onaanvaardbaar afbreuk doen aan het concept van de onderhavige opdracht. Motivering LTA functies 4.8. Ter zitting is gebleken dat het de bedoeling van de Gemeenten is dat de opdrachtnemer de desbetreffende LTA functies – waarover reeds door de Vereniging Nederlandse Gemeenten met onder meer De Bascule is gecontracteerd – in zijn of haar zorgaanbod integreert op een door de opdrachtnemer te bepalen wijze. Dit volgt ook uit de beantwoording van de vragen in de verschillende Nota’s van Inlichtingen. Dat stond de Gemeenten vrij. Toegeschreven naar één opdrachtnemer 4.9. Omega maakt voorts bezwaar tegen de eis dat de opdrachtnemer minimaal 70% van de zorg aan nieuwe jeugdigen eigenstandig moet uitvoeren. Omega meent dat door deze bepaling in de aanbestedingsstukken er in feite maar één opdrachtnemer is die voor uitvoering van de opdracht in aanmerking komt, te weten [eiseres sub 8] Dat dit standpunt onjuist is volgt reeds uit het antwoord op vraag 10 van de derde Nota van Inlichtingen. Daaruit volgt immers dat Omega voldoende mogelijkheden heeft om aan de 70% eis te voldoen. Zo zou zij een samenwerking aan kunnen gaan met andere jeugdhulpaanbieders of bij haar inschrijving onderaannemers kunnen noemen die allen meetellen voor het percentage. Mede in dit licht volgt uit het feit dat op dit moment alleen [eiseres sub 8] aan de gestelde eis voldoet, niet dat het voor andere inschrijvers onmogelijk is om, door combinatievorming, ook aan die eis te voldoen. Onrechtmatige beoordelingssystematiek 4.10. De beoordelingssystematiek, zoals gepubliceerd in Bijlage 1 bij de opdrachtomschrijving en verduidelijkt in de Nota’s van Inlichtingen, geeft voldoende duidelijk weer op basis van welke elementen de inschrijvingen worden beoordeeld en hoe de Gemeenten tot hun beoordeling komen. Niet kan worden gesteld dat de beoordelingssystematiek die de Gemeenten hanteren niet voldoet aan de eisen van transparantie, duidelijkheid, proportionaliteit en objectiviteit. Van een aanbestedende dienst kan overigens niet worden verlangd dat zij exact omschrijft hoe zij wenst dat de inschrijver een bepaald kwaliteitscriterium invult om een maximale score te kunnen behalen. Daarmee zou immers de mogelijkheid voor de inschrijvers om zich individueel te onderscheiden, worden verminderd. Een gunningssystematiek mede op basis van aannemelijkheid (realiteitsgehalte) kan aan een inschrijver ruimte laten om de gestelde vragen naar eigen inzicht te beantwoorden. Daardoor wordt een inschrijver gestimuleerd om inventief in te schrijven en door zijn beantwoording van de vraag te laten blijken begrip te hebben voor, en inzage te hebben in die aspecten van de opdracht die - naar zijn oordeel -relevant zijn voor de aanbestedende dienst. Op die wijze kan door de aanbestedende dienst een serieuze selectie - en daaraan verbonden puntentoekenning - van de aangeboden concepten plaatsvinden. In het onderhavige geval wensen de Gemeenten met name een beroep te doen op de creativiteit van de inschrijvers om de nagestreefde transformatie van het jeugdhulpaanbod te realiseren. Dat stond hun vrij. 4.11. Hetgeen partijen verder hebben aangedragen kan onbesproken blijven. 4.12. Omega zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeenten worden begroot op: - griffierecht € 626,00 - salaris advocaat € 980,00 -------------- + Totaal € 1.606,00 5Het geschil in tussenkomst 5.1. [eiseres sub 8] vordert – samengevat – het volgende: I. Omega niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans de vorderingen van Omega af te wijzen; II. de Gemeenten te gebieden – voor zover zij de opdracht nog wensen te vergeven – de opdracht overeenkomstig de gunningsbeslissing van 29 mei 2018 te gunnen aan [eiseres sub 8] en over te gaan tot het sluiten van een overeenkomst met [eiseres sub 8] terzake van de opdracht; III. Omega te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijk rente. 6De beoordeling in tussenkomst 6.1. Uit de beoordeling in de hoofdzaak volgt dat het onder 2.5. bedoelde gunningsvoornemen van 29 mei 2018 in stand blijft. Gesteld noch gebleken is dat de Gemeenten zullen afwijken van dit voornemen. Dit brengt mee dat de vordering van [eiseres sub 8] jegens de Gemeenten wegens gebrek aan belang zal worden afgewezen. De vordering van [eiseres sub 8] jegens Omega zal – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – worden toegewezen in die zin dat Omega in de proceskosten zal worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres sub 8] worden begroot op: - griffierecht € 626,00 - salaris advocaat € 980,00 -------------- + Totaal € 1.606,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaal. 6.2. De nakosten inclusief wettelijke rente zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. 7De beslissing De voorzieningenrechter In de hoofdzaak 7.1. weigert de gevraagde voorzieningen, 7.2. veroordeelt Omega in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de Gemeenten en tot op heden begroot op € 1.606,00, 7.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, In tussenkomst 7.4. veroordeelt Omega in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres sub 8] tot op heden begroot op € 1.606,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening, 7.5. veroordeelt Omega in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekenings-exploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening, 7.6. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 7.7. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd. Dit vonnis is gewezen door mr. F.B. Bakels, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J. van Sintemaartensdijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018. type: JvS coll: EB
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/308625 / KG ZA 22-320 Vonnis in kort geding van 20 oktober 2022 in de zaak van: de stichting STICHTING LEGER DES HEILS WELZIJNS- EN GEZONDHEIDSZORG, gevestigd te Almere, eiseres, advocaten mr. J.J. Rijken en mr. M.A. Fijnheer, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE MAASTRICHT, zetelend te Maastricht, gedaagde, advocaten mr. R.B.A.E. Brouwers en mr. H.C. Lejeune. Partijen zullen hierna Leger des Heils en de gemeente genoemd worden. 1De procedure 1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding; de brief van Leger des Heils van 7 september 2022 met producties 1 t/m 35; de brief van Leger des Heils van 9 september 2022 met daarin het verzoek aan de voorzieningenrechter om uiterlijk 16 september 2022 te beslissen op de provisionele vordering; de brief van Leger des Heils van 13 september 2022 met producties 36 en 37; de brief van de gemeente van 13 september 2022; het e-mailbericht van de griffier van de rechtbank aan partijen, waarin namens de voorzieningenrechter is medegedeeld dat Leger des Heils de provisionele vordering wordt ontzegd; de akte houdende nadere onderbouwing vorderingen en indiening productie 38 van Leger des Heils van 26 september 2022; de conclusies van antwoord van de gemeente van 3 oktober 2022 met producties 1 t/m 19; de mondelinge behandeling op 4 oktober 2022; de pleitaantekeningen van Leger des Heils; de pleitnota van de gemeente. 1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De gemeente is (mede namens de regio Maastricht-Heuvelland) de aanbestedingsprocedure ‘Beschermd Thuis’ (hierna: Beschermd Thuis) gestart. Het doel van deze aanbestedingsprocedure is de inkoop van de volgende producten in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo) per 1 januari 2023: Maatschappelijke Opvang zonder verblijf (MO zonder verblijf); Maatschappelijke Opvang met verblijf (MO met verblijf); Crisisopvang; Beschermd Wonen zonder verblijf; Beschermd Wonen licht; Beschermd Wonen basis. 2.2.

In de onderhavige procedure gaat het enkel om het product MO met verblijf, dag- en nachtopvang voor dak- en thuislozen (hierna: DNO). 2.3. Op 16 februari 2022 heeft de gemeente een informatiesessie georganiseerd, waarin zij in algemene zin de planning en inhoud van de inkoop van Beschermd Thuis heeft toegelicht. Vervolgens heeft op 16 maart 2022 een bijeenkomst (de zogenaamde marktconsultatie) plaatsgevonden tussen de gemeente en potentiële inschrijvers. Op 26 april 2022 heeft de gemeente het document ‘Aanbestedingsleidraad: Tender Beschermd Thuis’ (hierna: de leidraad) gepubliceerd.

De leidraad omvat één perceel (Beschermd Thuis) met daarbinnen zes producten, zoals hiervoor onder 2.1 weergegeven. Bij de leidraad zijn bijlagen gevoegd. Hierin heeft de gemeente de gehanteerde tarieven, de verschillende kostprijselementen en de inhoud van de verschillende producten toegelicht. Bij het vaststellen van de tariefopbouw heeft de gemeente adviesbureau Transitiepartners ingeschakeld. 2.4. De door Leger des Heils aangeboden DNO is gevestigd in een pand aan de [adres 1] in [adres 1] (hierna: [adres 1] ). In [adres 1] heeft Leger des Heils sinds april 2022 een capaciteit van 20 bedden en slapen de dak- en thuislozen in een slaapzaal.

Het is de bedoeling en wens van Leger des Heils en de gemeente om MO met verblijf te gaan aanbieden in de vorm van eigen kamers voor de dak- en thuislozen op een andere (geschiktere) locatie, maar die locatie is nog niet gevonden. 2.5. Leger des Heils is het niet eens met de voorwaarden en het daaraan gekoppelde tarief van € 146,14 per etmaal in combinatie met een eventuele slaapzaaltoeslag van € 13,85 waartegen de gemeente MO met verblijf per 1 januari 2023 wil inkopen. Leger des Heils heeft besloten zich bij het indienen van de inschrijving van de ‘Best and Final Offer’ (BAFO), die uiterlijk op 21 september 2022 moest zijn ingediend, niet in te schrijven op het product MO met verblijf. 3Het geschil 3.1.

Leger des Heils vordert, voor zover thans nog van belang, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad:  ( (primair) de gemeente te gebieden: a. de aanbestedingsprocedure Beschermd Thuis te staken en gestaakt te houden, totdat zij: i. de door haar gehanteerde rapporten en adviezen ten behoeve van het vaststellen en onderbouwen van de tarieven en de daaraan ten grondslag liggende parameters publiceert voor zover niet reeds gepubliceerd, en ii. reële tarieven vaststelt op basis van artikel 5.4 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, en b. als zij de aanbestedingsprocedure Beschermd Thuis wenst voort te zetten, inschrijvers gedurende ten minste tien, althans een in goede justitie te bepalen aantal werkdagen na de datum van het vonnis in de gelegenheid te stellen om de definitieve inschrijving zo nodig aan te passen; (subsidiair) iedere maatregel te treffen die in goede justitie redelijk is en recht doet aan de belangen van Leger des Heils; de gemeente te veroordelen in de kosten van het geding. 3.2.

Aan haar vorderingen heeft Leger des Heils kort gezegd ten grondslag gelegd dat de gemeente onrechtmatig handelt. Enerzijds heeft de gemeente niet aan haar motiveringsplicht voldaan en evenmin aan haar verplichtingen op grond van het transparantiebeginsel, terwijl de gemeente anderzijds geen reëel tarief voor MO met verblijf heeft vastgesteld. Door dat tarief niettemin te hanteren, handelt de gemeente in strijd met – kort gezegd – de wet, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de algemene beginselen van het aanbestedingsrecht, aldus Leger des Heils. 3.3.

De gemeente voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het betreft een opgelegde procedure en het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen. 4.2. De voorzieningenrechter heeft reeds ter zitting het verweer van de gemeente, dat de nadere akte van Leger des Heils (zie 1.1, zevende opsommingsstreepje) buiten beschouwing moet worden gelaten, verworpen. De akte blijft daarmee een processtuk waarvan de inhoud bij de beoordeling zal worden betrokken. 4.3. Wat betreft de feitelijke verweren van de gemeente overweegt de voorzieningenrechter dat uitgangspunt van het aanbestedingsrecht is dat door een aanbestedende dienst, zoals in dit geval de gemeente, bepaalde algemene beginselen worden gerespecteerd, zoals het transparantiebeginsel.

Ook moet voldoende door de aanbestedende dienst worden gemotiveerd waarom bepaalde eisen in de aanbestedingsprocedure worden gehanteerd en hoe de aanbestedende dienst tot die eisen is gekomen. Volgens Leger des Heils wordt hieraan niet door de gemeente voldaan, hetgeen de gemeente heeft betwist. Daartoe het volgende. Schending transparantiebeginsel? 4.4. Leger des Heils heeft in de eerste plaats gesteld dat de gemeente de rapporten, die ten grondslag liggen aan het gehanteerde tarief inzake MO met verblijf, niet heeft gedeeld. Onduidelijk is, aldus Leger des Heils, welke gegevens uit welke bron en in welke mate door de gemeente zijn gebruikt.

De door de gemeente naar haar eigen zeggen geraadpleegde bronnen en de daadwerkelijk vastgestelde kostprijselementen corresponderen gezien de discrepanties niet (altijd), hetgeen (mede) onvoldoende verklaart hoe de gemeente tot het uiteindelijke tarief is gekomen. 4.5. Op grond van het transparantiebeginsel rust op de aanbestedende dienst (in dit geval de gemeente) de verplichting om alle voorwaarden en modaliteiten in het kader van een aanbestedingsprocedure op een zodanig duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze te formuleren dat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en deze op dezelfde manier interpreteren. 4.6.

Uit de door de gemeente als bijlage P bij de leidraad overgelegde rapportage van Transitiepartners (productie 13 dagvaarding) blijkt welke bronnen wanneer, waarvoor en in welke mate ter berekening van de kostprijs zijn gebruikt. In dit kader heeft de gemeente onbetwist gesteld dat Transitiepartners reeds tijdens de marktconsultatie (op 16 maart 2022) het tariefmodel met kostprijselementen heeft toegelicht. Bij ieder kostprijselement is toen toegelicht welke percentages en/of parameters zijn gebruikt, de gehanteerde definitie en welke bronnen en documenten hieraan ten grondslag liggen.

Volgens de gemeente waren alle zorgaanbieders voor deze marktconsultatie uitgenodigd, waarbij zij ook uitdrukkelijk werden uitgenodigd tot het stellen van vragen over de gepresenteerde kostprijselementen, parameters en uitgangspunten. Leger des Heils heeft toen geen vragen gesteld. Nadien is de presentatie aan de zorgaanbieders toegestuurd met daarbij opnieuw de uitnodiging om vragen hierover te stellen en input en informatie vertrouwelijk te verstrekken, naar aanleiding waarvan Leger des Heils geen informatie heeft verstrekt. In de daaropvolgende eerste Nota van Inlichtingen (hierna:

NvI) heeft Leger des Heils wel vragen gesteld. Die vragen zijn vervolgens door de gemeente beantwoord en hebben ook tot aanpassingen in de tariefopbouw geleid, waarna de verwerkte en aangepaste informatie bij e-mail van de zijde van de gemeente van 6 april 2022 aan alle zorgaanbieders is teruggekoppeld. In deze e-mail is onder meer vermeld: “Hierbij wensen wij u nogmaals een mogelijkheid te geven om vragen, reacties of andere opmerkingen te maken m.b.t. de tariefopbouw, uitgangspunten en gehanteerde kostprijselementen voor de producten binnen het segment Wmo BW/MO.” Verder is daarbij als antwoord op vraag 6 van Leger des Heils onder meer vermeld:

“Indien u dus inhoudelijk kunt beargumenteren waarom bepaalde uitgangspunten of parameters niet correct zijn, verneemt het onderzoeksbureau dat graag en kunnen zij dit meenemen in de evaluatie van de tariefopbouw.” Hoewel door Transitiepartners derhalve om meer input is gevraagd, is die vervolgens niet door Leger des Heils verschaft, ook niet in NvI 2. 4.7. Bovendien heeft de gemeente onbetwist gesteld dat bepaalde rapportages, vanwege de bedrijfsgevoelige informatie daarvan, niet overgelegd konden worden, waarvoor Leger des Heils (uiteindelijk en om die reden) ook begrip heeft getoond.

En daar waar Leger des Heils stelt dat zij niet de beschikking heeft over de resultaten uit het benchmarkonderzoek van Berenschot, komt zulks voor haar eigen rekening en risico, omdat Leger des Heils daar wel over had kunnen beschikken indien zij had meegedaan aan dit onderzoek. Desondanks heeft de gemeente bepaalde fragmenten uit die bedrijfsgevoelige informatie overgelegd, maar dan in geanonimiseerde vorm. 4.8. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de gemeente voorts gesteld dat zij (logischerwijs) enkel transparant kan zijn met betrekking tot gegevens die haar bekend zijn en waarover zij kan beschikken.

In het verlengde van hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen heeft de gemeente daarnaast naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht naar voren gebracht dat het aanbestedingsproces niet zodanig is ingericht dat de aanbestedende dienst eenzijdig bepaalt welke uitgangspunten (eisen en tarieven) dienen te worden gehanteerd. Dit dient te gebeuren op basis van een dialoog, waarbij de gemeente kan aangeven waar zij twijfels heeft over eigen standpunten en waar zij nog informatie vanuit de markt nodig heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, indien Leger des Heils zelf inzicht had verschaft in haar bedrijfsvoering, hetgeen zij niet heeft gedaan, zulks had kunnen bijdragen aan de tariefbepaling door de gemeente.

Het indienen van een subsidieaanvraag met daarin een begroting, zoals Leger des Heils kennelijk jaarlijks deed, is in dit verband iets anders (namelijk een raming van de financiën) en betreft geen informatie over de wijze waarop Leger des Heils haar bedrijf exploiteert (bedrijfsvoering). Gelet op de speler die Leger des Heils in de markt met betrekking tot MO met verblijf is, waarbij de voorzieningenrechter uitdrukkelijk in aanmerking neemt dat zij als een monopolist moet worden beschouwd in het (beperkte) geografisch gebied waarvoor dit product in deze aanbesteding geldt (Maastricht-Heuvelland), was die informatie van Leger des Heils over de bedrijfsvoering, zo moet redelijkerwijs worden aangenomen, van substantieel belang geweest voor de tariefbepaling. 4.9.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan op grond van het voorgaande dan ook niet gezegd worden dat de gemeente onvoldoende transparantie heeft betracht bij het becijferen en formuleren van het tarief inzake MO met verblijf. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de gemeente, waar zij dat kon, open is geweest over de informatie die is gebruikt en dat de gemeente heeft geprobeerd op basis van een dialoog met potentiële inschrijvers meer (locatie gebonden) informatie te verkrijgen. Is een reëel tarief door de gemeente vastgesteld en zijn daarbij de vereiste motivering, zorgvuldigheid en transparantie in acht genomen? 4.10.

Vervolgens dient de voorzieningenrechter te beoordelen of de gemeente een reëel tarief heeft vastgesteld en of daarbij de vereiste motivering, zorgvuldigheid en transparantie in acht is genomen. Voordat de voorzieningenrechter ingaat op de specifieke punten waarop Leger des Heils kritiek heeft geuit en waartegen de gemeente verweer heeft gevoerd, namelijk met betrekking tot de kwaliteitseisen in verhouding tot het tarief (qua bezetting en functiemix), de productiviteitsnorm, de overhead, kapitaallasten en materiële lasten en de huisvestingskosten, acht de voorzieningenrechter van belang eerst de volgende feiten en omstandigheden aan te halen.

Dat Leger des Heils beschikt over een redelijk efficiënte bedrijfsvoering is niet aannemelijk geworden 4.11. Leger des Heils heeft gesteld dat zij over een redelijk efficiënte bedrijfsvoering beschikt, hetgeen de gemeente echter heeft weersproken. De voorzieningenrechter stelt vast dat Leger des Heils haar stelling vervolgens niet nader heeft onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen. De gemeente heeft gesteld dat Leger des Heils niet heeft deelgenomen aan het maatgevende Berenschot-onderzoek, waarin bedrijfsvoering(en) van zorgondernemingen zoals de hare, gebenchmarkt worden en partijen, maar ook opdrachtgevers, kunnen zien hoe zij scoren ten opzichte van anderen en daarover in discussie kunnen treden.

Weliswaar heeft Leger des Heils ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hiervoor een verklaring gegeven – deelname aan voornoemd onderzoek werd als een niet verstandige besteding van zorggeld gezien – maar daarnaast heeft Leger des Heils gesteld dat zij het beter vond om specifiek bepaalde aspecten te (laten) onderzoeken. Zo heeft Leger des Heils Berenschot in 2020 gevraagd haar kosten voor beschermd wonen en individuele begeleiding te analyseren en beoordeelt het onderzoeksbureau HHM op dit moment de kosten van Leger des Heils voor ambulante Wmo-zorg.

De voorzieningenrechter is evenwel niet gebleken dat Leger des Heils de resultaten van de door Berenschot in 2020 verrichte analyse met de gemeente heeft gedeeld en evenmin dat Leger des Heils de gemeente op de hoogte houdt van de ontwikkelingen in het huidige onderzoek door HHM. Evenmin heeft Leger des Heils tegenover de gemeente inzicht verschaft in haar bedrijfsvoering, zoals reeds hiervoor onder 4.8 is overwogen. In het licht van dit alles is derhalve onvoldoende komen vast te staan dat Leger des Heils over een redelijk efficiënte bedrijfsvoering beschikt.

Aantal cliënten in de DNO is drastisch afgenomen 4.12. Vaststaat dat de gemeente in het verleden 35 slaapplekken in de DNO op [adres 1] subsidieerde, maar dat de gemeente in het kader van MO met verblijf een capaciteitseis van 20 bedden in [adres 1] hanteert. Leger des Heils onderschrijft die capaciteitseis ook. Onbetwist heeft de gemeente naar voren gebracht dat het aantal cliënten in de DNO met ingang van januari 2022 drastisch is afgenomen: het zijn er sindsdien nooit meer dan 11 geweest, met een gemiddelde van 5 slapers per nacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat dit in schril contrast met het verleden, waarbij het kennelijk voorkwam dat 35 of zelfs meer deelnemers in [adres 1] overnachtten.

Gelet hierop kan Leger des Heils zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, niet volhouden dat een vermindering van de capaciteitseis (van 35 naar 20) en een gelijktijdige forse daling van het aantal deelnemers in de DNO (naar niet meer dan 11) ongeveer dezelfde personeelsinzet met zich brengt en de daarmee gepaard gaande kosten niet minder (kunnen) worden. 4.13. Tegen de achtergrond van bovengenoemde twee aspecten (rechtsoverwegingen 4.11 respectievelijk 4.12) moeten de volgende bezwaren van Leger des Heils worden bezien. Kwaliteitseisen en tarief sluiten niet op elkaar aan qua bezetting en functiemix? 4.14.

Gedurende de aanbestedingsprocedure is het gehanteerde tarief voor MO met verblijf meermaals gewijzigd naar aanleiding van vragen in de NvI’s en correspondentie tussen de gemeente en Leger des Heils. Zo bood de gemeente in eerste instantie een tarief van € 87,29, vervolgens een tarief van € 99,05 per etmaal per bed (op 30 mei 2022), daarna een tarief van € 117,64 per etmaal per cliënt (op 23 juni 2022) en uiteindelijk op 12 augustus 2022 een tarief van € 146,14 per etmaal (exclusief een slaapzaaltoeslag van € 13,85 per etmaal). Aangezien [adres 1] gebruik maakt van een slaapzaal, is het huidige tarief derhalve in totaal € 159,99 per etmaal.

Op voorhand acht de voorzieningenrechter dit geen onredelijk laag tarief, omdat de gemeente in dit verband onbetwist heeft gesteld dat (ter vergelijking) het duurste product wonen in deze aanbesteding het ‘zware’ Beschermd Wonen basis is, waarbij 24 uur per dag zorgbegeleiding wordt geboden en het tarief daarvan € 162,55 bedraagt, derhalve slechts € 2,56 per etmaal hoger. 4.15. Volgens Leger des Heils handelt de gemeente onrechtmatig door in het tarief slechts een vergoeding te verdisconteren voor de bezetting van één medewerker in de late avond en nacht en voor hooguit twee medewerkers gedurende de rest van de dag, waarbij de gemeente niet voldoet aan de door haarzelf gehanteerde eisen in de leidraad.

De gemeente heeft dit weersproken. De dubbele bezetting in de nacht die Leger des Heils in de uren wil betrekken, is conform de producteisen niet vereist. Bovendien, zo volgt de voorzieningenrechter de gemeente verder in haar betoog, is niet aannemelijk dat de door Leger des Heils voorgestane bezetting noodzakelijk is, mede gelet op de substantiële afname van het aantal cliënten op locatie zoals hiervoor onder 4.11 is overwogen. Die gewenste bezetting wordt op dit moment ook niet door Leger des Heils gehanteerd, wat de gemeente naar het oordeel van de voorzieningenrechter deugdelijk heeft onderbouwd met stukken (zijnde een e-mail van Leger des Heils zelf van 21 april 2022 en in september 2022 geverifieerde informatie van een consulent, die regelmatig op de locatie [adres 1] aanwezig is).

Terecht heeft de gemeente ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat Leger des Heils geen bewijs of onderbouwing heeft gegeven betreffende de bezetting (in kwantitatief én kwalitatief opzicht) in [adres 1] in de afgelopen periode, terwijl het voor Leger des Heils gemakkelijk en voor de hand liggend was geweest dat zij uit eigener beweging inzage in die bezetting had gegeven. Door eerst ter zitting stellingen in te nemen ten aanzien van het dienstenrooster en de bezetting, heeft de gemeente – vanwege het late stadium waarin deze stellingen door Leger des Heils zijn geponeerd – kunnen volstaan met een blote betwisting daarvan.

De voorzieningenrechter acht die stellingen daarom niet aannemelijk, zodat zij geen afbreuk kunnen doen aan de door de gemeente gehanteerde bezetting. 4.16. In het verlengde hiervan acht de voorzieningenrechter evenmin aannemelijk dat de gemeente een verkeerde functiemix heeft gehanteerd. In dit verband heeft de gemeente gewezen op het feit dat door de rechtspraak is toegestaan dat de functiemix bestaat uit een mix van functieschalen van zowel de CAO Sociaal Werk als de CAO GGZ (zie de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:341).

Volgens Leger des Heils heeft de gemeente functieschaal 4 van de CAO Sociaal Werk (Sociaal Pedagogisch Werker 1, hierna: SPW-er 1) voor 62% in de totale personele inzet verdisconteerd, terwijl een SPW-er 1 nooit alleen op de opvang aanwezig mag zijn, omdat hij groepen niet zelfstandig mag begeleiden en geen pedagogische eindverantwoordelijkheid heeft. Hiertegenover heeft de gemeente onder meer gesteld dat Transitiepartners ten behoeve van de functiemix zowel landelijk als regionaal onderzoek heeft gedaan en in dit verband vacatures (ook van Leger des Heils) daarbij heeft betrokken.

Hieruit is gebleken dat MBO-niveau (functieschaal 4) voor de functie van begeleider passend wordt geacht. Bovendien heeft de gemeente met een hogere functieschaal gerekend dan door Leger des Heils zelf in zijn vacature voor ‘nachtwaker’ wordt voorgeschreven (functieschaal 4 in plaats van functieschaal 3, waarbij eerstvermelde schaal ziet op een medewerker met een sociale opleiding/achtergrond) en is overdag nooit één begeleider aanwezig, omdat daarnaast een medewerker belast met toezicht aanwezig is. Overigens zijn partijen het er wel over eens dat daarnaast, zoals ook nu het geval is, geregeld medewerkers met HBO-niveau overdag aanwezig zijn voor de screening.

Ook ten aanzien van dit punt stelt de voorzieningenrechter vast dat Leger des Heils weliswaar de functiemix ter discussie stelt, maar niet (adequaat) toelicht waarom die niet reëel zou zijn, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.12 is overwogen. In dit verband had Leger des Heils die betwisting meer handen en voeten kunnen geven, indien zij zelf, als monopolist in het geografische gebied waarvoor MO met verblijf geldt, input/informatie over haar bedrijfsvoering had aangeleverd. 4.17. De door Leger des Heils aangehaalde voorvallen (in 2014, waarbij een cliënt na een vechtpartij op de DNO overleed, en in juni 2022, waarbij een cliënt met multi-problematiek, die voorheen op de DNO verbleef, zich gesuïcideerd heeft) kunnen niet tot het oordeel leiden dat er te weinig (gediplomeerd) personeel is of dat een irreële bezetting of functiemix door de gemeente wordt gehanteerd.

Dat er een causaal verband tussen deze voorvallen en de gehanteerde bezetting bestaat, is, voor zover al gesteld, niet aannemelijk geworden. Het standpunt van Leger des Heils dat haar clientèle steeds zwaardere problematiek heeft, maakt het vorenstaande niet anders. Percentage productiviteitsnorm te hoog? 4.18. Leger des Heils heeft gesteld dat de gemeente een productiviteitsnorm van 71,88% heeft vastgesteld op basis van aangeleverde informatie van drie zorgaanbieders en dat die norm is berekend over 1.350 inzetbare uren, maar dat niet duidelijk is welk aandeel bijvoorbeeld ziekteverzuim, directe en indirecte cliëntgebonden tijd en opleidingen in dit percentage hebben, zodat Leger des Heils deze productiviteitsnorm te hoog acht.

Hier heeft de gemeente tegenin gebracht dat de productiviteitsnorm naar aanleiding van de marktconsultatie op 16 maart 2022, mede naar aanleiding van een vraag van Leger des Heils hierover in NvI 1, voor alle producten MO gelijk is getrokken. Dit is vervolgens op 6 april 2022 gecommuniceerd naar alle zorgaanbieders, waarna deze nogmaals de kans en mogelijkheid hebben gehad om op deze aanpassing van het percentage (naar 71,88%) te reageren. Er zijn vervolgens echter geen verdere vragen of input meer ontvangen, ook niet van Leger des Heils. Dit terwijl van een redelijk handelende inschrijver mag worden verwacht dat hij zich proactief opstelt en eventuele bezwaren bij de aanbestedende dienst duidelijk en in een zo vroeg mogelijk stadium aan de orde stelt (vergelijk in dit verband de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6749).

Eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Leger des Heils een zestal vragen hierover opgeworpen (naar aanleiding van een door de gemeente overgelegd stuk onder productie 12), maar dit laat onverlet dat van Leger des Heils, gelet op het vorenstaande, verwacht had mogen worden dat zij eerder aan de bel had getrokken. Dit klemt temeer omdat de gegevens uit productie 12 reeds op 22 februari 2022 door Leger des Heils zelf (en twee andere zorgaanbieders, Levanto en Mondriaan) aan de gemeente zijn verstrekt. Met andere woorden: de huidige vragen en bezwaren van Leger des Heils zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter te laat naar voren gebracht.

Dit betekent dat de voorzieningenrechter daaraan voorbijgaat en uitgaat van de juistheid van de toelichting van de gemeente. Gelet op het voorgaande is mitsdien niet aannemelijk geworden dat de gemeente een te hoge productiviteitsnorm heeft gehanteerd. Percentage(s) overhead, kapitaallasten, materiële lasten te laag? 4.19. Bij de discussie omtrent het percentage aan overhead stelt de voorzieningenrechter voorop dat de gemeente klaarblijkelijk een andere, beperktere definitie heeft gehanteerd dan Leger des Heils. Transitiepartners heeft in de berekening aansluiting gezocht bij de definitie van adviesbureau Berenschot, waarbij onder het begrip overhead valt “personeel dat niet direct bij de levering van zorg is betrokken.” Uitgaand van deze definitie heeft de gemeente percentages gehanteerd van 21,2% (GGZ) en 17,8% (Sociaal Werk).

Leger des Heils heeft gesteld dat het overheadpercentage tussen 30% en 35% ligt en is daarbij volgens de gemeente uitgegaan van een ander, breder begrip van overhead, waarbij naast de personele overhead ook kapitaallasten, materiële kosten, voeding en huisvestingskosten zijn inbegrepen. Deze laatste posten zijn in de berekening van de gemeente separaat door Transitiepartners opgenomen, namelijk voor kapitaallasten en materiële kosten (in totaal) 11,56% en voor voeding en huisvestingskosten 17,9%. Aangezien de gemeente onweersproken heeft gesteld dat indien er van eenzelfde definitie van overhead zou worden uitgegaan, de gemeente in haar berekening zelfs met een hoger percentage aan overhead rekent dan het percentage van 30% tot 35% dat door Leger des Heils is genoemd, gaat de voorzieningenrechter voorbij aan de dienaangaande door Leger des Heils opgeworpen bezwaren en acht hij niet (meer) relevant of voldoende inzichtelijk is op welke wijze de gemeente tot de betreffende percentages is gekomen.

Percentage voor huisvesting en hotelmatige kosten niet dekkend? 4.20. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de gemeente voor huisvesting en hotelmatige kosten een opslag hanteert van 17,9%. Volgens Leger des Heils is deze opslag niet dekkend voor de specifieke kosten die gepaard gaan met de verlening van MO met verblijf en heeft de gemeente onvoldoende onderbouwd hoe de voorgestelde opslag de huisvesting en hotelmatige kosten dekt. Vervolgens heeft de gemeente in de conclusie van antwoord gesteld en met cijfers onderbouwd dat het tarief wel degelijk dekkend is, ook indien wordt uitgegaan van eigen kamers in plaats van de huidige locatie met slaapzaal.

Volgens de gemeente bedraagt de vergoeding € 736,57 per maand en resteert er (naast de huisvestingskosten) zelfs nog ruimte voor het dekken van eventuele schoonmaakkosten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Leger des Heils de cijfermatige onderbouwing van de gemeente onvoldoende gemotiveerd betwist door enkel te stellen dat het niet reëel is te veronderstellen dat een verhuurder voor deze bijzondere groep gebruikers een ‘standaard’-huur zal vragen en de gemeente daarmee niet het vereiste onderzoek naar ‘organisatie-specifieke aspecten’ heeft gedaan.

Leger des Heils verbindt bovendien geen conclusie(s) aan haar stellingen en heeft zelf eerder geen vragen over dit percentage gesteld en evenmin informatie of input geleverd waaruit zou kunnen blijken dat dit percentage niet dekkend zou zijn. De voorzieningenrechter zal daarom ook aan deze bezwaren van Leger des Heils voorbijgaan. Conclusie 4.21. Uit het voorgaande volgt dat Leger des Heils niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gemeente in de aanbestedingsprocedure Beschermd Thuis, wat betreft het product MO met verblijf, onvoldoende transparant is geweest of zich niet heeft gehouden aan andere algemene beginselen van het aanbestedingsrecht of van behoorlijk bestuur.

Evenmin heeft Leger des Heils aannemelijk gemaakt dat de kostprijselementen op onjuiste wijze bij de berekening van het tarief voor MO met verblijf zijn meegenomen, zodat ook niet aannemelijk is geworden dat dit tarief niet reëel is. Van onrechtmatig handelen door de gemeente is dan ook geen sprake, zodat de vorderingen van Leger des Heils zullen worden afgewezen. Wijzigingsclausule 4.22. Tot slot heeft Leger des Heils gesteld dat de gemeente door publicatie van de wijzigingsclausule in de NvI van 1 september 2022 een ontoelaatbare (wezenlijke) wijziging heeft doorgevoerd in de aanbestedingsprocedure voor onder andere het product MO met verblijf.

Hoewel Leger des Heils daar verder geen conclusie aan heeft verbonden door haar eis te wijzigen, hetgeen wel voor de hand had gelegen, zal de voorzieningenrechter hier – in het belang van beide partijen – toch een oordeel over geven. De wijzigingsclausule komt erop neer dat, eenmaal gegund, zowel de opdrachtgever als de opdrachtnemer de mogelijkheid, maar ook het recht hebben om de overeenkomst aan te passen in het licht van dit kortgedingvonnis. De overeenkomst kan doorlopen zonder MO met verblijf en niet valt in te zien waarom dat onrechtmatig is jegens Leger des Heils.

De toepassing door de gemeente van haar recht om het onderdeel MO met verblijf uit de scope te halen, is immers tijdig aangekondigd en vormt bovendien geen aantasting of wijziging van de (eisen van de) aanbestedingsprocedure zelf. Proceskosten 4.23. Leger des Heils zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op: - griffierecht € 676,00 - salaris advocaat € 1.016,00 Totaal € 1.692,00.

5De beslissing

De voorzieningenrechter 5.1. wijst af het gevorderde; 5.2. veroordeelt Leger des Heils in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.692,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 5.3. veroordeelt Leger des Heils in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Leger des Heils niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2022. type: JPW