Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2022:6799 ECLI:NL:RBLIM:2022:6799 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2022:6799 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2022:6799
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Bestuursrecht Zaaknummer: ROE 22/1096 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2022 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van het UWV van 21 april 2022 (het bestreden besluit).

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6 EVRM; ECLI:NL:RBLIM:2022:6799 · Rechtbank Limburg: De bestuursrechter heeft al vaker geoordeeld dat de regeling over het heffen van griffierecht en de hoogte hiervan, zoals in Nederland wordt gehanteerd, dusdanig is dat deze normaal gesproken géén belemmering vormen voor de toegang tot de rechter. In individuele gevallen kan dat anders zijn namelijk als het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken op het moment dat het griffierecht betaald moet worden, minder bedraagt dan 95% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en er geen vermogen is waarmee het griffierecht kan worden betaald. Er kan dan een beroep op betalingsonmacht worden gedaan, waardoor vrijstelling van griffierecht kan worden verleend. Het is dan wel aan de rechtzoekende om dit aannemelijk te maken.

Keywords

AI generated
repeated infringement proper reasons for non-use misleading the judicial authorities right to legal counsel retained defence counsel action for failure to act

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
artikel 6 EVRM
Eiseres heeft bovendien uitdrukkelijk verklaard zich niet te beroepen op betalingsonmacht, omdat deze regeling eveneens in strijd is met artikel 6 EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:282
Datum uitspraak: 13 februari 2015 13/1349 WWB-V Centrale Raad van Beroep Grote kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2013, 11/2617 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) College van burgemeester en wethouders van Den Helder (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 juni 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:CRVB:2021:850
Datum uitspraak: 16 april 2021 20/2097 AOW-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2020, 19/6362 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 15 oktober 2020 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:CRVB:2019:1101
Datum uitspraak: 29 maart 2019 18/2736 WAO-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 mei 2018, 17/8096 Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht van 20 september 2018 heeft de Raad het door appellante ingediende verzoek om herziening van de Raad van 14 mei 2018, 17/8096, niet‑ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:CRVB:2019:4327
Datum uitspraak: 20 december 2019 19/224 WAO-V, 19/226 BESLU-V, 19/227 BESLU-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 3 januari 2019, 18/3229, 18/3191 en 18/4252 (aangevallen uitspraken) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen PROCESVERLOOP Bij drie uitspraken als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 21 augustus 2019 heeft de Raad de door appellante ingestelde hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken niet-ontvankelijk verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Bestuursrecht Zaaknummer: ROE 22/1096 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2022 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van het UWV van 21 april 2022 (het bestreden besluit).

2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

4. De rechtbank stelt voorop dat iemand die beroep instelt op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht moet betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

5. Eiseres heeft het griffierecht in deze zaak niet betaald, terwijl zij daarvoor wel conform de procedurevoorschriften in de gelegenheid is gesteld. Eiseres heeft (schriftelijk) uitgebreid uiteengezet waarom zij het griffierecht niet heeft betaald. Eiseres betaalt geen griffierecht zolang er geen onvervalste documenten worden overgelegd van haar financiën. Verweerder wil deze niet overleggen en de rechtbank vraagt die ook niet op. Volgens eiseres zijn haar financiële gegevens vervalst en verduisterd. Eiseres vindt dat er sprake is van strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat haar recht op de toegang tot de rechter wordt belemmerd en het recht om te worden gehoord wordt geschonden. Eiseres heeft bovendien uitdrukkelijk verklaard zich niet te beroepen op betalingsonmacht, omdat deze regeling eveneens in strijd is met artikel 6 EVRM.

6. De bestuursrechter heeft al vaker geoordeeld dat de regeling over het heffen van griffierecht en de hoogte hiervan, zoals in Nederland wordt gehanteerd, dusdanig is dat deze normaal gesproken géén belemmering vormen voor de toegang tot de rechter. In individuele gevallen kan dat anders zijn namelijk als het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken op het moment dat het griffierecht betaald moet worden, minder bedraagt dan 95% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en er geen vermogen is waarmee het griffierecht kan worden betaald. Er kan dan een beroep op betalingsonmacht worden gedaan, waardoor vrijstelling van griffierecht kan worden verleend. Het is dan wel aan de rechtzoekende om dit aannemelijk te maken.

7. Hieruit volgt dat niet de rechtbank (of verweerder) maar eiseres zélf moet aantonen dat de heffing van het griffierecht in haar geval een onaanvaardbare belemmering vormt om zich tot de rechter te wenden. Dat heeft eiseres niet gedaan. Als zij het griffierecht niet kan betalen, dan staat het eiseres vrij om een beroep te doen op betalingsonmacht. Daarvan heeft eiseres echter uitdrukkelijk afgezien. Dat is haar keuze, maar die heeft dan wel tot gevolg dat geen vrijstelling voor het betalen van het griffierecht kan worden verleend. Dat eiseres het griffierecht niet wil betalen zolang zij de door haar gewenste documenten niet heeft ontvangen, is niet voldoende om een onaanvaardbare belemmering aan te nemen. Het is de rechtbank namelijk niet duidelijk geworden waarom dat voor eiseres een belemmering oplevert om het griffierecht te betalen. Ook in de overige door eiseres omschreven feiten en omstandigheden ziet de rechtbank geen redenen waarom eiseres het griffierecht niet zou kunnen of hoeven te betalen.

8. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat zij redelijkerwijs niet in verzuim is om het griffierecht te betalen. De rechtbank verwijst daarvoor ook naar de bij eiseres bekende uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 december 2019. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Het UWV hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van R.A.H. Viester, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2022 griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: 30 augustus 2022 Informatie over verzet Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282. Vergelijk de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 16 april 2021;

ECLI:NL:CRVB:2021:850 en 29 maart 2019; ECLI:NL:CRVB:2019:1101. ECLI:NL:CRVB:2019:4327.