Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2022:5007 ECLI:NL:RBLIM:2022:5007 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2022:5007 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2022:5007
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Bestuursrecht zaaknummer: ROE 20/2721 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen), en het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg (verweerder) (gemachtigden: J.W.M. Horbach en J. Jansen). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] uit [vestigingsplaats] en [derde-partij 2] en [derde-partij 3] uit [woonplaats] (gemachtigde: mr. P.M.E.P.J. Joosten) (derde-partijen). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om de op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleende vergunning voor de veehouderij aan de [adres 1] / [adres 2] in [vestigingsplaats] in te trekken.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:69a van de Awb; ECLI:NL:RBLIM:2022:5007 · Rechtbank Limburg: Ook is bij het verlenen van de vergunning van 2 november 2017 geen gebruik gemaakt van de passende beoordeling volgens de PAS en is het intrekken van de vergunning volgens verweerder niet een noodzakelijke passende maatregel zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Uit de passende beoordeling behorende bij de vergunning van 2 november 2007 blijkt dat er ten opzichte van de referentiesituatie van 7 december 2004 geen wijzigingen in de milieuvergunde situatie hebben plaatsgevonden, zodat er ten gevolge van de Wnb-vergunde activiteit per definitie geen sprake kan zijn van significante negatieve effecten.

Keywords

AI generated
nature conservation permit revocation of a permit request for protection status renewal of authorization entry permit expired residence permit

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht
In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat de door eiser naar voren gebrachte gronden buiten beschouwing dienen te blijven, omdat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eraan in de weg staat dat de verleende natuurvergunning wordt vernietigd.
artikel 8:69a van de Awb
In artikel 8:69a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter slechts van vernietiging kan en moet afzien, indien de geschonden rechtsnorm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich er op beroept.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:3836
201606653/1/R2. Datum uitspraak: 13 november 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Moerdijk, 2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Moerdijk, 3. Stichting Behoud Buitengebied Moerdijk, gevestigd te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, en Vereniging Milieuwerkgroep Moerdijk, gevestigd te Moerdijk (hierna: SBBM en VMM). appellanten, en provinciale staten van Noord-Brabant, verweerders.
ECLI:NL:RVS:2019:1947
201708737/1/R3. Datum uitspraak: 19 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Heinenoord, gemeente Hoeksche Waard, 2. de gemeente Barendrecht, het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht en de raad van de gemeente Barendrecht (hierna tezamen en in enkelvoud: de gemeente Barendrecht), 3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend te Barendrecht, 4. [appellant sub 4], wonend te Barendrecht, 5. [appellant sub 5], wonend te Heinenoord, gemeente Hoeksche Waard, 6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), beiden wonend te Barendrecht, 7.
ECLI:NL:RVS:2019:872
201605016/1/R2. Datum uitspraak: 20 maart 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: de Stichting Groen Kempenland, gevestigd te Netersel, gemeente Bladel, en anderen, appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 8 juni 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de uitbreiding en wijziging van mestverwerking op de bedrijfslocatie aan de [locatie 1] in Bergeijk.
ECLI:NL:RVS:2020:283
201801320/1/R3. Datum uitspraak: 29 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante sub 1A] & [appellante sub 1B], gevestigd te [plaats], en anderen (hierna: [appellante sub 1] en anderen) 2. Aprisco Retail Parks B.V., gevestigd te Assen, en andere (hierna: Aprisco en andere), appellanten, en 1. de raad van de gemeente Enschede, 2. het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 18 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Hornbach" vastgesteld. Bij besluit van 19 december 2017 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de nieuwbouw van een winkelvestiging met drive-in van de Hornbach op het perceel Kuipersdijk 430 te Enschede.
ECLI:NL:RVS:2019:3655
201807565/1/R2. Datum uitspraak: 30 oktober 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Spui, gemeente Terneuzen, appellant, en de raad van de gemeente Terneuzen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Laan van Othene e.o." vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, en de raad, vertegenwoordigd door L.J.G. van Immerseel en P.H.M. van de Kerkhove, zijn verschenen.
ECLI:NL:RVS:2020:2706
201906841/1/R1. Datum uitspraak: 11 november 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Amsterdam, en de raad van de gemeente Amsterdam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 10 juli 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Twiske Zuid II" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2020, waar [appellant], vergezeld van [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door T.H. van Essen en S. Visser, zijn verschenen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Bestuursrecht zaaknummer: ROE 20/2721 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen), en het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg (verweerder) (gemachtigden: J.W.M. Horbach en J. Jansen). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] uit [vestigingsplaats] en [derde-partij 2] en [derde-partij 3] uit [woonplaats] (gemachtigde: mr. P.M.E.P.J. Joosten) (derde-partijen). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om de op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleende vergunning voor de veehouderij aan de [adres 1] / [adres 2] in [vestigingsplaats] in te trekken.

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 januari 2020 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 september 2020 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een (aanvullend) verweerschrift. [derde-partij 2] en [derde-partij 3] hebben ook schriftelijk gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van verweerder, [derde-partij 3] en de gemachtigde van [derde-partij 2] en [derde-partij 3] .

Totstandkoming van het besluit 1. Op 2 november 2017 is aan [derde-partij 1] een Wnb vergunning (hierna: natuurvergunning) verleend voor het in werking hebben van een veehouderij aan de [adres 1] in [vestigingsplaats] . Deze natuurvergunning is onherroepelijk. In de besluiten van 30 juli 2019 heeft verweerder op verzoek van derde-partijen de tenaamstelling van de natuurvergunning gedeeltelijk gewijzigd en op naam gesteld van de derde-partijen, waarbij de veehouderij aan de [adres 1] is gesplitst in twee aparte inrichtingen ( [adres 1] en [adres 2] ) met een aparte natuurvergunning.

Het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar van eiser heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is bij uitspraak van heden ongegrond verklaard (ROE 20/319).

2. Bij brief van 7 september 2019 heeft eiser verzocht de natuurvergunning van 2 november 2017 op grond van artikel 5.4 van de Wnb in te trekken, aangezien er volgens hem meer dan drie jaren geen dieren meer worden gehouden en de PAS niet meer als basis mag worden gebruikt voor het verlenen van natuurvergunningen. Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 23 januari 2020 afgewezen, omdat geen sprake is van een gewijzigde omstandigheid als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder d, van de Wnb. Dit artikellid bevat volgens verweerder namelijk geen grondslag om een natuurvergunning in te trekken indien meer dan drie jaren geen dieren meer worden gehouden.

Ook is bij het verlenen van de vergunning van 2 november 2017 geen gebruik gemaakt van de passende beoordeling volgens de PAS en is het intrekken van de vergunning volgens verweerder niet een noodzakelijke passende maatregel zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Uit de passende beoordeling behorende bij de vergunning van 2 november 2007 blijkt dat er ten opzichte van de referentiesituatie van 7 december 2004 geen wijzigingen in de milieuvergunde situatie hebben plaatsgevonden, zodat er ten gevolge van de Wnb-vergunde activiteit per definitie geen sprake kan zijn van significante negatieve effecten.

Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd.

3. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat de door eiser naar voren gebrachte gronden buiten beschouwing dienen te blijven, omdat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eraan in de weg staat dat de verleende natuurvergunning wordt vernietigd. Er is volgens verweerder geen sprake van verwevenheid tussen het individuele belang van eiser en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Beoordeling door de rechtbank Relativiteitsvereiste 4. In artikel 8:69a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter slechts van vernietiging kan en moet afzien, indien de geschonden rechtsnorm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich er op beroept.

5. Over het al dan niet tegenwerpen van het relativiteitsvereiste heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de overzichtsuitspraak van 11 november 2020, voor zover een beroep wordt gedaan op gebiedsbescherming van natuurwaarden, onder meer het volgende overwogen (r.o. 10.49-10.52): “De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen, projecten of andere handelingen, die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden (uitspraken van de Afdeling van 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3836, 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1947 en 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:872). (…).

De individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen (uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283, 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1947 en van 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3655).” 6. De rechtbank overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of deze verwevenheid kan worden aangenomen, onder meer rekening wordt gehouden met de situering van de woning van eiser, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van eiser en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied.

Indien het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de directe woonomgeving van eiser, is in beginsel sprake van verwevenheid als hiervoor bedoeld.

7. De bepaling in artikel 5.4 eerste lid, onder d, van de Wnb (intrekkingsbevoegdheid natuurvergunning) kan gevolgen hebben voor een Natura 2000- gebied en strekt ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in een dergelijk gebied. De rechtbank stelt vast dat niet betwist is dat de woning van eiser op een afstand van ongeveer 1,9 kilometer ligt tot het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied ‘Weerter- en Budelerbergen & Ringselven’ en zijn perceel grenst aan dichtbegroeide houtopstand. Hierdoor is er geen direct zicht vanuit eisers woning op genoemd Natura-2000 gebied.

Gelet op de afstand en het ontbreken van zicht op het Natura 2000-gebied maakt het Natura 2000-gebied geen deel uit van de woon- en leefomgeving van eiser en bestaat er geen verwevenheid tussen de belangen van eiser bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving en de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen. Het voorgaande betekent dat eiser zich, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet op de normen van de Wnb kan beroepen. Het beroep van eiser kan om die reden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

8. Eisers verwijzing ter zitting naar punt 84 en 85 van de conclusie van de Advocaat-Generaal van 2 juli 2020 over de zaak van onder meer de Stichting Varkens in nood, ECLI:EU:C:2020:514, volgt de rechtbank niet, omdat dit gaat over de toegang tot de rechter en de relativiteit speelt bij de vraag of een beroepsgrond buiten beschouwing dient te blijven. Eiser heeft recht op toegang tot een rechter, zijn beroep is ontvankelijk. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de natuurvergunning van 2 november 2007 in stand blijft.

Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, rechter, in aanwezigheid van mr. P.M. van den Brekel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2022 griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 juli 2022 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RVS:2020:2706 Uitspraken van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1110 en 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1947.